Bijlage 17 plan-m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Datum: 19-9-2024
Van: SRo
CC: R. Rotink (initiatiefnemer)
Vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht Lichtenvoordsestraatweg 69 te Aalten Algemeen De veehouderijlocatie neemt deel aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv). In het voornemen wordt de woning aan de Lichtenvoordsestraatweg 69 te Aalten herbestemd tot burgerwoning. Tevens worden er in het voornemen 16 nieuwe woningen gerealiseerd op onderhavige locatie. De gronden in eigendom in bezit van initiatiefnemer zijn kadastraal bekend als Aalten, sectie O, nummers 262 en 1258. Deze gronden maken onderdeel uit van onderhavig projectgebied.
Afbeelding 1: impressie planvoornemen (BOO, 2024)
Met de voorgenomen ontwikkeling moet worden aangetoond dat er sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Ten westen en zuiden van het plangebied liggen percelen met een agrarische bestemming. Ingevolge de geldende agrarische bestemming is mogelijk onder voorwaarden bomen en/of fruitteelt toegestaan. Vanwege deze mogelijkheid in het geldende bestemmingsplan kunnen spuitzones in juridische zin een rol spelen. Hierbij moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het betreffende perceel.
1 / 8
Planlocatie Het projectgebied ligt ten noorden van de kern Aalten, aan de Lichtenvoordsestraatweg 69 in de nabijheid van de kern Barlo. De omgeving kenmerkt zich door de aanwezige agrarische bebouwing en agrarische teelt.
Afbeelding 2: luchtfoto planlocatie en omgeving In de huidige situatie bevindt zich ter plaatse van het zuidelijke deel van het projectgebied een varkenshouderij met bijbehorende bedrijfswoning. De varkenshouderij bestaat uit 12 stallen met in totaal ruim 5.000 varkens. Daarnaast bevindt zich in het noordelijk deel van het projectgebied agrarische grond. Ten westen en ten zuiden is eveneens sprake van agrarisch grondgebruik , namelijk grasland of akkerbouwland.
Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor m.e.r. -verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een m.e.r. plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan. Omdat het te realiseren plan in het tijdelijke omgevingsplan (waar de ruimtelijke regels uit verschi llende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken) niet is toegestaan wordt een wijziging van het omgevingsplan opgesteld.
2 / 8
De activiteit die hierbij mogelijk zal worden gemaakt, valt onder onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Onderdeel J11 betreft: ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Voor dit onderdeel zijn geen drempelwaarden opgenomen maar wordt in kolom 2 vermeld ‘Niet van toepassing’. Dat betekent dat voor die projecten geen directe project-mer-plicht geldt. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Omdat het project zal leiden tot het staken van de varkenshouderij en de locatie herontwikkeld wordt tot een nieuw woonerf met maximaal 16 woningen is er sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, waarvoor een project-mer-beoordeling noodzakelijk is.
Initiatiefnemer en bevoegd gezag Dhr. Rotink is initiatiefnemer en de gemeente Aalten is het bevoegd gezag.
Planologische inpassing De planlocatie aan de Lichtenvoordsestraatweg 69 te Aalten is op grond van het geldende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2015’ bestemd als ‘Agrarisch met waarden’, zoals onder de Omgevingswet opgenomen in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Het agrarische bedrijfsperceel beschikt over een ruim bouwvlak en een functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Dit juridisch-planologisch regime is niet passend voor de beoogde ontwikkeling. Daarom zal een wijziging op het omgevingsplan worden vastgesteld waarmee een nieuw en passend juridisch-planologisch kader voor het toekomstig gewenst gebruik en het bouwen wordt geboden.
Afbeelding 3: uitsnede vigerend bestemmingsplan en globale aanduiding projectgebied
3 / 8
Procedurele aspecten 1 Het bevoegd gezag beslist over de project-mer-beoordeling (wel/niet een MER maken). Dat is de mer-beoordelingsbeslissing. Deze moet binnen 6 weken na ontvangst van de mededeling worden genomen. Zie hiervoor artikel 11.11, lid 2, van het Omgevingsbesluit. Als aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten, beslist het bevoegd gezag dat er geen mer nodig is. Wanneer de initiatiefnemer de project-mer-beoordeling en aanvraag samen heeft ingediend, neemt het bevoegd gezag het resultaat hiervan met de motivering op in het (ontwerp)besluit op de aanvraag. Dit volgt uit artikel 11.11, lid 2, van het Omgevingsbesluit.
Inhoudelijke eisen aan de m.e.r.-beoordeling In de beoordeling worden de milieueffecten van het voornemen beschreven. In de praktijk wordt de beoordeling vaak in de vorm van een aparte notitie geschreven (aanmeldingsnotitie). Deze beoordeling is vormvrij, maar er zijn wel eisen aan de inhoud. Deze eisen in bijlage III bij de mer richtlijn zijn omgezet naar artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Een mededeling moet een beschrijving bevatten van: • het project: de fysieke kenmerken en de locatie • de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project • wanneer die informatie beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke effecten door verwachte residuen, emissies en productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen In de beoordeling kan ook een beschrijving opgenomen worden van de kenmerken van het voo rgenomen project. En van de voorgenomen maatregelen, om mogelijk aanzienlijke effecten te beperken of te voorkomen. Een mer is dan niet nodig, zie artikel 11.10, lid 3, van het Omgevingsbesluit. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer -beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de Europese mer-richtlijn (2011/92/EU2). De initiatiefnemer levert deze informatie vaak aan bij het bevoegd gezag. De drie hoofdcriteria zijn: 1. de kenmerken van het project 2. de plaats van het project 3.
de kenmerken van de potentiële effecten
1
https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/milieueffectrapportage/project -mer-beoordeling/
4 / 8
Beoordeling Criteria
Beschrijving van mogelijke effecten
Noodzaak m.e.r.-procedure
Hoofdthema 1: Kenmerken van het project A.
De omvang en het ontwerp
Onderdeel J11 betreft: ‘stedelijk ontwikkelings-
van het gehele project.
project met inbegrip van de bouw van winkel-
Nee.
centra en de aanleg van parkeerterreinen’. Voor dit onderdeel zijn geen drempelwaarden opgenomen maar wordt in kolom 2 vermeld ‘Niet van toepassing’. B.
De cumulatie met andere
In de directe omgeving zijn geen andere ont-
projecten.
wikkelingen voorzien. Er is in die zin dan ook
Nee.
geen sprake van cumulatie van effecten met andere projecten. C.
Gebruik van natuurlijke
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten be-
hulpbronnen.
hoeve van realisatie van de gebouwde omge-
Nee.
ving zal in principe plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER zou moeten worden uitgevoerd. Reguliere woonbebouwing wordt doorgaans gerealiseerd met onder meer steenachtige materialen, beton, staal, glas en hout. Het gaat hierbij om grondstoffen die niet bijzonder schaars zijn. D.
De productie van afvalstof-
Afvalstoffen komen vrij en/of ontstaan als ge-
fen.
volg van normaal gebruik van bebouwing.
Nee.
Bouwafval kan bij de aanleg – evenals afval in de gebruiksfase – op de gebruikelijke wijze worden ingezameld en verwerkt. Het gaat hierbij om afvalsoorten die geschikt zijn voor hergebruik. Over het algemeen kan ruim 90% van het bouwafval worden ingezet als grondstof voor nieuwe producten. Het is daarom essentieel om bouwafval goed te scheiden. Dit begint op de bouwplaats. E.
Verontreiniging en hinder.
Aanlegfase: enkel tijdens de bouw.
Nee.
Gebruiksfase: met de voorgenomen ontwikkeling wordt een varkenshouderijbedrijf gesaneerd. Dergelijke bedrijven hebben een grote verkeersaantrekkende werking wat betreft zwaar verkeer. Licht verkeer valt daarentegen
5 / 8
mee en is veelal beperkt ten opzichte van personeel, adviseur en dierenarts. Als gevolg van het planvoornemen is de verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt. Door de woningbouwontwikkeling is er sprake van een toename aan lichtverkeer met consequenties voor geluid en luchtkwaliteit in de directe omgeving van de planlocatie plaats maar dit leidt, gelet op de afstand tot omliggende functies, niet tot relevante milieueffecten. Gelet op de omvang van het plan draagt het planvoornemen namelijk slechts in ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtkwaliteit. Een eventuele toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied als gevolg van het planvoornemen is middels een Aerius-berekening in beeld gebracht. Hieruit komt naar voren dat significant negatieve effecten kan worden uitgesloten. De milieueffecten die vanuit de omgeving op het projectgebied optreden (zoals geluidhinder vanwege wegverkeerslawaai en functies in de directe omgeving) zijn bestudeerd. Schadelijke effecten hiervan worden voorkomen door rekening te houden met geldende richtafstanden bij het opstellen van het planontwerp. F.
Het risico van zware onge-
Binnen en nabij het projectgebied zijn geen risi-
vallen en/of rampen, waar-
covolle inrichtingen gelegen waarvan een
onder rampen door klimaat-
plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied
verandering.
van het groepsrisico over het projectgebied ge-
Nee.
situeerd is. Met het planvoornemen worden geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt. G.
Risico’s voor de menselijke
Het planvoornemen maakt geen ruimtelijke ont-
gezondheid.
wikkeling mogelijk met effecten op de volksge-
Nee.
zondheid (zoals hinder veroorzakende objecten/activiteiten). Hoofdthema 2: Plaats van het project A.
Het bestaande (en goed ge-
De planlocatie omvat gronden die tot op heden
keurde) grondgebruik.
in gebruik zijn als agrarisch grond en varkens-
Nee.
houderij locatie. B.
Relatieve rijkdom aan en de
Het werkingsgebied bevat geen relatieve rijk-
kwaliteit en het
dom en er worden geen natuurlijke
Nee.
6 / 8
regeneratievermogen van de
hulpbronnen gewonnen die regeneratiever-
natuurlijke hulpbronnen van
mogen behoeven.
het gebied. C.
Het opnamevermogen van
Er wordt in het werkingsgebied geen signifi-
het natuurlijke milieu, met in
cante effecten toegebracht aan het opnamever-
het bijzonder aandacht voor
mogen van het natuurlijke milieu. Uit het ecolo-
gevoelige gebieden.
gisch onderzoek blijkt dat de effecten op het
Nee.
nabijgelegen Natura 2000 gebied nihil zijn. Hoofdthema 3: Kenmerken van het potentiële effect A.
De aard, de orde van
De effecten als gevolg van het bouwproject zul-
grootte en het ruimtelijk be-
len beperkt blijven. De orde grote van het voor-
reik van de effecten (bij-
nemen sluit aan bij het bestaand stedelijk ge-
voorbeeld geografisch ge-
bied van Barlo. De woningen worden met een
bied en omvang van de be-
zorgvuldige architectonische uitwerking, op een
volking die getroffen kan
goede manier ingepast qua vorm en structuur.
Nee.
worden). Het werkingsgebied ligt op voldoende afstand van een Natura 2000-gebied. Uit de onderzoeken naar stikstof depositie en de ecologische onderzoeken zijn er geen ernstige effecten hierop te benoemen. B. C.
Het grensoverschrijdende
Van grensoverschrijdende milieueffecten is
karakter van het effect.
geen sprake.
De intensiteit en de com-
De potentieel aanzienlijke effecten op de di-
plexiteit van het effect.
recte woon- en leefomgeving wijzigen niet sig-
Nee. Nee.
nificant als gevolg van de ontwikkeling van het werkingsgebied. Het effect is beperkt tot het werkingsgebied en nabije omgeving. Relevante milieuaspecten voor onderzoek zijn erfgoed, bodem, natuurwaarden, omgevingsveiligheid, geluidhinder, water, milieuzonering en luchtkwaliteit. In de motivering van de wijziging omgevingsplan is nader op deze aspecten ingegaan waaruit geen redenen blijken om aan te nemen dat sprake is van onoverkomelijke belemmeringen voor planontwikkeling op deze planlocatie. D.
De waarschijnlijkheid van
De effecten duren zo lang de planlocatie voor
het effect, de verwachte
de toekomstige functie in gebruik zal zijn. De
aanvang, de duur, de fre-
effecten zijn uitsluitend omkeerbaar door het
quentie en de omkeerbaar-
gebruik te beëindigen en de hiertoe gereali-
heid van het effect.
seerde bebouwing op te ruimen. Omdat mag
Nee.
worden uitgegaan van een duurzaam gebouwde omgeving gaat het hierbij dan ook in zekere zin om een onomkeerbare ontwikkeling. E.
De cumulatie van effecten
In de directe omgeving zijn geen andere ont-
met de effecten van andere
wikkelingen voorzien. Er is in die zin dan ook
projecten.
geen sprake van cumulatie van effecten met
Nee.
andere projecten.
7 / 8
F.
De mogelijkheid om de ef-
Er zijn als gevolg van het planvoornemen geen
fecten doeltreffend te ver-
effecten op de omgeving te verwachten waar-
minderen.
voor op voorhand mitigerende maatregelen aan
Nee.
de orde zijn.
Conclusie In voorliggende motivering zijn de gevolgen van het realiseren van maximaal 16 woningen en het staken van een intensieve veehouderij nabij de bebouwde kom van Barlo (gemeente Aalten) besproken. De studie is vormgegeven aan de hand van de relevante criteria die staan opgenomen in het Omgevingsbesluit en bijlage III bij Richtlijn 2014/52/EU (waarmee Richtlijn 2011/92/EU is gewijzigd). Dit betekent dat gekeken is naar de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit en de gevolgen van de activiteit voor het milieu. Het project is in zekere zin onomkeerbaar, maar heeft een relatief geringe omvang. Wanneer er geen ‘belangrijke nadelige gevolgen’ zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet nodig om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. Uit voorliggende motivering kan worden opgemaakt dat het gezien de aard van de activiteit en de zorgvuldigheid waarmee het plan kan worden ingepast en gerealiseerd kan worden, is uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen met zich mee zal brengen voor het milieu. Omdat er geen sprake is van relevante effecten, zijn er geen redenen gezien die het doorlopen van een m.e.r. procedure zinvol maken. Een m.e.r.- procedure wordt niet noodzakelijk geacht. Het planvoornemen wordt ten aanzien van het aspect m.e.r.-beoordeling uitvoerbaar geacht.
8 / 8