Bijlage 13 quickscan flora en fauna
Tekst van het document
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING AANVRAGER Rotink Farming B.V. Lichtenvoordsestraatweg 69 7121 RC Aalten
LOCATIE BEDRIJF Lichtenvoordsestraatweg 69 7121 RC Aalten
Initiatieflocatie:
Lichtenvoordsestraatweg 69 7121 RC Aalten
Initiatiefnemer:
Rotink Farming B.V. Lichtenvoordsestraatweg 69 7121 RC Aalten
Adviseur/contact:
FarmConsult Kwinkweerd 5 7241 CW Lochem farmconsult@forfarmers.eu KvK nummer: 08207868 Vestigingsnummer: 000016141881 Opsteller F. Heslenfeld tel. 0653-330180 frans.heslenfeld@forfarmers.eu Aanvullingen in samenwerking met Brabant Eco www.brabanteco.nl
Datum:
17 juli 2024 Aangevuld: 2 oktober 2024
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
1
2
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
INHOUDSOPGAVE ................................................................................................ 1 INLEIDING ........................................................................................................... 2 PLANGEBIED EN VOORNEMEN .............................................................................. 3 RESULTATEN: A. BUREAU-ONDERZOEK................................................................ 8 RESULTATEN: B. LOCATIEONDERZOEK ................................................................ 9 GEBOUWEN ....................................................................................................... 10 WAARNEMINGEN ............................................................................................... 18 VOGELS ............................................................................................................. 19 VLEERMUIZEN ................................................................................................... 24 OVERIGE ZOOGDIEREN ...................................................................................... 26 AMFIBIEËN, VISSEN EN REPTIELEN .................................................................... 30 ONGEWERVELDEN .............................................................................................
32 OVERIGE BESCHERMDE SOORTEN ...................................................................... 34 GRONDWAL EN WINDSINGEL ............................................................................. 35 RESULTATEN FLORA .......................................................................................... 37 BEOORDELING OMGEVINGSWET ........................................................................ 38 WETTELIJK KADER ............................................................................................. 39 CONCLUSIES...................................................................................................... 43 GERAADPLEEGDE BRONNEN ............................................................................... 45 BIJLAGE 1 STROOMSCHEMA BAL, BESCHERMING SOORTEN ................................ 46 BIJLAGE 2 BUREAUONDERZOEK (D.D. 05-07-2024) ............................................. 47 BIJLAGE 3 WAARNEMINGEN NDFF D.D. 24-09-2024 ............................................ 48 BIJLAGE 4 BESCHERMDE SOORTEN § 2.2.2 (VM §3.2) ......................................... 49 BIJLAGE 5 BESCHERMDE SOORTEN § 2.2.1 (VM §3.3) ......................................... 50
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Inhoudsopgave
1
Inleiding FarmConsult heeft van Rotink Farming B.V. opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan in het kader van Het Besluit activiteiten leefomgeving (§ 11.2.2 , § 11.2.3 en § 11.2.4) en aanvullend, de provinciale omgevings-verordening, ten aanzien van bescherming van soorten. Deze quickscan is uitgevoerd in het kader van de procedure Melding sloop en aansluitend wijziging omgevingsplan en aanvraag omgevingsvergunning bouwen. Opdrachtgever heeft het varkensbedrijf aan de Lichtenvoordsestraatweg 69 te Aalten bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) aangemeld voor de landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting . Daardoor zullen de aanwezige varkensstallen worden gesloopt en zal het huidige bestemmingsplan van intensief agrarisch worden omgezet. Het aanwezige woonhuis met bijgebouw zal blijven bestaan, daarna is het voornemen er twee woonerven te realiseren. De op het perceel gevestigde intensieve varkenshouderij zal volledig verdwijnen waardoor er een verbetering van de milieukwaliteit zal plaatsvinden door het definitief vervallen van geurhinder, ammoniakemissie en uitstoot van stikstof. Deze quickscan heeft als doel om te toetsen of vooraf uit te sluiten is dat door het project natuurwaarden ten aanzien van soorten conform de Besluit activiteiten leefomgeving aangetast kunnen worden.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Op basis van deze quickscan kan uitsluitsel worden gegeven of de gemeente bij het behandelen van een aanvraag / melding Omgevingsvergunning een vergunning dient aan te vragen bij de provincie.
2
Plangebied en voornemen Huidig gebruik Het plangebied is gelegen aan de Lichtenvoordsestraatweg 69, 7121 RC Aalten tevens gemeente Aalten. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door een behoorlijk open agrarisch landschap met voornamelijk veehouderij en akkerbouw. Een aantal wegen zijn omrand met bomenrijen en er zijn diverse kleinere waterlopen. Er zijn in de naaste omgeving enkele kleine bosjes. De plan locatie is gelegen op een afstand van: -
Ca. 100 m ten Z van de bebouwde kom van Barlo, de dichtstbij gelegen bebouwde kom Ca. 550 m ten W van de provinciale weg N 313 Ca. 10 mtr ten W van een doodlopende sloot Ca 40 m ten W van een waterplasje / vijver bij huisnummer 67 Ca 55 m ten ZW van een 2e waterplasje / vijver bij huisnummer 71 Ca. 580 m ten W van een klein bosgebiedje, onderdeel van natuurnetwerk Gelderland Ca. 4,4 km ten ZW van Natura 2000 gebied Korenburgerveen
Figuur 1. Luchtfoto met ligging in regio (in gele ovaal)
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Het bestaande en goedgekeurde grondgebruik van de locatie betreft agrarisch gebruik.
3
Ligging ten opzichte van beschermde gebieden Natura 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, in heel directe nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000 gebied. Het meest nabijgelegen Natura-2000 gebied is het gebied Korenburgerveen op een afstand van ca. 4,4 km.
Figuur 2. Ligging ten opzichte van dichtstbij gelegen Natura 2000 gebied
Ligging ten opzichte van gebieden met aanduidingen Natuurnetwerk Gelderland. In figuur 3 is deze ligging aangegeven. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, in heel directe nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Gelderland. Het meest nabijgelegen Natuurnetwerk Gelderland gebied is op een afstand van ca. 580 mtr ten oosten van de bedrijfslocatie gelegen. Het plangebied is gelegen in de Groene ontwikkelingszone.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Natuurnetwerk Gelderland
4
Figuur 3. Ligging ten opzichte van aanduidingen Natuur Netwerk Gelderland
Voorgenomen werkzaamheden
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
De bedrijfslocatie is bebouwd met een bedrijfswoning en 7, deels aan elkaar gebouwde varkensstallen. Het voornemen betreft de sloop van de 7 stallen (zie locatiefoto 1) en de ontwikkeling / nieuwbouw van 2 nieuwe woonerven met in de omgeving passende begroeiing (zie tekening voorgenomen situatie). De totale oppervlakte en volume aan bebouwing slinkt. Naast de sloop van de aangegeven gebouwen komen op de plaats van een grondwal, begroeid met (on) kruiden, lichte struiken en enkele kleine boompjes (nummer 8 in onderstaande locatiefoto) een gedeelte van de woningen en worden in plaats van de windsingel (nr. 9 op de locatiefoto) passende beplanting gerealiseerd; zie tekening voorgenomen situatie .
5
Locatiefoto 1 Luchtfoto huidige situatie met in rood aangeduid de betreffende te slopen gebouwen, 8 een te verwijderen grondwal en 9 te verwijderen windsingel..
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Tekening voorgenomen situatie (uit ‘stedenbouwkundige verkenning’, BOO)
6
Wijze van onderzoek Het onderzoek is uitgevoerd door het uitvoeren van een en een bureauonderzoek en een locatiebezoek. Het bureauonderzoek richt zich op gegevens die van belang zijn voor het mogelijk vóórkomen van beschermde flora- en fauna op de locatie. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen, websites op internet en de Nationale Databank Flora en Fauna(NDFF). Daarin zijn alle waarnemingen in het onderzoeksgebied van de afgelopen 5 jaar opgenomen en beoordeeld. (in het bureauonderzoek is de nummering van de planlocaties anders als in de locatiescan aangegeven). Tijdens het locatieonderzoek is het plangebied, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Er is zoveel mogelijk informatie verzameld om aan-of afwezigheid van beschermde soorten te kunnen vaststellen. Hiervoor is gekeken of er visuele waarnemingen konden worden gedaan of dat geluiden van soorten konden worden waargenomen. Tijdens het bezoek is gekeken naar nesten, pootafdrukken, krab- en andere sporen, uitwerpselen en dergelijke. Op basis van het bureau onderzoek en het locatieonderzoek samen kan een goede inschatting worden gemaakt welke beschermde flora en fauna in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn.
De quickscan is geen volwaardig (soorten) onderzoek of ecologische inventarisatie maar slechts een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie.
Datum Tijdstip Weersbeeld Temperatuur
: 26-06-2024 : ochtend : stralend blauwe lucht : 23 ºC
Op het bedrijf zijn 1 hond en er komen katten vanuit de buurt.
Foto van de hond
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Er heeft 1 veldbezoek op de planlocatie en de naaste omgeving plaatsgevonden. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken.
7
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Resultaten: a. Bureau-onderzoek Zie bijlage 4
8
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Resultaten: b. Locatieonderzoek
Fauna
9
Gebouwen Voor een duidelijk beeld zijn tijdens het locatiebezoek allereerst de planlocaties bekeken. Onderstaand een beschrijving. De 7, grotendeels aan elkaar gebouwde planlocaties betreffen alle varkensstallen voor het varkensfokbedrijf. Alle stallen waren ten tijde van het locatiebezoek in gebruik.
Foto 1 planlocatie 1 vanaf NO
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Planlocatie 1: Een stal voor guste- en dragende zeugen en kraamzeugen met voorin een kantoorruimte en bezoekersruimte. Aan de NO zijde is een gang voor bezoekers die daarvandaan in de afdelingen kunnen kijken. Aan de NW gevel is op zolder de luchtwasser voor meerdere afdelingen in planlocatie 1, 2, 3 en 4. Vooraan, aan de ZO zijde is een werkplaats/ opslagruimte. Planlocatie 2 is een stal voor guste en dragende zeugen. De NO muur is bekleed met damwandprofielplaat met afdichting van de openingen aan de boven en onderzijde. Het dak is een golfplaten dak met ook isolatie op de gordingen daaronder. De golfplaatopeningen zijn afgedicht. Tussen planlocatie 2, 3 en 4 is, tegen de NW muur van planlocatie 1 een doorloopgang gemaakt van enkelwandige houden wanden en een enkelwandig damwand dak. Planlocatie 3 is ook een stal voor guste en dragende zeugen, een ziekenboeg en een berenstal. Planlocatie 4 is de kraamstal met een centraal afzuigkanaal in de nok en een luchtinlaat aan NW zijde , afgedekt met gaas. Planlocatie 5 is een stal voor gespeende biggen en opfokzeugen, met een luchtwasser aan de ZO gevel. Aan de NW zijde is de voerkeuken in een verlenging van het gebouw. Planlocatie 6 is een afdak, strak tegen planlocatie 5 aangebouwd met geen gevel aan de ZO zijde. Planlocatie 7 is een stal voor biggen, opfokzeugen en kraamzeugen.
10
Foto 3 planlocatie 2 vanaf NW
Foto 4 en 5 doorloopgang tussen planlocatie 2, 3 en 4
Foto 6 planlocatie 4, vanaf NW
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Foto 2 planlocatie 2 vanaf NO
11
Foto 8 planlocatie 6 vanaf Oost gezien
Foto 9 Planlocatie 7 vanaf ZO De gevels van de planlocaties bestaan uit geïsoleerde spouwmuren zonder ventilatieopeningen zoals open stootvoegen. De daken bestaan uit golfplaten met isolatie daaronder, gemonteerd op de gordingen. De golfopeningen, boven de goten zijn gedicht met vogelschroot, schuim of aluminium beplating. Kieren bij aansluitingen van dak en muren zijn gedicht t.b.v. de geheel gecontroleerde ventilatie in de stallen. Zie foto’s 10 t/m 20. Alleen planlocatie 6 is een afdak, strak tegen planlocatie 5 aangebouwd met geen gevel aan de ZO zijde
Foto 10 afdichting onder goot planlocatie 1
Foto 11 gaas-afdichting onder bezoekersgang
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Fot0 7 Planlocatie 5 vanaf ZW
12
Foto 13 afdichting onder windveer planlocatie 2
Foto 14 afdichtingen kieren gevel N planloc. 2
Foto 15 afdichtingen golfopeningen alle daken
Foto 16 afdichtingen kit en gaas luchtinlaat planloc. 5
Foto 17 afd. windweer in kopgevel planloc. 5
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Foto 12 golfafdichting planlocatie 2
13
Foto 20 gaas afdichting lucht inlaat planlocatie 4
Foto 21 goot strak tegen gevel planlocatie 5
Foto 22 afdichtingen open golven gevel plan 5
Foto 23 afgedichte constructie planlocatie 6 aan 5
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Foto 18 en 19 muren zonder open stootvoegen planlocatie 2 en 5 als voorbeeld
14
Foto 24 afdichting windveren voorgevel planloc 7
Foto 25 strakke afdichting voorgevel planlocatie 1
Foto 27 strakke afdichting in planlocatie 1
Foto 28 strakke afdichting in planlocatie 1
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Foto 26 strakke afwerking kilgoot planlocatie 4 en 1
15
Foto 30 en 31 afdichtingen boven bezoekersruimte in planlocatie 1
Foto 32 strak afgedichte constructie bezoekersgang planlocatie 1 In de stallen wordt mechanisch geventileerd middels luchtkanalen en centrale afzuiging en luchtwassers. De luchtinlaten zijn alle afgesloten met gaas of bestaat uit geperforeerde plaat (zie foto 33) ; de luchtkanalen en ook de ruimtes daarnaast zijn, ten behoeve van de gecontroleerde ventilatie, geheel afgedicht met schuim. Zie foto’s 34 t/m 36.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Foto 29 strakke afwerking in centrale gangen
16
Foto 34 en 35 geheel dicht afgewerkte ruimtes N en Z naast luchtkanaal in planlocatie 1
Foto 36 geheel dicht afgewerkte ruimtes N naast luchtkanaal in planlocatie 5
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Foto 33 afgedichte geperforeerde plaat planlocatie 3
17
Waarnemingen Bijlage 4, project Lichtenvoordsestraatweg met nummer BE-1073 d.d. 21 september 2024 geeft een overzicht van de waargenomen planten- en diersoorten in en in de omgeving van het plangebied volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF. De NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd. Opgevraagd zijn de gegevens over een gebied van 2 km. Bijlage 5 betreft een lijst van beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn. Deze soorten zijn beschermd onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Dit betreft soorten wiens voortplantings- en rustplaatsen beschermd dienen te worden en waarvoor Nederland tot het natuurlijke verspreidingsgebied behoort. Bijlage 6 betreft een lijst aan soorten van nationaal belang welke verder niet in de Vogel- of Habitatrichtlijn zijn opgenomen maar waarvoor wel rijksregels gelden om ze te beschermen. Bij het veldonderzoek is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Er is met name geïnspecteerd op potentiële groei-, rust-, nest-, en verblijfplaatsen voor beschermde soorten.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Per soortgroep wordt in onderstaande paragrafen beschreven welke soorten worden verwacht in het plangebied, welke soorten er zijn waargenomen tijdens veldbezoek, welke soorten voorkomen in de omgeving, en welke effecten (mogelijk) aan de orde zijn.
18
Vogels In de Omgevingswet worden alle broedende vogels strikt beschermd op grond van de Vogelrichtlijn waardoor alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van deze wet. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen beschermd. De zogenaamde ‘Jaarrond beschermde verblijfplaatsen’. Als deze nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt, een vergunningsaanvraag noodzakelijk zijn. De bescherming van vogels kan worden opgedeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 De eerste 4 categorieën betreffen vogels welke zeer honkvast broeden (1-4) of welke zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een eigen nest te bouwen (4). De vogelsoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
gele
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Beschermingscategorie* en habitat
0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
4, boombewonend 2, gebouwbewonend 3, gebouwbewonend 3, boom- of gebouwbewonend 4, boombewonend 2, boombewonend 3, gebouwbewonend 4, boombewonend 1, gebouwbewonend 4, boombewonend 4, boombewonend
4, boombewonend 4, boombewonend 2, gebouwbewonend 3, boom- of gebouwbewonend
* Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Omgevingswet het gehele seizoen: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Gierzwaluw De gierzwaluw is voor zijn voortplanting bijna uitsluitend gebonden aan menselijke bewoning en daarom komt hij in de zomer veelal in grotere dorpen en steden voor. Omdat ze moeilijk van de grond kunnen opstijgen hebben ze een sterke voorkeur voor hoge nestplaatsen met een ruime aan- en uitvliegroute, zo kunnen ze makkelijk in vlucht komen door zich eruit te laten vallen. Deze koloniebroeders gebruiken het liefst elk jaar hetzelfde nest.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Soort
19
Uilen Steenuil en kerkuil schuwen de menselijke omgeving niet en broeden ook onder daken en op zolders van huizen, loodsen en schuren, maar waarbij de aanwezigheid van geschikt foerageergebied in de directe omgeving noodzakelijk is. Nest- en rustplaatsen van steenuil en kerkuil zijn jaarrond beschermd. Soms maken ze gebruik van nestkasten die speciaal voor hen zijn opgehangen. De ransuil is een uilensoort die in verschillende habitats voorkomt, waaronder bosgebieden, parken, open landschappen met verspreide bomen en agrarisch gebied met houtwallen en bosjes. Ze nestelen zich vaak in bomen, meestal in verlaten nesten van andere vogels zoals kraaien of eksters. Ze geven ook de voorkeur aan bomen met dichte takken of holen in oude bomen. De oehoe is een grote uilensoort die een breed scala aan habitats bewoont, variërend van rotsachtige berggebieden tot bosrijke gebieden en zelfs open landschappen. Oehoes maken vaak gebruik van bestaande nesten van andere grote vogels, zoals arenden of roofvogels, maar ze kunnen ook hun eigen nesten bouwen op rotsrichels, in bomen of zelfs op de grond. Huismus Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van de huismus (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang voor de huismus: nestlocatie, habitat met voedselaanbod en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen.
Gewoonlijk binnen een straal van enkele honderden meters van de nestlocatie. Deze uitgesproken standvogels nestelen bij voorkeur onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en mussenkasten.
Roek Het leefgebied van de roek is open akker- en weideland, afgewisseld met bomen, bosjes, bomenrijen en heggen. De vogel gedijt goed in menselijk cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Roeken hebben voorkeur voor hoge bomen, bij voorkeur niet in een bos maar een losse opstand. Het boomtype maakt niet zoveel uit. Als in het voorjaar de boomkruinen nog kaal zijn, zijn alle nesten van een roekenkolonie goed zichtbaar. Grote gele kwikstaart In het voorjaar en 's zomers is de grote gele kwikstaart te vinden in de buurt van waterstroompjes, vooral in de bergen en heuvels. De vogel nestelt in holten in de buurt van water. 's Winters bevinden ze zich bij lagergelegen water en aan de kust. Roofvogels De habitat van roofvogels bestaat, afhankelijk van de soort, uit een bos of een grote (half)open vlakte waar de vogels kunnen jagen. Daarnaast hebben ze in hun leefgebied een geschikte boom nodig waarin een nest gebouwd kan worden. Geen van de biotopen van genoemde vogelsoorten komt voor in het plangebied. Zie ook ‘Bespreking’ op pagina 23. Categorie 5 Categorie 5- soorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het algemeen geldt niet zozeer de bescherming van de nestplek zelf, maar meer de schaarste van dit type nestgelegenheid.
Het betreft voornamelijk holenbroeders of vogels die een groot nest bouwen als zwarte kraai of ekster, waarvan enkele andere soorten vogels gebruik maken die niet in staat zijn om zelfstandig een nest te bouwen (bijv. ransuil, torenvalk en boomvalk).
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Ooievaar Als carnivoor eet de ooievaar een breed scala aan dierlijke prooien, inclusief insecten, vissen, amfibieën, reptielen, kleine zoogdieren en kleine vogels. Hij pakt het meeste voedsel van de grond, tussen lage vegetatie en uit ondiep water. Het is een monogame broeder, maar vormt geen paar voor het leven. Het paar bouwt een nest bestaande uit grote takken, dat soms jaren wordt gebruikt.
20
Overige Vogelrichtlijnsoorten Overige Vogelrichtlijnsoorten zijn vogels wiens nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn. Net als de oude Wet natuurbescherming hanteert de Omgevingswet geen standaardperiode voor het broedseizoen, maar voor de volledigheid wordt vaak gesproken van half maart tot half juli. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Men dient daarom gedurende kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Waarnemingen locatiescan specifiek: Tijdens het locatiebezoek zijn de volgende vogels in het plangebied of de direct omgeving daarvan aangetroffen.
Houtduif Spreeuw
Kraaiachtige Ekster Koolmees , pimpelmees Huismus
aantal 1 rustend en gehoord 1 overvliegend, 1 overvliegend Meerdere foeragerend , overvliegend veer 1 Overvliegend nestkasten gehoord
Foto 31 Vink op dak planlocatie 2
plaats Op dak planlocatie 2
Onderstaande foto’s 31
Op ca. 100 mtr N van planlocatie 2 Op ca. 50 mtr W van planlocatie 3 In weide op ca. 80 m N van planlocatie 2, Boven weide, ca. 50 mtr W van planlocatie 3 Op erf, ca. 5 m N van planlocatie 2 Boven weide op ca. 30 m Z planlocatie 5 In boom ca. 5 m ZO van planlocatie1
32 33 34 35
In tuin bij woonhuis, op ca. 40 m ZO planlocatie 1
36 37 38 -
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Soort Vink
21
Foto 33 Houtduif, overvliegend
Foto 34 Spreeuwen, foeragerend
Foto 35 Spreeuwen, overvliegend
Foto 36 Veer kraaiachtige
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Foto 32 Houtduif, overvliegend
22
Foto 38 nestkast mezen Bespreking: Op en rond het bedrijf komen meerdere vogelsoorten voor. Huismus: Bij de planlocaties zijn alleen huismussen gehoord in de tuin bij het woonhuis; niet visueel waargenomen. Er zijn geen waarnemingen van verblijf, of nesten van deze soort tijdens het locatiebezoek. De planlocaties zijn door afdichtingen van kieren en gaten en door sterke tocht in ventilatiekanalen niet geschikt als verblijfplaats voor deze soort. Dat maakt de planlocaties niet geschikt als biotoop voor deze soort. Uilen: Er zijn geen waarnemingen van aanwezigheid of sporen van deze soort vogels. De overige waargenomen vogelsoorten betroffen waarnemingen van aanwezigheid, of sporen daarvan (nestkastjes) buiten de planlocaties. Het betreffen geen jaarrond beschermde soorten. Er zijn geen zwaluw-soorten of sporen daarvan aangetroffen.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Foto 37 Ekster overvliegend
23
Vleermuizen Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep strikt beschermde soorten. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: ‘het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort’. Dit houdt in dat niet alleen verblijfplaatsen, maar ook belangrijke verbindingen hiertussen (vlieg- en foerageerroutes) beschermd zijn. Voor alle vleermuissoorten geldt geen vrijstelling of vergunningverlening indien het puur gaat om een ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. De checklist Vleermuisprotocol 2021 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtspunten: Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, zijn er sporen van aanwezigheid en is er sprake van een foerageergebied? De vleermuissoorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel.
Bosvleermuis Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km
Habitat en bescherming Vooral bomen, soms bebouwing, strikt beschermd Vooral bebouwing, strikt beschermd
0-2 km
Soms bebouwing, soms bomen, strikt beschermd
0-2 km 0-2 km
Vaak bebouwing, strikt beschermd Vooral bomen, strikt beschermd
Verblijfplaatsen Het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn vleermuizen die in bomen hun verblijfplaatsen onderhouden en soorten die in gebouwen verblijven. De in het plangebied staande bomen met geschikte stamdiameter zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op holtes, gaten of loshangende schors waarin vleermuizen mogelijk verblijfplaatsen kunnen hebben. Hiervan zijn geen waarnemingen gevonden. Alle bomen in en rond het plangebied blijven behouden tijdens de voorgenomen werkzaamheden. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen.
Foerageergebied Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn, zoals de bossen en weilanden. Vliegroutes Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen of houtwallen, om zich te verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebieden. Er zijn duidelijke lijnvormige elementen direct naast het plangebied aanwezig, die duiden op de aanwezigheid van een vliegroute, doch deze zijn geen onderdeel van de ingreep en zullen gehandhaafd blijven. De tuinen, de bomen en het openbaar groen in de directe omgeving zijn geen onderdeel van de ingreep en derhalve kan er gesteld worden dat het foerageergebied gelijkblijvend zal zijn, tijdens en na de ingreep.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Vleermuissoort
24
In het plangebied zelf zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Foeragerende vleermuizen in (de omgeving van) het plangebied zouden voor kunnen komen. Tijdens het locatiebezoek zijn geen tekenen van aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied of de direct omgeving daarvan aangetroffen. Bespreking: Er zijn geen potentiële invliegopeningen, zoals open stootvoegen in de buitengevels van de stallen waargenomen. Ook zijn de overstekbetimmeringen strak tegen de buitengevels geplaatst, waardoor geen gaten en kieren ontstaan die vleermuizen de kans bieden de spouw te betreden. Ook zijn er geen andere potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen, zoals andere een holle ruimtes achter een windveer of boeiboord, in het plangebied waargenomen. Uitwerpselen, dode dieren of prooiresten die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bewonende vleermuizen ontbreken. Er zijn geen waarnemingen van vleermuizen of sporen van deze soort aangetroffen. Gezien de dichte constructies en afgedichte kieren enerzijds, en de erg tochtige omstandigheden in de luchtkanalen zelf anderzijds zijn er geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen in en in de directe omgeving van de planlocaties aanwezig. Ook het gebruik als varkensstallen maakt de te slopen stallen niet geschikt als leefgebied.
Deze dierhouderij gaat gepaard met een behoorlijke vorming van o.a. ammoniak. Dit zijn afstotende omstandigheden voor onderhavige soort.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Effecten voor vleermuizen zijn uitgesloten.
25
Overige zoogdieren Marterachtigen Marterachtigen hebben voor hun overleving drie zaken nodig: dekking, verbinding en rustplaatsen. Deze dieren zijn vooral ’s nachts actief waardoor het fysiek aantreffen van individuen tijdens een veldbezoek zeer onwaarschijnlijk is. De marterachtigen die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Marter soort Boommarter Bunzing Das Steenmarter
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Bescherming Beschermd Beschermd Beschermd Beschermd
Boommarter De schuilplaats van de boommarter bestaat meestal uit een holle boom, de nestplek evenzeer en hun leefgebied bestaat doorgaans uit bos, zowel loof- als naaldbos en gemengd bos, jong en oud. Toch wagen ze zich ook buiten bosgebieden, maar bomen zijn nooit ver weg. De dieren leven solitair en kunnen goed zwemmen. ’s Nachts legt een boommarter 2 tot 20 kilometer af.
Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed een burcht kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Dassen foerageren in kort gras, omdat hier het voedsel het gemakkelijkst te vinden is. Steenmarter De steenmarter is een soort van steenachtige biotopen en schuilplaatsen. De soort komt met name voor aan de rand van dorpen en steden, maar is ook te vinden nabij boerderijen en kleinschalige cultuurlandschappen. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. Overige grondgebonden zoogdieren De overige grondgebonden zoogdieren omvatten alle verder in het wild levende zoogdieren, waaronder vooral knaagdieren, evenhoevigen en insecteneters. Sommige van deze soorten zijn beschermd, maar een aantal van deze soorten vallen er in de provincie Gelderland tot de vrijgestelde soorten.
Voor soorten uit deze categorie betekent dat bij ruimtelijke ontwikkeling er geen omgevingsvergunning hoeft te worden gevraagd en dat rust- of verblijfplaatsen verwijderd mogen worden, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In de onderstaande tabel zijn de overige grondgebonden zoogdieren te vinden
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Bunzing Doordat ze niet kieskeurig zijn wat betreft hun voedsel, komen bunzings voor in vele verschillende landschapstypen. Ze komen vooral voor in bebost laagland nabij water, waaronder rivieroevers en moerassen. In de winter worden bebouwde gebieden opgezocht en is de bunzing te vinden in de buurt van boerderijen. Deze zoogdieren verplaatsen zich vooral via lijnvormige landschapselementen zoals hagen die tot aan de grond komen (geen opgesnoeide hagen) of greppels, en vinden er hun voedsel. Landschapselementen in een geschikt habitat voor kleine marterachtigen zijn o.a. struwelen, hoge graslandvegetatie, houtstapels, holle bomen, houtwallen, takkenrillen of stapels stenen of puin. Voor de bunzing is water in de nabijheid van belang.
26
die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Overige soort Eekhoorn Grote bosmuis Waterspitsmuis
Afstand plangebied 0-2 km 0-2 km 0-2 km
Bescherming Beschermd Beschermd Beschermd
Eekhoorn Eekhoorns zijn te vinden in verschillende bosomgevingen, waaronder loof-, naald- en gemengd bos. Ze komen ook voor in tuinen, parken en houtwallen. Als er voldoende voedsel beschikbaar is, kunnen ze ook in bebouwde gebieden worden aangetroffen. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden, zoals eikels, noten en zaden uit kegels van naaldbomen. Ook eten ze als aanvulling daarop (afhankelijk van het jaargetijde) knoppen, bladeren, bessen, paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels. Specifieke voedselbomen kunnen zijn: eiken-, beuken-, walnoot-, hazelnoten- en pijnbomen. Eekhoorns bouwen nesten in bomen. Naast één hoofdnest zijn ook vaak vijf tot zes bijnesten aanwezig.
Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Ook wordt hij veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodem bedekkende vegetatie aanwezig en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Vrijgestelde soorten Volgens de gegevens uit de NDFF komen in de omgeving van het plangebied de egel, haas, konijn, rosse woelmuis en wild zwijn voor. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Gelderland tot de vrijgestelde soorten. Voor alle in het wild levende dieren geldt de algemene zorgplicht. Tijdens het locatiebezoek zijn de volgende overige zoogdieren of tekenen van aanwezigheid in het plangebied of de direct omgeving daarvan aangetroffen. Soort Haas Mol
Teken van aanwezigheid 2 aanwezig Rit langs stal
plaats
Onderstaande foto
In weide ca. 40 m W van planlocatie 5 Langs muur Z planlocatie 5
37 38
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Grote bosmuis De bosmuis komt, ondanks zijn naam doet vermoeden, voor in zowel bossen als open terreinen, zolang er maar voldoende dekking is zoals lage begroeiing of verspreid liggende stenen. De bosmuis is te vinden in duinen, heide, akkers, wegbermen, niet te natte rietlanden en braakliggend land. Maar ook in boomgaarden, parken en tuinen. In zeer natte terreinen en open weilanden komt hij niet voor.
27
Foto 37 Hazen in weide
Bespreking: De directe omgeving van de planlocaties, biedt enkele algemene zoogdiersoorten mogelijk een potentieel geschikt leefgebied. Hierbij moet met als eerste gedacht worden aan soorten als: Ware muizen, woelmuizen, spitsmuizen, bruine rat, zwarte rat en egel. Er wordt aan ‘ongedierte-; bestrijding gedaan (zie foto 39 en 40), er is een hond en regelmatig ook katten. Vanwege de aard van de bedrijfsvoering is wering van ‘ongedierte’ een belangrijk item. De planlocaties zelf zijn daarmee geen potentieel geschikt verblijfsgebied voor soorten uit deze groep. Voor kleine marterachtigen kunnen er daardoor maar zeer beperkt potentiële prooidieren aanwezig zijn; zeker al niet in de planlocaties. Voor bespreking van de grondwal en windsingel zie in betreffende rubriek. Na uitvoeren van het voornemen blijft de omgeving in minstens gelijke mate geschikt voor deze soorten. Varkensstallen zijn afgesloten
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Foto 38 Mollenrit langs muur planlocatie 5
28
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Foto 39 en 40 bestrijdings-kistjes
29
Amfibieën, vissen en reptielen Amfibieën en vissen zijn gedurende een groot deel van hun leven afhankelijk van waterstructuren. Vooral tijdens het voortplantingsseizoen is het erg belangrijk om waterstructuren in plangebieden te onderzoeken op de aanwezigheid amfibieën die de waterstructuren als voortplantingslocatie gebruiken. Hierbij gaat het bij amfibieën om een waterstructuur van maximaal 1,5 meter diep. Nederlandse reptielen komen met name voor op hogere zandgronden, met name bij stuwwallen, kust- en rivierduingordels. De soorten die volgens de NDFF de laatste vijf jaar zijn waargenomen in een straal van twee kilometer rond het plangebied zijn te vinden in de onderstaande tabel. Soort Levendbarende hagedis
Afstand plangebied 0-2 km
Soortgroep en bescherming Reptielen, beschermd
Levendbarende hagedis Heide en hoogveen vormen de voorkeurshabitat voor de levendbarende hagedis. De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. Er zijn ook enkele waarnemingen bekend uit laagveen.
Bespreking: De voorgenomen ingrepen vinden op het land plaats en er is grotendeels erfverharding aanwezig. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De sloot en vijver / waterplas bij huisnummer 67 en die bij huisnummer 71 liggen op resp. ca. 10, 40 en 55 meter afstand van het plangebied. Hierdoor is het voorkomen van vissen in het plangebied op voorhand uit te sluiten. Ook kunnen negatieve effecten op het voortplantingshabitat van amfibieën op voorhand worden uitgesloten. De huidig aanwezige waterpartijen/ sloten zouden in theorie geschikt kunnen zijn voor amfibieën als voortplantingshabitat maar aangezien deze direct grenzen aan intensief onderhouden tuinen en bemest grasland is het voorkomen van beschermde amfibieën, reptielen en vissen niet aannemelijk als voortplantingshabitat. Wel is het plangebied geschikt als land- en overwinteringshabitat voor algemene niet-kritische soorten. Deelconclusie amfibieën, vissen en reptielen Bepaalde amfibieën zoals de gewone pad, bruine kikker en bastaardkikker zouden mogelijk voor kunnen komen, ook in de landfase. Deze kunnen zich in de erfbeplanting en in de tuinen van het plangebied kunnen schuilhouden tussen de beplanting, tussen opgeslagen materialen en ingegraven in de grond. De waargenomen levendbarende hagedis komt volgens RAVON met name voor in heide, veengebieden, bossen en struweel.
Het ontbreekt in het plangebied aan geschikt habitat voor reptielen zodat het voorkomen ervan is uit te sluiten. Het is echter altijd noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. De ingreep leidt niet tot een overtreding van de Omgevingswet voor deze soortengroepen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Om vestiging van rugstreeppadden binnen het plangebied te voorkomen, dient het ontstaan van poeltjes of plassen binnen het plangebied in het voortplantingsseizoen (april-september) van de rugstreeppad
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen soorten amfibieën, vissen of reptielen of tekenen daarvan aangetroffen.
30
te worden voorkomen. Een andere optie is (wanneer het plangebied in de huidige situatie nog niet geschikt was) het afzetten van het plangebied met een amfibieënscherm. Met het verwijderen van de beplanting en houtwal in het plangebied wordt mogelijk een overwinteringshabitat van amfibieën verstoord of vernietigd. Het slootje als voortplantingsplaats is niet aannemelijk door het gebruik van de naastgelegen gronden. Voor bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt bij ruimtelijke ingrepen in de provincie Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt altijd de algemene zorgplicht waardoor het wel noodzakelijk is om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. Het uitvoeren van graafwerkzaamheden op locaties onder beplantingen en in bosschages waar beschermde amfibieën voor zouden kunnen komen dient plaats te vinden in de periode buiten de overwinteringsperiode van de soort. Dat betekend dat de werkzaamheden mogen worden uitgevoerd in de periode half april tot half oktober.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Effecten op deze soortgroep kunnen worden uitgesloten.
31
Ongewervelden Volgens de NDFF zijn er de laatste vijf jaar 3 dagvlindersoorten waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze soorten zijn te vinden in de onderstaande tabel. In het plangebied ontbreken specifieke biotopen en waardplanten voor beschermde libellen en dagvlinders. Soort
Afstand plangebied 0-2 km
Grote vos Grote weerschijnvlinder Kleine ijsvogelvlinder
0-2 km 0-2 km
Soortgroep en habitat Dagvlinder, vochtige open bossen, waardplant: iep, kers en wilgen Dagvlinder, loofbossen, of bosjes in beekdalen, waardplant: boswilg Dagvlinder, vochtige gemengde bossen en loofbossen, waardplant: wilde kamperfoelie
Grote vos De grote vos komt voor in verschillende leefgebieden, waaronder bossen, parken, tuinen en andere gebieden met veel vegetatie. Volwassen grote vossen voeden zich voornamelijk met nectar uit bloemen. De rupsen voeden zich met verschillende soorten loofbomen, waaronder wilg, populier en fruitbomen. Volwassen grote vossen overwinteren vaak in holle bomen of schuilplaatsen om de koude maanden te overleven.
Kleine ijsvogelvlinder Het habitat van de kleine ijsvogelvlinder bestaat uit gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. Geschikte waardplanten groeien doorgaans in de halfschaduw. De vlinder vliegt in de halfschaduw op open plekken, bredere bospaden en langs bosranden. De vlinders leven vooral hoog in de bomen, maar komen 's morgens naar beneden om te drinken van mest, rottend fruit of vocht van de grond. Libellen komen voor in diverse biotopen, variërend van zoetwatermilieus zoals vijvers, meren, en beken tot moerassen en zelfs brak water. Ze geven de voorkeur aan waterrijke gebieden omdat hun larven (nymfen) aquatisch leven. Als volwassen insecten zijn ze echter vaak te vinden in verschillende omgevingen, waaronder open graslanden, bossen, en tuinen. Vlinders hebben ook diverse biotopen, afhankelijk van de soort. Sommige soorten vlinders geven de voorkeur aan open graslanden en bloemrijke weiden, terwijl andere zich thuis voelen in bosrijke gebieden. Vlinders kunnen ook worden aangetroffen in tuinen, langs bosranden, en zelfs in stedelijke gebieden. Tijdens het locatiebezoek zijn de volgende ongewervelden of tekenen van aanwezigheid in het plangebied of de direct omgeving daarvan aangetroffen. Soort Groot koolwitje
Teken van aanwezigheid 1 aanwezig
plaats
Onderstaande foto
Op erfbegroeiing ca. 15 m NO van planlocatie 1
41
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Grote weerschijnvlinder Het habitat van de grote weerschijnvlinder bestaat uit oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. De grote weerschijnvlinder vliegt in het genoemde habitat vooral op open plaatsen, bij bospaden, bosranden of daar waar beekjes het bos doorsnijden. Op de vliegplaatsen groeien wilgen op beschutte plaatsen in de halfschaduw en staan enkele grotere, markante bomen.
32
Foto 41 Koolwitje tussen erfbegroeiing
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Bespreking: Tijdens het locatiebezoek zijn geen beschermde soorten uit deze groep aangetroffen. De planlocatie is ook niet geschikt voor deze soorten zodat het voorkomen van beschermde soorten zoals bijvoorbeeld libellen kunnen worden uitgesloten. Na uitvoering van het voornemen neemt de hoeveelheid begroeiing toe door de aanleg van meer tuinen. Daarmee groeit het leefgebied voor deze soorten.
33
Overige beschermde soorten (Sprinkhanen, krekels, geleedpotigen, nachtvlinders, mossen, korstmossen, algen, wieren etc.) Tijdens het locatiebezoek is gekeken naar potentiële verblijfsplaatsen en vliegroutes. Er zijn op enkele plekken spinnenwebben aangetroffen en ook huisvliegen (zie foto 42).
Foto 42 vlieg op beplating bezoekersgang planlocatie 1
Bespreking: Tijdens het locatiebezoek zijn geen beschermde soorten uit deze groep aangetroffen. Het gebied is niet geschikt voor beschermde soorten kan worden uitgesloten.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Het plangebied is in potentie niet geschikt voor soorten uit deze groep. Dit betreft geen beschermde soorten uit deze groep. Er zijn geen bloeiende bloemen en geen waterpartijen in de planlocaties.
34
Grondwal en windsingel
Foto 43 begroeide grondwal met achteraan begin westelijk windsingel De windsingel is gelegen aan de westzijde van het bedrijf; van ca. 10 m afstand van planlocatie 2 t/m ca. 3 m afstand van planlocatie 4; zie locatiefoto 1 nr. 9 en onderstaande foto 44. Deze windsingel bestaat uit een aantal kleine en middelgrote bomen met daaronder lichte struikbegroeiing en opschot. Er zijn in de windsingel geen aanwezigheid of sporen van aanwezigheid van beschermde soorten aangetroffen. De begroeiing is te laag en te open voor mogelijke nestelplaats van huismussen en / of uilen. Voor overige, niet jaarrond beschermde vogelsoorten zoals bijvoorbeeld ekster en houtduif biedt de begroeiing wel potentieel nestelmogelijkheden. Het advies om de werkzaamheden van herinrichten van het gebied niet in het broedseizoen uit te voeren is zeker aan de orde. Deze begroeiing blijft tijdens en na uitvoering van het voornemen grotendeels in stand.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
In het voornemen zijn de aanleg van landschapselementen en bebouwing ter plaatse van de te slopen gebouwen, de begroeide grondwal en de windsingel opgenomen. De grondwal is gelegen aan de noordzijde van het perceel, op een afstand van ca. 10 mtr van planlocatie 1 en ook 2; zie locatiefoto 1, nr. 8 en foto 43. De begroeiing van de grondwal bestaat uit meerdere kruidensoorten en grassen, wat lichte, kleine struiken (w.o. braamstruweel) en enkele kleine boompjes. De grondwal ligt tussen de erfverharding en grasland dat weer aan de woningen van Barlo grenst. Er is geen directe bosomgeving aanwezig. Voor geschikte leefomgeving van kleine marterachtigen ontbreekt hier ook een natuurlijke overgang van bos naar grasland met kreupelhout en dichte ruigten. Ook de aanwezige katten en hond maken het geen aantrekkelijke omgeving voor deze soorten. Wel kan de naaste omgeving van het plangebied, o.a. de begroeide grondwal, als foerageergebied dienen voor bijv. hermelijn en wezel. Gezien de verdere omgeving en de uitgebreidere geplande begroeiing na uitvoeren van het voornemen zal het foerageergebied voor deze soorten minstens gelijk blijven.
35
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Foto 44 windsingel aan de westzijde vanaf noord
36
Resultaten Flora Volgens de NDFF is er de laatste vijf jaar 1 beschermde plantensoort waargenomen binnen een straal van twee kilometer rond het plangebied. Deze waarneming betreft een exemplaar op een afstand van ca 2 km ten ZW van de planlocatie. Deze plant staat op de Rode Lijst en is sinds 1 januari 2017 wettelijk beschermd. Deze beschermde plantensoort is te vinden in de onderstaande tabel. Soort Kartuizer anjer
Afstand plangebied 0-2 km
Habitat Grasland, in bermen en op rotsachtige plaatsen
Kartuizer anjer Kartuizer anjer staat op zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond (al of niet lemig zand en mergel) en ook op stenige plaatsen). Ze groeit in schrale- en kalkgraslanden, in bossages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen.
Vaatplanten Tijdens het locatiebezoek is gekeken naar aanwezigheid van beschermde soorten uit deze groep. Het terrein tussen de te slopen gebouwen bestaat grotendeels uit erfverharding; langs enkele muren van de planlocaties is een onverhard gedeelte met lichte begroeiing van gras en kruiden aanwezig.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Bespreking: Het plangebied bestaat uit gebouwen, erfverharding en kleine gedeeltes onbegroeid terrein. Er zijn geen beschermde flora aangetroffen. Gezien de beplanting op o.a. de aanwezigheid o.a. braam) op de aanwezige grondwal is deze grond te stikstofrijk voor beschermde vaatplanten, bijv. de op afstand aangetroffen Kartuizer Anjer. Effecten voor deze soorten door de voorgenomen ingreep kunnen dan ook op voorhand worden uitgesloten.
37
Beoordeling Omgevingswet Vogels Gezien de plaatsen en afstand tot de planlocatie zijn geen effecten op jaarrond beschermde vogelsoorten te verwachten. Het normale advies, de geplande activiteiten buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden uit voorzorg, kan voor onderhavige situatie als niet aan de orde te zijn worden geacht.
Overige soorten Voor de overige soorten flora en fauna in het plangebied geldt dat geen vergunning noodzakelijk is.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
Tijdens de uitvoering van het project dient rekening gehouden te worden met deze soorten zodat er zo min mogelijk verstoring is.
38
Wettelijk kader De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 de Nederlandse wet waarin onder andere de Wet natuurbescherming is opgenomen. In de Omgevingswet is zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van natuurgebieden en houtopstanden geregeld. De Omgevingswet bestaat uit een algemene wettekst dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en de Omgevingsregeling. Op enkele uitzonderingen na, zijn de provincies het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningverlening en handhaving. Zie ook bijlage 1; stroomschema.
2.1 Gebiedsbescherming
2.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden en ecologische verbindingszones dat helpt te voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)’ en zijn uitgewerkt in de provinciale omgevingsverordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud van de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN (Bkl artikel 7.8). Bij activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN dienen deze gevolgen zodanig te worden gecompenseerd dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN behouden blijven.
2.2 Soortenbescherming De Omgevingswet maakt onderscheid tussen drie beschermingsregimes: bescherming van Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of omgevingsvergunning. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een omgevingsvergunning of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: o Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. o Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. o Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is kan een omgevingsvergunning worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Wel zal rekening gehouden moeten worden met de zorgplicht en het dierenwelzijn.
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
2.1.1 Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van ruim 160 beschermde natuurgebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden) om bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving te beschermen. Deze gebieden zijn in de Omgevingswet strikt beschermd (artikel 5.1 Omgevingswet). Het is verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geldt ook voor projecten die een externe werking kunnen hebben op de gebieden.
39
2.2.1 Vogelrichtlijnsoorten De Vogelrichtlijn is in 1981 van kracht geworden. Het doel van de Vogelrichtlijn is het in stand houden van alle natuurlijke, in Europa in het wild levende, vogelsoorten. De Vogelrichtlijn vereist dat EU-lidstaten alle nodige maatregelen treffen om de populatie van alle vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen. Daarnaast moeten de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om voor deze vogels een ‘voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen’. De richtlijn is dus van toepassing op vogels, hun eieren, hun nesten en ook hun leefgebieden. Van de soorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn is geen limitatieve lijst beschikbaar. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature voorkomen op het grondgebied van de Europese Unie. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten. De Omgevingswet bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle inheemse vogels in heel Nederland. 2.2.2 Habitatrichtlijnsoorten De Habitatrichtlijn is in 1992 van kracht geworden.
Het doel van de Habitatrichtlijn is het waarborgen van de biologische diversiteit in de Europese Unie door de natuurlijke habitats en wilde planten- en diersoorten die van Europees belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten (zie bijlage 2) is het beschermingsregime van de Omgevingswet van toepassing.
Beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten art. 11.37 Bal
Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten art. 11.46 Bal
Beschermingsregime andere soorten (nationaal beschermd) art. 11.54 Bal
Lid 1a: Het is verboden van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1a: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlange I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1a: Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A opzettelijk te doden of te vangen.
Lid 1b: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Lid 1b: Het is verboden dieren als bedoeld onder a opzettelijk te verstoren.
Lid 1b: Het is verboden vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Lid 1c: Het is verboden eieren van vogels als bedoeld onder a te rapen en deze onder zich te hebben.
Lid 1c: Het is verboden eieren van dieren als bedoeld onder a opzettelijk te vernielen of te rapen in de natuur
Lid 1d: Het is verboden vogels als bedoeld onder a opzettelijk te storen.
Lid 1d: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a te beschadigen of te vernielen.
1c: Het is verboden vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B, opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Lid 1e: Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied
QUICKSCAN BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING; SOORTENBESCHERMING
2.2.3 Andere soorten De nationaal beschermde soorten, ‘andere soorten’, staan vermeld in bijlage IX van het Bal. Dit zijn soorten die in Nederland beschermd zijn en niet vermeld zijn in de Europese richtlijnen en verdragen. Het betreft een limitatieve lijst van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland (zie bijlage 3). De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan voor die soorten geen omgevingsvergunning nodig.
40
opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Tabel: Verbodsbepalingen beschermingsregimes Omgevingswet
2.3 Bescherming van houtopstanden Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. De belangrijkste elementen met betrekking tot de bescherming van houtopstanden zijn de meldingsplicht, de herbeplantingsplicht en de specifieke zorgplicht. De Omgevingswet verplicht de gemeenteraad om een bebouwingscontour houtkap vast te stellen in het omgevingsplan. Met het aanwijzen van de bebouwingscontour houtkap bepaalt de gemeente in feite wanneer de rijksregels (artikel 11.3 Bal) over het vellen van houtopstanden gelden. De rijksregels gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap met een oppervlakte van meer dan 10 are of wanneer die bestaan uit rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Er zijn uitzonderingen (artikel 11.111, Bal). De provincie is het bevoegd gezag voor handhaving en toezicht van de regels over houtopstanden en bepaalt welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Het indienen van een melding moet uiterlijk 4 weken en niet eerder dan 1 jaar voor het vellen gebeuren (artikel 11.126, Bal). In sommige gevallen is niet de provincie maar de minister van LNV het bevoegd gezag. Dat is het geval als het vellen van houtopstand of herbeplanten een activiteit van nationaal belang is of daarmee samenhangt.