CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 motivering TAM-Omgevingsplan Gendringseweg 23 en 25a

Gemeenteraad 24 februari 2026, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel TAM-Omgevingsplan Gendringseweg 23 en 25a11.351 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Beoordeling initiatief Op de planlocatie worden geen nieuwe kwetsbare objecten (in de vorm van woningen) mogelijk gemaakt. In de omgeving zijn volgens de risicokaart ook geen risicobronnen aanwezig, waarvan de risicocontouren of de aandachtsgebieden over de bestaande woning ligt. Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen op voldoende afstand van de planlocatie liggen en geen belemmeringen opleveren, zie figuur 10.

Figuur 10 kaartuitsnede risicokaart met planlocatie blauw omcirkeld (bron: risicokaart.nl)

Concluderend Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.

4.9

Water

Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het waterbeheerplan 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel laat het Waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen. Het waterbeheerprogramma in het kort:

●

●

● ●

●

Beheren en onderhouden het grondwater en het water in beken, sloten en riviertjes. De zorg voor schoon water en zuiveren rioolwater. Controleren of iedereen zich aan de regels houdt. Gebiedsinrichting zo uitvoeren dat het beter tegen de klimaatverandering kan. Kijken naar omgeving en hoe deze het beste kan worden ingericht. Uitgaande van dat het gebied beter kan tegen te nat maar ook tegen te droog weer. Hulp aanbieden zodat inwoners, bedrijven en andere overheden beter kunnen omgaan met de gevolgen van extreem weer. Zorgen voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dijken worden zo onderhouden dat er ruimte is voor meer verschillende soorten planten en dieren. In 2025 wekt het Waterschap alle energie die ze gebruiken zelf op. Ze gebruiken en verspillen zo min mogelijk grondstoffen en stoten veel minder broeikasgassen uit. Hiervoor worden sommige werkwijzen aangepast en wordt gebruik gemaakt van steeds meer nieuwe technieken. Zorgen voor schoon water in beken en sloten, voor mensen en voor dieren en planten. Het rioolwater wordt steeds schoner gemaakt. Sommige plekken worden geschikt gemaakt voor bijzondere planten en dieren. De andere wateren mogen in ieder geval niet viezer worden.

Weging van het waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst op de mate waarin zij rekening houden met het beleid om water meer ruimte te geven. Dit sluit aan bij de Omgevingswet, waarin water een integraal onderdeel is van de fysieke leefomgeving en een samenhangende benadering van ruimtelijke ontwikkelingen vereist is. De wet stelt dat waterveiligheid, wateroverlast en waterkwaliteit expliciet moeten worden meegewogen bij de toekenning van functies aan locaties. Het doel van de weging is om in een vroeg stadium alle relevante partijen, zoals waterschappen, te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. Dit draagt bij aan de participatieverplichting binnen de Omgevingswet, die vroegtijdige betrokkenheid stimuleert en een preventieve aanpak bevordert. Hierdoor kunnen risico’s zoals wateroverlast, droogte en overstromingen tijdig worden ondervangen en wordt een zorgvuldig ruimtegebruik binnen het omgevingsplan gewaarborgd. Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten relevant zijn. Afhankelijk van de impact van het plan op de waterhuishouding, wordt een passende procedure doorlopen: ● ● ●

Geen waterschapsbelang: geen wateradvies van het waterschap nodig. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang.

Door deze systematische benadering draagt de weging van het waterbelang bij aan de doelstellingen van de Omgevingswet om een duurzame, veilige en klimaatbestendige leefomgeving te realiseren. Beoordeling initiatief In de weging van het waterbelang komen in Het wateradvies thema’s en vragen aan de orde waaruit een resultaat volgt. Het resultaat van dit project is dat overleg met het waterschap niet nodig is. Er is geen waterschapsbelang.

Concluderend Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan. De uitkomst van Het Wateradvies bevestigt dat er geen waterschapsbelangen worden geraakt, en ook op basis van de klimaatatlas worden geen bijzonderheden of risico’s op het gebied van waterveiligheid, wateroverlast of verdroging verwacht. Verdere afstemming met het waterschap is niet nodig.

4.10

Mobiliteit en parkeren

Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Beoordeling initiatief Verkeer Er worden geen nieuwe woningen verkeersbewegingen wijzigt niet.

toegevoegd.

Zowel

de

verkeerssituatie

en

Parkeren Er worden geen nieuwe woningen toegevoegd. Daarnaast is er op eigen erf voldoende ruimte aanwezig om in het parkeren op eigen terrein te voorzien. Concluderend Mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan.

4.11

Kabels en Leidingen

Planologisch relevante kabels en leidingen hebben een beschermingszone waarbinnen in beginsel geen graaf- en bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Beoordeling initiatief Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig, zoals hoogspanningsverbindingen, hoofdtransportleidingen voor gas, of andere leidingen met een ruimtelijk beschermingsregime. De voorgenomen ontwikkeling heeft bovendien geen fysiek ingrijpende component. Bij eventuele graafwerkzaamheden is een KLIC-melding verplicht. Via deze wettelijk verplichte procedure ontvangen initiatiefnemers tijdig de benodigde informatie over de ligging van ondergrondse kabels en leidingen, zodat risico’s op schade of gevaarlijke situaties worden voorkomen. Concluderend Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan.

4.12

Milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan of project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is in dit verband bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: ● dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of ● waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.

Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. Beoordeling initiatief De voorgenomen ontwikkeling betreft een planologische herstructurering: het afsplitsen van een bestaande bedrijfswoning en het verlagen van de milieuruimte van een bestaand bedrijf naar maximaal milieucategorie 2. Er worden geen nieuwe woningen gerealiseerd en er is geen fysieke uitbreiding of functiewijziging met substantiële milieueffecten voorzien.Er hoeft geen milieueffectrapportage te worden opgesteld. Concluderend Het initiatief heeft geen kenmerken of effecten die aanleiding geven tot een milieueffectrapportage. Het plan valt niet onder de m.e.r.-plichtige activiteiten zoals bedoeld in bijlage V van het Omgevingsbesluit en heeft geen nadelige gevolgen voor Natura 2000gebieden. Een milieueffectrapportage is derhalve niet nodig voor de wijziging van het omgevingsplan.

4.13

Gezondheid

Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Dit belangrijke maatschappelijke doel is o.a. doorvertaald naar een aantal instructieregels in het Bkl die specifiek de bescherming van de

gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan is meegenomen. Beoordeling initiatief De toetsing aan de wettelijke milieunormen en de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling zijn in de voorgaande paragrafen per relevant omgevingsaspect aan bod gekomen. Ook bij het voldoen aan wettelijke milieunormen kan echter gezondheidsschade optreden. Belangrijk begrip daarbij is het voorzorgsbeginsel dat voortvloeit uit het artikel 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De overheid kan op basis hiervan maatregelen treffen als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, zonder dat er (voldoende) wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn. Bij voorliggend initiatief worden geen significante gezondheidseffecten verwacht. Er is in de directe omgeving geen sprake van zodanig voor de gezondheid nadelige emissies of omstandigheden, dat hierdoor vanuit het voorzorgsbeginsel of anderszins belemmeringen optreden voor de beoogde ontwikkeling.

Concluderend Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit gewijzigde omgevingsplan. 4.14 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen waarbij duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als: ”een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen" (bijlage 1 van de Ow). Toetsing aan het aspect duurzaamheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. De gemeente Aalten werkt op programmatische wijze aan haar duurzaamheidsdoelen binnen zes thema’s, waaronder onder meer duurzaam wonen, klimaatadaptatie, biodiversiteit en duurzame energieopwekking. Voor het kalenderjaar 2025 zijn hiervoor concrete mijlpalen geformuleerd, zoals verduurzaming van gemeentelijk vastgoed, afkoppeling van hemelwater, biodiversiteit maatregelen en uitvoering van buurtplannen in het kader van het Nationaal Isolatie Programma. Beoordeling initiatief Het voorliggende initiatief betreft het afsplitsen van een bedrijfswoning en het verlagen van de milieucategorie van het bedrijf tot maximaal categorie 2.

Er worden géén nieuwe woningen toegevoegd en er is geen sprake van fysieke bouw of sloop die valt onder een gemeentelijk subsidieprogramma of isolatieproject. Ook worden geen extra functies toegevoegd die structurele verduurzamingsmaatregelen vereisen. Het initiatief draagt door functieverandering en beperking van milieubelasting wel in bredere zin bij aan leefomgevingskwaliteit, maar zonder concrete koppeling aan de gemeentelijke duurzaamheids mijlpalen.

Concluderend Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.

5.

Juridische planopzet

5.1

Algemeen

Het omgevingsplan is opgesteld volgens de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM-IMRO). Deze overgangsregeling maakt het mogelijk om planwijzigingen technisch op te bouwen volgens de systematiek van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, inclusief het gebruik van het IMRO-formaat (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Hoewel de website Ruimtelijkeplannen.nl niet langer in gebruik is, blijven de technische standaarden voorlopig toegestaan voor het digitaliseren van wijzigingen van het omgevingsplan. Het omgevingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: motivering, regels, verbeelding, waarbij de planregels en de verbeelding juridisch bindend zijn. De motivering heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. Het geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten, met daarnaast de interpretatie en toepassing van het omgevingsplan. De bijlagen bij de motivering en regels maken onlosmakelijk onderdeel uit van het omgevingsplan. De verbeelding bestaat uit een digitale kaart waarop functies en aanduidingen voor locaties zijn weergegeven. De regels bestaan uit de volgende onderdelen: ● Hoofdstuk 1: inleidende regels, met de begrippen en wijze van meten en rekenen; ● Hoofdstuk 2: specifieke regels over functies.

De regels bevatten een omschrijving van de functie en regels voor het bouwen, gebruik en waar nodig over milieu; ● Hoofdstuk 3: algemene regels over functies. Dit zijn de regels die gelden voor alle functies, bijvoorbeeld algemene gebruiksregels, maar ook de aanvraagvereisten voor vergunningen; ● Hoofdstuk 4: algemene aanduidingsregels, zoals voor de molenbiotoop (‘molenbeschermingszone’), die aanvullende bepalingen bevatten over bouwhoogtes en aanlegregels; ● Hoofdstuk 5: Regels ter bescherming van specifieke waarden en objecten, zoals archeologische waarden met bijbehorende onderzoeks- en vergunningsverplichtingen; ● Hoofdstuk 6: Overgangsregels, die bepalen in hoeverre bestaand gebruik en bestaande bouwwerken onder het nieuwe plan mogen worden voortgezet.

5.2

Toedelen van functies aan locaties

Hieronder volgt in het kort een beschrijving van de in dit omgevingsplan opgenomen functies. Wonen (artikel 4) De bestaande woning op Gendringseweg 25a heeft de functie ‘Wonen’ gekregen. De voormalige bedrijfswoning aan de Gendringseweg 25a wordt daarmee planologisch afgesplitst van het bedrijf op nummer 23.

Binnen deze functie zijn ook aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven toegestaan onder voorwaarden, conform de gemeentelijke beleidsruimte voor gemengde gebieden. Er is geen mogelijkheid tot woningsplitsing of uitbreiding van het aantal woningen opgenomen. Bedrijf (artikel 5) De gronden ter plaatse van Gendringseweg 23 hebben de functie ‘Bedrijf’. Binnen deze functie is uitsluitend bedrijvigheid toegestaan tot en met milieucategorie 2. Het oprichten van een koel- en vrieshuis is expliciet uitgesloten. Binnen het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken, verhardingen en voorzieningen toegestaan, mits passend binnen de vastgestelde milieuzonering. De bestaande bedrijfsmatige functie blijft behouden maar wordt planologisch beperkt tot een aanvaardbaar niveau in een gemengd gebied. Verkeer (artikel 6) De ontsluitingsroute en verhardingen die benodigd zijn voor de bereikbaarheid van het perceel, inclusief inritten, parkeerruimte en manoeuvreerruimte, zijn opgenomen binnen de functie ‘Verkeer’. Deze functie voorziet in de ruimtelijke borging van infrastructuur ten behoeve van de ontsluiting van zowel de woonfunctie als de bedrijfsfunctie op eigen terrein.

5.3

Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in dit omgevingsplan worden, naast de gegevens als bedoeld in de Regeling omgevingsrecht, in ieder geval de volgende formulieren gebruikt: a. bij een aanvraag voor een bouwactiviteit op grond van dit TAM-omgevingsplan: het formulier behorend bij de activiteit ‘Bouwactiviteit (omgevingsplan)’; b. bij een aanvraag voor een afwijkingsactiviteit (indien regels van dit omgevingsplan worden overschreden): het formulier behorend bij de activiteit ‘Afwijken van regels in het omgevingsplan’. De aanvraagformulieren zijn beschikbaar via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), toegankelijk via https://omgevingswet.overheid.nl onder het tabblad Aanvragen.

6.

Uitvoerbaarheid van het plan

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op verzoek van initiatiefnemers. De gemeente en de initiatiefnemers hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemers als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van het plan is hiermee voldoende aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg met de provincie Gelderland en het Waterschap Rijn en IJssel is niet noodzakelijk geacht, nu er geen sprake is van directe provinciale belangen bij dit plan. Het ontwerpomgevingsplan wordt wel toegezonden aan zowel het waterschap als aan de provincie. Het ontwerpomgevingsplan wordt conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Hierbij heeft een ieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen op het ontwerpplan. Eventuele zienswijzen zullen worden voorzien van een reactie en bij de (al dan niet gewijzigde) vaststelling van het omgevingsplan worden betrokken. Uiteindelijk is het aan de gemeenteraad om het omgevingsplan vast te stellen. Na vaststelling wordt het raadsbesluit bekend gemaakt en ligt het omgevingsplan gedurende 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te dienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een omgevingsplan treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekendgemaakt, tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald (Afdeling 16.7. van de Omgevingswet).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=b4df13b8-f578-498b-b6a5-f9e4193f8c8a