CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Besluitenlijst Oordeelsvormende vergadering d.d. 23 oktober 2023

Gemeenteraad 7 november 2023, gemeente AaltenBij agendapunt: Vaststellen van de besluitenlijsten van de oordeelsvormende vergaderingen van 23 en 24 oktober 20236.967 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

OPENBAAR

Besluitenlijst Oordeelvormende vergadering van 23 oktober 2023. Aanvang: 19.30 uur Aanwezig:

Voorzitter: De heer Walter De leden: Agendapunt 1: De dames Deunk, Diepenbroek, Rensink en Te Grotenhuis en de heren Van der Graaff, Hüning en Holtman. Agendapunten 2 en 3: De dames Ten Bruin en Diepenbroek en de heren Van der Graaff, Van den Berg, Hüning Smit en Holtman. Namens het college: Wethouders Te Lindert en Wikkerink en burgemeester Stapelkamp Griffier: de heer Ter Beest

Voorstel tot vaststellen van de programmabegroting 2024, de Meerjarenraming 2025-2027, het investeringsprogramma 2024. 1. Onderdeel 1: Programma 2 Sociaal Domein van de Programmabegroting 2022 v.w.b. de portefeuillehouders Wikkerink en Te Lindert inclusief de paragrafen over Laborijn en GGD Eerste termijn. De heer van der Graaff: Twee discussiepunten. De eerste gaat over de transformatie van het zorglandschap. Als partijen te laag hebben ingeschreven, dan is dat ook hun probleem. U heeft alle tijd en mogelijkheden gekregen een nieuw systeem te ontwerpen en in het tweede jaar zitten we met een kostenverhoging van 21%. Ik wil wel de discussie aangaan over hoe de andere fracties dat zien. Dan de vergroting van de pedagogische basis. We missen hierbij de concrete invulling van wat en hoe hiermee wordt bedoeld en met welke acties wij als raad tevreden moeten zijn. Wat gaat de gemeente dan precies doen om de pedagogische basis te verstevigen. Daar wil ik het graag met anderen over hebben. Mevrouw Rensink: Transformatie zorglandschap. We lezen in de beantwoording van de vragen dat I&O een onderzoek doet of de doelen in zicht zijn en in zicht komen en dat dat voor het einde van het jaar duidelijk wordt. Dat wordt meegenomen in de vraag hoe verder te gaan met de contact aanbieders in 2024.

Begin oktober heeft sociaal domein Achterhoek een bijeenkomst georganiseerd waar duidelijk werd dat zorgaanbieders en gemeenten nog geen duidelijkheid hebben over het partnerschap, over de doelen, de financiën, dat er problemen zijn om te innoveren. In hoeverre heeft deze evaluatie op dit moment al zin en wat betekent het voor de transformatie van het zorglandschap dat er nog zo weinig helder is? De heer Holtman: Twee discussiepunten. Allereerst gaat het om het armoedebeleid. Dat willen we graag naar voren halen. Dat gaat zowel om de evaluatie als om de bijstelling. We hebben dit in het raadsprogramma opgenomen en ook in het uitvoeringsprogramma staat dat dit in 2023 gedaan zou worden. We snappen dat er ambtelijke capaciteitsgebrek is. Wat moeten we laten vallen om dit toch wel heel snel te doen? Het is voor de ChristenUnie onacceptabel om het pas per 2025 in te laten gaan. Het tweede punt gaat over de transformatie van de zorg. Het gaat eigenlijk om de vraag. Moeten we als raad niet eigenlijk een resultaatverplichting gaan afspreken richting het college. Niet om streng te zijn, maar meer omdat we moeten omarmen dat het transformeren erg moeilijk wordt. Misschien hebben we een iets te grote broek aangetrokken.

Misschien moeten we accepteren dat we in complexe samenleving zitten en dat Jeugdzorg (en Wmo) er is en dat we wat minder grip op zo’n enorm ingewikkeld vraagstuk willen hebben. Mevrouw Diepenbroek: Geen discussiepunten en geen vragen.

De heer Huning: Een discussiepunt over de gemeenschapshuizen. Er gaat veel geld naar de gemeenschapshuizen, waarvan sommige ook goed bij kas zitten en is dat eigenlijk wel goed onderbouwd? En ik vraag me dan af als je “De Pol” neemt, daar kan het bedrag wel vier keer in. Daar wil ik graag over discussiëren. Mijn vraag is of dit goed onderbouwd is en of er als er geld verdeeld wordt ook gekeken wordt naar de financiële positie van de verschillende gemeenschapshuizen. Mevrouw Ten Grotenhuis: Wij sluiten ons aan bij het discussiepunt van de ChristenUnie over de transformatie van de zorg. Mevrouw Deunk: Wij hebben een vraag aan de wethouder over Laborijn. In juni is er uitgesproken dat er een wens is om tot een intensievere samenwerking te komen tussen Laborijn en Figulus. Uitspraken zijn wat ons betreft niet voldoende. We kunnen het geld maar een keer uitgeven, we zien en lezen dat er veel gelijke groepen behandeld worden. Het lijkt een beetje of we het geld twee keer uitgeven aan dezelfde doelgroep. Waar ligt de scheidslijn tussen de doelgroep van Figulus en die van Laborijn? Een volgende vraag: Hoe weten we of de inzet goed is, genoeg? Maakt een collectief de daadkracht niet sterker? Reactie college. Wethouder te Lindert: Ik begin met de pedagogische basis. Hoe gaan we dat aanvliegen.

Over de pedagogische basis is veel gesproken tijdens de vorige cyclus toen we gesproken hebben over het Integraal huisvestingsplan. Concreet kun je dan denken aan de jongereninloop die we georganiseerd hebben, de preventiemedewerker jeugd. Ik denk aan het traject “nieuwe moves”. Nieuwe Moves is een wat minder traditionele vorm van jongerenwerk zoals we dat vanuit Figulus doen, wat meer gericht op een ouder doelgroep. We zijn van twee naar drie jongerenwerkers gegaan. We hebben de jongerenraad in het leven geroepen, die is begonnen met 3 jongeren en is gegroeid naar 7 jongeren. Het maandelijkse preventieoverleg, waar de afgelopen periode ook Iriszorg bij is aangehaakt om ook deskundigheid op het gebied van verslavingszorg aan boord te hebben. Vanuit de gelijke kansen alliantie is de verbinding tussen primair onderwijs en voortgezet onderwijs versterkt. Er is gestart met een connectklas. Dat is een groep tussen groep 8 en de brugklas in. Ook ouderbetrokkenheid is een onderdeel van de gelijke kansen alliantie, net als de kansrijke start zorgpad ontwikkeling. Dat zijn concrete acties waar we de pedagogische basis mee versterken. De heer Van der Graaff: Dank voor deze uiteenzetting. Mijn vraag was ook, hoe gaat u daar regie op voeren? Hoe ga je als gemeente ervoor zorgen dat de pedagogische basis wordt verstevigd.

U noemt veel organisaties die u aan gaat jagen en die met elkaar in gesprek zijn. Wat gaat u doen om niet alleen met organisaties samen te werken, maar ook gezinnen die elkaar kunnen helpen met elkaar te verbinden? Wethouder te Lindert: Ik hoor eigenlijk zeggen: u noemt een hele hoop instanties, maar de gemeente niet. Het antwoord is dat wij bij al die verschijningsvormen een rol spelen, zijn wij gesprekspartner, zijn wij werkgever, zijn wij opdrachtgever. De betrokkenheid van de gemeente is er onlosmakelijk, via hele veel lijnen vanuit het gemeentehuis, naar al die partijen. Ik denk ook dat dat belangrijk is, want de gemeente staat aan de lat voor de verbinding tussen die partijen. Ook voor de vindbaarheid, ook om te voorkomen dat ouders en kinderen verdwalen in een bos met allerlei aanbieders en partijen. Uw tweede vraag, hoe kun je nu ouders met elkaar verbinden? Daar is het project #opladers heel mooi voor. Dat is een initiatief waarin ouders worden verbonden aan elkaar, zodat ze elkaar kunnen helpen. De heer Holtman: Er staat: “Een stevige basis draagt bij aan het gezond, veilig en kansrijk opgroeien en helpt bij het omgaan met alledaagse problemen. De pedagogische basis bestaat uit alle contacten, sociale relaties en leefomgevingen die bijdragen aan het opgroeien van kinderen.

Dat zijn bijvoorbeeld buren, vrienden, leerkrachten etc.” Dat zijn heel veel mensen die heel veel mensen wel hebben. Maar sommigen ook niet en volgens mij is dat vooral de vraag die speelt. Welke rol heeft de gemeente bij het versterken, ervoor zorgen dat ik een goeie buurman krijg. Dat vind ik ook wel een ingewikkelde vraag. Als je een netwerk hebt, dan lukt dat wel, maar als je dat niet hebt, wat kan de gemeente dan doen? Wethouder te Lindert: Het is een moeilijke vraag, omdat het zo’n grote vraag is. Als het antwoord simpel was dan hadden we geen eenzame kinderen meer en dan hadden we geen gezinnen meer die op een eilandje staan. Ik deel het gevoel wat achter deze vraag zit. Ik besef me dat we in Aalten de pedagogische en sociale basis goed hebben staan. Maar dat het niet lukt om iedereen daarop aan te laten haken. Dan moet je op zoek gaan, naar wat is dan de vindplaats, hoe kun je achter de voordeur komen? En dan gaat het dus juist om de verbindingen. Bijvoorbeeld met betrekking tot het onderwijs, want daar komen ze allemaal. Of anders bij het spelen in de wijk waarin de jongerenwerkers steeds een andere wijk bezoeken om spelletjes te doen. Er staat echter ook altijd een statafel met een kan koffie zodat ook ouders kunnen blijven hangen, en dan kan het gesprek aangegaan worden. Lossen we het probleem daarmee nu helemaal op? Nee dat nog niet.

Schuiven we daarin op? Ja, zeg ik heel hoopvol. Ik deel met u dat het ingewikkeld is.

2

Mevrouw Deunk: Heel belangrijk, mooi wat er gebeurt. Scholen spelen hierbij een belangrijke rol. Ik denk dat we als gemeente hierin een slag kunnen slaan met betrekking tot kinderen die niet in Aalten naar school gaan. Kinderen (ouders) die zich wel melden voor het vervoer. Als daar eens een bruggetje gemaakt zou kunnen worden. Die kinderen worden niet gezien door Figulus, worden niet gezien door andere jongerenwerkers en vallen zo buiten de boot. Het is een aparte groep kinderen die uit het zicht is. Wethouder te Lindert: Ik ben me wel bewust van deze kinderen en met mij ook het jongerenwerk. We proberen wel op allerlei manier met deze jongeren in contact te komen. Er zijn inderdaad ook andere middelen, zoals leerlingenvervoer, om te bekijken of we deze kinderen kunnen bereiken. Het is een terecht geluid en het heeft de aandacht. Groot onderhoud van de gemeenschapshuizen. De vraag was, in hoeverre is dat onderbouwd? We hebben daar een bedrag voor opgenomen. Dat bedrag komt voort uit een berekening over wat we de afgelopen 15 jaar gedaan hebben aan gemeenschapshuizen. Uw raad heeft in de vorige periode beleid gemeenschapshuizen vastgesteld. Op basis van dat beleid gaan wij verdere subsidiekaders uitschrijven om dit uit te betalen. Dit is niet bedoeld om achterstallig onderhoud te gaan betalen. Dit moet een steun in de rug zijn.

De besturen van de gemeenschapshuizen staan zelf aan de lat voor hun gemeenschapshuis en de exploitatie ervan. Het is de wens van de raad om de gemeenschapshuizen daarin te ondersteunen en dat gaan we doen. Dat is ook gebaseerd op de meerjarige onderhoudsplannen van de gemeenschapshuizen. De heer Huning: Wordt hierbij ook gekeken naar een buurthuis dat vrij is van kapitaalslasten? Zoals het Kulturhus in Lintelo? Dat is toch iets anders dan een dorpshuus in IJzerlo, waar wel kapitaalslasten zijn. Hoe ga je dat dan verdelen? Wethouder te Lindert: Er gaat zeker gekeken worden naar de verschillende achtergronden van de verschillende dorpshuizen. We gaan dus kijken naar een evenredige verdeling die recht doet aan ieders inspanning, tot zover geleverd. Hierbij kun je ook kijken naar meevallers. Deze regeling is niet nieuw, maar komt voort uit het staande beleid. Wethouder Wikkerink: Transformatie van de zorg, Dat betreft de inkoop Jeugdwet en de inkoop WMO. Terecht word gezegd dat de plekprijzen 21% gemiddeld verhoogd zijn. Dat is wat anders dan het budget van onze begroting waar we op dit moment over spreken. We zijn de hele zomer bezig geweest met onderhandelen over de plekprijzen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat die plekprijzen passen binnen de opvatting dit is een reële prijs volgens de algemene maatregel van bestuur.

Als je kijkt naar de begroting dan houden we u op de hoogte via het dashboard van de uitgaven en de aantallen. Daarin zie je ook dat de aantallen langzamerhand iets minder worden, maar dat de kosten omhoog gaan. Dat weerspiegelt dat wat we bedoeld hebben met de transformatie. Dat we zo min mogelijk mensen in de echte geïndiceerde zorg willen hebben (behalve de mensen die het echt nodig hebben). We willen zoveel mogelijk mensen in de algemene voorzieningen en het “voorveld” helpen. Dat de kosten omhoog gaan heeft te maken met de complexiteit en de intensiteit van de hulpvragen die er zijn. Dat zie je ook in het dashboard. Het lijkt erop dat we behoorlijk in de pas lopen in de begroting en budgetten voor 2023. Daarover hebben we 7,5% stijging/indexatie gemaakt vanwege de verhoogde plekprijzen en cao enzovoort. Dat staat in de begroting. Dus we hebben niet de budgetten verhoogt met 21%, maar met 7,5%. Het lijkt dus of we de transformatiedoelen langzaam aan het halen zijn. Dan over de inhoud van de transformatie. Op 5 oktober is er een bestuurlijk overleg geweest met 41 zorgaanbieders en 21 afgevaardigden van gemeenten. Daar is geconstateerd dat er goed gekeken moeten worden hoe goed we op weg zijn met de transformatie. De transformatie gaat over partnerschap tussen gemeente en zorg aanbieder. De heer Holtman: Ten aanzien van die transformatie van het zorglandschap.

Dat moet volgens mij de paraplu zijn op het grip houden en grip krijgen op de uitgaven in het sociaal domein. Ik hoorde u net zeggen dat het de bedoeling is om minder mensen in de lichte jeugdzorg te krijgen, maar dat de groep die een beroep doet op de zwaardere zorg - toeneemt vanwege complexiteit. Heb ik dat goed begrepen? Want volgens mij is dat niet een van de doelen van de transformatie. De heer Wikkerink: Een van de doelen van de transformatie is om zoveel mogelijk problematiek in het “voorveld” af te vangen en de maatschappij zo in te richten dat er minder beroep wordt gedaan op geïndiceerde zorg. Wat je nu ziet is dat het beroep dat nu nog gedaan wordt, minder wordt in aantallen. Hopelijk door die beweging. Maar dat een aantal jongeren een dusdanig complexe problematiek heeft dat de zorg zelf zwaarder wordt. De heer Holtman: Dat eerste deel beaam ik, maar het tweede. U lijkt een link te leggen dat dat een gevolg is van de transformatie. Het is best heel grillig en dat we er heel veel mee zouden willen, maar dat we het niet zo maakbaar kunnen maken als we willen. Wethouder Wikkerink: Dat laatste ben ik met u een. De wereld is minder maakbaar dan wel eens gewenst en zeker als het gaat om complexe problematiek bij jongeren. De transformatie heeft ook te

3

maken met dat je in een driehoeksverhouding zoekt naar de beste oplossing voor de vraag van de inwoner in samenwerking met de gemeente en met de aanbieder. Dat wil dus zeggen dat ook een deel van de tansformatie gevonden kan worden in de samenwerking tussen de aanbieders. Ook dat is ontwikkeling. Daar hebben we nog wel een paar slagen te slaan omdat veel aanbieders nog wel denken vanuit het eigen perspectief, terwijl een andere aanbieder mogelijk een beter traject kan bieden. Dat is groot leerproces waar we middenin zitten. Mevrouw Rensink: Ik vraag me af waarom er dan nu een evaluatie plaats moet vinden. Een evaluatie waarover? Het antwoord moet leiden tot duidelijkheid of we verder moeten met die aanbieders. Maar die aanbieders hebben nog helemaal geen duidelijkheid. Wat voor evaluatie krijgen we dan eigenlijk. Wethouder Wikkerink: Dat heeft te maken met de contractlooptijd. Op 1 juli 2022 hebben we contracten afgesloten met aanbieders die 7 jaar lopen. De eerste keer dat een contract herzien kan worden is op 1 juli 2025. Om een contract op te zeggen moet je voor 1 januari 2024 aangeven dat je het contract wilt opzeggen of voortzetten. Dat is de reden om evaluatie te houden. Mevrouw Rensink: In hoeverre heeft zo’n aanbieder eerlijke kans om daar mee verder te gaan als nu alles nog diffuus is. Wethouder Wikkerink: Er is een boel in ontwikkeling.

De evaluatie zal niet aangeven of zaken wel of niet kloppen. De doelen zijn nog niet gehaald. De evaluatie moet aangeven of we de goede kant opgaan. En als dat het geval is dan kunnen de gemeenten zeggen dat ze zo verder willen gaan. Ik ben het met u eens dat het vroeg komt, maar je moet op de een of andere manier gaan bedenken om het besluit van 11-2024 te onderbouwen. Dat het partnerschap verbeterd kan worden, dat de financiële helderheid verbeterd kan worden, dat de opdrachtgever, opdrachtnemer relatie verbeterd kan worden. Dat zit allemaal in die evaluatie. We zijn op weg, we zijn er nog niet. We hebben ook nog wel even tijd als de contracten gewoon uitgediend worden, maar er is door de herijking van de tarieven deze zomer wel een wake-up call ontstaan. Zowel aanbieders als gemeenten moeten hard aan de bak om de doelen van de transformatie te halen. Die doelen staan nog overeind: een dekkend zorglandschap, juiste hulp op de juiste plek en toegankelijk voor iedereen. Wat betreft een resultaatverplichting denk ik dat het moeilijk is vanwege het karakter van het zorglandschap. Het is te veel in beweging en te complex op individuele basis. Een resultaatverplichting zou onrecht doen aan het feit dat je moet accepteren dat het zorglandschap zo grillig is dat je bijna over dagkoersen moet spreken. Dat laat zich ook heel moeilijk begroten.

De heer Holtman: In hoeverre is met de aanbieders ook al rekening gehouden met de te verwachten cao-verhoging in januari? Wethouder Wikkerink: Daar is deels rekening mee gehouden en als die exorbitant zijn dan kan het zijn dat er nog een verhoging komt per 1-1-2024. De heer Van der Graaff: Heeft u met de collega’s van andere gemeenten ook bedacht waar dit ophoudt? We kunnen die transformatie wel doorzetten, maar wanneer die prijzen blijven stijgen. In hoeverre is aan de orde gekomen dat het misschien niet de weg is die u moet gaan. Wethouder Wikkerink: De weg die wij kiezen is dat degene die hulp nodig heeft, hulp krijgt. Dat staat boven kijf. De contracten proberen wij op een zo zakelijk mogelijke manier af te sluiten. Dus aan de ene kant een zakelijke instelling naar de aanbieders toe, in partnerschap en aan de andere kant laten wij het niet gebeuren dat inwoners die hulp nodig hebben, dat niet krijgen vanwege een budgettaire reden. De heer Huning: De wethouder zei, we lopen in de pas. Dat is ook normaal omdat we vorig jaar een miljoen euro hebben bijgeplust. Het gaat nu over prijzen en kosten, maar wil de wethouder de kwaliteit monitoren? Wethouder Wikkerink: Er is een uitgebreide monitoringsgroep met aanbieders en gemeenten actief in de regio. Die dit precies volgt en monitort en ook verbeteringen aanbreng in zowel het proces als de inhoud.

Dat is belegd bij Sociaal Domein Achterhoek en er is veel aandacht voor. Dan over het armoedebeleid daarvan zegt de ChristenUnie wellicht moeten we dat naar voren halen. Ik wou dat dat kon, want we hebben een achterstand in te lopen. De medewerker die zich hier mee bezig houdt heeft zich de afgelopen tijd vooral bezig gehouden met alle steunmogelijkheden met betrekking tot corona en de energietoeslag zodat er geen tijd is geweest om echt een herijking van het armoedebeleid te doen. We hebben wel een paar dingen gedaan de afgelopen tijd. Dat staat ook in de beantwoording van de vragen. Per 1 december komt er een nieuwe medewerker en kunnen we fullspeed vooruit. Echter; armoedebeleid is meer dan wat we nu gedaan hebben. Armoedebeleid is veel meer bestaanszekerheid beleid en dat gaat breder. Dat gaat over wonen, over toegang tot gezondheid, over sport en cultuur. Daarnaast willen wij heel graag in contact komen, in gesprek gaan met de mensen die het betreffen. Om te toetsen dat wat wij bedenken ook echt is wat men nodig heeft. We zijn aan het kijken hoe we de doelgroep kunnen betrekken bij het nieuwe beleid. Daarnaast zetten we het oude beleid gewoon voort. We willen het beleid graag ombouwen naar een beleid van positieve gezondheid

4

en bestaanszekerheid en daarvoor is de inbreng van de doelgroep nodig. Ik snap uw wens om het naar voren te halen, maar we hebben simpelweg tijd nodig om in gesprek te gaan met de doelgroep en u weet zelf dat is een moeilijk doelgroep om mee in gesprek te komen. Dat betekent dat we in Q3 dat beleid in de stijgers hebben zodat we het in Q4 kunnen vaststellen. De heer Holtman: Volgens mij hebben we al met elkaar afgesproken dat het eerder klaar zou zijn. En mijn vraag is wat heeft het college nodig om dat ook zo te doen? Wethouder Wikkerink: Ons de tijd geven. U kunt het excuses noemen, maar we zijn er niet mee begonnen omdat we andere dingen te doen hadden en personeelskrapte. We moeten er dus mee beginnen, maar dat kost tijd. Dan het laatste onderwerp en dat is Laborijn. Tijdens de laatste vergadering van Commissie Sociaal Domein is in de presentatie gezegd; ‘zou Laborijn niet meer moeten samenwerken met Figulus? Ik zou bijna zeggen, dat kan haast niet meer. Op een groot aantal terreinen werkt Laborijn nauw samen met Figulus. Bijvoorbeeld t.a.v. de inburgering. Daar is het netjes verdeeld, daar kun je het goed scheiden. De ‘echte’ inburgering, taallessen en duale trajecten zijn de taak van Laborijn. De maatschappelijke begeleiding is een taak van Figulus. Dat gaat in nauw overleg. Daar zie je de scheiding waar u om vraagt.

Laborijn is in de eerste plaats gericht op het verstrekken van inkomen en re-integratie naar werk. Als iemand niet in staat is om regulier werk te doen in een loondienstverhouding, dan krijg je hoe langer hoe meer maatschappelijke participatie activiteiten en dat wordt door Figulus opgepakt. Die samenwerking verloopt erg goed. Ik ben ook erg blij dat we inmiddels ook een inkomensconsulent van Laborijn hebben op de Hofstraat, zodat mensen niet meer naar Doetinchem hoeven voor afspraken. Het collectief van beide organisaties zorgt voor daadkracht. Je moet van elkaars deskundigheden gebruik maken en in mijn ogen en in de ogen van de organisaties en de deelnemers gaat dat erg goed. Er is nog een voordeel; Figulus is een algemene voorziening, die deel uitmaakt van de sociale basis. Laborijn is een organisatie die re-integratietrajecten, geïndiceerde trajecten uitvoert. Het is ons aller belang, ook om de samenleving levendig te houden, dat via de algemene voorzieningen, de sociale en pedagogische basis mensen ook aan het participeren gaan en als dat dan gaat via vrijwilligerswerk of een opstapje hier of een ondersteuning daar tot deels werk of volledig werk, dan zijn wij erg gelukkig en daar hebben we beide organisaties voor nodig. In mijn ogen is er dus geen sprake van dat zaken dubbel gedaan worden.

Laborijn gaat richting werk en Figulus is een algemene voorziening waar de klanten van Laborijn ook terecht kunnen, maar natuurlijk ook alle andere inwoners. De scheiding van enerzijds werk en anderzijds participatie die leidt ertoe dat er wel samenwerking is, maar in mijn ogen geen dubbeling. Discussiepunt. • We zitten met een kostenverhoging van de plekprijs in de zorg van 21%. Vinden we dat het college anders had moeten handelen? • Hoe kijken we naar de pedagogische basis. Willen we een regierol van de gemeente of een coördinerende? Willen we ook dat inwoners laagdrempelig en makkelijk met elkaar in contact komen? • Willen we het armoedebeleid naar voren halen? Tweede termijn. Discussiepunt: We zitten met een kostenverhoging van de plekprijs in de zorg van 21%. Vinden we dat het college anders had moeten handelen en een andere vorm van afspraken had moeten kiezen? Mevrouw Rensink: Ik ben benieuwd wat D66 bedoelt met de vorm van afspraken? De heer van der Graaff: Het is een langdurig contract waarbij tussentijds blijkbaar herijkt kan worden. Maar we niet kunnen uitstappen. Er wordt geschetst dat we kunnen evalueren en dan kunnen bepalen of we er dan wel of niet uit kunnen. We zitten langdurig in een jas genaaid waar je niet meer uit kan. Dat is wat mij betreft een punt van zorg waardoor wij aan bepaalde zorgpartijen zijn gelieerd waar we moeilijk afscheid van kunnen nemen.

Mevrouw Te Grotenhuis: ik had net begrepen dat wij er wel uit kunnen stappen. Dat het 3-2-2 is. Dan kunnen wij er toch wel uitstappen als we dat willen. Wethouder Wikkerink: Wij kunnen niet met een individuele aanbieder het contract opzeggen naar aanleiding van een herijking. Wat wij hebben gedaan is een contract sluiten (samen met alle gemeenten) met al die aanbieders. Als een aanbieder zijn contract niet nakomt, slechte zorg levert, dan is er een procedure om hem uit te sluiten. De heer Van der Graaff: Prijsverhoging is geen reden om te kunnen zeggen dat we uit elkaar gaan. Wethouder Wikkerink: Mits die prijzen redelijke en billijk zijn volgens de AmvB en dat is nu uitgezocht en door deskundigen getoetst. Deze prijzen zijn redelijk en billijk.

5

Mevrouw Rensink: ik had meer het gevoel dat door de gemeenten dusdanig gehandeld is dat aanbieders heel graag mee wilden doen en daardoor in de problemen zijn gekomen. Daarbij opgeteld natuurlijk alle kosten die enorm gestegen zijn. Voor mij is het beeld dat aanbieders ook aardig strak in het pak zijn genaaid in de eerste periode. De heer Holtman: We hebben te maken met enerzijds aantallen. Daarvan hebben we gehoord dat de lichte jeugdzorg lijkt te stabiliseren, dat de complexe vormen duurder lijken te worden. Daar heb je niet veel invloed op. Als je kijkt naar de contracten en de aanbieders dan ben ik het helemaal eens met GemeenteBelangen als het gaat over evalueren. Wat evalueer je dan? Je kunt wel zeggen met een contract, we stappen eruit, maar naar wie dan. Zo heel veel aanbieders hebben we ook niet. We zitten met elkaar, aanbieders en gemeenten in een constructie in een heel ingewikkelde samenleving. Daarom wil ik een bruggetje maken naar mijn discussiepunt. We hebben het over grip op het sociaal domein, over beheersbaar maken en houden en transformeren en die doelen daar staat CU ook helemaal achter. Misschien moeten we het meer hebben over bandbreedtes i.p.v. alleen maar op aantallen te sturen. We hebben geprobeerd dat te doen, maar we hebben er weinig invloed.

Wat kunnen we het college meegeven en wat kunnen zij uitleggen? We moeten transformeren, we moeten grip hebben, maar dat lukt gewoon niet. Misschien moeten we dat eens onder ogen zien. De heer Van de Graaff: Ik wil nog even reageren op mevrouw Rensink, zij vraagt of je het ook anders kunt bekijken. Ik heb de indruk dat dat zou kunnen. Het kan zijn dat men graag mee wilde doen, omdat men deze boot niet wilde missen. Dus wij gaan laag inschrijven, tegen lagere kosten dan we daadwerkelijk moeten maken. Uiteindelijk is dat niet helemaal fair van de aanbieders richting de gemeenten. Zij hebben met elkaar een contract afgesloten. Daar is niet in opgenomen wat wij een billijke prijsstijging vinden zonder dat wij voor de verassing komen te staan. Het gaat nu om 21%, om welke reden dan ook. De heer Holtman: De heer van der Graaff slaat een heel belangrijk punt over. Je moet intekenen in een nieuwe constructie met nieuwe prijsafspraken. Nu dat het duurder is, maar de wet schrijft voor dat je een reële tarieven betaald. Dus je hebt geen keus. Mevrouw Deunk: We zien dat het aantal unieke cliënten is gedaald. Aan de ene kant willen we discussie over de budgetten en vinden we alles te duur. Vervolgens zien we de aantallen en vragen we ons af of dat wel reëel is. Ik denk dat we ook wel tevreden kunnen kijken naar de situatie zoals die er nu voor staat.

Het feit is dat we geen invloed hebben op die prijsverhogingen. Laten we ook kijken naar de resultaten die we tot nu toe hebben. Zijn we op de goede weg? Ja. Zijn we er? Nee dat nog niet. De heer Van der Graaff: Ik ben geneigd u te geloven, ook als we het pleidooi van de wethouder mogen geloven dan gaat het best wel goed en mogen we best wel tevreden zijn en is het een lange weg en moeten we geduld hebben. Maar we hebben wel te maken met dit soort zaken waar we geen grip op hebben, maar in hoeverre hebben we dat contract goed afgesloten? We zijn niet de enige gemeenteraad waarin dit onderwerp zo besproken wordt. We mogen ons afvragen hoe heeft dit kunnen gebeuren? Ik vraag me wel af of we de goede keus hebben gemaakt. Discussiepunt: Hoe kijken we naar de pedagogische basis. Willen we een regierol van de gemeente of een coördinerende? Willen we ook dat inwoners laagdrempelig en makkelijk met elkaar in contact komen? De heer Holtman: Volgens mij is de intentie goed, zijn de voornemens goed, zijn de voorbeelden goed en de dingen die wij doen zijn goed. De vraag is wel; Welke rol heef de gemeente daarin, welk beleid moet je daarop voeren? Hoe is dat meetbaar? Wanneer ben je tevreden? En dan heb ik het over het niveau, hoe krijg ik een goede buurman of een goede kennis.

Moeten we dit wel op deze manier doen? Mevrouw Diepenbroek: Het roept bij mij vooral vragen op: “willen we allemaal wel een goede buurman hebben” Maar hoe kun je van de gemeente verwachten dat zij dat regelen voor jou? De heer Holtman: U vat de vraag heel goed samen, in de begroting staat dat de gemeente de pedagogische basis wil versterken. Als je dan vraag wat ga je doen, dan komt er een hele trits aan geïnstitutionaliseerde dingen. Volgens mij is het de vraag of dat daaraan bijdraagt. Mevrouw Deunk: Is het niet meer zo dat de gemeente ervoor zorgt dat de mensen die het nodig hebben met juiste personen en organisaties in contact brengt? Als je er zit en het gesprek aangaat, dat de gemeente dan zegt. Jij kunt daar terecht en jij kunt daar terecht. De heer van der Graaff: Volgens mij gaat het erom dat we juist weg willen bij organisaties en dat de gemeente niet naar loketten moet verwijzen, maar wil zij ook de burgers met elkaar verbinden en verstevigde sociale of pedagogische basis neerleggen. Dan ben ik benieuwd hoe men dat wil vormgeven. Mevrouw Rensink: Ik ben benieuwd wat jullie dan zouden willen? De heer Van der Graaff: Afgevraagd kan worden of de gemeente een gemeentelijke marktplaats wil bouwen van behoefte en aanbod? Hoe willen we dat dan doen? Gaan we grasmaaiers verdelen?

6

Mevrouw Rensink: Ziet u dat als onderdeel van de regiorol? Zo’n platform bouwen? De heer Van der Graaff: Op basis van de begroting is dat een vraag die wij hebben? Willen we dat dan? De heer Holtman: Het is niet zozeer de vraag wat wij er onder verstaan, maar wat het college er onder verstaat. In mijn optiek is het heel goed dat we heel aantal activiteiten doen, maar heeft dat niet van doen met de pedagogische basis? De vraag is: “heeft de gemeente wel een rol bij dat onderwerp?” Wij moeten onszelf de vraag stellen omdat wij daarvoor budgetten beschikbaar stellen. Mevrouw Deunk: Wat we doen is toch wat de pedagogische basis versterkt. We bereiken de mensen en de mensen bereiken elkaar er worden allerlei activiteiten ingezet. Ik snap niet waar je het mist. De heer Holtman: De activiteiten gaan over de sociale basis, die dingen vallen volgens mij daar heel mooi onder. De zogenaamde pedagogische basis, het creëren van een netwerk bij mensen. Ik stel me de vraag in hoeverre je daar als overheid en rol in hebt. Het project Moves, een jongerenraad, een preventiemedewerker versterken zijn volgens mij niet de pedagogische basis van een gezin. Wat stellen we dan vast. Discussiepunt: Willen we het armoedebeleid naar voren halen? De heer Holtman: Bestaanszekerheid is een van de grote thema’s die momenteel speelt.

Jammer genoeg neemt de armoede toe en wordt de kans op een armoedeval in Nederland groter. Er leven in Nederland circa 1 miljoen mensen in armoede en 300.000 daarvan zijn kinderen. Het leven wordt alsmaar duurder. Als gemeenteraad hebben we het onderwerp ook opgenomen in het raadsprogramma. Daarbij hebben we aangegeven dat dit onderwerp prioriteit heeft en in het uitvoeringsprogramma staat dat in 2023 het huidige armoedebeleid wordt herzien. We zouden daar begin dit jaar mee starten en nu lezen en horen we dat dit pas begin volgend jaar wordt opgepakt en inwerking treedt per 1-1-2025. Voor CU is dit onacceptabel. Het niet kunnen voorzien in de eerste levensbehoefte is voor CU zo essentieel dat we hier toch echt snel werk van willen maken. We willen de herijking en evaluatie naar voren halen. We hebben gevraagd wat daarvoor nodig is en daar krijgen we geen antwoord op. Steunt de raad een motie waar we zeggen dat we er niet nog een jaar op wachten voordat we daarmee klaar zijn. Mevrouw Diepenbroek: Ik deel uw zorg, het liefst hadden wij gehad dat het al klaar was. Volgens mij heeft u een antwoord gehad en ik snap dat het antwoord u niet past, maar wat we nodig hebben is tijd, tijd die we eigenlijk niet hebben. Ik vind het lastig om dan te zeggen dat we het naar voren moeten halen omdat we die tijd wel nodig hebben.

Ik ben bang dat als we het naar voren halen en de doelgroep niet bereikt wordt, dat we straks met een beleid komen te zitten waarvan we later zeggen dat het toch anders had gemoeten. Ik vind het dus ingewikkeld, liever was ik eerder klaar geweest, aan de andere kant wil ik ook de tijd nemen om met goed beleid te komen. Mevrouw Rensink: Ook ik deel die zorg over bestaanszekerheid, we hebben het niet voor niets in raadsprogramma gezet. Ik snap ook de capaciteitsproblemen. Ik vraag me alleen af, tijd en doelgroep. Wat kun je daar dan aan doen? Wat kunnen we doen om in een versnelling verder te kunnen gaan? De heer Huning: Ik ben het eens met mevrouw Diepenbroek. Neem wel de tijd die je nodig hebt. Bestaanszekerheid is een natuurlijk ook een landelijk thema. Misschien kunnen we daar ook nog koppelen. De heer van der Graaff: Ook wij vinden armoedebeleid zeer belangrijk, ook omdat we het in raadsprogramma hebben afgesproken. Uitstel lijkt te maken te hebben met prioritering. Mevrouw Te Grotenhuis: Wij zijn het ook eens met ChristenUnie. Mevrouw Deunk: Ik heb begrepen dat we niet helemaal niks doen, dat geeft de wethouder ook aan. Ik ben er wel van overtuigd dat we de koppen bij elkaar moeten steken om te kijken hoe we kunnen versnellen. Conclusie: De begroting kan voor het onderdeel Sociaal Domein door naar de raad. 2.

Onderdeel 2: Programma 2 Sociaal Domein van de Programmabegroting 2022 v.w.b. de portefeuillehouder burgemeester Stapelkamp Eerste termijn. De heer Van der Graaff zegt dat er in 2024 een extra subsidiebedrag van € 28.000 beschikbaar wordt gesteld voor de Koppelkerk. Waarom is dit incidenteel en niet structureel in de begroting opgenomen? Tijdens begrotingscafé is aangegeven om dit eerst te evalueren. Zijn fractie vindt de Koppelkerk een mooi initiatief en vraagt zich af waarom dit deze extra subsidie niet structureel wordt toegekend. De heer Van den Berg vraagt zich af wat de Koppelkerk zelf heeft gedaan om extra financiële middelen te krijgen. Ook wordt afgevraagd waarom de Koppelkerk werkt met een betaalde kracht.

7

Mevrouw Ten Bruin zegt dat er meer loonkosten voor openbare orde worden doorberekend i.v.m. uitbreiding. Waarom is uitbreiding van toezicht en handhaving nodig? De heer Holtman zegt dat het soft- en harddrugs gebruik onder jongeren een serieus probleem is. De gemeente Rotterdam is begonnen met een bewustwordingscampagne tegen drugsgebruik. Drugsgebruikers worden daar geconfronteerd met de impact van hun drugsgebruik. Drugsgebruikers houden het criminele circuit in stand; sterker nog ze stimuleren het zelfs. Veel mensen – ook in de Achterhoek – vinden het normaal om in het weekend een pilletje of lijntje te nemen, terwijl achter elke pil een wereld van ellende zit. Veel mensen leggen wel een link tussen minder vliegen en minder vlees eten en klimaat maar niet tussen drugsgebruik en criminaliteit. Hij pleit ervoor om ook hier een bewustwordings-campagne - net als in Rotterdam - te starten. Het is een serieus probleem. Reactie college. Burgemeester Stapelkamp antwoordt dat hij als portefeuillehouder de waarde van de Koppelkerk inziet. Het is voor cultuurliefhebbers en liefhebbers van maatschappelijke debatten. De Koppelkerk heeft een stevige positie in onze maatschappij ingenomen. Het is een grote organisatie met 100 vrijwilligers en heeft vele contacten met andere organisaties, scholen en musea. De Koppelkerk doet erg veel op een hoog niveau.

De gemeente heeft veel gesprekken met het bestuur gevoerd. Door het vertrek van de directeur heeft het bestuur noodgedwongen veel taken op zich genomen en tijd ingestoken. De conclusie is thans dat een dergelijke grote organisatie absoluut versterking en een goede aansturing nodig heeft. Sommige vrijwilligers zijn enigszins kwetsbaar en de Koppelkerk doet kosteloos de begeleiding van deze waardevolle dagbesteding. Wanneer je een goed niveau en een goede kwaliteit van het cultuurcentrum wilt hebben dan heb je een goede organisatie en een betaalde kracht nodig. De Koppelkerk heeft een groep donateurs en sponsoren. Zij hebben de tarieven verhoogd en zij proberen activiteiten binnen te halen, die geld in de kas brengt. Ook de gemeente probeert evenementen naar de Koppelkerk te halen. Een probleem is de hoge energielasten. De eigenaar weigert mee te werken aan energiebesparende maatregelen. Daarnaast speelt de inflatie een grote rol. De reserve van de Koppelkerk is aangetast door de coronaperiode. De koppelkerk moet nu een professionaliseringslag maken. Het is een bijzonder centrum ook voor de Achterhoek. Het gevraagde bedrag is te respecteren. Er is nog veel in ontwikkeling dus vandaar dat het college heeft besloten om voor 2023 en 2024 extra gelden beschikbaar te stellen zodat het centrum niet verloren gaat. De uitbreiding handhaving is een verschuiving van middelen/kosten.

Het is een technische maatregel. Er zijn geen plannen om meer Boa’s of handhavers in dienst te nemen. Ten aanzien van het antidrugscampagne vraagt spreker zich af of dit niet bij het onderdeel volksgezondheid/ gezonde leefstijl hoort. Hij vraagt zich af hoe groot een dergelijke campagne moet worden opgezet. Een optie zou kunnen zijn het maken van een “spandoek” zoals tijdens verkiezingen. De heer Smit wijst erop dat dit een serieus maatschappelijk probleem is waarvoor een structurele oplossing nodig is. Het vergt meer dan alleen aandacht schenken aan. Probeer het regionaal op te pakken. Burgemeester Stapelkamp zegt dat in Rotterdam met name een publiekscampagne is opgezet door middel van posters en billboards. Discussiepunten • Koppelkerk • Loonkosten openbare orde en veiligheid doorberekend i.v.m. uitbreiding • Bewustwordingscampagne drugsgebruik

Discussiepunt Koppelkerk. De heer Van der Graaff zegt dat duidelijk is geworden waarom nu nog niet gekozen is voor een structurele verhoging van de subsidie aan de Koppelkerk. Zijn fractie houdt dit nauwlettend in de gaten en heeft goede hoop dat t.z.t. dit alsnog structureel wordt ingeboekt. De heer Hüning zegt dat als de Koppelkerk dagbesteding is, dan moet er wellicht geld beschikbaar worden gesteld uit de post sociale basis, in plaats van een blanco subsidie. De eigenaar van het pand wil de stichting eveneens niet ondersteunen d.m.v. energiebesparende maatregelen. Er wordt voor een bijeenkomst een vrije gift gevraagd. De Koppelkerk kan hier ook zakelijk naar kijken. De burgemeester zegt dat niet gezegd is dat de Koppelkerk een dagbesteding is, maar dat de Koppelkerk veel tijd en aandacht besteed aan een aantal vrijwilligers. Het is en blijft een cultuur- en debatcentrum en het heeft een grote sociale functie. In het verleden is gekeken of dit via Sociaal Domein gefinancierd kan worden maar dat is heel ingewikkeld. De Stichting huurt van een BV en deze BV wil niet investeren.

8

De heer Smit ziet het nut en noodzaak van de maatschappelijke een sociale functie van de Koppelkerk in. Echter zijn fractie heeft moeite met een eventuele structurele verhoging van de subsidie. Een paar jaar geleden is al gediscussieerd over het wel of niet subsidiëren van de Koppelkerk. De raad heeft toen hiermee ingestemd. Nu wordt er maatwerk geleverd, maar het gaat de fractie te ver om dit nu structureel te maken. De Koppelkerk moet ook kritisch naar de inkomsten en uitgaven kijken. De heren Holtman en Van den Berg sluiten zich aan bij de woorden van de heer Smit. Discussiepunt loonkosten openbare orde en veiligheid doorberekend i.v.m. uitbreiding. Dit is voldoende beantwoord. Discussiepunt bewustwordingscampagne drugsgebruik De heer Holtman proeft een positieve grondhouding van het college. Het is een structureel probleem. De bedoeling is om bewustwording te creëren bij jongvolwassen. De wijze waarop dit wordt gedaan laat hij over aan de professionals. Hij vraagt of een dergelijke campagne in Aalten kan worden opgestart. Mogelijk kan dit ook in regionaal verband worden opgepakt. Aan het gebruik van drugs zit een donkere keerzijde en daar wil zijn fractie de jongvolwassen bewust van maken. De heer Van der Graaff pleit voor een regionale campagne. Dit is een onderwerp voor de thematafel De gezondste regio.

Dit onderwerp sluit ook aan bij het onderwerp over de mentale gezondheid van de jeugd. Mevrouw Ten Bruin zegt dat gesuggereerd wordt dat het harddrugs gebruik is gestegen. Afgevraagd wordt of dit een groot probleem is in deze regio. De feitelijke cijfers zijn belangrijk. Zij wil een onderscheid maken tussen soft- en harddrugs. Mevrouw Diepenbroek sluit zich aan bij de woorden van de heer Holtman. Wellicht moet Aalten beginnen om dit ook in regionaal verband te realiseren. De heer Smit denkt dat dit een regionale aanpak vergt zowel t.a.v. de aanpak van drugscriminaliteit als de preventie. Uit cijfers van Iriszorg blijkt dat dit een serieus probleem is voor de Achterhoek. De laatste jaren heeft een forse verschuiving plaatsgevonden van het gebruik van softdrug aar harddrugs. Het is wel een groot probleem. De heer Hüning vindt het een goed idee om een bewustwordingscampagne op te starten overeenkomstig de wijze waarop in Rotterdam campagne is gevoerd. De heer Van den Berg vindt het een goed initiatief. Conclusie. De voorzitter concludeert dat de begroting 2024 voor wat betreft het programma Sociaal Domein door kan naar de gemeenteraadsvergadering van 7 november 2023.

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Aalten in de openbare vergadering van 7 november 2023.

M.A.J.B. Fiering raadsgriffier

mr. A.B. Stapelkamp voorzitter

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=dc676c0b-48c4-43bb-a740-85d4ba67084b