CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleidskader gemeenschapshuizen 2021 (versie maart 2021) pdf.pdf

Gemeenteraad 22 juni 2021, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van Kadernota 'Beleidskader gemeenschapshuizen 2021’ en kennis nemen van het participatie- en inspraaktraject8.196 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

0

Kadernota

Beleidskader gemeenschapshuizen 2021

Auteur Gerrit Massen Functie Beleidsmedewerker Organisatie en Welzijn Datum Maart 2021

INHOUDSOPGAVE Samenvatting nieuw beleidskader gemeenschapshuizen 2021 Algemene uitgangspunten van het nieuwe beleidskader gemeenschapshuizen 2021

2

Indirecte vormen van financiële ondersteuning van gemeenschapshuizen

3

Directe vormen van financiële ondersteuning van gemeenschapshuizen 1. Stimulering van sociaal maatschappelijke activiteiten op basis van beleidsthema’s 2. Instandhouding van de accommodaties van de gemeenschapshuizen 3. Vrijwillige autonome keuzes voor gemeenschapshuizen

3 3 4 5

Kadernota beleid gemeenschapshuizen 2021 1.

Aanleiding a. Rapportage onderzoek Rekenkamercommissie b. Raadsprogramma 2018-2022 c. Uitvoeringsprogramma 2018-2022 d. Onderlinge samenwerking en afstemming via het Platform Aalten e. Provinciale ondersteuning via de DKK en de Leefbaarheidsalliantie Gelderland f. Gezamenlijk een nieuwe koers bepalen

2.

7 7 7 8 8 9

Conclusies en aanbevelingen voor het nieuwe beleidskader 2.1. De maatschappelijke betekenis en waarde van gemeenschapshuizen

9

a. Veranderende rol en functie b. Draagvlak van vrijwilligers/gebruikers/bewoners c. Ondersteuning van vrijwilligers en burgerinitiatieven d. Talentverbinders

9 9 10 10

2.2. De gemeenschapshuizen zijn autonoom in hun keuze van ambitie en koers

10

a. Eigen verantwoordelijkheid voor een sluitende exploitatie b. Geen of beperkte financiële ruimte voor het opbouwen van een onderhoudsreserve c. Combinatie met commerciële activiteiten in Kulturhusen

10 10 11

2.3. Grote verscheidenheid in omvang en functie van gemeenschapshuizen

11

a. Een zich wijzigende maatschappelijke functie b. Definiëring gemeenschapshuis c. Bepalen maatschappelijk profiel d. Dorpsontwikkelingsvisie of –plan e. Dorpshuisplan op basis van een vitaliteitsscan

11 11 11 12 12

2.4. Beleidskader naast ‘stenen’ ook gericht op de maatschappelijke functie

12

a. Indirecte gemeentelijke financiële ondersteuning b. Huidig beleid voor directe subsidiëring/financiering van gemeenschapshuizen c. Nieuwe mogelijkheden voor directe financiële ondersteuning

13 13 14

Bijlagen 1. Overzicht van bestaande gemeenschapshuizen

1

18

SAMENVATTING NIEUW BELEIDSKADER GEMEENSCHAPSHUIZEN 2021. Hoe kan de nieuwe subsidierelatie tussen gemeente en gemeenschapshuizen er onder het nieuw geformuleerde beleidskader uit komen te zien? Het nieuwe beleidskader gemeenschapshuizen 2021 kent in het kort de volgende algemene uitgangspunten: 1. Voor behoud en verbetering van de sociale samenhang en leefbaarheid van de (kleine) kernen hecht het gemeentebestuur grote waarde aan de specifieke maatschappelijke betekenis van de multifunctionele gemeenschapshuizen. 2. Geconstateerd wordt dat er inmiddels genoeg (en ruimtelijk voldoende gespreide) gemeenschapsvoorzieningen zijn. Voor de Dinxperlose De Heurne hangt dit wel af van het beschikbaar blijven (van het pand) van het plaatselijke horecabedrijf (Café Bruggink) als onderkomen voor maatschappelijke activiteiten. Als de commerciële uitbating hiervan zou eindigen is er voor het verenigingsgebruik geen direct alternatief. Behoudend deze situatie bestaat aan oprichting van een nieuw gemeenschapshuis binnen de gemeente Aalten feitelijk dus geen behoefte meer. Volgens de meeste gemeenschapshuizen binnen de gemeente Aalten voorzien ook de huidige beschikbare ruimten in de behoefte van de gebruikers. De Ringkamp maakt hierop nog een voorbehoud.

Het (financiële) probleem voor de gemeenschapshuizen zit hem nu met name in de beperkte ruimte die de exploitatie biedt om voor (groot) onderhoud te reserveren. Daar zal het gemeentelijk investerings-subsidiebeleid op gericht moeten zijn. Dagelijks (klein-)onderhoud en uitbreidingswensen dienen dan volledig door de gemeenschapshuizen zelf gefinancierd te worden uit eigen reserves, door inzet van vrijwilligers, (sponsoring door) het lokale bedrijfsleven en gerichte fondsenwerving. Gemeentelijke financiële steun voor uitbreiding zal enkel nog aan de orde kunnen zijn als voldoende onderbouwd aangetoond kan worden dat dit strikt noodzakelijk is voor het organiseren van nieuwe sociaal maatschappelijke activiteiten voor kwetsbare doelgroepen, waarvoor een concrete lokale vraag aanwezig is. Overigens zal een gemeentelijk subsidie in groot-onderhoud ook slechts aanvullend van aard kunnen zijn. 3. Een ‘gemeenschapshuis’ dient als voorziening aan de volgende definitie te voldoen: “Een gemeenschapshuis is een multifunctioneel gebouw dat in zijn essentie specifiek bestemd is om zonder winstoogmerk (op niet-commerciële basis) te voorzien in de behoefte aan ruimte en faciliteiten voor ontmoeting, vormings- en ontspanningsactiviteiten en dienstverlening op sociaal maatschappelijk, cultureel en recreatief terrein. Dit volledig ten dienste van de lokale samenleving.

Het is het ‘hart’ van het dorp, kern of buurtschap, waar diverse faciliteiten beschikbaar worden gesteld door en voor de diverse maatschappelijke verenigingen en organisaties en (groepen van) bewoners.”; 4. De gemeenschapshuizen hebben aangegeven graag zo zelfstandig en onafhankelijk mogelijk te willen (blijven) functioneren. Het gemeentebestuur onderschrijft de autonome eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschapshuizen voor een sluitende exploitatie, de programmering van sociaal maatschappelijke activiteiten en onderlinge afstemming en samenwerking. Een gemeenschapshuis moet daarin inderdaad ‘gedragen’ worden door de inwoners/gebruikers. Een zelfstandige verantwoordelijkheid voor een sluitende exploitatie geldt, vanuit para-commerciële overwegingen, zeker daar waar door of binnen het gemeenschapshuis overwegend commercieel georganiseerde (horeca-)activiteiten plaatsvinden. 5. De betrokken partijen zijn zich bewust van de grenzen aan de inzetbaarheid en de draagkracht van vrijwilligers. Voor het aan zich (blijven) binden van voldoende beschikbare vrijwilligers met de juiste competenties zien zij het belang van een adequate ondersteuning. 6.

De gemeenschapshuizen kunnen zich als belangrijke maatschappelijke partners individueel en collectief versterken en beter in het maatschappelijk veld positioneren door gericht samen te werken, elkaar te informeren en gezamenlijke initiatieven te ontplooien.

2

De gemeenschapshuizen kunnen zich voor inhoudelijke ondersteuning bij haar maatschappelijke taken richten tot de Vereniging voor Dorpshuizen en Kleine Kernen Gelderland (DKK). 7. De (meeste) gemeenschapshuisorganisaties stellen vast dat door de maatschappelijke ontwikkelingen binnen het sociaal domein er zich een (voortdurende) verandering voordoet in de aard en omvang van de behoefte aan ondersteuning door de te onderscheiden doelgroepen (waaronder ook kwetsbare burgers). De meeste gemeenschapshuizen denken hierin te kunnen voorzien door ook zelfstandig ‘wmo-achtige’ activiteiten te organiseren of te initiëren en/of inloop mogelijk te maken. Bij het vorm en inhoud geven aan deze (nieuwe) rol en functie ervaren de gemeenschapshuizen nu vaak nog organisatorische en financiële moeilijkheden. Tot op heden kunnen gemeenschapshuisorganisaties niet (of slechts zeer beperkt) gebruik maken van de huidige gemeentelijke incidentele subsidieregelingen voor het ontwikkelen van eigen nieuwe sociaal maatschappelijke activiteiten. Het nieuwe subsidiebeleid richt zich vanaf 2021 vanuit deze algemene uitgangspunten op indirecte en directe vormen van financiële ondersteuning van gemeenschapshuizen:

Indirecte financiële ondersteuning van gemeenschapshuizen: a. De gemeente maakt in het kader van de structurele budgetfinanciering concrete afspraken met de brede welzijnsorganisatie, Stichting Figulus Welzijn Aalten-Dinxperlo, over efficiënte ondersteuning van de aan de gemeenschapshuizen verbonden vrijwilligers. Dit onder meer via het Vrijwilligers Servicepunt (VSP). b. Door de besturen van de gemeenschapshuizen is aan afstemming en samenwerking gehoor gegeven door het ‘Platform Aalten’ in te richten. Dit Platform zal door de gemeente structureel financieel worden ondersteund en zal voor haar een belangrijke gesprekspartner vormen voor relevante beleidsontwikkelingen. c.

De gemeente ondersteunt de DKK met een structureel subsidie per aangesloten Aaltense gemeenschapsvoorziening.

d. Daar waar gewenst kunnen de professionele social workers, talentverbinders en talentcoaches via Figulus Welzijn de gemeenschapshuisorganisaties steun bieden door (nieuwe) sociaal maatschappelijke initiatieven voor de te onderscheiden doelgroepen in en door de gemeenschapshuizen te helpen ontwikkelen. De gemeente maakt de gerichte inzetbaarheid van deze professionals financieel mogelijk. e. De Aaltense Uitdaging zou bij eventueel gewenste uitbreiding van een gemeenschapshuis door inzet van vrijwilligers, (sponsoring door) het lokale bedrijfsleven en gerichte fondsenwerving een stimulerende en coördinerende rol kunnen vervullen. De gemeente Aalten ondersteunt de Aaltense Uitdaging op structurele financiële basis.

Directe financiële ondersteuning van gemeenschapshuizen: Een rechtstreekse financiële relatie tussen gemeente en gemeenschapshuizen bestaat volgens het nieuwe beleidskader uit vijf concrete onderdelen, nog nader uit te werken in aan te passen of nieuwe subsidiebeleidsregel(s):

1. Specifiek gericht op de stimulering van sociaal maatschappelijke activiteiten: a. Jaarlijkse financiële ondersteuning van een aanbod aan sociaal maatschappelijke activiteiten, waaraan structureel behoefte bestaat: Gemeenschapshuisorganisaties zouden op dit onderdeel in aanmerking kunnen komen voor een jaarlijks subsidie, waarbij qua omvang aangesloten kan worden bij bijv. hun OZB-aanslag (eigenaars- en/of gebruikersdeel).

3

Zij kunnen hiervoor een convenant met de gemeente afsluiten, waarin zij aangeven welk aanbod aan structurele sociaal maatschappelijke activiteiten zij als gemeenschapshuis zelfstandig organiseren als tegenprestatie voor de subsidiecompensatie ter hoogte van de te betalen OZB. Aangetoond moet kunnen worden dat onder de inwoners van het werkgebied van het gemeenschapshuis daadwerkelijk behoefte bestaat aan deze specifieke activiteiten. b. Incidentele stimulering van een voortdurende vernieuwing van het aanbod aan sociaal maatschappelijke activiteiten, ingegeven door steeds veranderende maatschappelijke thema’s en behoeftes: Tot op heden zijn er twee formele subsidieregelingen, die de totstandkoming van nieuwe sociaal maatschappelijke activiteiten (die bijdragen aan de uitvoering van de gemeentelijke beleidsthema’s) willen stimuleren. Dat is de incidentele projectsubsidieregeling en het Naoberfonds. Tot op heden kunnen gemeenschapshuisorganisaties niet (of slechts zeer beperkt) gebruik maken van de huidige gemeentelijke incidentele subsidieregelingen voor het ontwikkelen van eigen nieuwe sociaal maatschappelijke activiteiten. Voorstel is deze incidentele subsidieregelingen samen te voegen, te herformuleren en voortaan ook voor besturen van gemeenschapshuizen toegankelijk te maken. c.

Incidentele financiële ondersteuning van het tot stand komen van een dorps(ontwikkelings)plan of dorpshuisaccommodatieplan: In 2010 heeft de gemeenteraad een subsidieregeling vastgesteld voor de stimulering van de totstandkoming van zgn. dorps(ontwikkelings)plannen. Met financiële ondersteuning vanuit deze regeling kunnen dorpsbelangenverenigingen onder deskundige begeleiding van de DKK een toekomstgerichte dorpsvisie ontwikkelen, waar onder meer ook de rol en de functie van een gemeenschapshuis onderdeel van uit kan maken. Hiervan is in de afgelopen 10 jaar slechts twee keer gebruik gemaakt. Dit blijkt dus niet het meest effectieve instrument te zijn om met name de positie (het profiel) van gemeenschapshuizen als centrale ontmoetingsplek en centrum voor noodzakelijk geachte maatschappelijke activiteiten in hun bedieningsgebied te kunnen bepalen. Daarvoor lijkt een dorpshuis- of dorpsaccommodatieplan (bijv. op basis van een vitaliteitsscan via de DKK) een beter alternatief. Voorstel is de huidige regeling met deze optie uit te breiden. Daarnaast valt te overwegen ook een mogelijkheid voor incidentele financiële steun voor het in eigen beheer door gemeenschapshuisorganisaties op (laten) stellen van een meerjarig-onderhoudsplan (MOP) in deze regeling op te nemen (zie hierna onder e.)

2. Specifiek gericht op de instandhouding van de gemeenschapshuizen, uitgaande van het huidige aantal en de bestaande vormgeving van de accommodaties: d. Duurzaamheidslening: Op basis van de ‘Verordening Stimuleringslening duurzame maatregelen non-profit organisaties gemeente Aalten 2018’ kunnen gemeenschapshuisorganisaties bij de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (SVn) een laagrentedragende lening aanvragen. Deze lening kan ingezet worden voor de bekostiging van specifieke investeringen in energiebesparende maatregelen (bijv. plaatsen zonnepanelen, led-verlichting, warmtepomp etc.). Door het verstrekken van een lening blijft de verantwoordelijkheid voor de investering bij de eigenaar en gebruikers van de accommodatie zelf. Indirect wordt van gemeentewege op deze manier op termijn bijgedragen aan een structurele (energie)kostenbesparing binnen de exploitatie. e. Genormeerde aanvullende bijdrage in de kosten van groot onderhoud van de bestaande gemeenschapshuizen in plaats van een incidentele bijdrage in nieuwbouw of uitbreiding:

4

In de bestaande gemeentelijke incidentele investeringssubsidieregeling is de focus nu nog vooral gericht op het financieel mogelijk helpen maken van oprichting van nieuwe initiatieven voor een gemeenschapsvoorziening, dan wel voor uitbreiding van bestaande voorzieningen om een ruimer sociaal maatschappelijk activiteitenaanbod mogelijk te maken. Geconstateerd wordt echter dat er inmiddels genoeg (en voldoende gespreide) gemeenschapsvoorzieningen zijn (de specifieke situatie in de Dinxperlose De Heurne in rekenschap nemende), die naar verwachting in zijn algemeenheid ook qua beschikbare ruimten in de behoefte van de gebruikers kunnen voldoen. Het (financiële) probleem voor de gemeenschapshuizen zit hem nu echter met name in de beperkte ruimte die de exploitatie biedt om voor (groot) onderhoud te reserveren (uitkomsten onderzoek Rekenkamercommissie). Juist die structurele kosten zijn nu in de investeringssubsidieregeling uitgesloten. In de nieuwe beleidsregel(s) dient derhalve gezocht te worden naar een mogelijkheid om de gemeentelijke financiële ondersteuning meer (en meer gestructureerd) te richten op dit (groot) onderhoud. Op basis van geactualiseerde of nog op te stellen meerjarig-onderhoudsplannen (MOP) kan tot een (periodieke) gemeentelijke bijdrage in groot-onderhoud, overigens slechts aanvullend van aard, overgegaan worden.

Nadere aandacht moet daarbij uitgaan naar het vraagstuk of, en zo ja in hoeverre, hierin een onderscheid moet c.q. kan worden gemaakt in de wijze van beheer en exploitatie van het gemeenschapshuis (variërend van volledig door vrijwilligers tot volledig door een commercieel opererende partij). Het opstellen van deze MOP’s blijft een eigen verantwoordelijkheid. Maar bij ontbrekende technische kennis en kunde bij de besturen van de gemeenschapshuizen zouden deze MOP’s opgesteld kunnen worden door, via of met ondersteuning van deskundigen op dit terrein. Eventueel zou daarom voor het opstellen en uitwerken van een MOP een (gedeeltelijke) gemeentelijke bijdrage in de kosten overwogen kunnen worden (zie onderdeel c). Met deze wijziging van de investeringssubsidieregeling verschuift de focus dus van incidentele medefinanciering van nieuw-, ver- en uitbouw naar gestructureerde financiële steun in de (groot-)onderhoudskosten. Van een nieuwe gemeenschapshuisvoorziening zal, mogelijk op De Heurne na, geen sprake meer zijn. Eventuele uitbreiding dient voortaan zelfstandig gefinancierd te worden, tenzij onderbouwd aangetoond kan worden dat dit voor de behoefte aan sociaal-maatschappelijke activiteiten strikt noodzakelijk is en hiervoor voldoende eigen middelen of te verwerven middelen van derden ontbreken.

3. Vrijwillige autonome keuze voor de gemeenschapshuisorganisatie: Van welke regeling de gemeenschapsvoorziening gebruik maakt is afhankelijk van de profielkeuze die een gemeenschapshuis zelfstandig maakt. Dat houdt ook in dat als zij gemeentelijke ondersteuning niet nodig of zelfs ongewenst vinden, zij dan geen beroep op de gemeente doen. Wil het bestuur van het gemeenschapshuis enkel en alleen (betaalbare) huisvesting bieden voor sociaal maatschappelijke activiteiten van anderen, doet zij eventueel alleen een beroep op onderdeel d. en of e. Wil het bestuur structureel of incidenteel ook zelfstandig sociaal maatschappelijke activiteiten organiseren of initiëren, doet zij een aanvraag voor respectievelijk onderdeel a. en/of b. En als zij de keuze voor te bieden activiteiten/faciliteiten (het eigen profiel) wil onderbouwen met een dorpsplan of dorpshuisplan, doet men een beroep op onderdeel c.

5

BELEIDSKADER GEMEENSCHAPSHUIZEN GEMEENTE AALTEN 2021.

6

1. Aanleiding Rapportage onderzoek Rekenkamercommissie: Op verzoek van de (toenmalige) gemeenteraad heeft de Rekenkamercommissie AOGW in 2016/2017 een onderzoek gedaan naar het (maatschappelijk) functioneren van de gemeenschapshuizen in de gemeente Aalten. Daarbij is gekeken naar de exploitatie, hun onderlinge samenwerking en afstemming en de wijze waarop hierbij gemeentelijke ondersteuning gewenst is. Hierbij is nadrukkelijk rekening gehouden met de maatschappelijke opgaven vanuit de decentralisaties binnen het sociaal domein. De belangrijkste aanbevelingen en conclusies uit het onderzoeksrapport “Maatschappelijke energie onder dak – Gemeenschapshuizen in Aalten” zijn:  Er zijn (in aantal en formaat) voldoende gemeenschapshuizen gerealiseerd;  De gemeenschapshuizen realiseren in zijn algemeenheid een sluitende exploitatie, maar daarin bestaat te weinig ruimte voor reservering voor groot-onderhoud;  De gemeenschapshuizen wensen een grote mate van zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid te behouden.

Liefst een zo beperkt mogelijke gemeentelijke inmenging;  Er bestaat een grote diversiteit onder de gemeenschapshuizen, daar dient in het beleid rekening mee te worden gehouden (zoveel mogelijk maatwerk);  De gemeenschapshuizen dienen elkaar door afstemming en samenwerking te versterken in plaats van onderling te concurreren;  De maatschappelijke functie van gemeenschapshuizen binnen de gemeentelijke beleidsthema’s in het sociaal domein verandert voortdurend. Iedere voorziening zal daarin zijn eigen rol en bijdrage moeten bepalen. Vormt zij alleen een onderdak voor activiteiten van anderen of organiseert zij die ook zelf. Een dorpsplan is daarvoor een geschikt hulpmiddel. De gemeenschapshuizen zijn daarbij sterk afhankelijk van vrijwilligers/bewoners/gebruikers.;  Men vraagt de gemeente hen daarin te (laten) ondersteunen met gerichte kennis en financiële middelen; Deze conclusies en aanbevelingen worden nadrukkelijk betrokken bij de formulering van een nieuw gemeentelijk beleidskader voor deze gemeenschapshuizen. Dat heeft de raad in zijn vergadering van 23 januari 2018 besloten. Dit heeft na de nieuwe raadsverkiezingen in 2018 ook zijn weerslag gekregen in het eerste raadsprogramma. In dit raadsprogramma worden (op hoofdlijnen) de belangrijkste thema’s vermeld waarover alle fracties het in grote lijnen eens zijn.

Raadsprogramma 2018-2022: In het Raadsprogramma 2018-2022 “Voor een sterke democratie en een sterk bestuur” geeft de gemeenteraad onder meer aan met een adequate ondersteuning van brede welzijnsvoorzieningen en welzijnsactiviteiten een concrete bijdrage te willen (blijven) leveren aan de participatie- en ontplooiingsmogelijkheden en een zinvolle vrijetijdsbesteding van al zijn inwoners. De raad ziet daarin het verenigingsleven als verbindende factor, waarbij vrijwilligers onontbeerlijk zijn. De raad wil daarvoor investeren in een adequate infrastructuur van sport-, welzijns- en overige accommodaties. Multifunctionele inzet daarvan heeft daarbij de duidelijke voorkeur. Voor behoud en verbetering van de leefbaarheid van de (kleine) kernen hecht de raad daarbij specifiek grote waarde aan de aanwezigheid van Kulturhusen of andere multifunctionele gemeenschapsvoorzieningen. De raad vindt dat daarbij gestreefd moet worden naar onderlinge afstemming en samenwerking. Maar ook denkt de raad dat ondersteuning van een breder (doelgroepgericht) activiteitenprogramma en het bieden van inloopmogelijkheden daarbij stimulerend werkt. Daarmee hoopt de raad bij te dragen aan een goed functionerende participatiesamenleving. Waar iedereen meedoet, betrokken is en betrokkenheid toont. Waar het belangrijk is dat mensen elkaar helpen en bereid zijn voor elkaar te zorgen.

Ieder vanuit zijn eigen (potentiële) mogelijkheden. Dit is ook een kernwaarde in het interactief tot stand gekomen document “Krachten versterken: Visie op de toekomst van de gemeente in 2025 en verder” (maart 2018). Deze uitgangspunten voor de gemeenschapshuizen zijn voor de kunst- en cultuursector recent ook door de raad opgenomen in de Cultuurnota, “Een warm BAD voor cultuur”. De raad vraagt daarnaast nadrukkelijk de aandacht van het college en de gemeentelijke organisatie om rekening te houden met de duidelijke behoefte van de Aaltense samenleving om meer en eerder betrokken te worden bij planvorming en besluitvorming. De raad vraagt daarvoor transparantie over de ideeën, de argumentatie en onderbouwing van plannen vanuit een oplossingsgerichte cultuur. Uitvoeringsprogramma 2018-2022: In het Uitvoeringsprogramma 2018-2022 “Daadkrachtig, duurzaam en dichtbij” heeft het nieuwe college van Burgemeester en Wethouders, als antwoord op de uitgangspunten van het Raadsprogramma, aangegeven dat zij de gemeenschapshuizen een warm hart toedraagt.

7

Het college is daarbij wel van mening dat de gemeenschapshuizen zelf verantwoordelijk zijn voor de exploitatie, de programmering en eventuele onderlinge afstemming/samenwerking, maar dat zij hen hierbij desgewenst en voor zover noodzakelijk wil faciliteren en ondersteunen. Het college geeft aan in de eerste helft van 2020 met een notitie te komen als reactie op het Rekenkamercommissierapport. Hierin wordt richting gegeven aan de wijze waarop de bedoelde facilitering en ondersteuning onder de geschetste randvoorwaarden in een nieuw beleidskader kan worden vertaald. Onderlinge samenwerking en afstemming via het Platform Aalten: Een belangrijke conclusie van de Rekenkamercommissie is dat de gemeenschapshuizen zich als belangrijke maatschappelijke partners individueel en collectief kunnen versterken en beter in het maatschappelijk veld kunnen positioneren door gericht samen te werken, elkaar te informeren en gezamenlijke initiatieven te ontplooien. Door de besturen van de gemeenschapshuizen is hieraan al duidelijk gehoor gegeven door in de loop van 2018 het ‘Platform Aalten’ in te richten. Hierin zijn de betrokken organisaties ondersteund door de professionele brede welzijnsorganisatie Stichting Figulus Welzijn Aalten-Dinxperlo. Dit platform bestaat uit vertegenwoordigers van alle gemeenschapshuizen en lokale (dorps-)belangenverenigingen, samen met de zorgcoöperatie Barlo/Dale.

Het gemeentebestuur heeft, zoals eerder aangegeven, het belang van deze onderlinge afstemming en samenwerking onderkent en heeft de totstandkoming van dit platform financieel mogelijk gemaakt. Enerzijds door de inzet van de social workers van de Stichting Figulus Welzijn bij dit proces in de prestatieafspraken voor de budgetsubsidiëring op te nemen. Anderzijds door het Platform een startsubsidie (voor de periode 2018-2020) toe te kennen en structurele financiële steun in het vooruitzicht te stellen. Hiermee is al aan een belangrijk speerpunt uit het onderzoeksrapport van de Rekenkamercommissie uitvoering gegeven. Provinciale ondersteuning via de DKK en de Leefbaarheidsalliantie Gelderland: Tevens ondersteunt de gemeente de Vereniging Dorpshuizen en Kleine Kernen Gelderland (DKK) tot op heden met een jaarlijks organisatiesubsidie (per aangesloten lid uit onze gemeente), zodat zij haar adviserende en ondersteunende functies ook in de gemeente Aalten kan blijven leveren. De verschillende gemeenschapshuizen worden (op deze wijze) ook gestimuleerd aansluiting te zoeken bij de DKK. Op deze wijze kunnen zij gebruik maken van de door de DKK (of door de Leefbaarheidsalliantie Gelderland) georganiseerde informatieve bijeenkomsten, cursussen, workshops, kennisuitwisseling en belangenbehartiging.

Daarnaast kan de DKK de bedrijfsvoering helpen verbeteren middels scans gericht op bijvoorbeeld vitaliteit en brede toegankelijkheid van de gemeenschapsvoorziening. Gezamenlijk een nieuwe koers bepalen: Vanuit het Platform Aalten heeft zich een Werkgroep Kulturhusen 2.0. gevormd om samen met de gemeente de eerste relevante stappen te zetten tot de vormgeving van de uitgangspunten van een nieuw gemeentelijk beleidskader gemeenschapshuizen. Hiermee komt het college ook tegemoet aan de oproep van de gemeenteraad om de burgers en het particulier initiatief eerder en nadrukkelijker vanuit hun eigen visie bij de gemeentelijke beleidsvorming te betrekken. Over de start van dit gezamenlijke proces is de gemeenteraad op 29 oktober per raadsmededeling 06-2019 uitgebreid geïnformeerd. Daarin is ook uitgelegd dat een dergelijk gezamenlijk interactief proces (meer) tijd vergt. Raadsbehandeling van een voorstel voor een nieuw beleidskader in de eerste helft van 2019 was niet haalbaar. Ook de planning volgens het Uitvoeringsprogramma, eerste helft 2020, was niet mogelijk. Met name vanwege de plotselinge uitbraak van het coronavirus is het beoogde beleidskader gemeenschapshuizen pas medio 2021 klaar. Deze concept kadernota is hiervan nu het eerste gezamenlijke resultaat.

8

2. Conclusies en aanbevelingen voor het nieuwe beleidskader: Onderstaand staan vrij vertaald en samenvattend de meest relevante conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek van de Rekenkamercommissie omschreven, rekening houdend met de uitkomsten van de overleggen hierover met de Werkgroep Kulturhusen 2.0. en de Kerngroep Platform Aalten. 1. De maatschappelijke betekenis en waarde van gemeenschapshuizen wordt onderschreven en staat niet ter discussie; 2. Het is aan ieder gemeenschapshuis zelf om te bepalen wat de koers is, ze zijn zelfstandig en autonoom. Door onderlinge samenwerking en afstemming kunnen zij elkaar echter wel versterken; 3. De ontwikkelingen in de samenleving hebben ook invloed op de gemeenschapshuizen. Maar de daarmee samenhangende kansen en bedreigingen zijn niet voor alle accommodaties gelijk. Door de aard van de accommodaties en door de omvang van de kern of de buurtschap zijn er per gemeenschapshuis grote verschillen ten aanzien van beheer, gebruik, onderhoud, exploitatie en toekomstperspectieven. Dit geldt ook voor de ambitie om daadwerkelijk een rol te spelen in de ontwikkeling binnen het sociaal domein. Deze verscheidenheid dient zichtbaar gemaakt te worden en ook vertaald te worden in de uitwerking van het nieuw geformuleerde beleidskader; 4.

De geconstateerde verschillen vragen speciale aandacht bij de verdere uitwerking van een vernieuwd gemeentelijk beleidskader (middels maatwerk). Dit richt zich niet alleen meer op de ‘stenen’ van het gebouw maar ook op de functie van het gemeenschapshuis als belangrijke maatschappelijke voorziening; 2.1. De maatschappelijke betekenis en waarde van gemeenschapshuizen wordt onderschreven en staat niet ter discussie. Er bestaat unaniem een principiële overtuiging dat een gemeenschapshuis een grote maatschappelijke betekenis heeft en vrijwel onmisbaar is voor behoud en/of verbetering van de leefbaarheid, betrokkenheid en gemeenschapszin van een buurtschap, kern of dorp. De besturen (en vrijwilligers) van gemeenschapshuizen spannen zich in een bijdrage te leveren aan de sociale samenhang en leefbaarheid in de dorpen, buurtschappen en kleine kernen. Zij spelen daarbij een belangrijke verbindende rol in de realisatie van onder meer de doelen van de Wet maatschappelijke ondersteuning in het sociaal domein. Veranderende rol en functie: Dit doen ze niet alleen meer door het beschikbaar stellen van huisvesting aan (groepen van) bewoners, verenigingen en organisaties voor meer traditioneel vaste activiteiten op vaste tijden. Tegenwoordig kunnen zij ook zelf gerichte activiteiten organiseren of initiëren.

En daarmee de mogelijkheden van individuele inwoners om (volwaardig) deel te kunnen nemen aan de lokale samenleving versterken en verbreden. Door daarbij bijvoorbeeld de (inrichting) van de ruimtes en de openingstijden aan te passen kunnen zij voor elke individuele inwoner een algemene inloopmogelijkheid creëren. Met het op deze wijze versterken van de ontmoetingsfunctie kunnen de gemeenschapshuizen het sociaal contact, de gemeenschapszin en het leefklimaat in de directe omgeving bevorderen en daarmee ook behulpzaam zijn bij het voorkomen of verminderen van maatschappelijke achterstanden van kwetsbare burgers. Kenmerk van gemeenschapshuizen is dus dat ze multifunctioneel en voor iedereen toegankelijk zijn, waardoor een breed scala aan (liefst integraal vorm gegeven) sociaal maatschappelijke functies en activiteiten mogelijk is. Naar mate de behoeften van de (potentiële) gebruikers veranderen, en anticiperend op de actuele thema’s in de lokale samenleving, zullen constant functies komen en functies gaan. Als men als opvangvoorziening hieraan tegemoet wil komen, vraagt dit van de vrijwillige besturen een proactieve bestuursstijl, een goede afstemming tussen de verschillende doelgroepen en zorg voor maximale toegankelijkheid en beschikbaarheid (ook qua tarieven).

Draagvlak van vrijwilligers/gebruikers/bewoners: Uitgangspunt is en blijft echter dat vitaliteit, sociale samenhang, organisatiekracht en zelfredzaamheid van de gemeenschapshuizen eigenlijk alleen succesvol kan worden ontwikkeld en gerealiseerd door de inwoners zelf. Door eigen en gezamenlijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid, door initiatieven, door vrijwillige inzet en door gezamenlijke activiteiten. Een gemeenschapshuis moet wel ‘gedragen’ worden door de inwoners/gebruikers.

9

Vrijwilligers en deelnemers vormen de ruggengraat voor het gebouw, het beleid en de activiteiten. Zonder de inzet van vrijwilligers en deelname van bewoners kunnen de gemeenschapshuizen feitelijk niet bestaan. Ondersteuning van vrijwilligers en burgerinitiatieven: Deze afhankelijkheid van vrijwilligers bij het besturen en beheren van de gemeenschapsvoorzieningen maakt de positie van gemeenschapshuizen hierin bijzonder. Maar tegelijkertijd ook kwetsbaar. De betrokken partijen zijn zich bewust van de grenzen aan de inzetbaarheid en de draagkracht van vrijwilligers. Zij zien daarin het belang van een adequate ondersteuning vanuit de gemeente. De gemeente legt daarom bij de professionele organisatie voor sociaal werk, de Stichting Figulus Welzijn Aalten-Dinxperlo, onder meer de taak/opdracht neer de vrijwillige bestuurders en uitvoerders in en rond de gemeenschapsvoorzieningen (desgevraagd) hierin professioneel te ondersteunen. Deze ondersteuning vindt plaats via de uitvoering van het Vrijwilligers Service Punt (VSP). Maar dit kan ook plaats vinden door het (helpen) organiseren van activiteiten voor specifieke doelgroepen, die niet spontaan van de grond komen, maar waarmee wel in een specifieke behoefte wordt voorzien. De gemeente maakt dit mogelijk door een gerichte beschikbaarstelling van een substantieel structureel budgetsubsidie aan de Stichting Figulus Welzijn.

Talentverbinders: Daarnaast stimuleert en financiert de gemeente (via de Brede Regeling combinatiefuncties 20192022) ook (mede) de inzet van de zgn. talentverbinders en talentcoaches. Zij kunnen vanuit hun vraaggerichte werkwijze de gemeenschapshuizen bij hun programmering helpen. Dit doen zij als verbinders van vraag naar en aanbod van sociaal-maatschappelijke initiatieven. Daarbij kunnen zij, in samenspraak en samenwerking met betrokken partijen, ook (nieuwe) burgerinitiatieven en activiteiten voor kwetsbare doelgroepen helpen ontwikkelen. Zij kunnen als ‘verenigingsondersteuner’ (via netwerk- en themabijeenkomsten) vrijwilligers over de aanpak van dergelijke projecten instrueren. Dat kan ook gelden voor fondsenwerving ten behoeve van de bekostiging daarvan. Juist bij het bereiken van deze doelgroepen ervaren de gemeenschapshuizen moeilijkheden. Toch zijn ze hiervoor als partner nog maar beperkt bij de talentverbinders in beeld. 2.2. Het is aan ieder gemeenschapshuis zelf om te bepalen wat de ambitie en koers is. Ze zijn zelfstandig en autonoom. Eigen verantwoordelijkheid voor een sluitende exploitatie: De huidige gemeenschapshuizen hebben bij het onderzoek nadrukkelijk aangegeven graag zo zelfstandig en onafhankelijk mogelijk te willen functioneren, zowel bij het realiseren als het in stand houden (exploiteren) van een gemeenschapsvoorziening.

In het onderzoeksrapport van de Rekenkamercommissie wordt desgevraagd door de besturen van de gemeenschapshuizen aangegeven over het algemeen redelijk tot goed bezet te zijn en daarvoor over afdoende geschikte ruimte(n) te beschikken. De meeste besturen hebben daardoor ook vertrouwen in een sluitende exploitatie. Als voorwaarde daarbij noemen ze wel dat de kosten van eventueel personeel (liefst zo beperkt mogelijk door zo veel mogelijke vrijwillige inzet), dagelijks onderhoud en energie beheersbaar zijn en blijven. Dit vanuit een op het werkgebied afgestemde passende schaal en functionaliteit van het gebouw. Dit past ook binnen de visie van het gemeentebestuur. Gepaste terughoudendheid van gemeentelijke bemoeienis bij de exploitatie is dus gewenst en ook mogelijk. Daar, waar binnen het gemeenschapshuis ook of overwegend commercieel georganiseerde (horeca-)activiteiten plaatsvinden, is dit zelfs, vanuit para-commerciële overwegingen, noodzakelijk. Geen of beperkte financiële ruimte voor het opbouwen van een onderhoudsreserve: Vrijwel alle gemeenschapsvoorziening geven dus (ook volgens het Rekenkamercommissieonderzoek) aan de exploitatie sluitend te kunnen krijgen. Ware het niet dat er daarbinnen weinig of geen ruimte is voor reservevorming voor toekomstig (groot) onderhoud van het pand.

Veelal ontbreekt het bij de vrijwillige besturen ook aan tijd en specifieke kennis om het benodigde onderhoud planmatig vast te leggen. Op dit terrein vragen ze de gemeente op een meer structurele basis ondersteuning. Zowel op technische kennis en kunde (bij het opstellen van meer-jaren-onderhoudsplannen) als bij het mogelijk tekortschieten van hun financiële mogelijkheden. Van de gemeenschapshuizen mag daarbij wel verwacht worden dat zij voor (incidentele) financiering van (groot) onderhoud, renovatie of uitbreiding een beroep doen op fondsen, zelfwerkzaamheid of inzet dan wel sponsoring van sympathiserende (plaatselijke) bedrijven.

10

De Aaltense Uitdaging zou hier een stimulerende en coördinerende rol in kunnen vervullen. De gemeente Aalten ondersteunt de Aaltense Uitdaging tot op heden op structurele financiële basis. Combinatie met commerciële activiteiten in Kulturhusen: Feit is daarnaast dat met name de grotere gemeenschapshuizen, de Kulturhusen, zonder commerciële activiteiten (voornamelijk via verpachting van de horeca-barfunctie) de exploitatie onvoldoende draaiende kunnen houden. Voor deze voorzieningen moeten commerciële(re) activiteiten mogelijk zijn. Hiermee wordt in het gemeentelijke bestemmings- en vergunningsbeleid ook rekening gehouden. Dit mag echter niet substantieel ten koste gaan van de sociaal culturele en sociaal maatschappelijke activiteiten en tot ongewenste concurrentie met nabijgelegen horeca-aangelegenheden leiden. De besturen maken hierin, gegeven de lokale omstandigheden, ieder hun eigen keuzes. In de verdere uitwerking van dit gemeentelijk beleidskader voor gemeenschapshuizen dient hier wel rekening mee gehouden te worden. 2.3. Door de aard van de accommodaties en door de omvang van de kern of de buurtschap zijn er per gemeenschapshuis grote verschillen ten aanzien van beheer, gebruik, onderhoud, exploitatie en toekomstperspectieven. Dit geldt ook voor de ambitie om daadwerkelijk een rol te spelen in de ontwikkeling binnen het sociaal domein.

Deze verscheidenheid dient zichtbaar gemaakt te worden en ook vertaald te worden in de uitwerking van het nieuw geformuleerde beleidskader; Een zich wijzigende maatschappelijke functie: De (meeste) gemeenschapshuisorganisaties stellen zelf ook vast dat door de maatschappelijke ontwikkelingen er zich een verandering voordoet in de aard en omvang van de te onderscheiden doelgroepen. De organisaties (h)erkennen hun wijzigende functie hierin, maar weten deze soms moeilijk te realiseren. Zij zien terdege in dat de meer traditionele verenigings-gebonden activiteiten mogelijk niet meer voldoen om in de behoefte en wensen van de nieuwe doelgroepen te voorzien. Veel organisaties zijn hierin zoekende. Zoals eerder aangegeven moet het gemeenschapshuis vooral ‘gedragen’ worden door de inwoners/gebruikers. Dit is sterker het geval in de kleinere buurtschappen, waar het gemeenschapshuis de enige voorziening vormt en de gemeenschapszin nog meer vanzelfsprekend is. In de grotere kernen is een dergelijke saamhorigheid minder aanwezig en kennen de gemeenschapsvoorzieningen ‘concurrentie’ van andere gelegenheden. Daarbij kan het gaan om exploitanten van andere accommodaties, zoals horeca, (voormalige) kerken, sportkantines, schoolgebouwen, verenigingsruimtes en particuliere zalen, die zich op deze nieuwe ‘markt’ richten.

Dit aspect vraagt om een afgewogen en integrale benadering van het vraagstuk rond de huisvesting van maatschappelijke functies en (inloop)activiteiten. Binnen dit specifieke nieuwe beleidskader dient volgens het platform dan ook gekomen te worden tot een duidelijke afbakening c.q. definiëring van het fenomeen gemeenschapshuis. Definiëring gemeenschapshuis: Gezamenlijk komen we in dit kader tot de volgende definiëring van een gemeenschapshuis: “Een gemeenschapshuis is een multifunctioneel gebouw dat in zijn essentie specifiek bestemd is om zonder winstoogmerk (op niet-commerciële basis) te voorzien in de behoefte aan ruimte en faciliteiten voor ontmoeting, vormings- en ontspanningsactiviteiten en dienstverlening op sociaal maatschappelijk, cultureel en recreatief terrein. Dit volledig ten dienste van de lokale samenleving.

Het is het ‘hart’ van het dorp, kern of buurtschap, waar diverse faciliteiten beschikbaar worden gesteld door en voor de diverse maatschappelijke verenigingen en organisaties en (groepen van) bewoners.” Bepalen maatschappelijk profiel: Vanwege de reeds geconstateerde diversiteit in verschijningsvormen (qua omvang, doel/functie, exploitatievorm en beheer) zou elke gemeenschapsvoorziening, samen met zijn (potentiële) gebruikers, moeten vaststellen en omschrijven welke sociaal maatschappelijke functie (kortom welk profiel) zij met haar accommodatie wil vormen en welke randvoorwaarden daarvoor minimaal aanwezig dienen te zijn. Daarbij zou zij rekening moeten houden met de (fysieke en financiële) mogelijkheden en de lokale vraag in haar bedieningsgebied.

11

Afhankelijk daarvan kan inzicht ontstaan in welke vorm en mate zij daarin ondersteuning (van de gemeente) nodig denkt te hebben. Er dient derhalve gekomen te worden tot maatwerk, hetgeen ook inhoudt dat men verschillen in onderlinge benadering dient te accepteren. Dorpsontwikkelingsvisie of -plan Een inmiddels beproefde wijze voor de kleinere kernen om (onder meer als gemeenschapshuis) samen met de bewoners te kijken wat er belangrijk is voor de toekomst van dorp, kern of buurtschap is het opstellen van een dorps- of buurtschapsontwikkelingsplan. Ook dit is één van de belangrijke aanbevelingen van het Rekenkamercommissie-onderzoek. Meestal op initiatief van de buurtschapsbelangenorganisatie kunnen, onder deskundige procesmatige begeleiding van de Vereniging Dorpshuizen en Kleine Kernen (DKK) Gelderland, vanuit een zo breed mogelijk draagvlak de specifieke kenmerken, kwaliteiten en behoeften van een kern of buurtschap worden geïnventariseerd, geprioriteerd en samengevat. Dit kan op bredere thema’s als woningbouw en verkeersveiligheid, maar ook op maatschappelijke betrokkenheid via het verenigingsleven en de (toekomstige) behoefte aan sociaal maatschappelijke voorzieningen. De noodzakelijke rol en functie van een gemeenschapshuis kan hiervan expliciet onderdeel uitmaken.

Naast het doel om op deze wijze mogelijke knelpunten, die voortvloeien uit de wensen en ideeën van de bewoners, te inventariseren en integraal op een creatieve wijze op te lossen, creëert dit ook draagvlak en betrokkenheid onder deze bewoners. Het belang van een breed draagvlak voor het voortbestaan van een gemeenschapshuis is in deze notitie al vaker expliciet benoemd. Om deze reden heeft de gemeenteraad in 2010 al een financieel beleidskader voor de stimulering van de totstandkoming van dergelijke dorpsontwikkelingsplannen vastgesteld. Elke buurtschap/kern kan in aanmerking komen voor een éénmalig subsidie van € 7.500 voor het onder deskundige begeleiding (bij voorkeur door de DKK) opstellen van een dergelijke toekomstgerichte dorpsvisie. Tot nu toe is door twee buurtschappen (IJzerlo (2011) en Lintelo (2019)) van deze gemeentelijke financieringsregeling voor dorpsplannen gebruik gemaakt. Door de kerngroep en werkgroep van het Platform Aalten wordt het belang van zo’n dorpsplan onderkent. Zij stellen echter vast dat niet iedere (kleine) gemeenschap al voldoende in staat is zelf (ondanks de mogelijke ondersteuning vanuit de DKK) tot een dergelijk dorpsplan te komen. Hier ligt voor hen een uitdaging. Mogelijk kunnen de talentverbinders of de social workers, vanuit hun specifieke deskundigheid en vaardigheden, hierin ook iets betekenen.

Dorpshuisplan op basis van een vitaliteitsscan Mogelijk wordt het bepalen van een visie op en een profiel voor een gemeenschapsvoorziening ook wat concreter en meer haalbaar als de visieontwikkeling zich niet richt op (de bredere thema’s binnen) de gehele buurtschap/kern, maar specifiek op de accommodatie zelf. Zeg maar, een dorpshuis- of dorpsaccommodatieplan in plaats van een dorpsontwikkelingsplan. Hierin verengt zich het onderzoek tot het mogelijk wat meer concrete vraagstuk rondom de lokale vraag naar en het bestaande c.q. gewenste aanbod aan huisvestingsmogelijkheden voor de noodzakelijk geachte maatschappelijke activiteiten. De DKK heeft hiervoor de zogenaamde vitaliteitsscan voor dorpshuizen ontwikkeld. Hierbij kan de DKK-consulent met het bestuur van het gemeenschapshuis op locatie in gesprek gaan over thema’s zoals: programmering en doelgroepen, exploitatie en beheer, gebouw, bestuur/organisatie/vrijwilligers, samenwerking binnen en buiten de kern en een toekomstvisie. De consulent voorziet het bestuur daarna op basis van zijn waarnemingen van een kort gericht advies. Hierbij wordt wel verwacht dat er sprake is van een bestuur dat ambitieus is, zichzelf daarbij wil spiegelen aan veranderende omstandigheden en daarbij open staat voor andere richtingen.

2.4. De geconstateerde verschillen vragen speciale aandacht bij de verdere uitwerking van dit vernieuwd gemeentelijk beleidskader (middels maatwerk). Dit richt zich niet alleen meer op het behoud van het gebouw (de ‘stenen’). Maar ook op de versterking van de functie van het gemeenschapshuis als belangrijke maatschappelijke voorziening. Gemeentelijke ondersteuning van de gemeenschapshuizen op basis van de in de voorafgaande paragrafen geformuleerde uitgangspunten, vraagt om een flexibel toepasbaar beleidskader met maatwerk, passend bij het profiel en ambitie van de individuele gemeenschapsvoorziening. Hierbij dient meer rekening gehouden te worden met de specifieke omstandigheden, kenmerken en perspectieven van elke gemeenschapshuis-accommodatie.

12

Uit het gezamenlijk overleg met het Platform Aalten kan geconcludeerd worden dat er zowel indirecte als directe vormen van gemeentelijke (financiële) ondersteuning van gemeenschapshuizen noodzakelijk c.q. wenselijk zijn: Indirecte gemeentelijke (financiële) ondersteuning: a. Ondersteuning vanuit de Stichting Figulus Welzijn middels het door de social workers (helpen) opzetten van activiteiten voor specifieke doelgroepen op basis van de gemeentelijke beleidsthema’s op het sociaal domein. De gemeente neemt dit mee in de prestatieafspraken binnen de structurele budgetsubsidiëring van Figulus Welzijn; b. Ondersteuning bij de samenwerking/verbinding tussen gemeenschapshuizen, verenigingen, sociaal maatschappelijke organisaties en (groepen) van bewoners vanuit het project Talent. Hiervan zou informatie over en steun bij het benaderen van externe financieringsbronnen/ fondsen onderdeel uit kunnen maken. De samenwerkende partijen binnen dit project Talent kunnen dit dan opnemen in de taakomschrijving/-uitoefening van de talentverbinders; c. Ondersteuning van de Aaltense Uitdaging, enerzijds gericht op matching van initiatieven van de gemeenschapshuizen aan steunaanbod vanuit het bedrijfsleven. Anderzijds gericht op mogelijke inbreng van zakelijke kennis en expertise, gericht op een duurzaam gezonde exploitatie van de gemeenschapshuizen.

De gemeenschapshuizen kunnen deze ondersteuningsvraag inbrengen bij de Aaltense Uitdaging, die op haar beurt voor haar werkzaamheden financieel wordt ondersteund door de gemeente; d. Onderlinge samenwerking, afstemming en kennisuitwisseling tussen de diverse gemeenschapshuizen via het Platform Aalten met personele ondersteuning vanuit Figulus Welzijn en financiële ondersteuning vanuit de gemeente; e. Ondersteuning bij het verwerven en het ondersteunen van de bij de gemeenschapshuizen betrokken vrijwilligers. De gemeente maakt hierover prestatieafspraken met Figulus Welzijn in het kader van de uitvoerende taken van het Vrijwilligers Service Punt (VSP). Feitelijk kan uit de inhoud van deze koersnotitie al opgemaakt worden, dat het bij de hierboven genoemde indirecte vormen van gemeentelijke (financiële) steun voornamelijk gaat om verdere voortzetting en daarmee een herbevestiging van reeds bestaand gemeentelijk beleid. Het bestaande beleidskader voor directe subsidiëring/financiering van gemeenschapshuizen in het kort: De uitgangspunten van het huidige bestaande subsidiebeleidskader(s), rechtstreeks gericht op de gemeenschapshuizen, bestaan op dit moment uit: a.

geen subsidiebijdrage in de exploitatie: Met name vanwege de regels op het gebied van de paracommercie stelt de gemeente zich uiterst terughoudend op met betrekking tot bijdragen, die rechtstreeks betrekking hebben op de exploitatie van een gemeenschapshuis. Daarom ontvangen de gemeenschapshuizen op dit moment ook geen algemene structurele subsidie. Om dezelfde reden is het voor de besturen van de gemeenschapshuizen echter ook vrijwel onmogelijk op dit moment als zelfstandige organisatie een beroep te doen op de huidig vastgestelde incidentele subsidieregelingen voor de totstandkoming van (nieuwe) maatschappelijk relevante activiteiten. Hierbij dient met name gedacht te worden aan de projectsubsidieregeling (als onderdeel van de Subsidiebeleidsregels Welzijn 2015-2020) en de regeling ‘Naoberfonds’. b. alleen (genormeerde) financiële steun via een incidentele investeringssubsidie bij gebleken noodzaak van oprichting, uitbreiding of renovatie van de accommodatie: Dit betreft met name de eerdergenoemde investering in de ‘stenen” op basis van de incidentele investeringssubsidieregeling (als onderdeel van de Subsidiebeleidsregels Welzijn Gemeente Aalten). Voorwaarde hierbij is dat alleen investeringskosten, die strikt relevant zijn voor het mogelijk maken van het beoogde sociaal-maatschappelijke activiteitenaanbod in het gebouw, als subsidiabel worden beschouwd.

Daarnaast geldt als criterium dat gemeenschapsvoorzieningen, waarbij het beheer en de exploitatie in zijn geheel (of voor het overgrote deel) aan een overwegend commercieel opererende partij is overgedragen, niet voor een investeringssubsidie in aanmerking komen;

13

c.

Dorpsontwikkelingsplannen onder begeleiding van de DKK. Dit betreft het in 2010 door de raad vastgestelde beleidskader voor de subsidiëring van dorpsplannen. Op basis van dit beleidskader kunnen dorpsbelangenorganisaties (of soortgelijke organisaties met rechtspersoonlijkheid) een gemeentelijk subsidie van maximaal € 7.500 aanvragen om, onder begeleiding van de Vereniging Dorpshuizen en Kleine Kernen Gelderland (of een vergelijkbare deskundige organisatie), een dorpsplan op te stellen, waar niet allen fysiek-ruimtelijke aspecten (bijv. woningbouw) maar ook sociaal maatschappelijke aspecten (de behoefte van de inwoners aan sociaal maatschappelijke activiteiten en/of voorzieningen) aan de orde worden gesteld.

d. Duurzaamheidslening. Voor energiebesparende maatregelen (bijv. plaatsen zonnepanelen, led-verlichting, warmtepomp etc.) kunnen ook gemeenschapshuizen op basis van de ‘Verordening Stimuleringslening duurzame maatregelen non-profit organisaties gemeente Aalten 2018’ bij de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (SVn) een laagrentedragende lening van minimaal € 5.000 tot maximaal € 50.000 aanvragen. Door het verstrekken van een lening blijft de verantwoordelijkheid voor de investering bij de eigenaar en gebruikers van de accommodatie zelf. Indirect wordt op deze manier op termijn bijgedragen aan een structurele (energie)kostenbesparing binnen de exploitatie. Dit (deze) kader(s) beantwoordt nu dus onvoldoende aan de behoeften van de gemeenschapshuizen om een meer structurele vorm van financiële ondersteuning, die hen beter in staat stelt de onderkende sociaal maatschappelijke functie(s) uit te kunnen (blijven) oefenen, zoals uit deze koersnotitie naar voren komt. Nieuwe mogelijkheden van directe gemeentelijke (financiële) ondersteuning van gemeenschapshuizen: Het hier geformuleerde nieuwe algemene beleidskader, gericht op gemeenschapshuizen, gaat concreet uit van c.q. geeft antwoord op de volgende aspecten: 1. Er zijn inmiddels voldoende gemeenschapshuizen in de diverse kernen en buurtschappen gerealiseerd.

Een mogelijke uitzondering hierop vormt de huidige situatie in de Dinxperlose De Heurne. Hier hangt dit af van het beschikbaar blijven (van het pand) van het plaatselijke horecabedrijf (Café Bruggink) als onderkomen voor maatschappelijke activiteiten. Als de commerciële uitbating hiervan zou eindigen is er voor het verenigingsgebruik geen direct alternatief. Het recent gerealiseerde multifunctionele gebouwtje bij het project ‘Heurns Veld’ is hiervoor qua omvang en gebruiksmogelijkheden niet bedoeld en niet geschikt. In de nieuw te formuleren beleidsregel(s) kan de focus in hoofdlijn dan ook verlegd worden naar het in stand houden en beter laten functioneren van de bestaande gemeenschapshuizen, voor zover die aan de eerder in deze kadernota geformuleerde algemene definitie voldoen; 2. In de bestaande incidentele investeringssubsidieregeling is de gemeentelijke focus nu nog vooral gericht op het financieel mogelijk helpen maken van oprichting van nieuwe initiatieven voor een gemeenschapsvoorziening, dan wel voor uitbreiding van bestaande voorzieningen om een ruimer sociaal maatschappelijk activiteitenaanbod mogelijk te maken. Geconstateerd wordt echter dat er inmiddels genoeg (en ruimtelijk voldoende gespreide) gemeenschapsvoorzieningen zijn.

Behoudens de onder punt 1 geschetste situatie in De Heurne) bestaat aan oprichting van een nieuw gemeenschapshuis binnen de gemeente Aalten feitelijk dus geen behoefte meer. Volgens de meeste gemeenschapshuizen voorzien ook de huidige beschikbare ruimten in de behoefte van de gebruikers. De Ringkamp maakt hierop nog een voorbehoud. Het (financiële) probleem zit hem nu met name in de beperkte ruimte die de exploitatie biedt om voor (groot) onderhoud te reserveren. Juist die kosten zijn nu in de investeringssubsidieregeling uitgesloten. In de nieuwe beleidsregel(s) dient derhalve gezocht te worden naar een mogelijkheid om de gemeentelijke financiële ondersteuning meer (en meer gestructureerd) te richten op dit (groot) onderhoud en daarmee de bestaande gemeenschapsvoorzieningen in stand te helpen houden. Op basis van geactualiseerde (indien aanwezig) of nog op te stellen meerjaren-onderhoudsplannen (eventueel op te stellen door, via of met ondersteuning van (gemeentelijke) deskundigen op dit terrein) kan dan tot een structurele gemeentelijke bijdrage in groot-onderhoud overgegaan worden.

14

Met een aanvullende gemeentelijke bijdrage in de hieruit voorvloeiende jaarlijkse grootonderhoudskosten kan het voortbestaan van de gemeenschapsvoorzieningen ondersteund worden. De gemeentelijke financiële bijdrage is dan ook meerjarig te ramen en niet meer zo onverwacht en ad-hoc als onder de huidige investeringssubsidieregeling. Dagelijks (klein)onderhoud en uitbreidingswensen dienen dan volledig door de gemeenschapshuizen zelf gefinancierd te worden uit eigen reserves, door inzet van vrijwilligers, (sponsoring door) het lokale bedrijfsleven en gerichte fondsenwerving. Gemeentelijke financiële steun voor uitbreiding zal enkel nog aan de orde kunnen zijn als voldoende onderbouwd aangetoond kan worden dat dit strikt noodzakelijk is voor het organiseren van nieuwe sociaal maatschappelijke activiteiten voor kwetsbare doelgroepen, waarvoor een concrete lokale vraag aanwezig is. Het uitgangspunt van een zelfstandige verantwoordelijkheid voor een sluitende exploitatie dient daarbij dus wel overeind te blijven. 3. Om de gemeenschapshuizen te ondersteunen in de bepaling van hun lokale maatschappelijke functie bestaat er nu een subsidieregeling voor het opstellen van dorpsontwikkelingsplannen. Hiervan, zo moeten we (na 10 jaar) constateren, is slechts zeer beperkt (twee keer) gebruik gemaakt.

Een dergelijk dorpsplan is mogelijk voor het gemeenschapshuis als voorziening dus nog te abstract. De behoefte bij de gemeenschapshuizen als maatschappelijke voorziening lijkt meer te liggen op het terrein van ondersteuning in kennis en financiën voor het realiseren van een specifiek plan voor de toekomst van enkel het gemeenschapshuis zelf (dorpshuisplan in plaats van dorpsplan) dan wel het opstellen van een deskundig meerjaren (groot) onderhoudsplan (MOP). Voorgestaan wordt dan ook de bestaande beleidsregel voor de totstandkoming van dorpsontwikkelingsplannen met deze opties uit te breiden. 4. Enigszins tegen de verwachting in, maken slechts enkele van de (burger)initiatieven (of verenigingen), die een bijdrage uit de projectsubsidieregeling of het Naoberfonds krijgen, voor de hiermee gerealiseerde maatschappelijke activiteit(en) gebruik van een gemeenschapshuis. Daarom kunnen de gemeenschapshuizen dus ook slechts zeer beperkt indirect hiervan via hun exploitatie profiteren. Dit indirecte positieve effect op de exploitatie van de gemeenschapshuizen was wel een van de oorspronkelijke gedachten achter de invoering van met name het Naoberfonds. Dit komt dus onvoldoende uit de verf.

Daarnaast wordt geconstateerd dat de besturen van de gemeenschapshuizen niet alleen maar onderdak bieden voor activiteiten van anderen, maar ook steeds meer uitgedaagd worden om ook proactief zelf (via inzet van voldoende en voldoende geschikte vrijwilligers) (vernieuwende) sociaal maatschappelijke activiteiten te organiseren. Daarom lijkt het gewenst ook de gemeenschapshuis-organisaties zelf in de gelegenheid te stellen voor dergelijke nieuwe activiteiten incidenteel subsidie aan te kunnen vragen. Dit zou in een nieuw te formuleren incidentele subsidieregeling(en), ter vervanging van de huidige projectsubsidieregeling en het Naoberfonds, onder randvoorwaarden mogelijk gemaakt kunnen worden. 5. Financiering van activiteiten via de bestaande incidentele subsidieregelingen hebben in principe slechts een éénmalig karakter. Deze regelingen zijn met name gericht op voortdurende vernieuwing van het bestaande activiteitenaanbod. Om maatschappelijk gewenste activiteiten met een structureel karakter mogelijk te blijven maken, zou ook gezocht kunnen worden naar een meer structurele vorm van financiële ondersteuning van (de activiteiten door en in) de gemeenschapshuizen.

Toekennen van een organisatiesubsidie biedt hiervoor geen mogelijkheid, omdat deze subsidievorm bestedings- en verantwoordingsvrij is en hiermee gerichte maatschappelijke activiteiten als tegenprestatie niet afgedwongen kunnen worden. Dit zou daarom ook te veel lijken op een rechtstreekse bijdrage in de exploitatie en zou daarnaast ook geen recht doen aan de diversiteit onder de gemeenschapshuizen. Een optie die onderzocht zou kunnen worden is het afsluiten van een soort convenant met elk van de gemeenschapshuizen. In dit convenant kan overeengekomen worden dat het gemeenschapshuis zelfstandig een aantal sociaal maatschappelijke activiteiten, ook voor kwetsbare inwoners, met een structureel karakter organiseert. Als tegenprestatie zou dan een bij ieder gemeenschapshuis passende structurele gemeentelijke subsidiebijdrage beschikbaar gesteld kunnen worden. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een compensatie ter hoogte van de te betalen OZBbelasting (eigenaars- en/of gebruikersdeel).

15

Over de georganiseerde sociaal maatschappelijke activiteiten legt het gemeenschapshuis na afloop van het subsidiejaar dan inhoudelijk en financieel verantwoording af, zodat duidelijk wordt dat er gemeentelijk subsidie is ingezet ter stimulering van (structurele) sociaal maatschappelijke activiteiten en niet ter dekking van de exploitatie van het gemeenschapshuis. Dat er hierin bewust indirect een relatie wordt gezocht met de OZB-belasting komt voort uit het feit dat de OZB-aanslag correspondeert met de omvang/waarde van het gemeenschapshuis. Er bestaat inmiddels ook een formele wettelijke mogelijkheid tot het opleggen van een lagere OZB-aanslag voor gemeenschapshuizen, sportaccommodaties en andere ‘instellingen van sociaal belang’. Deze wettelijke mogelijkheid rondom het kunnen opleggen van een lagere aanslag aan OZBbelasting is dus breder dan alleen voor gemeenschapshuizen. Aan het in zijn algemeenheid doorvoeren van deze OZB-verlaging zitten echter nog zodanige juridische haken en ogen waardoor er nu (mede op basis van advies van de VNG) (nog) niet voor deze (algemene) optie wordt gekozen. Bovenstaande uitgangspunten worden, na vaststelling door de raad, door het college van Burgemeester en Wethouders verder praktisch uitgewerkt in één of meerdere (aangepaste of nieuwe) subsidiebeleidsregels.

16

Bijlage

17

Bijlage 1: Overzicht bestaande gemeenschapshuizen Om te zien waar we het nu precies over hebben kijken we naar de bestaande situatie in onze gemeente. In onze gemeente vinden we op dit moment de hieronder genoemde gemeenschapshuizen. Deze gemeenschapshuizen zijn wijd verspreid over onze gemeente. Het gaat om de volgende gemeenschapshuizen:

Kulturhus Dinxperlo ’t Grachthuys Bredevoort

Kulturhus Lintelo ‘t Dorpshuus IJzerlo

Buurtschapshuis ’t Romienendal Dale Ver.gebouw. 'de Markerink’ Barlo

D’n Heurnsen Tref De Heurne Ver.gebouw De Ringkamp Haart

Voor de Dinxperlose De Heurne vervult het plaatselijke commerciële horecabedrijf (Café Bruggink) tot op heden (naar tevredenheid) de functie van onderkomen voor maatschappelijke activiteiten via met name het in gebruik geven van haar zalen aan de lokale verenigingen. Als de commerciële uitbating hiervan zou eindigen is er voor het verenigingsgebruik geen direct alternatief. Het recent gerealiseerde multifunctionele gebouwtje bij het project ‘Heurns Veld’ is hiervoor qua omvang en gebruiks-mogelijkheden niet bedoeld en niet geschikt. In dat geval zou hiervoor derhalve toch naar ‘nieuwe’ mogelijkheden gezocht moeten worden. Hierbij zou Heurns Belang de mogelijkheid voor aanvullende gemeentelijke (financiële) steun graag gehandhaafd willen zien. Gemeenschapshuis Aalten/ Evenementencentrum De Hofnar. Bij het verder uitwerken van dit nieuwe beleidskader moet dus ook nadere aandacht uitgaan naar het vraagstuk of, en zo ja in hoeverre, hierin een onderscheid moet c.q. kan worden gemaakt in de wijze van beheer en exploitatie van het gemeenschapshuis (variërend van volledig door vrijwilligers tot volledig door een commercieel opererende partij). Op dit moment is de horeca-barfunctie in de gemeenschapshuizen in Aalten-dorp, Dinxperlo, Bredevoort, IJzerlo, Lintelo en Dale bij een externe partij of in handen van betaald beheer ondergebracht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=c9c7ad3d-0e03-4573-a1de-cff656937c2d