A31. Raadsmededeling 32-2026 Stand van zaken uitvoeringagenda biodiversiteitsplan
Tekst van het document
Raadsmededeling openbaar Nummer Datum B&W datum Beh. Ambtenaar Portefeuillehouder Onderwerp
: : : : : :
32-2026 4 maart 2026 J.W. Groot Roessink H.J. Groters Stand van zaken uitvoeringsagenda biodiversiteitsplan
Aanleiding: In 2023 heeft uw raad het biodiversiteitsplan vastgesteld. Het biodiversiteitsplan heeft als doel om de biodiversiteit in de gemeente Aalten te verhogen. In het plan zijn de hiervoor te nemen acties in een uitvoeringsagenda opgenomen. Over de stand van zaken van de uitvoeringsagenda informeren wij u bij deze. Inhoud mededeling: Het biodiversiteitsplan geeft in de uitvoeringsagenda aan welke acties gedaan kunnen worden om de biodiversiteit in onze gemeente te verhogen. Een deel hiervan betreffen concrete te nemen acties, maar een deel van de acties zijn ook aanbevelingen. Hierbij maakt de uitvoeringsagenda onderscheid in de volgende categorieën: 1. Aanpassing beheer en inrichting gemeentelijke eigendommen 2. Ondersteuning initiatieven 3. Voorlichting, inspiratie en educatie 4. Beleid en regelgeving 5. Prioritering – basiskwaliteit Biodiversiteit 6. Monitoring Het onderwerp monitoring staat op zich los beschreven van de uitvoeringsagenda, maar is wel een te nemen actie. Vandaar dat het wel hier als een categorie is opgenomen. Per categorie wordt hieronder aangegeven wat de stand van zaken is. 1. Aanpassing beheer en inrichting gemeentelijke eigendommen In deze categorie wordt er gekeken wat we als gemeente in ons eigen beheer, en op onze eigen gronden kunnen doen om de biodiversiteit te versterken. Hiervoor zijn de volgende acties opgenomen in het plan.
• Opstellen en uitvoeren plan verondiepen bermsloten Momenteel zijn we naar onze gemeentelijke sloten aan het kijken, of we daarin wat willen veranderen. Hierbij betrekken we ook de kennis van het waterschap. Naar verwachting wordt er meer ingezet op vasthouden van het water in het gebied, door bijvoorbeeld stuwen en gronddammen, dan door sloten te gaan verondiepen. Dit omdat in de natte perioden die nog altijd kunnen komen, de sloten nog wel een bergende functie nodig zullen hebben. Een combinatie met het verbreden van de sloten zal kunnen, maar dit vergt veel ruimte om het waterbergende vermogen te behouden. Momenteel zijn we dan ook bezig met een actualisatie van de werkafspraken van de gemeentelijke watergangen. Deze actualisatie willen we in 2026 afronden.
Pagina 1 van 4
• Opstellen en uitvoeren ecologisch beheerplan bermen en sloten De gemeente Aalten maakte de laatste jaren gebruik van maai-zuigen bij het bermbeheer. Dat was qua ecologisch bermbeheer al een aanzienlijke verbetering ten opzichte van het klepelen wat voorheen het gebruik was. Het ecologisch bermbeheer wordt echter verder verfijnd. Er wordt naar de berm gekeken wat nodig is. Hiervoor heeft een adviesbureau per berm in kaart gebracht wat er nu staat, en hoe het beheer ecologisch gezien verbeterd kan worden. Een berm met overwegend brandnetels wordt bijvoorbeeld vaker gemaaid dan een berm waar bijzondere soorten zoals orchideeën staan. In 2025 is het ecologisch beheerplan voor de bermen uitgewerkt naar een bestek. Dit bestek is in 2025 aanbesteed en gegund aan een aannemer. In het najaar van 2025 is er een start mee gemaakt. In 2026 zal de verfijning van het ecologisch bermbeheer echt tot uitvoering komen. Het resultaat wordt gemonitord. Doel is uiteindelijk een toename van de ecologische waarde van de bermen, met mogelijk als toekomstig nevendoel dat er minder vaak gemaaid hoeft te worden. Bijgevoegd is het ecologisch beheerplan van Staring Advies voor de bermen en sloten. • Opstellen en uitvoeren gebiedsplan invasieve exoten De opdracht hiervoor is aan Staring Advies gegund. In 2026 gaan ze dit verder uitwerken, en naar verwachting is dit eind 2026 gereed.
Wel gaan we op voorhand al gebruik maken van de (mogelijke) uitkomsten die in de loop van 2026 bekend worden. • Opstellen en uitvoeren bomenplan Er is een eerste aanzet gemaakt voor een bomenplan. Met de kennis hieruit, en ook met onze eigen ervaringen en inzichten, zijn inmiddels op meerdere plekken extra bomen geplant. Met extra bomen, wordt bedoeld bomen die niet in de reguliere plannen voorzien waren. In 2026 en verder gaan we hier mee door. Ook gaan we in 2026 onderzoeken over hoe we een geboorteboom kunnen instellen. Dus dat de gemeente aan de ouder(s) een boom schenkt na de geboorte van een baby. In zijn algemeenheid willen we jaarlijks 250 tot 350 bomen aanplanten, maar dat zijn zowel de herplantplichtige bomen, als deels extra bomen. Hierbij zijn we o.a. afhankelijk van wat mogelijk is vanuit de ligging van kabels en leidingen, en ook beschikbare grond. Op onze gecombineerde projectaanvraag bij de provincie Gelderland voor de subsidieregeling Landschap en Biodiversiteit hebben we een positief besluit ontvangen, waarmee de provincie Gelderland 50% als cofinanciering bijdraagt voor de aanplant van ca. 100 bomen op gemeentelijke gronden. • Actualiseren en uitvoeren plan van aanpak eikenprocessierups In 2020 is er een beleid over de beheersing van de eikenprocessierups vastgesteld.
In dat beleid wordt ook aandacht besteed aan het verhogen van de biodiversiteit, en ook in uitvoering gebracht. Dit om de natuurlijke vijanden van de eikenprocessierups te stimuleren. Ook is er daarin aandacht voor de beschermde en bedreigde vlindersoorten. Momenteel worden de bermen in het buitengebied ook op een ecologische manier beheerd, wat weer goed is voor het stimuleren van de natuurlijke vijanden van de eikenprocessierups. Het huidige beleid dient in de komende periode geactualiseerd te worden. Dit moet nog op gang worden gezet. • Aanpassen beheer groen Doorlopend wordt er gekeken of er verbeteringen doorgevoerd kunnen worden in het dagelijks beheer. Dit is een continu proces. • Herijking uitgiftekaders openbaar groen In 2024 zijn de uitgiftekaders herzien. Dit is afgerond. In het najaar van 2024 is uw raad middels een raadsmededeling daar ook over geïnformeerd. Met de herijking wordt er minder gemeentelijk (snipper-)groen verkocht. Dit om zo meer grond voor de gemeente te behouden, wat wij in kunnen zetten voor het stimuleren van de biodiversiteit en ook voor klimaatadaptatie.,
Pagina 2 van 4
2. Ondersteuning initiatieven Hierbij wordt er gekeken op welke wijze deze gemeente met inwoners, bedrijven en organisaties de biodiversiteit kan verhogen. Ondermeer ondersteunen we de Stichting SAAP met een jaarlijkse bijdrage. Ook zijn we als gemeente aangesloten bij operatie Steenbreek. Verder hebben we ondersteund bij een groen schoolplein voor de St. Jozefschool in Aalten. Verder heeft de gemeente Aalten een gecombineerde projectaanvraag ingediend voor de Regeling Biodiversiteit en Landschap van de provincie Gelderland. Een aantal hierin te ondersteunen initiatieven zijn ondermeer: – De Langste Heg Barlo (burgerinitiatief van Stichting Groot Deunk); – Herstel cultuurlandschap Aalten (Vereniging Nederlands Cultuurlandschap); – Erven en Landschap (Particulier Agrarisch Natuurbeheer); – Cursussen (deelnemers projecten Erven en Landschap) beheer hoogstamfruitboomgaarden en houtwallen/-opstanden. Medio 2026 informeren wij u nader via een raadsmededeling over de hierboven genoemde projecten. Wij hebben daarnaast opdracht gegeven aan Stichting Landschapsbeheer Gelderland voor het project 100 stuks Wienzoern appelbomen in de gemeente Aalten. De Wienzoern, buiten de Achterhoek bekend als de Fameuse, is voor Aalten een zeer kenmerkende appelboom. Deze appelboom is decennialang in de regio Aalten verspreid door boomkweker Westerhof in de Heurne.
De Wienzoern appelboom behoort tot de Rosselcollectie. Door de aanplant van de Wienzoern (Fameuse) in de gemeente Aalten te stimuleren, wordt bijgedragen aan de instandhouding van dit bijzondere ras, en wordt ook bijgedragen aan de identiteit van het Aaltense landschap en behoud van de biodiversiteit en bijbehorende smaakrijkdom. 3. Voorlichting, inspiratie en educatie Op het gebied van voorlichting, inspiratie en educatie pakken we onder andere de natuur- en milieueducatie op basisscholen op. Dit doet Staring Educatie voor ons. Hierbij is per groep 2,5 uur per jaar beschikbaar. In de eerste helft van 2026 wordt door Staring Educatie een behoefteonderzoek uitgevoerd op de basisscholen. Ook wordt verkend of het voorgezet onderwijs wil deelnemen aan Natuur en Milieueducatie. Op basis van de uitkomsten wordt een voorstel gemaakt hoe en op welke wijze wij in de nieuwe bestuursperiode invulling willen geven aan natuur- en milieueducatie. Verder besteden we geregeld aandacht aan biodiversiteit in onze projecten, en de communicatie daarover. Ook besteden we er geregeld aandacht aan op onze eigen mediakanalen. Ook doen we mee aan Operatie Steenbreek en aan tegelwippen. Meer planten en minder tegels (verharding) is immers ook goed voor de biodiversiteit en ook klimaatadaptatie. Verder ondersteunen we ook diverse initiatieven van derden op dit gebied. Zie ook punt 2. 4.
Beleid en regelgeving In deze categorie worden er aanbevelingen gedaan om op het gebied van beleid en regelgeving één en ander te implementeren. Wanneer relevant, nemen we biodiversiteit mee in de beoordeling van plannen. Bijvoorbeeld bij nieuwbouwplannen, waarbij we in de ontwerpfase aandacht besteden aan waar mogelijk het behouden van bestaand groen en/of het toevoegen van nieuw groen. Dit is een continu proces, wat iedere keer opnieuw aandacht vraagt. Verder hebben we de kapverordening herzien, waarbij er (meer) aandacht is voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Onder andere is hierin opgenomen om per gekapte boom te hanteren de eis van twee bomen herplant. Het verlenen van een vergunning kan ook geweigerd worden vanuit de reden om hittestress te voorkomen. En verder is opgenomen om de kap van bomen vanaf stamomvang 0,30 m (op 1,30 meter hoogte) binnen de bebouwde kom weer vergunningsplichtig maken. Echter in de raadsvergadering van 24 februari 2026 is door u een amendement aangenomen om die stamomvang te vergroten naar 0,90 meter, en ook voor de bomen buiten de kom. Met inachtneming van het amendement is de kapverordening door uw raad vastgesteld.
Pagina 3 van 4
Ook zijn we bezig met het laten opstellen van een soortenmanagementplan. Dit wordt gedaan door het bedrijf Ecochore Natuurtechniek. Er wordt hierbij in 2026 een ecologisch onderzoek gedaan in de woonkernen Aalten, Dinxperlo en Bredevoort. Het plan is specifiek bedoeld voor ruimtelijke ingrepen aan bebouwing. Bijvoorbeeld voor het isoleren of verbouwen van woningen, en waarbij het de vraag is of er bijvoorbeeld vleermuizen, huismussen of gierzwaluwen zitten. 5 Prioritering-Basiskwaliteit Biodiversiteit Deze categorie betreft niet een direct te nemen actie, maar vraagt aandacht om prioriteit te stellen bij de gebieden die volgens het rapport Basiskwaliteit Aalten matig tot slecht scoren. Dit prioriteren is een continu proces, wat iedere keer opnieuw aandacht vraagt. Gezien de provinciale opgave om 10% groenblauwe dooradering te realiseren wordt dit meegenomen in de Omgevingsvisie Aalten 2040 en mogelijk via omgevingsprogramma’s verder uitgewerkt. 6. Monitoring In het biodiversiteitsplan Aalten zijn voor elk van de 5 deelgebieden een aantal ambassadeursoorten beschreven. Deze ambassadeursoorten zijn kenmerkend en graadmeters voor het betreffende deelgebied. Om te kunnen beoordelen of de biodiversiteit in onze gemeente toeneemt in de periode 2023-2030, is in 2024 door Staring Advies een nulmeting van de ambassadeurssoorten en milieufactoren uitgevoerd.
In deze nulmeting is per ambassadeurssoort het verleden (vanaf 1950) en heden geschetst met hierbij de nadruk op het aantal individuen en de verspreiding per soort. Rond 2030 worden de waarnemingen van de ambassadeursoorten uit de periode 2024 - 2030 verzameld en wordt per soort aangegeven of er sprake is van toename achteruitgang of een stabiele situatie. Overige Momenteel zijn we in overleg met de gemeente Oost Gelre, gemeente Winterswijk, waterschap Rijn en IJssel en de ROVA om het beheer van onder andere de bermen in een proefgebied bij de Schaarsdijk-Heidedijk op elkaar af te gaan stemmen. Dit zodat we met elkaar samenwerken en de maatregelen voor verhogen van biodiversiteit niet stoppen bij de eigen gemeente-/beheergrenzen. Hier willen we in 2026 concrete afspraken over maken, en ook buiten in uitvoering gaan brengen. Financiën Financieel gezien loopt tot nu toe één en ander binnen de bestaande begroting. De volgende stukken zijn voor u bijgevoegd: 1. Ecologisch beheerplan bermen en sloten gemeente Aalten (Staring Advies; 3 april 2025) 2. Nulmeting ambassadeursoorten en milieufactoren gemeente Aalten (Staring Advies; 29 november 2024)
Pagina 4 van 4
Ecologisch beheerplan bermen en sloten gemeente Aalten In opdracht van de gemeente Aalten
Colofon Ecologisch beheerplan bermen en sloten gemeente Aalten Rapportnummer Projectnummer
2711 5099
Opdrachtgever Contactpersoon
Gemeente Aalten Wilco Groot Roessink
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 0314 641910 info@staringadvies.nl www.staringadvies.nl IBAN NL87 RABO 03 88 40 73 44 Btwnr NL8076.79.616.B01 KvK 091005446997 CB Hoog-Keppel
Auteurs Status Publicatiedatum Foto voorblad
D.J. Stronks / S.J.J. Wamelink Definitief 03-04-2025 Essinkweg
Wijze van citeren
Stronks, D.J. / S.J.J. Wamelink, 2025. Ecologisch beheerplan bermen en sloten gemeente Aalten. Staring Advies, Hoog-Keppel.
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 1
Inleiding ....................................................................................................................... 5 Inleiding ........................................................................................................................... 5 Aanleiding ........................................................................................................................ 6 Doel ................................................................................................................................. 6 Leeswijzer ....................................................................................................................... 6
2
Werkwijze .................................................................................................................... 7 Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 7 Veldinventarisatie ............................................................................................................ 7
3
Beheer tot 2024 ......................................................................................................... 12
4
Resultaten onderzoek ................................................................................................ 15 Resultaten literatuuronderzoek ...................................................................................... 15 Resultaten veldonderzoek ............................................................................................. 20
5
Uitvoering toekomstig beheer .................................................................................... 25 Doelen ........................................................................................................................... 25 Materieel........................................................................................................................ 25 Machinist ....................................................................................................................... 26 Maaihoogte .................................................................................................................... 26 Maaistip ......................................................................................................................... 26 Bodembeschadiging ...................................................................................................... 27 Verwerking maaisel........................................................................................................ 27 Herstel en inzaai van bermen ........................................................................................ 27 Communicatie................................................................................................................
27 Logboek......................................................................................................................... 28 Beheertypen .................................................................................................................. 28
6
Toelichting op de bermentabel ................................................................................... 32 Prioriteitsscore bermen .................................................................................................. 33
7
Overig ........................................................................................................................ 36 Gegevens gis-systeem .................................................................................................. 36 Communicatie................................................................................................................ 36 Inrichting bermen ........................................................................................................... 36
Pagina 3
Afnemen van bermen .................................................................................................... 37 Verzuring van bermen.................................................................................................... 37 Monitoring en bijsturen van het beheer .......................................................................... 38 8
Van plan naar uitvoering ............................................................................................ 39
Bijlagen ............................................................................................................................. 40 Bijlage 1. Bermentabel gemeente Aalten (losse bijlage) ................................................ 40 Bijlage 2. Slotentabel gemeente Aalten (losse bijlage) ................................................... 40 Bijlage 3. Bermentabel gemeente Aalten (vereenvoudigd) ............................................. 41 Bijlage 4. Slotentabel gemeente Aalten (vereenvoudigd) ............................................... 43 Bijlage 5. Locatie gemeentelijke bermen........................................................................ 44 Bijlage 6. Locatie gemeentelijke bermsloten .................................................................. 49 Bijlage 7. Opnamelocaties vegetatiekartering ................................................................ 54 Bijlage 8. Tabel opnamelocaties vegetatiekartering........................................................ 55 Bijlage 9. Resultaten vegetatiekartering ......................................................................... 57
Pagina 4
1 Inleiding
Inleiding In totaal beheert de gemeente Aalten circa 600 kilometer bermen en bermsloten. In dit plan worden deze verschillende landschapselementen samengevat onder de term “beheerelementen”. Op al deze beheerelementen is een vrij eenvormig maaibeheer van toepassing. De gemeente wil het maaibeheer meer afstemmen op de ontwikkeling van ecologische waarden door dit op de karakteristieken van elk element af te stemmen. In dit plan wordt weergegeven op welke wijze de gemeente dit vanaf 2024 wil gaan doen. In het biodiversiteitsplan van de gemeente Aalten (2022) is het opstellen en uitvoeren van het ecologisch beheerplan bermen en sloten opgenomen, waarbij de volgende doelen zijn geformuleerd: • • • • •
Verhogen biodiversiteit Stikstofadaptie; via afvoer maaisel afvoer overschot stikstof Versterken van het fijnmazige ecologische netwerk van bermen, sloten en lijnvormige landschapselementen Verhogen visuele aantrekkelijkheid Natuurlijke bestrijding eikenprocessierups
Wat betreft begroeiing is er een grote diversiteit in de elementen te vinden. Om de biodiversiteit verder te ontwikkelen vraagt elk elementtype om specifiek beheer. Om typespecifiek beheer mogelijk te maken zijn in de periode mei – augustus 2024 alle gemeentelijke elementen geïnventariseerd, waarbij een onderverdeling in typen gemaakt is. Voor elke type is een praktisch uitvoerbaar beheertype geformuleerd. Tijdens de veldinventarisatie zijn verdeeld over de verschillende elementtypen 100 proefvlakken met elke een lengte van 100 meter, als nulmeting geïnventariseerd middels florastreeplijsten. In hoofdstuk 2 wordt dit verder uitgelegd. Door periodieke herhaling van dit onderzoek kan de ontwikkeling van de vegetatie in de loop der tijd gemonitord worden. De bermen- en slotentabel vormt het belangrijkste onderdeel van dit plan. In deze tabellen staan per element alle informatie die nodig is voor de uitvoering van het beheer. Dit rapport vormt vooral een onderbouwing en een toelichting op deze tabellen. De bermen- en slotentabel is als losse bijlage aan dit plan toegevoegd.
Pagina 5
Aanleiding De biodiversiteit in het overwegend agrarische cultuurlandschap van de gemeente Aalten is de afgelopen 50 jaar gestaag achteruit gegaan. Binnen de gemeentegrenzen zijn nog veel plekken met een hoge biodiversiteit te vinden. Bermen en bermsloten vormen binnen de gemeente een dicht aaneengesloten netwerk. Gericht ecologisch beheer hiervan kan een zeer belangrijke bijdrage leveren aan het op peil houden en verder ontwikkelen van de biodiversiteit.
Doel Het hoofddoel van dit plan is om de biodiversiteit van de beheerelementen te verhogen. Nevendoelen zijn het verhogen van de attractieve waarde van elementen, het versterken van de ecologische verbindingsfunctie van de bermen en bermsloten, het leveren van een bijdrage in de natuurlijke bestrijding van de eikenprocessierups en op termijn het verlagen van de beheerkosten.
Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt eerst de werkwijze toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt het beheer zoals dat uitgevoerd werd tot 2024 toegelicht. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verzamelde gegevens samengevat en geanalyseerd. In hoofdstuk 5 worden de gewenste beheervormen beschreven. De bermen- en slotentabel die in de bijlagen is opgenomen vormt de praktische leidraad voor het beheer. In hoofdstuk 6 wordt bermen- en slotentabel toegelicht. In hoofdstuk 7 komen enkele overige onderwerpen aan de orde, zoals voorlichting aan het publiek en de inrichting van bermen. In hoofdstuk 8 worden een aantal onderwerpen behandeld om te komen van plan naar uitvoering.
Pagina 6
2 Werkwijze Het verzamelen van gegevens van de beheerelementen heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een veldonderzoek.
Literatuuronderzoek Bestaande verspreidingsinformatie van beschermde plantensoorten, Rode lijstsoorten en overige indicatorsoorten over de periode 2000 - 2024 in de beheerelementen is uit onder andere vanuit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF1) verzameld. Ook is het Biodiversiteitsplan, het LOP (Landschapsontwikkelingsplan) en het rapport Basiskwaliteit Natuur en Landschap gemeente Aalten geraadpleegd om de daarin mogelijk verwoorde wensen die betrekking hebben op de beheerelementen te verzamelen. Tevens is de kaart van het Natuurnetwerk Nederland geraadpleegd om te bepalen welke beheerelementen mogelijk een ecologische verbindingsfunctie (kunnen) hebben binnen het Natuurnetwerk Nederland.
Veldinventarisatie Typering. Om een gedifferentieerd beheer mogelijk te maken dat aansluit op de specifieke eigenschappen van elk beheerelement zijn deze in de periode mei – augustus 2024 alle in het veld beoordeeld en ingedeeld in een aantal typen. Bij het indelen in typen spelen de volgende kenmerken een belangrijke rol: • • • • •
Voedselrijk - voedselarm Rijk aan bloeiende planten – arm aan bloeiende planten Hoge vegetatie – lage vegetatie Soortenarm – soortenrijk Aan- of afwezigheid waardevolle (dwerg)struiken
De elementen zijn onderverdeeld in volgende typen: Bermtypen: A1: Voedselrijk, droog-vochtig, bloemrijk. Beheerelementen op voedselrijke droge tot vochtige grond (klei, leem, zavelig zand). Begeleidende kenmerkende soorten: echte koekoeksbloem, gewone margriet, kale jonker, moerasrolklaver, pinksterbloem, scherpe boterbloem en veldzuring. A2: Voedselrijk, droog-vochtig, soortenarm. Beheerelementen op voedselrijke vochtige grond (klei, leem, zavelig zand) met weinig soorten en/of een lage beeldwaarde. Vaak 1 De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is een database die informatie geeft over waarnemingen van beschermde
en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen.
Pagina 7
groot aandeel hoge grassen (glanshaver, grote vossenstaart, kropaar) en fluitenkruid, scherpe boterbloem en ridderzuring. Niet zo bloemrijk als A1. Hier en daar grote brandnetel, gewone berenklauw etc. A3: Voedselrijk, droog-vochtig, ruig. Soortenarme beheerelementen op voedselrijke grond met veel grote brandnetel, zevenblad en niet of nauwelijks bloemen. Ruige en/of verstoorde vegetatie. Soms ook ruig en soortenarm door schaduw van bomen. B1: Matig voedselrijk, droog-vochtig, bloemrijk/soortenrijk. Beheerelement op (droge of vochtige) zandgrond, bloemrijk en soortenrijk. Klein aandeel hoge grassoorten en grote soorten als fluitenkruid, ridderzuring etc. Lagere grassen en kruiden bepalen het beeld. Begeleidende kenmerkende soorten: boerenwormkruid, brem, duizendblad, gewoon biggenkruid, sint-janskruid, smalle weegbree en vlasbekje. B2: Matig voedselrijk, soortenarm. Beheerelement op matig voedselrijke tot voedselarme zandgrond. Hoog aandeel lage tot middelhoge grassen. Boerenwormkruid dominant. C1: Schraal. Beheerelement op voedselarme zandgrond, al dan niet soortenarm. Lage vegetatie, al dan niet met open plekken. Vaak bloemrijk. Vooral te vinden op voedselarm zand, waar eventueel verschralingsbeheer wordt toegepast. Begeleidende kenmerkende soorten: dicht havikskruid, grasklokje, muizenoor, gewoon reukgras, schapenzuring en schermhavikskruid.
C2: Als C1, maar met dwergstruiken als struikhei, gewone dophei, kruipbrem, stekelbrem, wilde gagel en/of kruipwilg. C3: Zeer schraal. Zie verder C1. C4: Zeer schraal met dwergstruiken. Zie verder C2. D: Gazon. Beheerelement als gazon beheerd (al dan niet door aanwonenden), soortenarme korte grasvegetatie met soorten als madeliefje, paardenbloem en grote weegbree. E: Bloemrijk, ingezaaid. Berm met mengsel ingezaaid. F: Recent gemaaid, beeld onduidelijk. Kort gemaaid, beeld nog niet te bepalen. G: Verstoord beheerelement. Recent bewerkt, vegetatie niet of nauwelijks aanwezig (en dan bestaande uit pioniersoorten van verstoorde grond). H: Rietruigte. Grotendeels bestaande uit riet. I: Hakhout. Beheerelement zonder maaibeheer met opslag van bomen en struiken. J: Bosberm, ruig. Lage beeldwaarde. Beschaduwde berm met hoog opgaande kruiden. Begeleidende kenmerkende soorten: fluitenkruid, grote brandnetel, hondsdraf, kleefkruid en zevenblad.
Pagina 8
K: Bosberm, matig voedselrijk. Hoge beeldwaarde. Beschaduwde berm met lage vegetatie. Begeleidende kenmerkende soorten: bosanemoon, bosandoorn, dagkoekoeksbloem, geel nagelkruid, look-zonder-look, robertskruid en schaduwgras. Sloottypen: A1: Voedselrijk, vochtig-nat, bloemrijk. Beheerelementen op voedselrijke, vochtige tot natte grond (klei, leem, zavelig zand). Groot aandeel van diverse moerasplanten als grote kattenstaart, grote wederik, koninginnekruid, moerasandoorn, moerasspirea en moeraswalstro. Weinig tot geen struiken. A2: Voedselrijk, vochtig-nat, soortenarm. Beheerelementen op voedselrijke vochtige grond (klei, leem, zavelig zand) met weinig soorten en/of een lage beeldwaarde. Vaak groot aandeel hoge grassen (glanshaver, grote vossenstaart, kropaar), fluitenkruid en lokaal hogere moerasplanten als echte valeriaan, grote wederik, koninginnekruid en moerasspirea. Niet zo bloemrijk als A1. Hier en daar ook grote brandnetel, braam, enkele struiken en opslag van o.a. grauwe wilg en zwarte els. A3: Voedselrijk, vochtig-nat, ruig. Soortenarme beheerelementen op voedselrijke grond met dominantie van één moerasplantsoort als grote lisdodde, harig wilgenroosje en riet, veel grote brandnetel, zevenblad en niet of nauwelijks bloemen. Ruige en/of verstoorde vegetatie. Soms ook ruig en soortenarm door schaduw van bomen. Vrij groot aandeel struiken en opslag van o.a.
grauwe wilg en zwarte els. Lokaal ook dominantie van braam(struweel). B1: Matig voedselrijk, vochtig, bloemrijk/soortenrijk. Beheerelement op (droge of vochtige) zandgrond, grazig, bloemrijk en soortenrijk. Klein aandeel hoge grassoorten en een enkele grote soort als boerenwormkruid etc. Soorten als duizendblad, margriet, smalle weegbree, biggenkruid, etc. Lokaal brem(struweel) en opslag van wilde lijsterbes. B2: Matig voedselrijk, vochtig, soortenarm, ruig. Beheerelement op matig voedselrijke tot voedselarme zandgrond, ruig. Hoog aandeel lage tot middelhoge grassen en vaak boerenwormkruid als dominerende soort. Verspreid een enkele overige soort als brem, duizendblad en smalle weegbree. Ruige en/of verstoorde vegetatie. Soms ook ruig en soortenarm door schaduw van bomen. Vrij groot aandeel van braam(struweel), struiken en opslag van vuilboom, wilde lijsterbes en zomereik. C1: Schraal, vochtig-nat. Beheerelement op voedselarme zandgrond, al dan niet soortenarm. Lage vegetatie, al dan niet met open plekken. Vaak bloemrijk. Hoge grassen als gewoon struisgras, pijpenstrootje en rood zwenkgras. Vooral te vinden op voedselarm zand, waar eventueel verschralingsbeheer wordt toegepast. Lokaal opslag van ruwe berk, wilde kamperfoelie en wilde lijsterbes. H: Rietruigte. Grotendeels bestaande uit riet. I: Hakhout. Beheerelement zonder maaibeheer met opslag van bomen en struiken.
Pagina 9
J: Bosbermsloot, ruig. Lage beeldwaarde. Beschaduwde bermsloot met hoog opgaande kruiden. Begeleidende kenmerkende soorten: fluitenkruid, grote brandnetel, hondsdraf, kleefkruid en zevenblad. K: Bosbermsloot, matig voedselrijk. Hoge beeldwaarde. Beschaduwde bermsloot met lage vegetatie. Begeleidende kenmerkende soorten: bosanemoon, bosandoorn, dagkoekoeksbloem, geel nagelkruid, look-zonder-look, robertskruid en schaduwgras. Vegetatiekartering. 100 representatieve proefvlakken met een lengte van 100 meter in lijnvormige beheerelementen en een oppervlakte van 100 m2 in vlakvormige beheerelementen, zijn verspreid over de gemeente Aalten geïnventariseerd op indicatorsoorten middels florastreeplijsten. Deze beknopte inventarisatie is uitgevoerd als 0-meting om na enige jaren na herhaling van deze inventarisatie de effecten van het aangepaste ecologisch bermbeheer vast te kunnen stellen. Groeiplaatsen van beschermde soorten, Rode lijstsoorten, indicatorsoorten en invasieve exoten zijn op puntniveau ingetekend en ingevoerd in de waarneming.nl2, zodat hier bij het beheer rekening mee gehouden kan worden. De waarnemingen in waarneming.nl komen in de NDFF terecht. Binnen de proefvlakken worden deze soorten uiteraard volledig geïnventariseerd. Daarbuiten is deze inventarisatie niet volledig en zullen vooral opvallende groeiplaatsen worden gekarteerd.
Per soort is conform de gecombineerde schaal van Braun-Blanquet3 abundantie en frequentie per proefvlak genoteerd. De Braun-Blanquet schaal is als volgt: Code r + 1 2 2a 3 4 5
Zeer weinig exemplaren Weinig exemplaren Talrijk en <5% Zeer talrijk of willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig
Dekking < 5% < 5% < 5% < 5% 5-25% 25-50% 50-75% 7-100%
Totale aanwezigheid per opname 1% 2% 3% 13% 13% 38% 68% 88%
2
Waarneming.nl is het grootste natuurplatform van Nederland. Vele vrijwilligers en professionals voeren dagelijks waarnemingen van flora en fauna in op waarneming.nl. 3 De vegetatieschaal van Braun-Blanquet is een vegetatieschaal, waarmee voor landschapselementen of andere grotere oppervlakten een indicatie gegeven kan worden van de abundantie (talrijkheid) of de frequentie van voorkomen van verschillende plantensoorten. De talrijkheid en frequentie van voorkomen wordt per aangetroffen plantensoort weergegeven door een lettercode.
Pagina 10
Foto 1. Lichtenvoordsestraatweg. Bermtype: B1. Beheertype: C1. Soorten- en bloemrijke berm met gewone margriet.
Foto 2. Bokkelderweg. Bermtype: B2. Beheertype: B1. Voormalige groeiplaats van grasklokje.
Pagina 11
3 Beheer tot 2024 Al vele jaren wordt in de gemeente Aalten voor het beheer van de wegbermen en sloten het principe van maaien en afvoeren toegepast. Dit werk gebeurt in één werkgang met een maai-zuigcombinatie. In juni wordt van alle bermen de eerste meter tot aan de weg op deze wijze gemaaid ten behoeve van de verkeersveiligheid. Daarna volgt in de nazomer de tweede maaibeurt waarbij alle bermen en sloten over de volle lengte en breedte worden gemaaid. Een uitzondering daarop vormen de niet watervoerende sloten. Deze worden eens per 2 jaar gemaaid. Het beheer zoals dat uitgevoerd werd tot de zomer van 2024 heeft verschillende voor- en nadelen ten opzichte van andere beheervormen. Hieronder zijn deze weergeven. Voordelen: •
•
•
•
• •
Door afvoer van het maaisel treedt verschraling op waardoor de kruidachtige planten steeds beter kunnen concurreren met grassen. Hierdoor neemt het aantal bloeiende planten en de diversiteit in plantensoorten toe. Als gevolg hiervan neemt ook de diversiteit in de fauna toe. Door afvoer van het maaisel treedt verschraling op waardoor de biomassa in de loop van jaren naar verwachting af zal nemen. Hierdoor kan de maaizuigcombinatie gemiddeld steeds meer meters maken voordat het verzamelde maaisel afgevoerd moet worden. Het maaien kost daardoor steeds minder tijd, terwijl ook steeds minder maaisel verwerkt hoeft te worden. De kosten van het beheer worden hierdoor op termijn lager. Van jaar op jaar zijn er door weersinvloeden grote fluctuaties in de hoeveelheid af te voeren maaisel. Bij het klepelen van bermen, zoals dat elders vaak plaatsvindt, neemt de bermhoogte vaak geleidelijk toe, waardoor het regenwater onvoldoende van de weg af kan stromen. Als maatregel wordt vervolgens de berm afgeschraapt. Het afgeschraapte materiaal bestaat vooral uit grond. Door recente aangepaste wetgeving moet deze grond eerst onderzocht worden op allerlei verontreinigingen zoals PFAS. Bij overschrijding van waarden zal de grond als vervuilde grond tegen hoge kosten afgevoerd moeten worden.
Het afgraven van de berm, het bemonsteren en het milieutechnisch onderzoek van de vrijkomende grond en het afvoeren van de grond zijn kostenposten die bij ecologisch bermbeheer veel minder ontstaan. Het klepelen van de gemeentelijke bermen en sloten vindt in de gemeente Aalten niet plaats. Ecologisch bermbeheer in bermen met eiken kan bijdragen aan een natuurlijke bestrijding van de eikenprocessierups, waardoor op actieve bestrijding van de eikenprocessierups kan worden bespaard. Bloemrijke bermen maken de gemeente aantrekkelijker voor toeristen. Bermen met ecologisch beheer zijn minder kwetsbaar voor mechanische beschadigingen doordat in schralere bermen de planten dieper wortelen.
Pagina 12
•
Bermherstel is minder vaak nodig, hetgeen een kostenbesparing is. Stevige bermen zijn bovendien veiliger voor het verkeer. Bij uitwijkmanoeuvres in de berm is de kans minder groot op het wegzakken van de wielen waardoor de kans op ongelukken kleiner is. In bermen met ecologisch beheer hebben probleemonkruiden minder kans waardoor bestrijding van deze soorten in aangrenzende agrarische percelen minder frequent nodig is. Dit levert een kostenbesparing en milieuwinst op.
Nadelen: •
•
•
•
Door het huidige gebruik van een traditionele maaizuigcombinatie worden plantenzaden en fauna in verschillende stadia (volwassen dieren, eitjes, rupsen, poppen) verwijderd en afgevoerd. Het spreekt voor zich dat dit erg nadelig is voor de biodiversiteit van bermen en sloten. Door afvoer van het maaisel in combinatie met de neerslag van stikstofverbindingen als gevolg van onder andere intensieve landbouw en verkeer, verzuren de bermen en treedt uitspoeling van mineralen op. Dit heeft een negatief effect op de plantengroei en de fauna. Hoe groot dit effect is, is moeilijk in te schatten. Wellicht dat door dit fenomeen de resultaten van ecologisch bermbeheer voor biodiversiteit vaak tegenvallen. In juni wordt de eerste meter van alle bermen gemaaid, terwijl dat voor de verkeersveiligheid niet overal nodig is, zoals bij wegen met weinig verkeer, onverharde wegen en bij zeer schrale bermen. Dit is nadelig voor de biodiversiteit en bovendien kostenverhogend. Er is geen maatwerk in het onderhoud per type berm en sloot. Door elk jaar alle bermen en een deel van de sloten volledig te maaien is er nauwelijks variatie in de vegetatiestructuur. Dit is met name nadelig voor de fauna. In structuurarme begroeiingen is de rijkdom van fauna minder, zowel in aantal individuen als in aantal soorten.
Door alles te maaien in de nazomer zijn bovendien de overwinteringsmogelijkheden voor veel soorten fauna beperkt. Ook laatbloeiende planten kunnen daardoor niet of minder zaad zetten waardoor de overlevingskansen voor deze soorten afnemen.
Pagina 13
Foto 3. Goorstegendijk. Bermtype: A1. Beheertype: B1. Groeiplaats van de Rode Lijstsoort welriekende agrimonie.
Foto 4. Hagtweg. Bermtype: B1/c1. Beheertype: B1. Groeiplaats van de Rode Lijstsoort blauwe knoop.
Pagina 14
4 Resultaten onderzoek
Resultaten literatuuronderzoek Resultaten NDFF. Een overzicht van waarnemingen van beschermde plantensoorten, Rode lijstsoorten planten en insecten en reptielen in de periode 2000-2024 in de bermen en sloten is opgenomen in de figuren 1 t/m 4. Dit is inclusief de waarnemingen van beschermde plantensoorten en Rode lijstsoorten planten die in 2024 tijdens het veldwerk verzameld zijn. Deze gegevens zijn per berm ook opgenomen in de bermentabel. De bermentabel is de samenvattende tabel waarin alle gegevens per berm zijn opgenomen.
Figuur 1. Beschermde plantensoorten in de bermen en sloten in de periode 2000-2024.
Pagina 15
Figuur 2. Rode lijstsoorten planten in de bermen en sloten in de periode 2000-2024.
Pagina 16
Figuur 3. Waarnemingen van zandhagedis, hazelworm en levendbarende hagedis en bermen en sloten en direct aangrenzende delen in de gemeente Aalten in de periode 2000 - 2024.
Figuur 4. Waarnemingen van Rode lijstsoorten insecten en bermen en sloten en direct aangrenzende delen in de gemeente Aalten in de periode 2000 – 2024.
Beschermde plantensoorten In de bermen en bermsloten in het buitengebied van de gemeente Aalten zijn in de periode 2000-2024 de beschermde kartuizer anjer en kluwenklokje vastgesteld. Beide soorten hebben hun natuurlijke verspreidingsgebied ver buiten de regio. De waarnemingen van beide beschermde plantensoorten betreft uit (heem)tuinen verwilderde of ingezaaide exemplaren. Binnen de grenzen van de gemeente Aalten zijn in dezelfde periode Rode lijst plantensoorten In de bermen en bermsloten in het buitengebied van de gemeente Aalten zijn in de periode 2000-2024 15 Rode lijst genoteerde plantensoorten vastgesteld. Net als voor de beschermde kartuizer anjer en kluwenklokje geldt voor het merendeel van de Rode lijst genoteerde plantensoorten dat deze hun natuurlijke verspreidingsgebied ver buiten de regio. Met name door het inzaaien van gazons, tuinen en ook bermen met bloemrijke bloemenmengsels bestaande uit allerlei visueel aantrekkelijke soorten als beemdkroon, bolderik, kartuizer anjer, steenanjer en velsalie wordt de verspreiding van deze ‘uitheemse’
Pagina 17
soorten gestimuleerd. De meeste Rode lijst plantensoorten, waarvan met een grote mate van zekerheid kan stellen dat deze een natuurlijke verspreiding hebben in de gemeente Aalten, zijn actueel slechts zeer lokaal nog in bermen en langs bermsloten aan te treffen. Op basis van vergelijking van verspreiding voor 2000 en de actuele verspreiding kan men stellen dat juist deze ‘inheemse’ soorten als blauwe knoop, echte guldenroede en welriekende agrimonie sterk achteruitgaan. De nog aanwezige groeiplaatsen dienen dan met grote voorzichtigheid beheerd, behouden én beschermd te worden. Reptielen In de bermen en bermsloten in het buitengebied van de gemeente Aalten, en in direct aangrenzende en omliggende bermen, bosranden en slootkanten, zijn in de periode 20002024 de reptielensoorten hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis vastgesteld. Door het ontbreken van geschikte habitats van enige omvang als heide- en veengebieden binnen de grenzen van de gemeente Aalten zijn de nog aanwezige populaties van aanwezige reptielensoorten klein en uiterst kwetsbaar. De nog aanwezige populaties van specifiek levendbarende hagedis en zandhagedis zijn vrijwel geheel gebonden aan lijnvormige elementen als wegbermen, slootkanten en spoortaluds.
Insecten In de bermen en bermsloten in het buitengebied van de gemeente Aalten zijn in de periode 2000-2024 de Rode lijst dagvlindersoorten bruin blauwtje, geelsprietdikkopje en kleine ijsvogelvlinder en de Rode lijst sprinkhanensoort zompsprinkhaan vastgesteld. Alleen het bruin blauwtje kent binnen de gemeente Aalten een ruim verspreidingsgebied en kan dan ook in vrijwel elke berm, waar de vrij algemeen voorkomende waardplant reigersbek aanwezig is, aangetroffen worden. De overige aanwezige Rode Lijst insectensoorten stellen meer hogere eisen aan hun leefgebied. De kleine ijsvogelvlinder is een echte bosvlindersoort en sterk afhankelijk van halfopen, vochtige bossen met kamperfoelie (waardplant). Het gebruik van de bermen, grenzend aan of in geschikt habitat voor de kleine ijsvogelvlinder, beperkt zich dan ook voornamelijk tot incidenteel gebruik als foerageer- en rustplek. In het natuurgebied Aaltense Goor bevindt zich een grote populatie van de landelijk zeldzame zompsprinkhaan. De aanwezigheid van deze soort, door kolonisatie, in bermen en bermsloten rondom het Aaltense Goor is zeer goed mogelijk.
Pagina 18
Foto 5. Hondorpweg. Bermtype: B1. Beheertype: B1. Groeiplaats van adelaarsvaren en hengel.
Foto 6. Vellegendijk. Bermtype: B2. Beheertype: B1.
Pagina 19
Resultaten veldonderzoek Typering bermen en sloten In tabel 1 is een samenvatting van de resultaten van het veldonderzoek naar het voorkomen van de verschillende berm- en sloottypen weergegeven.
Type Aantal m² berm Aantal m² sloot A1: Voedselrijk, bloemrijk 31.363 0 A2: Voedselrijk, soortenarm 636.561 0 A3: Voedselrijk, ruig 182.082 160.067 B1: Matig voedselrijk, bloemrijk/soortenrijk 103.776 2.396 B2: Matig voedselrijk, soortenarm 621.363 36.975 C1: Schrale berm 14.830 0 C2: Schrale berm met dwergstruiken 3.695 0 C3: Zeer schrale berm 2.135 0 C4: zeer schrale berm met dwergstruiken 0 0 D: Gazonberm 0 0 E: Bloemrijk, ingezaaid 0 0 F: Recent gemaaid, beeld onduidelijk 0 0 G: Verstoorde berm 0 0 H: Rietruigte 4.267 2.351 I: Hakhout 0 2.664 J: Bosberm, ruig, hoogopgaande kruiden 24.056 11.372 K: Bosberm, matig voedselrijk, lage vegetatie 20.516 1.945 Tabel 1. Oppervlakte van de verschillende berm- en sloottypen in de gemeente Aalten.
Flora en vegetatie bermen Bermtype A2 (voedselrijk, soortenarm) en bermtype B2 (matig voedselrijk, soortenarm) bepalen grotendeels de onderzochte bermen. De type A2-bermen kenmerken zich binnen de gemeente Aalten vooral door de aanwezigheid van hoge grassen als glanshaver en grote brandnetel. Concentraties van betreffende bermtype bevinden zich met name rond de buurtschappen IJzerlo en De Heurne, globaal tussen de woonkernen Aalten en Dinxperlo. De binnen de gemeente Aalten aanwezige type B2-bermen worden vooral gekenmerkt door de aanwezigheid van boerenwormkruid met een enkele begeleidende soort als duizendblad en smalle weegbree. Met name de bermen in het noordoostelijke deel (buurtschappen Barlo en ’t Klooster) en het oostelijke deel (buurtschap De Haart) van de gemeente Aalten zijn te typeren als bermtype B2. Soortenrijke bermen van voedselrijkere omstandigheden (bermtype A1) worden met name rond het Aaltense Goor aangetroffen. Hier zijn soorten als gewoon reukgras, knoopkruid, pinksterbloem en de zeldzame welriekende agrimonie aanwezig. Bermen met voedselarme omstandigheden zijn verspreid binnen de gemeente Aalten aanwezig en kenmerken zich vooral door de aanwezigheid van havikskruiden en hengel, lokaal begeleid door grasklokje, struikhei en de zeldzame echte guldenroede.
Pagina 20
Aanpassingen van beheer, rekening houdend met de bloeiperiode van aanwezige dominante grassen, zal met name gunstig uitwerken voor de matig voedselrijke bermen. Dit zijn vaak bermen welke in het recente verleden een meer schraler uiterlijk hadden. Mede door het ontbreken van gericht maaibeheer of door uitvoering van maximaal één maaibeurt per jaar komen met name minder concurrentiekrachtige soorten als grasklokje, hengel, zandblauwtje en havikskruiden (verder) in de verdrukking door vergrassing en/of verruiging. Deze ontwikkeling is vooral te herkennen in het geleidelijk aan verdwijnen van een kenmerkende, en tot recent een wijdverspreide, soort als grasklokje uit de bermen van de gemeente Aalten. De vegetatie in deze (voormalige) schrale bermen wordt meer en meer bepaald door concurrentiekrachtige soorten van ruigere omstandigheden als boerenwormkruid. Hier zijn je vaak nog wel lokaal brem, sint-janskruid en vlasbekje als laatste relictsoorten van vroegere schrale omstandigheden. Flora en vegetatie sloten De vegetatie in de onderzochte bermsloten wordt vooral gedomineerd door vegetaties van voedselrijke omstandigheden (bermtype A3). Hier domineren met name plantensoorten als braam (struweel) en grote brandnetel, vaak in combinatie met soorten van meer matig voedselrijke ruigten als bijvoet en boerenwormkruid.
De vegetatie in de bermsloten grenzend aan de bermtypen B1, B2 en C1 is meer grazig van karakter met grassoorten als gewoon struisgras en rood zwenkgras, vaak in combinatie met spontane opslag van brem, vuilboom en wilde lijsterbes. Door het grotendeels ontbreken van jaarlijks slootonderhoud wordt de grazige vegetatie beconcurreerd door ruigtekruiden als grote brandnetel en opslag van braam en struiken. Lokaal zijn enkele sloten al reeds volledig bedekt met braamstruweel, opslag en ruigtevegetatie. De aanwezigheid van een enkele bloeiende soort als grote wederik, knoopkruid en moerasspirea geeft nog wel de potentie weer voor de ontwikkeling/herstel naar meer soorten- en bloemrijke vegetaties. Diverse slootkanten en in de greppels in het heideontginningslandschap herbergen vegetaties van meer schrale omstandigheden. Pijpenstrootje met lokaal struikhei en tormentil zijn hier de meest kenmerkende soorten. Deze situatie is echter alleen nog maar verspreid in het (noord)oostelijke deel van de gemeente Aalten en langs de landsgrens aanwezig. Elders binnen de gemeentegrenzen zijn de schrale slootkanten verruigd en domineert opslag van wilde lijsterbes en vuilboom met lokaal een enkele relictgroeiplaats van pijpenstrootje. Reptielen In een enkele berm/bermsloot is geschikt leefgebied voor hazelworm, levendbarende hagedis en mogelijk zandhagedis voorhanden.
De meest kansrijke en geschikte locaties voor reptielen bevinden zich in het gebied Schaarsheide (Nazarethdijk en Schaarsdijk) en in buurtschap De Haart (Driehondermeterweg, Spiekerdijk en Spoordijk). Beheer van de wegbermen en aangrenzende bermsloten dient zoveel mogelijk gericht te zijn op behoud/herstel van het leefgebied van reptielen. Dit door behoud van structuurrijke vegetaties om te schuilen (graspollen, enkele struik of struweel) en om te zonnen (schrale
Pagina 21
vegetatie, zanderige plekken/slootranden). Uitgevoerd beheer werkt ook in het voordeel van allerlei insecten en kleine zoogdieren. Vegetatieopnamen Per elementtype zijn representatieve proefvlakken van 100 meter, verspreid over de gemeente Aalten, geïnventariseerd middels florastreeplijsten. In totaal zijn 100 proefvlakken geïnventariseerd. Tabel 2 geeft een samenvatting van de resultaten. Door de inventarisatie van de proefvlakken periodiek te herhalen kunnen de effecten van het beheer op de vegetatie vastgesteld worden. De locaties van de proefvlakken zijn vastgelegd op een kaartje welke in bijlage 7 is opgenomen. De resultaten zijn per vegetatieopname in bijlage 9 opgenomen. Bij dit onderzoek zijn alleen vooraf geselecteerde plantensoorten opgenomen. Het betreft hier plantensoorten die voornamelijk de volgende bepaalde standplaatsfactoren indiceren: • •
Voedselrijkdom (voedselrijk – voedselarm) Waterhuishouding (droog – nat)
Elke geselecteerde plantensoort (verder ‘indicatorsoort’) indiceert dus bepaalde omstandigheden die van belang zijn voor de ontwikkeling van deze soort. Indien deze omstandigheden voor betreffende indicatorsoort gunstig zijn (en blijven) zal deze soort zich op betreffende locatie c.q. plek van vegetatieopname handhaven of mogelijkheid tot vestiging geven. Achteruitgang of zelfs verdwijnen van een indicatorsoort geeft ook aan dat bepaalde omstandigheden zijn veranderd, ten ongunste van deze soort. Door periodieke herhaling (monitoring) van de vegetatieopnamen kan men de ontwikkeling van de vegetatie in de gemeentelijke bermen, met begeleidende plantensoorten (indicatorsoorten), volgen. Daarnaast wordt door het aangeven van de abundantie (talrijkheid) of de frequentie van voorkomen van aangetroffen indicatorsoort weergegeven. Hierdoor kan, door monitoring, de ontwikkeling van aangetroffen indicatorsoorten én de aanwezige bermvegetatie volgen: af- of toename, (her)vestiging of verdwijnen van indicatorsoorten. Hierdoor kan de toegepaste beheermethode, geëvalueerd worden. Dit kan dan weer eventueel leiden tot aanpassing/bijsturing van het toegepaste bermbeheer. Tabel 2 geeft een overzicht van het aantal vegetatieopnamen en het gemiddelde aantal aangetroffen indicatorsoorten per elementtype.
Pagina 22
Elementtype A1: Voedselrijk, bloemrijk A2: Voedselrijk, soortenarm A3: Voedselrijk, ruig B1: Matig voedselrijk, bloemrijk/soortenrijk B2: Matig voedselrijk, soortenarm C1: Schrale berm C2: Schrale berm met dwergstruiken C3: Zeer schrale berm C4: Zeer schrale berm met dwergstruiken D: Gazonberm E: Bloemrijk, ingezaaid F: Recent gemaaid, beeld onduidelijk G: Verstoorde berm H: Rietruigte I: Hakhout J: Bosberm, ruig, hoogopgaande kruiden K: Bosberm, matig voedselrijk, lage vegetatie
Aantal opnames 27 7 0 16 45 2 3 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Gemiddeld aantal doelsoorten 14 9 12 17 14 17 14 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Tabel 2. Aantal opnamen en gemiddeld aantal doelsoorten per bermtype.
Pagina 23
Foto 7. Giezenbosweg. Bermtype: A2/A3. Beheertype: A1.
Foto 8. Mösselendiek. Berm-/sloottype: A3. Beheertype: B1.
Pagina 24
5 Uitvoering toekomstig beheer In dit hoofdstuk wordt het toekomstige beheer beschreven. De beheerder kan hier de informatie vinden die nodig is voor een juiste uitvoering van het beheer.
Doelen Het hoofddoel voor het toekomstige beheer is verhoging van de biodiversiteit van de gemeentelijke bermen en bermsloten. Nevendoelen zijn: • • • •
Het verhogen van de ecologische verbindingsfunctie van de bermen en bermsloten. Bermen en bermsloten aantrekkelijker (kleurrijk, bloemrijk) maken voor het publiek. Natuurlijke beheersing eikenprocessierups. Kostenbesparing.
Materieel Het toekomstige beheer wordt uitgevoerd door te maaien met een trekker met maaibalk. Na enkele dagen wordt het maaisel door een opraapwagen verwijderd en afgevoerd. Een alternatief is een maai-zuigcombinatie voorzien van een ecokop. Door het gebruik van een ecokop wordt materiaal dat op de bodem ligt niet opgezogen. Zaden en ongewervelden in verschillende stadia (zoals rupsen en eitjes) die op de bodem liggen worden niet opgezogen waardoor de schade aan de fauna beperkt blijft en planten zich uit kunnen zaaien. De hoogte waarop de begroeiing wordt afgemaaid is minimaal 10 centimeter boven het maaiveld. Op de trekker is een GIS-systeem aanwezig waarop de machinist kan zien welk beheertype gewenst is op de plek waar op dat moment gemaaid wordt. Groeiplaatsen van invasieve exoten en (dwerg)struiken als struikhei die niet mee gemaaid mogen worden, zijn door dit systeem zichtbaar voor de machinist en kunnen bij het maaien ontzien worden. De beheerder dient over de hiervoor beschreven mechanisatie te beschikken, of zal hier in moeten investeren. Is een GIS-systeem zoals hierboven is omschreven niet op de maaicombinatie aanwezig, dan moeten voor het maaien de groeiplaatsen van de invasieve exoten en de te handhaven (dwerg)struiken als struikhei in het veld gemarkeerd worden.
Pagina 25
Machinist De machinist op de maaimachine moet aan een aantal eisen voldoen: • • • •
Uiteraard moet de machinist goed met de maaicombinatie, inclusief het Gissysteem, overweg kunnen. De machinist moet achter het belang en de doelen van het ecologisch bermbeheer staan, hij/zij moet gedreven zijn om het werk goed uit te voeren. De machinist(en) en zijn/haar leidinggevende(n) volgt/volgen de basiscursus Kleurkeur van de Vlinderstichting (één dag). Een ecoloog gaat enkele dagdelen mee tijdens het maaien om aanwijzingen te geven over welke delen van de vegetatie bij voorkeur blijven staan bij het gefaseerde maaien.
Maaihoogte Voor alle beheertypen geldt dat de maaicombinatie is ingesteld op een minimale maaihoogte van 10 centimeter. Deze minimale hoogte wordt geëist omdat bij lagere maaihoogtes de kruidenrijkdom afneemt en grassen meer gaan overheersen. Door oneffenheden in het terrein ontstaan bij het beheer verschillen in de gerealiseerde maaihoogte. Dit wordt versterkt indien de maaicombinatie zelf ook over oneffen terrein rijdt. Hierdoor zal de maaikop op en neergaande bewegingen maken waardoor verschillen in maaihoogte ontstaan. Verschillen in maaihoogtes op kleine schaal kunnen als positief voor de biodiversiteit worden gezien.
Maaistip Het juiste maaitijdstip is afhankelijk van het beheerdoel. Daarnaast hangt het tijdstip en de frequentie van maaien af van de grondsoort en de voedselrijkheid van de bodem. Over het algemeen moet de nadruk, zeker in de beginfase, vooral liggen op verschralen. Denkend aan de werkwijze van de ouderwetse boer, dan zullen we dit dus doen als het gewas uitgegroeid is, maar nog niet is ingestort. Als algemeen uitgangspunt voor een verschralingsbeheer kunnen we het volgende aannemen: • • • •
Maai schrale, bloemrijke bermen één keer: herfst (september). Maai matig voedselarme tot matig voedselrijk, bloemrijke bermen twee keer: eind juli en nogmaals in september-begin oktober. Maai voedselrijke, bloemrijke beren twee keer: in mei-begin juni en augustusseptember. Maai zeer voedselrijk bermen met dominantie van hoge grassen en ruigtekruiden bij voorkeur drie keer: in mei-begin juni, in augustus-september en nogmaals in oktober-begin november of in april.
Wanneer een berm sterk is vergrast, dan betekent dit meestal dat er te weinig en te laat wordt gemaaid en afgevoerd. Door te maaien wanneer de dominante grassen net beginnen met bloeien, wordt het meeste resultaat (verschraling, toename bloeiende soorten, afname hoge grassen en ruigtekruiden als grote brandnetel) behaald.
Pagina 26
Bodembeschadiging Bodembeschadiging mag door de uitvoering van het beheer maximaal 1% van de te beheren oppervlakte zijn. Er kunnen twee vormen van bodembeschadiging worden onderscheiden: door te laag maaien en door insporing. Ondanks dat de maaicombinatie is ingesteld op een maaihoogte van minimaal 10 centimeter kan bodembeschadiging door te laag maaien ontstaan door oneffenheden in de bodem. De ambitie is insporing zoveel mogelijk te voorkomen door bij natte omstandigheden het tijdstip van uitvoering en het toe te passen materieel zo te kiezen dat de kans op bodembeschadiging geminimaliseerd wordt. Bij twijfel hierover dient de uitvoerende partij in overleg te gaan met de opdrachtgever om te komen tot een passende uitvoering. Bodembeschadiging op kleine schaal hoeft niet per definitie negatief te zijn voor biodiversiteit. Door bodembeschadigingen ontstaan kiemingsmogelijkheden voor planten, zonplekken voor fauna en substraat voor graafbijen en -wespen om nesten te graven.
Verwerking maaisel Het vrijkomende maaisel kan op verschillende manieren verwerkt worden. De meest eenvoudige methode met een is het onderwerken van het maaisel op bouwland. Deze methode is efficiënt en heeft een relatief lage CO2-print. Vanuit milieuoogpunt scoort vergisting van het maaisel het best (laagste CO2-print).
Herstel en inzaai van bermen Het inzaaien van bermen is een optie bij bermen die hersteld zijn na bodembeschadiging, verstoring, vergraving, sanering, ‘afgenomen’ zijn of beschadiging door derden. Bij schrale bermen heeft inzaaien in ieder geval niet de voorkeur indien er geen gebiedsvreemde grond is aangevoerd. In de bodem zullen over het algemeen voldoende zaden aanwezig zijn, van waaruit zich een gebiedseigen vegetatie kan ontwikkelen. Als er gebiedsvreemde grond is aangevoerd, dan heeft het inzaaien wel de voorkeur. Er moet dan een zaadmengsel gebruikt worden van inheemse soorten van Nederlands genenmateriaal, passend bij zandgrond, bijvoorbeeld B102 Margrietmengsel van de firma Biodivers. Een andere optie is om voor het inzaaien vers maaisel van goed ontwikkelde schrale en matig voedselrijke bermen uit de omgeving te gebruiken. Na het uitstrooien van dit maaisel over de berm vallen de zaden bij het drogen van het maaisel op de bodem en kunnen vervolgens kiemen. De kosten hiervan zijn minimaal en vanuit ecologisch oogpunt is dit de beste keuze. Het voorgaande is ook van toepassing bij aanleg van nieuwe bermen.
Communicatie De beheerder heeft gedurende de uitvoering van het beheer van de sloten in het najaar regelmatig contact met het Waterschap Rijn en IJssel om het beheer van de partijen zo optimaal mogelijk op elkaar af te stemmen.
Pagina 27
Indien zich bij het beheer bijzonderheden voordoen waar aangrenzende eigenaren hinder van kunnen ondervinden, wordt door de beheerder contact met deze eigenaren opgenomen met als doel om deze hinder zoveel mogelijk op te heffen.
Logboek De beheerder houdt in een logboek minimaal de volgende zaken bij: • •
De hoeveelheid maaisel die afgevoerd wordt. Bijzondere omstandigheden die tijdens het beheer aan het licht komen, zoals schade aan bermen, sloten en bomen veroorzaakt door het beheer en derden.
Beheertypen Bij één weg kunnen meerdere berm/sloottypen (ecologisch gezien) voorkomen, met name bij lange wegen. Tijdens de veldinventarisatie is naast het actuele berm/sloottype het toekomstig gewenste berm/sloottype bepaald en zijn vervolgens aan elke berm en sloot één of meerdere beheertypen gekoppeld. In de bermentabel staat per berm/sloot aangegeven welke beheertypen van toepassing zijn en met welk percentage deze beheertypen voorkomen. Uiteindelijk resulteert dit in de beheertabel tot percentages waarin de vegetatie gemaaid moet worden in het voorjaar en in de nazomer. Bij de uitvoering van het beheer wordt van de machinist verwacht dat hij/zij dit kan vertalen naar het wel of niet maaien van een bepaald traject. Er worden de volgende beheertypen toegepast: EMM - eerste meter maaien. Vanaf 15 juni wordt de eerste meter wegberm grenzend aan de weg gemaaid ten behoeve van de verkeersveiligheid. Alleen bij bermen waar verkeersveiligheid niet of nauwelijks speelt en bij zeer schrale bermen wordt de eerste meter niet gemaaid. VJM - voorjaarmaaien. De berm wordt in juni tegelijk met EMM gemaaid. Dit kan uiteraard in één werkgang. Daarbij blijft 25% van de vegetatie ongemoeid, met uitzondering van de eerste meter. Deze wordt uiteraard 100% gemaaid indien voor deze berm het beheertype EMM van toepassing is. Per 100 meter wegberm blijft minimaal 25 meter ongemaaid.