41. Raadsmededeling 88-2025 Governance Sociaal Domein Achterhoek (SDA)
Tekst van het document
Raadsmededeling openbaar Nummer Datum B&W datum Beh. Ambtenaar Portefeuillehouder Onderwerp
: : : : : :
88-2025 9 juli 2025 15 juli 2025 R.R.S. Bosch J.C. Wikkerink Governance Sociaal Domein Achterhoek (SDA)
Aanleiding: Eind 2022 is door de Achterhoekse gemeenten een opdracht geformuleerd om de samenwerking Sociaal Domein Achterhoek (hierna: SDA) te actualiseren. Hiertoe is in 2023 een proces doorlopen waarbij is ingegaan op de vraag hoe te komen tot een toekomstbestendige samenwerking die de benodigde robuustheid in bedrijfsvoering en wendbaarheid in regionale samenwerking ondersteunt. Daarnaast geeft de voorgestelde ‘Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg’ (hierna: het wetsvoorstel) van de regering verplichting aan de colleges van B&W in de Achterhoek om als Jeugdregio een gemeenschappelijke regeling te treffen (d.w.z. een centrumregeling, bedrijfsvoeringsorganisatie of openbaar lichaam). Hoewel er geen juridische verplichting is omtrent de Wmo is in het beginstadium van dit traject gekozen om samen te werken op het gebied van Jeugdzorg en Wmo (inkoop, contractmanagement, toezicht en de expertisetafels). Het gaat bijvoorbeeld over de regionale inkoop van jeugdhulp & Wmo, het contractmanagement en de organisatie van de regionale expertteams. Op dit moment ligt de ‘Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg’ bij de Eerste Kamer, nadat de Tweede Kamer al heeft ingestemd met de wet. Indien de Eerste Kamer instemt met de wet volstaat de huidige samenwerkingsovereenkomst (SOK) per 1 januari 2027 niet meer en moet er een gemeenschappelijke regeling zijn opgericht.
Wij vinden het belangrijk om uw raad tussentijds te informeren. Kernboodschap De colleges van B&W van de Achterhoek hebben besloten om een bindend advies in te winnen omtrent de keuze voor een samenwerkingsvorm (conform artikel 8 lid 3 Wet gemeenschappelijke regeling). De gemeenten verwachten van de adviseur dat: 1. De bouwstenen uit het traject beschouwt. 2. Gedeelde regionale uitgangspunten weegt en meeneemt. Dit gaat om de volgende uitgangspunten: • Samenwerkingsvorm die past bij het takenpakket SDA • Toekomstbestendige samenwerking • Gelijkwaardige samenwerking • Slagvaardige samenwerking, minimale bestuurlijke drukte • Borging democratische legitimiteit (positie gemeenteraden) • Zo min mogelijk stijging in kosten 3. Het geheel overziet, inclusief de bestuurlijke consequenties van mogelijke varianten. 4. Eventuele resterende vraagpunten of onduidelijkheden toetst en adresseert. 5. Komt tot een zorgvuldig onderbouwd, gezaghebbend en bindend advies over de meest passende governancevorm voor de acht gemeenten.
Pagina 1 van 4
Het extra inwinnen van het bindend advies is gelegen in het feit dat de wettelijke verplichting om een gemeenschappelijke regeling op te richten niet eerder dan 1 januari 2027 gereed hoeft te zijn. Dit geeft ons de ruimte om zaken goed uit te kristalliseren. Op dit moment worden er concrete gesprekken gevoerd over een centrumregeling of een bedrijfsvoeringsorganisatie. We waren dichtbij een keuze voor een samenwerkingsvorm, maar willen op dit moment nog een verdiepingsslag maken middels het bindend advies. De regeling voor een centrumregeling of bedrijfsvoeringsorganisatie wordt naar aanleiding van dit bindend advies nader uitgewerkt, evenals een bedrijfsplan. In het besluitvormingsproces ten aanzien van de gemeenschappelijke regeling heeft de gemeenteraad een formele rol. De nieuwe regeling wordt u op een later moment voor zienswijze aangeboden, gecombineerd met het bedrijfsplan. Verder is voor het treffen van de gemeenschappelijke regeling toestemming van de gemeenteraden van alle deelnemende gemeenten nodig. Inhoud mededeling: Hieronder gaan we op hoofdlijnen in op de drie verschillende samenwerkingsvormen, namelijk de: • Centrumregeling; • Bedrijfsvoeringsorganisatie; • Openbaar lichaam. Centrumregeling De centrumregeling wordt ook wel gezien als de ‘lichtste’ vorm van samenwerking.
Typerend voor de centrumregeling is dat bevoegdheden niet worden overgedragen aan een bestuur. Een centrumregeling is een samenwerking waarin één gemeente (de centrumgemeente of gastheergemeente) taken uitvoert namens andere gemeenten (de gastgemeenten). Het beschikt daarmee niet over een bestuur, maar afspraken over de uitvoering van de taken worden geregeld middels een samenwerkingsovereenkomst dan wel een dienstverleningsovereenkomst. De huidige samenwerking lijkt het meest op een centrumregeling, met dien verstande dat de huidige samenwerking privaatrechtelijk is geregeld en een centrumregeling publiekrechtelijk. De gemeenteraden van de gastgemeenten hebben geen wettelijke bevoegdheden om te sturen op de regeling. De raad kan enkel kaders stellen, toezicht houden en controleren op de wijze waarop het eigen college de rol van gastgemeente invult (oftewel een algemene rol zoals in de Gemeentewet is beschreven en niet op basis van de Wet gemeenschappelijke regeling). Dit betekent bijvoorbeeld dat er geen begroting voor zienswijze wordt voorgelegd aan de gemeenteraad (art. 35 lid 3 Wgr) en geen kadernota/jaarrekening ter kennisname wordt gebracht aan de raad (art. 34b Wgr). Bedrijfsvoeringsorganisatie De bedrijfsvoeringsorganisatie is een relatief onbekende vorm van samenwerking.
Dit komt doordat de bedrijfsvoeringsorganisatie een betrekkelijk nieuwe vorm van samenwerking is en bij de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen in 2015 is ingevoerd. Kenmerkend aan de bedrijfsvoeringsorganisatie is het enkelvoudige bestuur (ongeleed bestuur). Aan een bedrijfsvoeringsorganisatie kunnen namelijk alleen collegebevoegdheden worden overgedragen. Anders dan bij een centrumregeling, waar opdrachten aan de centrumgemeente gegeven worden middels een dienstverleningsovereenkomst, hebben bestuurders bij een bedrijfsvoeringsorganisatie rechtstreeks invloed op besluitvorming binnen het bestuur. Het is hierdoor voor individuele gemeenten eenvoudige bij te sturen bij onvoorziene omstandigheden. Een bedrijfsvoeringsorganisatie kan enkel worden getroffen als een collegeregeling. Dat betekent dat er geen raden aan deel kunnen nemen en geen raadsbevoegdheden kunnen worden overgedragen aan het bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie. De (democratische) waarborgen die de Wet gemeenschappelijke regelingen biedt, zijn van toepassing op de bedrijfsvoeringsorganisatie. Hierdoor kan de raad bijvoorbeeld een zienswijze indienen op de begroting van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Openbaar lichaam Het openbaar lichaam is verreweg de meest bekende en gangbare vorm van samenwerking (denk aan: GGD, Veiligheidsregio en omgevingsdiensten).
De gemeenteraden kunnen in beginsel alle bevoegdheden mandateren of delegeren aan een openbaar lichaam. Het openbaar lichaam wordt
Pagina 2 van 4
ook wel gezien als de ‘zwaarste’ vorm van samenwerking. Het kunnen overdragen van raadsbevoegdheden én het hebben van zowel een algemeen als dagelijks bestuur, maakt het openbaar lichaam onderscheidend van de andere twee samenwerkingsvormen. Een openbaar lichaam kan getroffen worden door colleges (collegeregeling), raden (raadsregeling) en colleges en raden tezamen (gemende regeling). Dat betekent dat raden deel kunnen nemen aan het bestuur en raadsbevoegdheden kunnen worden overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam. De (democratische) waarborgen die de Wet gemeenschappelijke regelingen biedt, zijn van toepassing op het openbaar lichaam. Rol/betrokkenheid gemeenteraad (verdere proces) Allereerst is het goed om op te merken dat de oprichting van een centrumregeling of een bedrijfsvoeringsorganisatie een collegeregeling betreft. Het is daarbij aan het college om de samenwerking te initiëren, te bepalen hoe deze eruit komt te zien en of deze daadwerkelijk tot stand komt. Om de democratische legitimatie van de besluitvorming te borgen heeft de raad het recht een zienswijze in te dienen (art. 1 lid 3 Wgr). Daarnaast is de toestemming van de raad nodig om de regeling van de bedrijfsvoeringsorganisatie te kunnen treffen (art. 1 lid 4 Wgr). De rol/betrokkenheid van de gemeenteraad ziet er schematisch als volgt uit:
Afbeelding 1: betrokkenheid raad bij oprichting bedrijfsvoeringsorganisatie
De gemeenteraad kan binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpregeling zijn zienswijze over de ontwerpregeling geven bij zijn college. Voor deze zienswijzenprocedure geldt dus dat het college de ontwerpregeling voor zienswijzen aan de raad zendt. Nadat de raad eventuele zienswijzen heeft ingediend vervolgt de procedure met een voorlopig besluit van het college omtrent de ontwerpregeling, en vervolgens de toestemming vraagt aan de gemeenteraad voor het wijzigen van de regeling. De gemeenteraad heeft 13 weken om te beslissen omtrent de toestemming. De raad kan de toestemming overigens alleen onthouden wegens strijd met het recht, of strijd met het algemeen belang. Van strijd met het recht is sprake wanneer de gemeenschappelijke regeling in strijd is met (hoger) geschreven of ongeschreven recht. De grond ‘strijd met het algemeen belang’ is wat vager. Van een dergelijke strijd kan sprake zijn als er onverantwoorde financiële risico’s worden genomen, als de gemeenteraad vindt dat er teveel zeggenschap verloren gaat of wanneer blijkt dat niets of niet afdoende met de ingediende zienswijzen is gedaan. Wat wel belangrijk is, is dat de raad niet meer keuzes heeft dan toestemming verlenen of onthouden. Toestemming mag niet onder voorwaarden worden verleend (art. 10:32 lid 1 jo. art. 10:29 lid 2 Awb).
De raad heeft ook niet het recht tot amendering, dat recht heeft de raad immers uitsluitend voor zijn eigen besluiten. De collegeregeling is echter een besluit van het college. Dat laat onverlet dat de raad via moties natuurlijk wel zijn wensen en bedenkingen mee kan geven aan het college, maar deze mogen niet als voorwaarden aan de toestemming worden verbonden Pagina 3 van 4
De volgende stukken zijn voor u bijgevoegd: - Geen
Pagina 4 van 4