33. Raadsmededeling 83-2025 Nationaal programma ruimte voor defensie
Tekst van het document
Raadsmededeling openbaar Nummer Datum B&W datum Beh. Ambtenaar Portefeuillehouder Onderwerp
: : : : : :
83-2025 8 juli 2025 8 juli 2025 G.H. Scheffer T.M.M. Kok Nationaal programma ruimte voor defensie
Aanleiding: Met ingang van 28 mei tot en met 9 juli 2025 kan er worden gereageerd (zienswijze indienen) op het Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD). Via de verschillende mediakanalen is er al veel aandacht aan dit ontwerpplan geschonken. De krijgsmacht heeft meer ruimte nodig voor het opleiden en trainen van militairen. Ook moet er plek komen om medewerkers en materieel onder te brengen. Defensie heeft hiervoor in Nederland onderzoek gedaan naar de meest geschikte locaties voor 57 ruimtebehoeften. Het Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) is op 23 mei 2025 door het kabinet vastgesteld. Inhoud mededeling: Binnen de Achterhoek heeft Defensie voor drie onderdelen (ruimtebehoeftes) voorkeurslocaties aangemerkt, zie ook het kaartje op pagina 6 (bijlage 2) detailkaarten ontwerp-NPRD), te weten: 1. Corridors (veilige gang in het luchtruim) voor onbemande drones voor cargo. Het betreft een directe vliegroute van militair luchtvaartterrein Deelen (bij Arnhem) naar Twente Airport. (Deze corridor gaat niet over het grondgebied van de gemeente Aalten). 2. Laagvlieggebied helikopters. Dit gebied ligt over een groot deel van de Achterhoek. 3. Helikopterlandingsplaats. Deze landingsplaats ligt op de grens van de gemeenten Bronckhorst en Lochem.
Het Groote Veld aan de Sluitdijk in Lochem is aangemerkt voor een mogelijke helikopterlandingsplaats Voor de gemeente Aalten is met name de aangewezen zone voor het laagvlieggebied voor helikopters van belang. Dit omvat een vrijwel het gehele gemeentelijk grondgebied. De optimale inrichting van het potentiële laagvlieggebied dient nog nader te worden uitgewerkt. In deze fase valt nog weinig zeggen over de exacte vliegbewegingen, frequenties, geluidsvolumes, geluidscontouren en emissies. Het streven is wel dat landmachteenheden zich zo optimaal mogelijk kunnen voorbereiden op een inzet ter bescherming van Nederland. Een veilig gebruik van de fysieke ruimte en het luchtruim staat voorop. Echter hinder/overlast is op voorhand niet uit te sluiten. Dit is echter ondergeschikt aan het genoemde nationale belang. De hinder/overlast zal overigens echter niet permanent aanwezig zijn. De Achterhoekse gemeenten sluiten zich aan bij de (nog in voorbereiding zijnde) zienswijze van de provincie Gelderland. Burgemeester en wethouders hebben ingestemd met de gezamenlijk voorbereide zienswijze door de Achterhoekse gemeenten (incl. Doesburg en Lochem). Het concept van de zienswijze gaat hierbij. In deze zienswijze worden de zorgen omtrent deze laagvliegroute (voor mens en dier) op een goede wijze verwoord.
Pagina 1 van 2
De volgende stukken zijn voor u bijgevoegd: 1. Het definitieve concept van de zienswijze van de Achterhoekse gemeenten; 2. Ontwerp van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie; 3. Samenvatting van de PlanMER; 4. Bundel detailkaarten en voorkeursalternatieven; 5. Realisatieparagraaf.
Pagina 2 van 2
Verzenddatum: Datum:
25 juni 2025
Uw brief van: Uw kenmerk: Ons kenmerk:
Z147494/UIT25-145590
Onderwerp:
Zienswijze Ontwerp Nationaal
Directie Materieel, Vastgoed, Leefomgeving en Duurzaamheid Ministerie van Defensie Postbus 20701 2500 ES DEN HAAG Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) regio Achterhoek
Geachte directie, Namens de acht Achterhoekse gemeenten en gemeenten Doesburg en Lochem reageren wij op het Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (hierna NPRD). Onze reactie richt zich op de aanwijzing van een groot deel van de Achterhoek als laagvlieggebied voor helikopters (gebied N5). Deze reactie is een aanvulling op de zienswijze die de provincie Gelderland mede namens de Achterhoekse gemeenten heeft ingediend. Gezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen en het verhoogde dreigingsniveau begrijpen wij de noodzaak van meer ruimte voor defensie. Dit laat onverlet dat wij in het ontwerpNPRD aspecten lezen die vragen en zorgen oproepen. In deze reactie brengen wij deze onder uw aandacht. Wij hopen dat u over deze aspecten helderheid kunt verschaffen. Helderheid is belangrijk voor ons als gemeenten, maar vooral ook voor onze inwoners. Gezamenlijk vragen wij ons af of de aanwijzing van onze regio als laagvlieggebied voor helikopters leidt tot beperkingen en onze brede welvaart wellicht schaadt. Ook zijn wij benieuwd in welke mate de laagvlieggebieden de gezondheid van mens en dier raakt. Iets wat onder de Omgevingswet zeer belangrijk wordt gevonden. Gemeentelijke opgaven Het is goed om te lezen dat rekening wordt gehouden met de verschillende gemeentelijke opgaven.
Hoewel het ontwerp hierover geen expliciete uitspraken doet is tijdens bijeenkomsten verzekerd dat woningbouwtaakstellingen en het uitvoering geven aan de RES-opgave worden gerespecteerd en naast elkaar doorgang kunnen vinden. Daarnaast stelt het ons gerust dat het laagvliegen op 600 meter afstand van bebouwde kommen plaatsvindt, waardoor de overlast in onze kernen beperkt blijft. Wij kunnen ons voorstellen dat het daarbij wel gaat om meer bebouwde kommen dan die zijn aangewezen in figuur 9-5 (optimalisatie van laagvlieggebied N5) in de planMER. In het Ontwerp NPRD staat beschreven dat het laagvliegen mogelijk tot beperkingen kan leiden voor woningbouw in het buitengebied, afhankelijk van het planologisch regime. Deze formulering achten wij te vaag en in deze fase van het proces ongewenst. Kan concreter worden gemaakt welke beperkingen voor woningbouw in het buitengebied te verwachten zijn? En kan aangegeven worden hoe het licht planologisch regime wordt doorvertaald in het Bkl? Daarbij gaan wij er van uit dat een dergelijk regime in ieder geval geen beperkingen met zich meebrengt voor erftransformaties in het buitengebied, waaronder ook woningsplitsingen en/of Rood-voorRood-projecten, of voor ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld de al in regionale afspraken omschreven uitbreiding van lokale of regionale bedrijventerreinen.
Pagina 1 van 3
Communicatie richting inwoners Tijdens bijeenkomsten is aangegeven dat vooraf niet altijd duidelijk is welke routes exact gevlogen gaan worden. Tegelijkertijd vermeldt de Plan MER dat door tijdige communicatie overlast beperkt kan worden. Dit lijkt met elkaar in tegenspraak. Wij vinden het essentieel dat onze inwoners tijdig op de hoogte worden gebracht, zodat zij kunnen anticiperen op het laagvliegen. Wij verzoeken u aan te geven hoe u invulling aan deze tijdige communicatie denkt te geven om de overlast en risico’s voor verschillende onderdelen/doelgroepen die staan beschreven in de Plan MER te verkleinen (denk aan: schrikeffect bij dieren en mensen). Groot aantal onzekerheden: Bij het lezen van de Plan MER werd duidelijk dat er sprake is van een groot aantal onzekerheden. Zo staat beschreven dat het niet mogelijk is onderzoek uit te voeren naar stikstofuitstoot, geluid, trillingen en luchtkwaliteit, omdat de vliegroutes niet zijn vastgelegd. Daarnaast staat beschreven dat het per laagvlieggebied sterk verschilt wanneer en hoeveel uur er gevlogen wordt en dat de omvang van de activiteiten, de omvang van het gebied en het aantal vlieguren per vierkante kilometer pas later bekend wordt.
Het baart ons zorgen dat er op dit moment geen concretere uitspraken gedaan kunnen worden over de omvang van het laagvliegen en daarmee op de impact die het heeft op de leefomgeving van onze inwoners. Met name voor onze veehouders/agrariërs heeft het laagvliegen gevolgen voor hun bedrijfsvoering. Ook hebben we het nadrukkelijke verzoek om bij de laagvliegactiviteiten Natura 2000-gebieden en de provinciale beschermingszones daaromheen te mijden, aangezien hier op voorhand significant negatieve milieueffecten te verwachten zijn. We vinden het van groot belang dat meer helderheid wordt gegeven over de te verwachten impact en de mogelijkheden om deze te verkleinen. Graag horen we hoe alsnog duidelijkheid verschaft kan worden over de omvang van het laagvliegen boven de Achterhoek. Desnoods door te werken met realistische scenario’s of gefundeerde aannames. Wij vertrouwen erop dat u onze vragen en zorgen serieus neemt en zien uw reactie in de Nota van antwoord met belangstelling tegemoet.
Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten
Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland
(handtekening)
(handtekening)
Naam collegelid
Naam collegelid
Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem
Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg
(handtekening)
(handtekening)
Naam collegelid
Naam collegelid
Pagina 2 van 3
Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem
Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland
(handtekening)
(handtekening)
Naam collegelid
Naam collegelid
Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Oost Gelre
Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek
(handtekening)
(handtekening)
Naam collegelid
Naam collegelid
Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk
Namens burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst
(handtekening)
(handtekening)
Naam collegelid
Naam collegelid
Pagina 3 van 3
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
Ruimte voor vrede, veiligheid en bescherming
Datum
23-05-2025
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
Colofon
Postadres
Postbus 20701 2500 ES 'S-GRAVENHAGE
Aantal pagina's:
78
Bijlage(n):
1. Realisatieparagraaf NPRD 2. Detailkaartenbundel NPRD
Pagina 2 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
Inhoud
1
Leeswijzer 4
2 2.1 2.2 2.3
Waarom een Nationaal Programma Ruimte voor Defensie? 5 De krijgsmacht en zijn ruimtebehoefte 5 Niet alles kan in het buitenland 6 Actief op het eigen grondgebied8
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Doel, uitgangspunten en positionering van het NPRD 10 Doel van het NPRD: voldoende ruimte voor de krijgsmacht 10 Uitgangspunten 10 NPRD binnen het nationale ruimtelijke beleid 10 Juridische context 11 Vervolg 12
4 4.1 4.2 4.3
Participatie 13 Snel en zorgvuldig 13 Proces tot ontwerpprogramma 13 Participatie na het uitbrengen van het ontwerpprogramma 15
5 5.1 5.2 5.3
Huidig ruimtegebruik van Defensie in Nederland 16 Huidig ruimtebeslag Defensie 16 Bestaande terreinen maximaal benutten 17 Uitbreidingen parallel aan dit programma 18
6 6.1 6.2 6.3
Samengaan met andere ruimtelijke belangen 20 Noodzaak tot brede ruimtelijke weging 20 Meekoppelen waar mogelijk, oplossen waar nodig 21 Samengaan van belangen op provinciaal en regionaal niveau 25
7 7.1 7.2 7.3 7.4
Uitbreiding ruimte van Defensie26 Trechteringsproces 26 Voorkeurslocaties bovenregionale behoeftes 28 Voorkeurslocaties locatiespecifieke behoeftes 44 Spreiding van ruimtebeslag 68
8 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5
Realisatiestrategie 72 Uitvoering op hoog tempo 72 Met oog voor andere ruimtelijke belangen 74 Met aandacht voor leefbaarheid en de omgeving 74 Binnen kaders van uitvoerbaarheid 75 Realisatiestrategie per behoefte 76
9
Afkortingenlijst 78
Pagina 3 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
1
Leeswijzer
Defensie zal in de toekomst nadrukkelijker in de leefomgeving aanwezig zijn. Met het groeien van de krijgsmacht groeit de noodzaak voor ruimte om te kunnen oefenen en trainen, zowel in het buitenland als in Nederland. Om de veiligheid van Nederland te borgen, is in NAVO-verband afgesproken om minimaal 2% van het bruto binnenlands product (bbp) aan defensiedoelen te spenderen. Daarom wordt de krijgsmacht uitgebreid, met materiaal, terreinen, wapens en personeel. Dit Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) beschrijft de ruimtelijke uitbreidingsbehoefte van Defensie in Nederland die voortkomt uit deze algemene groei van de krijgsmacht. De totale ruimtelijke uitbreidingsbehoefte is gebaseerd op 57 deelbehoeftes vanuit de verschillende krijgsmachtonderdelen. In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) zijn deze behoeftes in december 2023 openbaar gemaakt. Via het NPRD kiest het kabinet voor deze behoeftes de voorkeurslocatie voor de ruimtelijke inpassing binnen Nederland. Dit ontwerp NPRD bestaat uit de volgende onderdelen: -
-
-
-
-
-
-
De geopolitieke situatie in Europa en de wereld verandert in rap tempo, met grote implicaties voor de veiligheid binnen Nederland. Hoofdstuk 2 beschrijft de noodzaak voor de ruimtelijke uitbreidingsbehoefte van Defensie om de krijgsmacht in de noodzakelijke staat van paraatheid te brengen tegen de huidige en toekomstige dreigingen. Hoofdstuk 3 omschrijft waarom is gekozen voor dit NPRD. Het doel en de uitgangspunten van het NPRD, bijvoorbeeld de juridische context, de reikwijdte en het vervolg, worden hier ook beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op hoe de participatie van de verschillende betrokken partijen in de samenleving bij dit NPRD is georganiseerd. Dit gaat onder andere over de periode van zienswijzen, het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie MER) en verdere betrokkenheid bij de definitieve vaststelling van het NPRD. Hoofdstuk 5 beschrijft het reeds bestaande ruimtebeslag van Defensie. Ook wordt ingegaan op uitbreidingsprojecten die al gestart zijn voor de aanvang van het NPRD. Ruimte binnen Nederland is schaars en er zijn veel urgente ruimtevragen. Hoofdstuk 6 beschrijft hoe het NPRD zich verhoudt tot de andere rijksbrede opgaves in het ruimtelijk domein, waarbij wordt ingegaan op de verhouding tot de Nota Ruimte en de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
Hoofdstuk 7 geeft vervolgens een beschrijving van alle 57 ruimtelijke deelbehoeftes van Defensie. Hierbij wordt de keuze voor voorkeurslocaties en overige vormen van ruimtelijke inpassing onderbouwd. Het gaat hierbij om zowel de behoeftes met een bovenregionale afweging, als locatiespecifieke behoeftes. Tot slot schetst hoofdstuk 8 een doorkijk naar de uitvoering van het NPRD.
Het milieueffectenonderzoek dat is uitgevoerd om de voorkeurslocaties te bepalen, vormt een bijlage bij dit programma. Daarnaast is een detailbundel toegevoegd die kaartbeelden van alle voorkeurslocaties bevat. Ook is een overzicht van de realisatiestrategie per behoefte als bijlage bijgevoegd.
Pagina 4 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
2
Waarom een Nationaal Programma Ruimte voor Defensie?
2.1
De krijgsmacht en zijn ruimtebehoefte
2.1.1
De krijgsmacht moet voorbereid zijn De afgelopen decennia hebben zich gekenmerkt door een periode van relatieve geopolitieke stabiliteit. Sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw, heeft Europa jarenlang het zogenaamde vredesdividend kunnen innen. Met het wegvallen van het Warschau Pact en de Sovjet-Unie verschoof de focus van de Nederlandse defensieorganisatie van collectieve verdediging tegen een existentiële dreiging naar het bevorderen van de internationale rechtsorde en stabiliteit en inzet; vooral ook buiten Europa. Het accent van de activiteiten van Defensie heeft daardoor met name gelegen op twee van de drie hoofdtaken: ‘het bevorderen van de (internationale) rechtsorde en stabiliteit’ en het ‘ondersteunen van civiele autoriteiten en leveren van bijstand bij rampen en crises’. Vrijheid, veiligheid en welvaart zijn echter niet vanzelfsprekend. Al langere tijd verslechterde de veiligheidssituatie in Europa en de wereld. Sinds de Russische inval in Oekraïne in 2022 is gebleken hoezeer de veiligheid van Europa onder druk staat. Daarnaast verslechtert de wereldwijde veiligheidssituatie door de gevolgen van klimaatverandering, hybride dreigingen, institutioneel wantrouwen, toenemende schaarste van grondstoffen en migratie. Daarom is ook Nederland dichterbij de betrokkenheid bij een oorlog dan het in lange tijd is geweest.
Grootschalige militaire conflicten zijn weer voorstelbaar geworden. Nederland moet voorbereid zijn op deze dreigingen, ook op de korte termijn. Het verdedigingsniveau in Nederland moet voldoende afschrikkende werking hebben om te voorkomen in een grootschalig militair conflict te raken, ook met andere agressors dan nu voorzien. In dit tijdsgewricht heeft Defensie de taak om de veiligheidsbelangen van het Koninkrijk te verdedigen, en te voorzien in wat de NAVO van Nederland verwacht. Na de Koude Oorlog is de aandacht voor de militaire paraatheid afgenomen tot een niveau waarbij Defensie, in het licht van de huidige dreigingen, niet in staat is om de nationale veiligheid, en dat van bondgenoten, te garanderen. De veranderende geopolitieke situatie vereist dat de krijgsmacht binnen afzienbare tijd op het niveau wordt gebracht dat zij hiertoe goed in staat is, op de korte en de langere termijn. De focus van Defensie is daarom meer dan voorheen komen te liggen op de eerste hoofdtaak: ‘beschermen van het eigen grondgebied en dat van bondgenoten’. Dit vraagt om een krijgsmacht die gevechtsgereed, snel inzetbaar, interoperabel en schaalbaar is, én beschikt over een stevig voortzettingsvermogen. Europese bondgenoten, waaronder Nederland, moeten gereed zijn om het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied te verdedigen.
In NAVO- en EU-verband wordt ook meer van Nederland gevraagd (zie de capability targets CT25 van de NAVO (2025) en het Strategisch Kompas van de EU (2022)). Ondertussen blijft het handhaven en bevorderen van de internationale rechtsorde en de ondersteuning van civiele autoriteiten, onder meer bij rampen en crises, van onverminderd belang. In de afgelopen en huidige kabinetsperiode is, en wordt, daarom fors geïnvesteerd in een toekomstbestendige krijgsmacht die sneller, vaker en langer kan worden ingezet. Dit maakt een transformatie mogelijk die de paraatheid en inzetbaarheid verhoogt, de gevechtskracht gericht versterkt en de wendbaarheid van de Pagina 5 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
organisatie verbetert. Dit ondersteunt Nederland in het aangaan van een nieuw type verplichtingen in internationaal verband, zoals het NATO Force Model (NFM) van de NAVO, gericht op reactievermogen, paraatheid en gevechtskracht. Defensie investeert in haar mensen, het materieel en de faciliteiten en werkt aan de versterking van de militaire capaciteiten, samen met haar partners. Veiligheid is niet alleen een verantwoordelijkheid van Defensie, maar van de gehele samenleving. Veiligheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van overheden, vitale sectoren, bedrijven, kennisinstellingen, het maatschappelijk middenveld en de burger. Samenwerking is essentieel, ook om in relatief korte tijd op te kunnen schalen. 2.1.2
De krijgsmacht heeft ruimte nodig Defensie is op dit moment al in de fysieke leefomgeving aanwezig en zal dat in de toekomst nadrukkelijker zijn. Met het groeien van de krijgsmacht groeit namelijk ook de noodzaak voor ruimte om te kunnen oefenen en trainen, zowel in het buitenland als in Nederland. De lessen uit de oorlog in Oekraïne laten zien dat meer en soms ook anders moet worden geoefend, met meer focus op een grootschalig conflict. Elkaar kunnen beschermen binnen het NAVO-bondgenootschap betekent in elkaars ruimte aanwezig zijn, en daar de infrastructuur op hebben ingericht. Dit houdt in dat vaker, ook met bondgenoten, in Nederland zal worden geoefend en getraind. Nederland is een relatief dichtbevolkt land. Dit betekent dat vaker zal worden geoefend in de bebouwde omgeving. Dit vergroot de getraindheid van de krijgsmacht en de weerbaarheid van onze samenleving, maar leidt ook tot effecten die in de directe leefomgeving van inwoners merkbaar zullen zijn. Een Kamermotie (van lid Boswijk)1 roept Defensie ook op tot meer trainingen van de krijgsmacht in het straatbeeld, om zo de band tussen paraatheid van de krijgsmacht en de samenleving te versterken. Met de groei van de krijgsmacht en de toename van activiteiten wordt invulling gegeven aan deze motie. De investeringen van Defensie in moderner en meer materieel hebben ook een impact op het ruimtegebruik van Defensie.
De komende jaren wordt bijvoorbeeld flink geïnvesteerd in de vervanging, uitbreiding en aanschaf van materieel, nieuwe vaar- vlieg- en voertuigen, raketartillerie, onderzeeboten en drones. Dit vraagt op verscheidene plekken om meer fysieke ruimte en om meer milieuruimte.
2.2
Niet alles kan in het buitenland Het proces van gereedstelling van de krijgsmacht gebeurt op verschillende schaalniveaus. Dit begint bij individuele paraatheid van het personeel (niveau 1), loopt op via kleine eenheden en grotere eenheden naar collectieve paraatheid van samengestelde eenheden op het niveau van een divisie (niveau 7) en een legerkorps (niveau 8). Nederland beschikt over de middelen en oefen- en trainingsgebieden die nodig zijn voor paraatheid op de lage schaalniveaus. Maar Nederland heeft niet de middelen en de oefen- en trainingsgebieden om te trainen op een hoger schaalniveau van paraatheid en op collectieve paraatheid van samengestelde eenheden. Door beperkte fysieke- en manoeuvreerruimte, bijvoorbeeld op terreinen en in de lucht, en beperkende regelgeving in Nederland, trainen eenheden op deze schaal vaak in het buitenland.
1
Kamerstuk 36124, nr 49, vergaderjaar 2023-2024, Tweede Kamer
Pagina 6 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
De recente focus op hoofdtaak 1 vraagt, ook in het licht van moderne – vaak hybride – oorlogsvoering, dat met steeds grotere eenheden en met geïntegreerd optreden wordt geoefend. In de schaal die Defensie hanteert voor optredensomvang gaat het hierbij om niveaus 4 (compagnie), 5 (bataljon) en hoger. Dit zijn veelal grotere verbanden van optreden dan het verband waarin de expeditionaire eenheden die bij de andere hoofdtaken van Defensie passen optreden. Vanwege de omvang is het niet altijd realistisch om binnen Nederland veelvuldig op schaalniveaus hoger dan niveau 5 te oefenen. Om aan de grondwettelijke taken te kunnen voldoen is de Nederlandse krijgsmacht daarom sterk afhankelijk van samenwerking met haar bondgenoten. De Nederlandse krijgsmacht opereert, met eenheden en ondersteunend personeel, voor een zeer groot deel – ongeveer de helft van al haar activiteiten – reeds in het buitenland. Vliegers worden bijvoorbeeld vrijwel volledig in de VS opgeleid, de landmacht opereert in nauw verband met NAVO-bondgenoten in Duitsland en is in NAVO-verband actief in de Baltische staten en de marine is vrijwel over de hele wereld actief (ook in de Baltische en Middellandse Zee).
Van alle oefeningen van de Nederlandse krijgsmacht oefent meer dan de helft van alle marinierseenheden en 60% van de vlooteenheden in het buitenland, traint de landmacht 60% van al haar oefenmandagen in het buitenland en wordt 40% van alle vlieguren van de luchtmacht in het buitenland gemaakt. Met de veranderde dreiging in Europa is het de verwachting dat vaker in internationaal verband, vaak in het buitenland maar ook in Nederland, zal worden geoefend. Een voorbeeld hiervan is de NAVO-oefening “Steadfast Defender” in o.a. Litouwen. Aan deze samengestelde oefening (van 32 landen) deden in mei 2024 90.000 militairen mee, waarvan 5.000 Nederlandse militairen. Deze oefening zal elke 3 jaar uitgevoerd worden. Een voorbeeld in Nederland is de NAVO-oefening “Ramstein Flag”, waarbij van 31 maart tot 11 april 2025 op grootschalig internationaal is geoefend met jachtvliegtuigen en diverse schepen.
Aantal oefeningen van de Nederlandse krijgsmacht in andere landen in 2024
Pagina 7 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
Naast dat oefenen in het buitenland voor de Nederlandse krijgsmacht heel belangrijk is, zitten er ook nadelen aan. Optreden in het buitenland leidt tot de verwachting van andere landen dat zij voor oefeningen ook in Nederland terecht kunnen. Daarnaast heeft het internationaal oefenen en trainen grote gevolgen voor het personeel, dat vaak voor langere tijd structureel in het buitenland actief is. Het is in veel gevallen onvermijdelijk dat personeel jaarlijks een aantal maanden naar het buitenland moet om te oefenen of nog langer op missie is. Structureel voor langere tijd weg van huis zijn brengt een grote last voor militair personeel mee en trekt een wissel op relaties en op het (gezins-)leven in Nederland. Dat heeft een negatief effect op de aantrekkelijkheid van Defensie als werkgever, tot onvervulde vacatures en daarmee tot capaciteitsproblemen. Dit heeft weer een effect op de verdedigbaarheid van het land. Het is daarom noodzakelijk dat Defensie zorg draagt voor personeel en mensen de mogelijkheid geeft om een gezond (gezins-)leven thuis, in Nederland op te bouwen. Veelvuldig incidenteel oefenen in het buitenland leidt daarnaast tot hoge kosten (o.a. transport en personele kosten) en tot minder efficiënte inzet van personeel (inzet in het buitenland voor een aaneengesloten periode wordt gevolgd door periode van verlof).
Daarnaast raakt oefenen in het buitenland de inzet van materieel. Voor een oefening in het buitenland, ongeacht de duur, moet het materieel meestal al weken vooraf aangeleverd worden en komt het ook pas weken na afloop terug, waardoor de krijgsmacht in Nederland voor langere tijd van minder materieel afhankelijk is. De Nederlandse krijgsmacht moet vanwege deze redenen dus ook over voldoende oefenruimte in Nederland beschikken.
2.3
Actief op het eigen grondgebied De verschuiving in hoofdtaken vraagt dat de Nederlandse krijgsmacht niet alleen inzetbaar is in het buitenland, binnen en buiten Europa, maar ook op eigen grondgebied. Bondgenootschappelijke samenwerking, zowel in NAVO- als EUverband, vraagt om gereedstaande eenheden in Nederland om aan de internationale verplichtingen te kunnen voldoen (bijvoorbeeld in het kader van het NFM, Host Nation Support (HNS) en beveiliging). Ook voor het oefenen op kleinere schaalniveaus (tot niveau 5) is meer ruimte nodig in Nederland. De omvang van oefenterreinen is te klein voor de benodigde wijze van optreden, en optreden met nieuwe middelen. Voor meerdere oefenterreinen geldt dat ze door het veranderde optreden niet meer geschikt zijn om op niveau 4 te trainen, terwijl ze daar in het verleden wel geschikt voor waren. Defensie moet op deze schaalniveaus ook tegelijkertijd op meerdere locaties kunnen oefenen. Om de paraatheid te waarborgen zijn grotere oefenterreinen ook voor de lagere schaalniveaus in Nederland dus noodzakelijk. Voor de militaire mobiliteit is Nederland daarnaast een belangrijke schakel in het Europees netwerk, als aanland- en doorvoerplaats voor bondgenoten, en op het gebied van energiestructuur. Nederland heeft haar infrastructuur ook hierop ingericht. Zeehavens, spoorwegen en vliegvelden zijn berekend op het verwerken van grote hoeveelheden.
Nederland is daarom in het kader van HNS een belangrijke doorvoerplek voor de aankomst van materieel, munitie en ook personeel van over zee en de lucht verder Europa in. Daarbij komt dat Nederland steeds meer afhankelijk zal worden van een kwetsbare infrastructuur voor energie en data. Het is belangrijk dat Defensie in staat is om zowel in oorlogstijd als vredestijd gegarandeerd over deze vitale infrastructuur te beschikken en in staat is om deze te beschermen. Met het oog hierop is ruimte nodig voor havens, munitiedepots, en andere logistiek. Hierin zal binnen Nederland moeten worden voorzien.
Pagina 8 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
De focus op hoofdtaak 1 maakt uitbreiding van Defensie in Nederland noodzakelijk. Immers, om effectief het NAVO-verdragsgebied te kunnen verdedigen, zal dit ook realistisch geoefend moeten worden. Meer fysieke ruimte, milieuruimte, geluidsruimte en ander ruimtegebruik is nodig. Met de vergroting van de krijgsmacht en haar activiteiten in Nederland zijn ook meer verblijf-, opleidings-, trainings- en oefenlocaties nodig in Nederland.
Pagina 9 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
3
Doel, uitgangspunten en positionering van het NPRD
3.1
Doel van het NPRD: voldoende ruimte voor de krijgsmacht Het doel van het NPRD is het scheppen van de noodzakelijke fysieke ruimte en ruimtelijke voorwaarden voor de paraatheid en instandhouding van een groeiende krijgsmacht in Nederland. Dit betreft ook de verwezenlijking van de infrastructuur voor het huisvesten, opleiden en oefenen van de krijgsmacht. De focus van noodzakelijke paraatheid kan met de tijd variëren. Op dit moment en de komende jaren zal een zware nadruk liggen op de paraatheid voor hoofdtaak 1.
3.2
Uitgangspunten
3.2.1
Integrale weging De uitbreiding en versterking van de krijgsmacht leidt tot een grotere aanspraak op de omgeving. De huidige activiteiten van Defensie zijn geborgd in de NOVI en de regels van het Rijk (in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL), luchthavenbesluiten en het Omgevingsbesluit). De nieuwe activiteiten die in dit programma zijn opgenomen, zijn op nationaal niveau afgewogen tegen andere belangen die ruimte vragen. Ook voor andere belangen zijn nationale programma’s in voorbereiding. De omvang van de ruimtelijke opgaven is dusdanig groot dat het Rijk onder leiding van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) werkt aan de actualisatie van de NOVI, onder de noemer Nota Ruimte. In deze Nota Ruimte maakt het kabinet afgewogen keuzes over deze nationale belangen en bewaakt het op landelijk niveau de samenhang en ruimtelijke kwaliteit. In de Nota Ruimte worden die ruimtelijke keuzes gemaakt voor de periodes tot 2030, 2050 en 2100. De integraal afgewogen ruimtevraag van Defensie wordt opgenomen in de Nota Ruimte. In het voorontwerp Nota Ruimte heeft de ruimtebehoefte van Defensie al een plaats gekregen.
3.2.2
Principes van ruimtelijke kwaliteit Bij de inpassing van de ruimtebehoefte van de nationale belangen hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die ook voor de Nota Ruimte leidende principes zullen zijn voor een rechtvaardige verdeling van de schaarse ruimte en van lusten en lasten: ‘recht doen aan volgende generaties: niet afwentelen’, ‘recht doen aan schaarste: combineren waar mogelijk’ en ‘recht doen aan eigenheid: gebiedskenmerken centraal’. Ook voor het NPRD vormen deze principes uitgangspunten. Hoofdstuk 6 ‘Samengaan met andere ruimtelijke belangen’ duidt hoe deze uitgangspunten zijn verwerkt in dit programma.
3.3
NPRD binnen het nationale ruimtelijke beleid Dit NPRD hangt niet alleen inhoudelijk (zie daarvoor hoofdstuk 6), maar ook functioneel samen met de NOVI, de Nota Ruimte die in voorbereiding is, en met andere nationale ruimtelijke programma’s. Deze functionele samenhang wordt hierna beschreven.
Pagina 10 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
3.3.1
Programma onder de geldende nationale omgevingsvisie De NOVI is de nationale ruimtelijke koepelnota die op dit moment ‘vigerend’ is voor het Nederlandse grondgebied. In deze koepelnota staan de nationale ruimtelijke belangen opgeschreven, waarvoor op nationaal niveau voorrang wordt gevraagd bij de inrichting van Nederland. Het NPRD werkt het specifieke nationale belang ‘zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten’ dat is benoemd in de NOVI, uit tot een thematisch programma dat de voor militaire activiteiten benodigde voetafdruk in Nederland vastlegt vastgelegd. Het NPRD geeft de aanspraak weer die de krijgsmacht maakt op de leefomgeving op het land, op de zee en in de lucht, en maakt de ruimtelijke consequenties van de hoofdtaken van Defensie inzichtelijk en transparant. Het NPRD maakt voorspelbaar op welke manier Defensie de komende tijd ruimtelijk zal handelen in gebieden waar uitbreidingen worden gerealiseerd. Het NPRD beschrijft niet alleen de uitbreidingsruimte die voor militaire activiteiten nodig is, maar zet ook het bestaande ruimtebeslag (ook milieuruimte) voort. Deze voortgezette borging van ruimte voor militaire activiteiten in Nederland bouwt op algemene beleidsuitspraken die zijn gedaan in het verleden2. Deze beleidsuitspraken blijven een belangrijke onderlegger voor de nationale kaders en regelgeving zoals in het BKL.
3.3.2
NPRD en Nota Ruimte Het kabinet werkt aan een nieuwe nationale omgevingsvisie met als naam: de ‘Nota Ruimte’. Deze zal de functie van ruimtelijke nationale koepelnota overnemen van de NOVI. Het nationale belang ‘zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten’ zal worden voortgezet in deze nieuwe Nota Ruimte. Vanaf het moment dat de Nota Ruimte de NOVI vervangt zal het NPRD een thematische uitwerking van de Nota Ruimte vormen. In dit NPRD is de uitbreidingsbehoefte van Defensie voor het uitvoeren van de hoofdtaken afgewogen tegen andere, vaak urgente, belangen en de ruimtebehoeftes die daaruit voortkomen. In hoofdstuk 6 zal de inhoudelijke relatie tussen de Nota Ruimte en het NPRD verder beschreven worden.
3.4
Juridische context
3.4.1
Programma onder de Omgevingswet Het NPRD is een programma als bedoeld in artikel 3.4 en 3.5 van de Omgevingswet, een onverplicht programma waarmee het Rijk zich verbindt aan het rijksbeleid dat daarin is vastgelegd. Waar doorwerking van beleidsuitspraken naar ruimtelijke besluiten van andere overheden noodzakelijk is, zullen meer bindende instrumenten uit het Omgevingsstelsel worden gekoppeld aan de beleidsuitspraken, bijv. bij de borging van zogenaamde outer horizontal surfaces (OHS; beperkingengebieden rond vliegbases) en laagvlieggebieden voor helikopters. In het stelstel van het Omgevingsrecht kunnen in een thematisch uitwerkingsprogramma de grondslagen worden opgenomen om juridisch bindende instrumenten in werking te stellen om het beleid in het programma te borgen.
3.4.2
Geografische reikwijdte Net als de NOVI en Nota Ruimte heeft het NPRD, als instrument onder de Omgevingswet, alleen betrekking op ruimtelijke functies en activiteiten in Europees Nederland. De ruimtelijke activiteiten die noodzakelijk zijn voor de paraatheid 2
Structuurschema Militaire Terreinen (SMT, kamerstukken II 1985/1986. 16 666 nr. 34) en Tweede structuurschema militaire terreinen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 28 114, nr. 1): Hierin zijn verschillende categorieën militair ruimtebeslag geduid, en afzonderlijke militaire voorzieningen die van grote betekenis zijn voor het defensiebeleid en het nationale ruimtelijk beleid.
Pagina 11 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
worden echter niet allemaal geborgd in instrumenten van de Omgevingswet. Het gaat dan om: ruimtelijke behoeftes in het middelhoge en hogere luchtruim (boven 2km hoogte), ruimtelijke behoeftes in het Caribisch deel van het Koninkrijk (op de BES-eilanden en de Caribische landen binnen het Koninkrijk), ruimtelijke behoeftes in de Noordzee, (deels) buiten het 12-mijlsgebied en tijdelijk of niet-structureel gebruik van locatie(s). Voor de meeste van deze ruimtelijke behoeftes worden aparte sporen doorlopen zoals het Programma Luchtruimherziening, en het Programma Noordzee 2028-2033, die elk eigen voorbereidingstrajecten kennen, waar ook een MER onderdeel van kan zijn. Vanwege de ruimtelijke samenhang met andere activiteiten en locaties zijn in dit programma wel verschillende ruimtelijke behoeftes op de Noordzee opgenomen. Voor het Caribisch gebied doorloopt Defensie een intern traject waarbij, waar nodig, afstemming gezocht wordt met betrokken departementen in Nederland en de bevoegde gezagen van de eilanden.
3.5
Vervolg
3.5.1
Uitvoering Het in beeld brengen van de ruimtebehoefte, het maken van een integrale afweging van de ruimtebehoefte voor Defensie ten opzichte van de andere opgaven en het borgen van het nieuwe ruimtegebruik van Defensie staat centraal in het NPRD. Het NPRD bevat een nationale beleidsvisie, waarin het kabinet besluit op welke locaties in Nederland nut en noodzaak van groei van de militaire activiteiten vaststaat. Aansluitend wordt dit per behoefte verder uitgewerkt naar een uitvoeringsstrategie, waarbij veelal ook wordt aangesloten bij het regionale en lokale schaalniveau. Zie hiervoor het hoofdstuk Realisatiestrategie en de behoeftespecifieke realisatiestrategie in de bijlage.
3.5.2
Monitoring van het effectbereik Onder meer via de periodieke rapportage Stand van Defensie zal worden gerapporteerd over de realisatie van de doelstelling van het programma, over de effecten daarvan op de leefomgeving, en over de mate waarin de randvoorwaarden worden gewaarborgd. Dit maakt mogelijk om bij te sturen op factoren die van invloed zijn op de realisatie van dit programma.
3.5.3
Actualisatie Veranderende actualiteit, veranderde prioritering van activiteiten in Nederland en daarbuiten en aanpassingen in de budgettering van de krijgsmacht kunnen leiden tot een aanvullende ruimtebehoefte van de krijgsmacht en tot een actualisatie of uitbreiding van dit programma. Ook kan de monitoring van het effectbereik van het NPRD aanleiding geven om het NPRD, of een deel daarvan, te actualiseren. Afhankelijk van de aard van de actualisatie kan een nieuw plan-milieueffectrapport (planMER) daarbij passend zijn.
Pagina 12 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
4
Participatie
4.1
Snel en zorgvuldig Dit programma vraagt om het vrijmaken en anders inrichten van ruimte. Alle ruimte in Nederland heeft al een functie en is over het algemeen niet vrij beschikbaar voor een nieuwe functie of nieuw gebruik. Het beroep dat Defensie doet op de ruimte in Nederland kan op plaatsen heel ingrijpend zijn. In gebieden zullen functies niet meer mogelijk zijn die daar nu nog bestaan, en in enkele gebieden zal bewoning op afzienbare termijn niet meer mogelijk zijn. De impact op betrokkenen van deze beslissing is enorm. Vanwege de impact op de persoonlijke levenssfeer van mensen en op hun bedrijven moet de urgentie en de noodzaak om deze claim op gebieden te leggen heel zorgvuldig afgewogen worden. Zorgvuldigheid vraagt tijd. Het proces dat Defensie doorloopt om deze zorgvuldigheid te garanderen is beschreven in dit hoofdstuk. Tegelijkertijd leidt juist een langdurig proces tot een lange periode van onzekerheid voor mensen die door deze ruimteclaim geraakt worden. Defensie is zich hiervan sterk bewust en hecht er daarom aan om, met de waarborg van zorgvuldigheid, toch ook zo snel als mogelijk duidelijkheid te kunnen bieden over het perspectief voor bewoners, ondernemers en anderen in de gebieden waar dit programma over gaat.
4.2
Proces tot ontwerpprogramma
4.2.1
Notitie Reikwijdte en Detail, zienswijzen en Nota van Antwoord Defensie heeft in december 2023 een start gemaakt met het NPRD door een NRD te publiceren waarin het NPRD en het begeleidende planMER-onderzoek zijn aangekondigd. De NRD bevatte de inventarisatie van de ruimtelijke uitbreidingsbehoeftes van Defensie, en de mogelijke zoeklocaties hiervoor. Na de publicatie van deze NRD konden burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven en instellingen gedurende acht weken (twee weken langer dan de verplichte termijn in verband met kerst) een zienswijze inbrengen op de voorgestelde reikwijdte en het voorgestelde detailniveau van het NPRD (en het op te stellen planMER). Ook zijn relevante bestuursorganen van de buurlanden (Duitsland, België, Frankrijk, Engeland en Denemarken) geïnformeerd. Er zijn ruim 2.200 zienswijzen op de NRD ingediend. Deze zijn op 31 mei 2024 beantwoord en gepubliceerd in een Nota van Antwoord (NvA). Naar aanleiding van de zienswijzen zijn aanvullende thema’s, beoordelingsaspecten en locatiealternatieven toegevoegd aan het planMER, bijvoorbeeld de effecten op paardenhouderijen, specifieke woningbouwplannen en enkele specifieke functies binnen een zoeklocatie. Ook de inpasbaarheid van luchtvaartbehoeftes in het luchtruim en de effecten op andere luchtruimtgebruikers zijn als criterium toegevoegd.
Daarnaast is naar aanleiding van zienswijzen meer gedetailleerde informatie betrokken in het planMER-onderzoek over de invloed op (toekomstige) energienetwerken. Het aspect piekbelasting is toegevoegd aan het onderzoek bij de luchtvaartgerelateerde behoeftes en zal in algemene zin beschouwd worden in het planMER. Een ander gevolg van de zienswijzen is dat ten aanzien van het thema gezondheid in het planMER ingegaan wordt op de relatie met de WHOadvieswaarden en dus verder gekeken wordt dan alleen naar normen uit nationale wet- en regelgeving. Naar aanleiding van deze zienswijzen zijn in de planMER de verschillen in kosten van de alternatieven op hoofdlijnen, relatief ten opzichte van elkaar, in beeld gebracht. Pagina 13 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
Veel zienswijzen vroegen tenslotte om concretisering van de vaak nog grote zoekgebieden in de NRD. Deze gebieden zijn in de NvA en later in de Nota van Reactie (NvR) concreter gemaakt. 4.2.2
Advies Commissie MER bij de NRD De Commissie MER is niet alleen gevraagd om advies over het planMER uit te brengen, maar is reeds bij de start van het onderzoek gevraagd advies te geven hoe om te gaan met de reikwijdte en het detailniveau voor het op te stellen planMER. Dit advies is in mei 2024 gepubliceerd op de website van de Commissie3. De Commissie constateerde in het advies dat het NPRD tot besluiten met grote milieueffecten kan leiden en heeft waardering uitgesproken over het niet gebruiken van de wettelijke uitzonderingspositie van Defensie om een MER achterwege te laten. De Commissie heeft om meer aandacht voor milieu, natuur en concurrerende ruimteclaims gevraagd. Volgens de Commissie moet de MER duidelijk en tijdig antwoord geven op de volgende vragen: -
Wat is de milieuruimte die Defensie vraagt en is die milieuruimte in principe aanwezig? Zijn keuzes vanuit milieu gezien haalbaar en uitvoerbaar? Welke milieuoptimalisaties zijn mogelijk en hoe kunnen negatieve effecten worden beperkt?
In het planMER dat gelijktijdig met dit ontwerpprogramma wordt gepubliceerd is aangegeven hoe met deze adviezen van de Commissie MER is omgegaan. 4.2.3
Gebiedsbijeenkomsten en Nota van Reactie Na het verschijnen van de NvA zijn in juni en juli 2024 in alle provincies gebiedsbijeenkomsten georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomsten heeft Defensie toegelicht op welke onderdelen het onderzoek naar aanleiding van de NvA is aangevuld en zijn de resultaten tot dan toe uit het milieuonderzoek gedeeld. Tijdens deze gebiedsbijeenkomsten was ruimte voor deelnemers om aanvullende inzichten mee te geven. In totaal zijn bij deze bijeenkomsten 2.500-3.000 bezoekers aanwezig geweest. De opkomst varieerde van 25 tot 500 personen per bijeenkomst. Deze variatie weerspiegelde de omvang van de behoeftes in de specifieke provincie en de vragen en zorgen die hierover leven. Defensie heeft in aanvulling op de NvA uit deze bijeenkomsten de onderstaande punten opgehaald en verwerkt in het planMER: -
Aanvullende onderzoeksthema’s. Aanvullende locatie-alternatieven.
Deze punten van reactie zijn gebundeld in een NvR. In de NvR is daarnaast toegelicht dat bij veel betrokkenen een grote behoefte bestond om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen als een locatie-alternatief niet verder wordt onderzocht. Daarnaast heeft de Tweede Kamer Defensie opgeroepen om de informatievoorziening rond de uitbreidingsplannen van Defensie te verbeteren, zonder vertraging in de uitvoering van het programma op te lopen. Naar aanleiding hiervan zijn op 12 november en 12 december 2024 Kamerbrieven verstuurd om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te creëren over de resultaten van de eerste trechtering. In die brieven is aangegeven welke locatie-alternatieven door Defensie niet verder worden onderzocht. Direct betrokkenen en andere overheden zijn daarover zoveel mogelijk rechtstreeks geïnformeerd.
3
Adviezen - Commissiemer.nl Pagina 14 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
Met betrekking tot de locatie-alternatieven voor de behoefte Munitieopslag SnelInzetbare-Capaciteit (SIC) in het mijnbouwschadegebied in Groningen (locatiealternatieven Slochteren, Luddeweer en Tjuchem) is door het kabinet toegezegd dat deze drie locaties definitief niet verder in overweging worden genomen.
4.3
Participatie na het uitbrengen van het ontwerpprogramma
4.3.1
Terinzagelegging Na de publicatie van het ontwerpprogramma NPRD en het bijbehorende planMERonderzoek zal gedurende een periode van zes weken ruimte zijn om zienswijzen in te dienen. Die zienswijzen zullen door Defensie worden beantwoord in de vorm van opnieuw een NvA, zoals ook na de NRD is gedaan. Als daar punten uitkomen die aanleiding tot wijziging geven, zal dat ook worden toegelicht in deze Nota. Deze NvA wordt tegelijkertijd met het definitieve Nationale Programma Ruimte voor Defensie gepubliceerd.
4.3.2
Toetsing door Commissie MER Tijdens de periode van terinzagelegging wordt het planMER bij het ontwerpprogramma ook voorgelegd aan de commissie MER. De commissie reageert met een toetsingsadvies, dat beschouwt of het planMER alle informatie bevat om het milieubelang goed mee te wegen bij het besluit.
4.3.3
Vaststelling programma en uitvoering De ontvangen zienswijzen kunnen aanleiding geven om het ontwerpprogramma aan te passen. Hierna zal vervolgens het definitieve programma NPRD worden vastgesteld en aangeboden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Dit gebeurt naar verwachting eind 2025. Daarna volgt de fase van realisatie van de behoeftes, waarbij een participatieproces wederom onderdeel van het project kan vormen. Bij de verdere inpassing van de behoeftes op de gekozen locaties zal een projectMER mogelijk onderdeel van het proces zijn.
Pagina 15 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
5
Huidig ruimtegebruik van Defensie in Nederland
Het huidige ruimtebeslag van Defensie in Nederland is van groot belang voor de uitvoering van defensieactiviteiten. Nieuwe inzichten en gewijzigde omstandigheden geven op plekken wel aanleiding om die ruimte anders te verdelen, functies en gebruik te bundelen en het gebruik van die ruimte te verduurzamen. De extra ruimte die nodig is voor de militaire activiteiten in Nederland kan niet worden ingepast zonder rekenschap te geven aan het bestaande ruimteprofiel van Defensie. Omdat activiteiten onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Daarom wordt in dit hoofdstuk het huidige ruimtebeslag van Defensie geschetst. Dit ruimtebeslag zal worden voortgezet en een logisch geheel vormen met de voorgenomen uitbreiding.
5.1
Huidig ruimtebeslag Defensie Defensie beschikte in 2023 in totaal over circa 340 objecten, met een totale terreinoppervlakte van ongeveer 35.000 hectare. Een object bestaat meestal uit vele gebouwen, werken en terreinen. De vastgoedportefeuille telt circa 11.000 gebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 6 miljoen m2. Een kwaliteitsimpuls is hierbij veelal nodig. Bijna 300 gebouwen hebben een monumentenstatus. Defensie is in alle provincies vertegenwoordigd, maar niet overal in gelijke mate. Het militaire gebruik van deze faciliteiten in een dichtbevolkt land zoals Nederland heeft gevolgen voor de omgeving. De activiteiten kunnen voor overlast zorgen, bijvoorbeeld op gebied van milieu. Waar Defensie zich in Nederland vestigt of juist vertrekt, leidt dat bovendien vaak tot economische gevolgen voor de desbetreffende regio in de vorm van directe en indirecte werkgelegenheid. De ruimtelijke keuzes die Defensie maakt, spelen dus tevens een belangrijke rol in de relatie tussen de krijgsmacht en de samenleving. Het directe ruimtegebruik van Defensie betreft, naast de gebouwde omgeving, zoals kazernes en lucht- of zeehavens, ook een omvangrijk terreinbestand.
De op de kaart weergegeven gebieden met een militair object omvatten oefenterreinen, zeehavens, luchthavens, kazernes, schietbanen op het vasteland (waarvan sommige onveilige terreinen hebben die deels ook boven water liggen), oefen- en schietgebieden op de grote wateren, objecten voor de brandstofvoorziening, zend- en ontvanginstallaties, radarstations en munitieopslagplaatsen. De weergave is niet uitputtend. Rondom sommige van die terreinen zijn gebieden aangewezen waar geen activiteiten mogen plaatsvinden die de bruikbaarheid van het militaire object kunnen belemmeren. Dit is niet zichtbaar gemaakt op de kaart, maar is wel indirect ruimtegebruik. Het indirect ruimtegebruik voor de nationale veiligheid en militaire activiteiten betreft gebieden buiten de defensieterreinen waarbij militaire activiteiten beslag leggen op de gebruiksruimte in de fysieke leefomgeving. Hierbij kan gedacht worden aan geluidszones, externe veiligheidszones, bouwbeperkingen rondom vliegvelden, laagvliegoefengebieden en -routes en radarverstoringsgebieden met beperkingen voor de plaatsing van hoge objecten zoals windmolens. Ook op de grote wateren (waaronder de Noordzee), liggen militaire oefengebieden of is er sprake van indirect ruimtebeslag door defensieactiviteiten.
Pagina 16 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
Overzicht kazernes, haven en luchtmachtbases 2023
5.2
Bestaande terreinen maximaal benutten De mogelijkheden die de bestaande defensieterreinen bieden voor de inpassing van de behoeftes worden doorlopend onderzocht. Efficiënt benutten van bestaande infrastructuur en ruimte heeft de voorkeur boven het zoeken van een geheel nieuwe locatie. Vanuit deze invalshoek is ook steeds bezien in hoeverre de NPRD-behoeftes op bestaande terreinen en locaties gerealiseerd zouden kunnen worden Of het mogelijk en wenselijk is om op bestaande locaties activiteiten uit te breiden en Pagina 17 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
projecten te realiseren is afhankelijk van de activiteit en van de specifieke locatie en situatie. Als extra activiteiten bijvoorbeeld niet binnen de vergunde milieuruimte passen, of gebouwen en objecten op bestaande terreinen die cultureel erfgoed zijn, en als zodanig beschermd worden, niet altijd te verenigen zijn met nieuwe manieren van gebruik of de eisen van nieuw materieel, kan het mogelijk blijken te zijn om met herschikking tot een betere inrichting te komen. Als optimaliseren niet goed mogelijk is kan extra ruimte nodig zijn. Ook de overgang naar modern materieel voor oefening en opleiding vraagt om extra vergunningsruimte, vanwege toegenomen kalibers van wapens en munitie. Het vergroten van de hoeveelheden materieel en voorraden en daarmee het vergroten van de bestaande (milieu)ruimte is niet zondermeer mogelijk of wenselijk op alle locaties vanwege andere functies of belangen rondom defensieterreinen. Maar ook de verdeling van lusten en lasten van defensieactiviteiten over Nederland kan aanleiding zijn om voor bepaalde activiteiten naar een nieuwe locatie uit te wijken.
5.3
Uitbreidingen parallel aan dit programma Voor een aantal uitbreidingsprojecten van Defensie is de besluitvorming al een stap verder, of zijn de werkzaamheden reeds gaande, en deze projecten maken daarmee op afzienbare termijn onderdeel uit van het ruimtebeslag van de krijgsmacht in Nederland. Deze projecten vormen geen onderdeel van het NPRD. Het gaat om de volgende uitbreidings- en vastgoedprojecten:
•
Revitalisatie van de kazernecomplexen in Assen en Havelte Het bestuurlijk voornemen is met de Tweede Kamer gedeeld om de kazernes in deze regio te concentreren en revitaliseren. Dit is het resultaat van een gezamenlijke visie met de regio op de invulling van de kazernes in Assen en Havelte, met oog voor verschillende belangen. Het project bevindt zich in de fase van nadere uitwerking en voorbereiding. De uitbreidingsruimte is beperkt, maar moet wel planologisch geborgd worden.
•
Nieuwe kazerne Korps Commandotroepen te Roosendaal, Nispen Voor de nieuwe kazerne voor het Korps Commandotroepen is een bestuurlijk akkoord getekend door de betrokken overheden. Daarnaast zijn de grondeigenaren over de plannen van een nieuwe kazerne geïnformeerd, is een voorkeursrecht gevestigd en is de projectlocatie openbaar gemaakt. De komende twee jaar staan in het teken van verdiepende (vervolg-)onderzoeken en participatie met de omgeving en verwerving van gronden.
•
Regio Schaarsbergen De mogelijkheden voor revitaliseren van de kazerne van de 11e Luchtmobiele Brigade zijn verkend. Defensie gaat zich de komende maanden met het Rijksvastgoedbedrijf (RVB), de gemeentes Arnhem en Ede en de provincie Gelderland verder verdiepen in de haalbaarheid van het revitaliseren van de kazerne van de 11e Luchtmobiele Brigade.
•
Concentreren eenheden in de regio Soesterberg Defensie heeft met de provincie Utrecht, de gemeenten Amersfoort, Leusden, Soest, Zeist, het waterschap Vallei en Veluwe en het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden het ‘Bestuurlijk Akkoord A-Z’ getekend, waar clustering en concentreren van eenheden en in Soesterberg en omgeving onderdeel van is. Op dit moment wordt gewerkt aan een gebiedsperspectief, waarbij wordt gekeken hoe de opgave van Defensie ruimtelijk kan worden ingepast op een manier die de landschappelijke kwaliteiten van het gebied niet verder aantast en waar mogelijk versterkt, en gegeven de schaarse ruimte in dit gebied en de verschillende ruimtelijke en maatschappelijke opgaven van alle partijen. Vooruitlopend op de totstandkoming van het gebiedsperspectief zijn afspraken Pagina 18 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
gemaakt over de volgende concrete projecten waarvan is afgesproken dat de voorbereiding reeds kan starten (of reeds in uitvoering zijn): -
Logistiek Centrum Soesterberg (LCS) Technology Center Land (TCL) Revitalisering Bernhardkazerne (BHK) Verhuizing van 45 Pantserinfanteriebataljon en 434 Herstelpeloton naar Soesterberg
•
Kop van Noord-Holland en de Nieuwe Haven te Den Helder Defensie, provincie Noord-Holland en gemeente Den Helder werken samen aan een betere leefbaarheid, bereikbaarheid economie in de regio en de modernisering en transitie van de Koninklijke Marine. Via deze civiel-militaire samenwerking krijgt de marine meer ruimte om te groeien door projecten. Onder andere door het vervangen en verplaatsen van de Moormanbrug en de ontwikkeling van nieuwe legering in Den Helder om ruimte te maken voor nieuwe activiteiten in de marinehaven zelf.
•
Hoog Risico Beveiliging KMAR (HRB) De groeiende HRB-organisatie vraagt om extra huisvesting. De opties voor de huisvestingsbehoefte binnen de Haagse regio worden onderzocht.
•
Baanrenovatie Eindhoven Vanaf februari 2027 zal de start- en landingsbaan van vliegbasis Eindhoven worden gerenoveerd, waardoor deze blijft voldoen aan de militaire eisen voor vliegvelden. Deze renovatie verbetert de veiligheid en operationele inzetbaarheid van de basis. Naast werkzaamheden aan de baan zelf gaat het ook om het verbreden van de zijkanten van de start- en landingsbaan. Maatregelen ter vermindering van wateroverlast op het banenstelsel. Een Vliegtuig Afrem Installatie voor gevechtsvliegtuigen. En de aanleg van een 'Oostrolbaan', een extra taxibaan die het aantal baankruisingen vermindert en zo de efficiëntie en veiligheid verbetert.
Deze lopende projecten zijn net als de behoeftes in dit programma van groot belang voor de gereedstelling van de krijgsmacht. Net als bij de realisatie van de behoeftes in dit programma is er ook bij de lopende uitbreidingen noodzaak om de uitvoering te versnellen, binnen de mogelijkheden die juridische kaders en zorgvuldigheid van het proces daarvoor bieden. Ook in de lopende projecten worden de mogelijkheden maximaal verkend om de doorloopsnelheid van de ruimtelijke procedures en het bouwproces te vergroten en de uitvoering te versnellen.
Pagina 19 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie | 03-04-2025
6
Samengaan met andere ruimtelijke belangen
Nederland heeft te maken met veel urgente ruimtevragen. Naast ruimte voor veiligheid is er ook de noodzaak voor ruimte voor landbouw, energie, wonen en meer. Defensie is daarom niet de enige ruimtevrager binnen Nederland. In een land waar ruimte steeds schaarser wordt is het noodzakelijk dat er transparante, integrale en afgestemde keuzes over de inpassing van de vele en urgente ruimtelijke behoeftes worden gemaakt. Daarbij is het van belang dat verschillende behoeftes zoveel mogelijk op elkaar worden afgestemd en dat deze, waar dit kan, gecombineerd worden. Op deze wijze kan op rijksniveau de regie op de ruimte genomen worden waarbij de verschillende behoeftes op elkaar worden afgestemd. Dit hoofdstuk licht toe hoe vanuit het NPRD tot een goede afweging is gekomen met de andere nationale en regionale opgaves in het ruimtelijk domein. Daarbij wordt ingegaan op de afstemming tussen de verschillende nationale programma’s en het NPRD (ook in het kader van de ruimtelijke samenwerking tussen het Rijk en de regio, zoals de NOVEX-samenwerking met de provincies) en het NPRD met de Nota Ruimte. In deze nota moeten de verschillende ruimtelijke opgaves op elkaar zijn afgestemd en wordt richting gegeven aan de invulling van de ruimte in Nederland.
Ook in het planMER dat voor het NPRD is opgesteld is expliciet onderzocht in hoeverre locatie-alternatieven botsen met andere ruimtelijke functies (bestaand en reeds vastgelegd in plannen en beleid).
6.1
Noodzaak tot brede ruimtelijke weging Ruimtelijke opgaves in Nederland zijn ingewikkelder dan de afgelopen decennia. Nederland is voller. Ruimte is schaarser. Naast veiligheid moet ook de kwaliteit van leven en de leefomgeving beschermd worden, ook op de langere termijn. Urgente maatschappelijke opgaven vragen extra ruimte. En deze ruimtedruk raakt plekken die nu ook al een functie hebben, zoals landbouw en natuur. Bij de inpassing van de ruimtebehoeftes van Defensie zijn de afwegingsprincipes vanuit de NOVI uitgangspunten. Juist vanwege de schaarste is het belangrijk oog te hebben voor mogelijkheden om ruimtebeslag te combineren. Militaire oefenterreinen kunnen bijdragen aan andere maatschappelijke behoeftes. Denk aan stiltegebieden voor ontwikkeling van de natuur, het opslaan van grondwater, en militair medegebruik van civiele luchthavens. Dit zijn allemaal mogelijkheden op zowel bestaande als nieuwe terreinen. Defensie heeft bij het bepalen van de ruimtebehoefte zorgvuldig gekeken voor welke activiteiten er extra ruimte nodig is in Nederland en waar dit dan het beste een plek kan krijgen. Voor veel activiteiten vindt die uitbreiding hiervan plaats op of in de nabijheid van bestaande terreinen en locaties. Voor een aantal behoeftes zijn nieuwe locaties onderzocht omdat deze niet op bestaande locaties geaccommodeerd kunnen worden.
Dit vanwege de benodigde omvang of door eisen aan de ligging. Denk daarbij veiligheidsrisico’s voor munitieopslag of eisen aan de ligging voor stedelijke en amfibische oefengebieden. Defensie heeft gekozen voor een nationaal programma, zodat de ruimtelijke behoeftes van Defensie zoveel mogelijk in onderlinge samenhang als in samenhang met andere nationale en regionale opgaves worden afgewogen.
Pagina 20 van 78
Ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie| 03-04-2025
6.2
Meekoppelen waar mogelijk, oplossen waar nodig Defensie zoekt bij de afweging van haar ruimtelijke opgaven naar koppelkansen met andere ruimtelijke opgaven, en met het creëren van vitaliteit in de regio, zoals via werkgelegenheid. In de afweging met die andere opgaven neemt Defensie de ontwikkelprincipes uit de NOVI en het voorontwerp Nota Ruimte als uitgangspunt, namelijk:
• • • 6.2.1
Recht doen aan volgende generaties: niet afwentelen Recht doen aan schaarste: combineren waar mogelijk Recht doen aan eigenheid
Recht doen aan volgende generaties: niet afwentelen Problemen dienen opgelost en niet vooruitgeschoven te worden. Dit uitgangspunt betekent dat Defensie problemen niet af wil schuiven naar elders of naar toekomstige generaties en streeft naar een eerlijke verdeling van de lusten en lasten. Bij het uitwerken van de behoeftes voor nieuw ruimtegebruik heeft Defensie kritisch gekeken naar ruimtelijke uitbreiding die binnen Nederland nodig is. Wat moet echt in Nederland gebeuren? Op dit moment benut Defensie de kansen tot militaire samenwerking en oefeningen in het buitenland maximaal, en onderhoudt nauwe banden met bondgenoten. Door middel van internationale samenwerking kan Defensie haar hoofdtaken in mondiaal verband uitvoeren en kan de paraatheid van de krijgsmacht middels buitenlandse oefeningen op niveau worden gehouden. Ook wordt er op deze manier invulling gegeven aan taken en oefeningen waar in Nederland geen ruimte voor is. Maar niet alles kan naar het buitenland worden afgewenteld. Bij het stellen van de behoeftes binnen het NPRD is kritisch gekeken wat er in Nederland moet en kan en wat er op bestaande defensielocaties mogelijk is. Om de hoofdtaken in Nederland naar behoren uit te voeren heeft Defensie, gezien het huidig dreigingsniveau, meer ruimte in Nederland nodig.