CConstaterende datAalten
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-10-23 RO projectafwijkingsbesluit

Gemeenteraad 19 december 2023, gemeente AaltenBij agendapunt: Voorstel tot afgifte van een ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het afwijken van het bestemmingsplan en toestaan van een toename van de stikstofdepositie op de locatie Driehonderdmeterweg 12a te Aalten10.922 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

23

4.8 Milieueffectrapportage 4.8.1 Algemeen Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. Bij “grotere” oprichtingen kan de gemeente eisen dat er bij de milieu aanvraag een milieu-effectrapport (MER) bijgevoegd wordt. De MER-plicht vloeit voort uit Europese richtlijnen. Bij het bestaan van een MER-plicht mag de vergunningsaanvraag pas in procedure worden gebracht als de voorafgaande MER-procedure is afgerond. De MER geeft een beeld wat de milieugevolgen bij een gewenste oprichting zijn. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is binnen het Nederlands recht het beoordelingskader om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Besluit m.e.r: drempelwaarden m.e.r.-(beoordelings)plicht In onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. staat omschreven voor welke activiteiten, plannen of besluiten het Besluit m.e.r. van toepassing is.

4.8.2 Toetsing project In het kader van onderhavige ontwikkeling worden 63 stuks melkvee extra gehouden op de locatie. In onderdeel D, kolom 1 van het Besluit m.e.r. staan de activiteiten waarvoor een beoordelingsplicht geldt. Voor het houden van meer vee geldt D14: ‘ De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren’. In onderdeel D14, kolom 2, staan bij deze activiteiten drempelwaarden genoemd. In het geval dat de activiteit betrekking heeft op meer dan de genoemde drempelwaarde, dan is direct een m.e.r. beoordeling noodzakelijk. D14: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2); 340 stuks jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3). 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3).

Het voornemen ziet op het houden van 63 stuks extra melkkoeien, waardoor in totaal 176 stuks worden gehuisvest. De aantallen in jongvee nemen met onderhavig voornemen niet toe. Deze ontwikkeling valt onder ‘de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren’. Echter wordt qua omvang niet voldaan aan de gevallen als genoemd in tabel 2. Aangezien niet aan de gevallen als genoemd in D14, kolom 2 wordt voldaan (een toename van meer dan 200 stuks melkvee), hoeft geen formele m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De drempel voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt uit de OBM-m.e.r. in artikel 2.2a, lid 1, van het Besluit omgevingsrecht. Voor de diercategorie melkrundvee is beoordeeld dat onder de drempels van de m.e.r.beoordeling geen sprake zal zijn van een intensieve veehouderij zoals bedoeld in de EU-richtlijn. Aangezien in totaal niet meer dan 200 stuks melkvee wordt gehouden, is een vormvrije m.e.r.beoordeling niet noodzakelijk. Conclusie Aangezien dit project niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten, geldt er geen m.e.r.-plicht.

Ruimtelijke onderbouwing Driehonderdmeterweg 12a Aalten

-

24

4.9 Natuur 4.9.1 Algemeen De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebieds-bescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn de gebieds- en soortenbescherming op nationaal niveau opgegaan in één wet, de Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’). Omdat er nog steeds wel sprake is van een afzonderlijk beoordelingskader wordt hierna afzonderlijk ingegaan op de gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Bij de beschrijving van de ter plaatse geldende gebiedsbescherming gaan we in op de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN).

Natura 2000

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden in Europa, die worden aangewezen ter uitvoering van twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd. Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een toestemming op grond van de Wnb is verkregen.

Natuurnetwerk Nederland

Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Op dit punt heeft de Wnb per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet vervangen. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen. De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden.

4.9.2 Toetsing project Gebiedsbescherming

Natura 2000

Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Bekendelle’ en ‘Wooldse Veen’, bevinden zich

Ruimtelijke onderbouwing Driehonderdmeterweg 12a Aalten

Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn, doordat zij behoren tot het NNN (voorheen beiden Ecologische Hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen.

25

respectievelijk op meer dan 5,6 km en 7,1 km ten westen van de locatie. De locatie is gelegen op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Zie voor de ligging van de locatie ten opzichte van Natura 2000gebieden afbeelding 3.2. Gelet op de aard van de activiteit is een toename van stikstofuitstoot niet uit te sluiten. Dit betekent dat vervolgonderzoek noodzakelijk is. Als een (agrarisch) bedrijf activiteiten wil uitvoeren die nadelige gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, is daar in veel gevallen toestemming in het kader van de Wnb voor nodig. Onderhavig voornemen, namelijk het houden van meer vee op de locatie aan de Driehonderdmeterweg, leidt tot een toename van stikstofdepositie. Nu toepassing wordt gegeven aan extern salderen, zal de stikstofdepositie ter plaatse van de locatie van saldogever worden verminderd, waardoor de stikstofdepositie per saldo niet zal toenemen. Om de stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Zie voor de berekening in de bijlage. Daaruit blijkt dat het project door de toepassing van extern salderen niet leidt tot significante negatieve effecten. Figuur 4.3 – Natura 2000- gebieden in omgeving projectlocatie (zie rode pijl voor projectgebied)

Bron: AERIUS

Voorts is het project niet gelegen binnen het NNN. In figuur 4.4 zijn met donkergrijs de NNN-gebieden in de omgeving van de projectlocatie weergegeven. Daaruit volgt dat de bedrijfslocatie is gelegen op een afstand van circa 1,80 kilometer van het meest dicht bij gelegen gebied dat tot het NNN behoort. Door het project wordt dit gebied niet aangetast c.q. doorkruist.

Ruimtelijke onderbouwing Driehonderdmeterweg 12a Aalten

Natuurnetwerk Nederland

26

Figuur 4.4: ligging projectgebied ten opzichte van NNN-gebieden (zie rode pijl voor projectgebied)

Bron: PDOK

Soortenbescherming In relatie tot de soortenbescherming kan over het projectgebied het volgende worden opgemerkt: • • •

het projectgebied ligt niet in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden; door middel van het aanbrengen van erfbeplanting wordt de beoogde ontwikkeling landschappelijk ingepast. De erfbeplanting sluit aan bij de bestaande structuren en gebiedssoorten. Bovendien zijn de gebouwen reeds aanwezig en vindt er geen nieuwbouw plaats.

Het houden van meer vee in reeds bestaande gebouwen zal geen significant negatieve effecten hebben op de soortenbescherming. Derhalve is een ontheffing in het kader van de Wnb niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

4.10.1 Algemeen

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een voornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).

4.10.2 Toetsing project Parkeren Uitgangspunt is dat elke initiatiefnemer van bouwplannen zorgdraagt voor zijn eigen parkeeroplossing en dat een nieuw initiatief geen parkeerproblemen in de omgeving mag veroorzaken. Zoals aangegeven wordt met het voornemen enkel meer melkvee gehouden in de bestaande stal. Derhalve wordt geen aanzienlijke toename in verkeersbewegingen verwacht. Binnen de inrichting is voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor landbouwvoertuigen en vrachtwagens voor onder andere de afvoer van melk en mest. Er is voldoende erfverharding aanwezig om meerdere vrachtwagens elkaar te laten passeren.

Ruimtelijke onderbouwing Driehonderdmeterweg 12a Aalten

4.10 Verkeer en parkeren

27

Verkeer Het projectgebied is in de bestaande situatie ontsloten op de Driehonderdmeterweg. Het perceel blijft conform de huidige situatie ontsloten. Het verkeer dat zich op de Driehonderdmeterweg bevindt, bestaat uit doorgaand verkeer en bestemmingsverkeer naar de omliggende agrarische bedrijven en woningen. Naar aanleiding van het voornemen om meer vee te gaan houden, zijn de transportbewegingen in beeld gebracht. Hierbij is onder andere de afvoer van melk, mest en kadavers in meegenomen. Het aantal transportbewegingen neemt bijna niet toe, omdat de vrachten efficiënter beladen zullen worden waarbij er niet meer transportbewegingen nodig zullen zijn. Per jaar zullen er enkele vrachten meer zijn. Het project heeft derhalve geen consequenties voor de wegenstructuur en leidt dus niet tot een aanzienlijke verhoging van de verkeersintensiteit op de Driehonderdmeterweg. Conclusie Het projectgebied beschikt over voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en wordt goed ontsloten.

4.11 Water

4.11.1 Algemeen Watertoets Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden de waterhuishoudkundige aspecten betrokken in ruimtelijke plannen en afwijkingsbesluiten van die ruimtelijke plannen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' wettelijk verankerd. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand. De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kunstwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)-stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)-stroomgebieden.

Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 20162021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

Waterschap Rijn en IJssel

Ruimtelijke onderbouwing Driehonderdmeterweg 12a Aalten

Europees beleid

28

Ter plaatse van de projectlocatie is het waterschap Rijn en IJssel (hierna: het waterschap) verantwoordelijk voor het waterbeheer. Het beleid van het waterschap is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Watervisie 2030. Het Waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument, waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. Als belangrijkste speerpunt ziet het waterschap de opgave om het gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergenafvoeren, rekening houdend met de meest recente inzichten van klimaatverandering. Voor wat betreft de gebiedskenmerken ter plaatse van de Driehonderdmeterweg 12a te Aalten, kan worden opgemerkt dat het stroomgebied van de Baakse Beek voor een groot gedeelte in de gemeente Aalten is gelegen. Het gebied heeft een oppervlakte van bijna 38.000 ha met een hoogteverschil van ca. 27 meter en bevat vier grotere stroomgebieden: dat van de Baakse Beek, Veengoot, Oosterwijkse Vloed en Grote Beek. Uniek voor dit stroomgebied is dat alle watergangen ontspringen in het gebied zelf. De beken worden gevoed door neerslag en kwel en in de huidige tijd ook deels door het effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Het bovenstroomse deel van dit gebied is een hellend gebied met terrasrandbeken, gelegen in een overwegend agrarisch gebied. Van hieruit stroomt het water richting de IJssel door een vlak gebied met (intensief) agrarisch gebruik, natuurgebieden als Koolmansdijk, Aaltense Goor en Heidenhoekse Vloed, diverse landgoederen en verspreide bebouwing.

4.11.2 Toetsing project

Afvoer van riool- en hemelwater Via een gescheiden stelsel wordt ter plaatse het rioolwater en het hemelwater gescheiden van elkaar getransporteerd. Vervolgens wordt het hemelwater geïnfiltreerd en opgenomen in de bodem. Het beleid van het waterschap is dat rioolwater en schoon hemelwater gescheiden moeten worden afgevoerd. Aangezien de bodem op de locatie geschikt is voor infiltratie, is dat een goede manier voor het afvoeren van schoon water. Initiatiefnemer beschikt bovendien over voldoende gronden, waaronder grasland, voor het opvangen van hemelwater. Verontreinigd water De melkveehouderij beschikt over twee melkrobots. Nu het aantal dieren op het bedrijf zal toenemen, wordt meer spoelwater (afvalwater) verwacht, afkomstig van het wassen en spoelen van melkwinningsinstallaties waaronder de melkmachine, leidingen en opslagtanks. Het spoelwater wordt afgevoerd naar de put en heeft dus geen negatieve effecten op de waterhuishouding. Verhardingstoename Initiatiefnemer is enkel voornemens meer vee te gaan houden in de bestaande stallen. Gezien het feit dat het voornemen niet voorziet in nieuwbouw, is er geen sprake van een toename van verharde ondergrond. Derhalve wordt neerslag niet versneld afgevoerd.

Ruimtelijke onderbouwing Driehonderdmeterweg 12a Aalten

Ten noorden en ten zuiden van het projectgebied zijn watergangen gelegen. Het betreft de Driehonderdmetersloot en de Witteveen W.L. De Witteveen W.L. wordt onderbroken door een stuw. Zie voor een impressie van de actuele Legger afbeelding 4.5.

29

Figuur 4.5: Uitsnede Leggerkaart met rood omlijnd het projectgebied

Bron: Legger waterschap Noorderzijlvest

Ruimtelijke onderbouwing Driehonderdmeterweg 12a Aalten

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

30

Hoofdstuk 5 – Maatschappelijke /economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project toegelicht.

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze paragraaf beschrijft hoe ten behoeve van dit project invulling is gegeven aan de wettelijke procedures in het kader van de besluitvorming met betrekking tot het vooroverleg met overheidsinstanties en het bieden van inspraak. Daarnaast geven we aan hoe de dialoog vanuit initiatiefnemer met de omgeving is gevoerd

5.1.1 Vooroverleg Op basis van artikel 6.18 van de Wabo in combinatie met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is vooroverleg voorgeschreven op de voorbereiding van een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo. Dit vooroverleg dient plaats te vinden met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het project in het geding zijn. Rijk In paragraaf 3.2 is reeds geconcludeerd dat dit project geen nationale belangen schaadt. Daarom kan afgezien worden van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie In paragraaf 3.3 is reeds geconcludeerd dat dit project geen provinciale belangen schaadt. Daarom kan afgezien worden van het voeren van vooroverleg met de provincie. Waterschap In paragraaf 4.11 is reeds geconcludeerd dat dit project geen negatieve invloed heeft op de waterhuishouding. Daarom kan worden afgezien van het voeren van vooroverleg met de provincie.

Het ontwerpbesluit ligt zes weken ter inzage, zodat eenieder een zienswijze naar voren kon brengen over dit project.

Ruimtelijke onderbouwing Driehonderdmeterweg 12a Aalten

5.1.2 Zienswijzen

31

5.2 Economische uitvoerbaarheid Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. Dit wordt enerzijds bepaald door de financiële haalbaarheid van het project en anderzijds door de wijze van kostenverhaal door de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De opdrachtgever fungeert als de financiële drager van het onderhavige project. De voorgenomen ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarvoor reeds de benodigde financiële middelen zijn gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het project en draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. De gemeentelijke kosten, waaronder leges, komen voor rekening van de initiatiefnemer.

Ruimtelijke onderbouwing Driehonderdmeterweg 12a Aalten

Grondexploitatie De gemeenteraad is verplicht om een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Deze bevoegdheid is gedelegeerd aan het college. Hieruit volgt dat de gemeente verplicht is om de kosten van de planontwikkeling op de grondeigenaar te verhalen, veelal de ontwikkelaar. In deze procedure zijn er geen te verhalen kosten, zodat er geen exploitatieovereenkomst is afgesloten.

32

Bijlagen

Ruimtelijke onderbouwing Driehonderdmeterweg 12a Aalten

1. Landschappelijke inpassing (is als separate bijlage bijgevoegd) 2. AERIUS berekening (is als separate bijlage bijgevoegd)

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Aalten&id=62eb4fa4-e438-4136-851c-aa0e187b6bc9