was wordt lijst 2024 wijzigingsvoorstellen Aalsmeer
Tekst van het document
Was/ wordt lijst inhoudelijke wijzigingsvoorstellen Aalsmeer In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet en – als het een facultatieve bepaling betreft – eveneens onderstreept (aangezien dan de hele bepaling cursief is i.v.m. het facultatieve karakter). In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt.
Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder:
Nieuwe tekst Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder:
1.
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
1.
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
2.
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
2.
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
3.
bevoegd gezag:bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
3.
bevoegd gezag:bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
4.
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
4.
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
5.
college: het college van burgemeester en wethouders;
5.
college: het college van burgemeester en wethouders;
6.
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
7.
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
6. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; 7. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
8.
kajuitboot: elk vaartuig dat is voorzien van een opbouw en/of inbouw, die een hoogte heeft van meer dan 1,60 meter, gemeten vanaf het diepste punt van het scheepsvlak, niet bedoeld voor bewoning;
8.
kajuitboot: elk vaartuig dat is voorzien van een opbouw en/of inbouw, die een hoogte heeft van meer dan 1,60 meter, gemeten vanaf het diepste punt van het scheepsvlak, niet bedoeld voor bewoning;
1
9.
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
9.
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
10. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;
10. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;
11. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
11. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
12. vaartuig: een voorwerp, dat bestemd of ingericht is, voor het vervoer over water, van personen en-of goederen, dan wel een drijvend werktuig niet zijnde een woonark.
12. vaartuig: een voorwerp, dat bestemd of ingericht is, voor het vervoer over water, van personen en-of goederen, dan wel een drijvend werktuig niet zijnde een woonark.
13. weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan.
13. weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan.
14. Partyschip: elk vaar-of drijftuig, al dan niet in staat tot waterverplaatsing, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing of (tijdelijk) verblijf te water en dat, zelfstandig of in combinatie, gericht is op het, al dan niet tegen betaling, samenbrengen van mensen.
14. Partyschip: elk vaar-of drijftuig, al dan niet in staat tot waterverplaatsing, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing of (tijdelijk) verblijf te water en dat, zelfstandig of in combinatie, gericht is op het, al dan niet tegen betaling, samenbrengen van mensen.
Artikel 2.10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:
Nieuwe tekst Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien:
a.
het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
a.
het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
b.
het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
b.
het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2.
Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake:
2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake:
2
a.
wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,20 m wordt gelaten op voetpaden;
a.
wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,50 m wordt gelaten op voetpaden;
b.
wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 3,50 m wordt gelaten op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer;
b.
wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 3,50 m wordt gelaten op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer;
c.
als het betreffende voorwerp langer is dan 10 meter.
c.
als het betreffende voorwerp langer is dan 10 meter.
3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van inboedel, uitstallingen en reclameborden.
3.
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van inboedel, uitstallingen en reclameborden.
4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
4.
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:
5.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:
a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b.
terrassen als bedoeld in artikel 2:27;
b.
terrassen als bedoeld in artikel 2:27;
c.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en
c.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en
d.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
d.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
3
Artikel 2.71 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.71 Begripsbepaling
Nieuwe tekst Artikel 2.71. Begripsbepaling
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1. van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1. van het vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2.78 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2.78 Gebiedsontzegging
Nieuwe tekst Artikel 2.78 Gebiedsontzegging
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid en zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 48 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 8 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 6 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 8 weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke
4
4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
omstandigheden van betrokkene oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. 4. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gedaan als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 4:15 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en hinder zijn betrokken bij de afweging.
Nieuwe tekst Artikel 4:15 Verbod hinderlijke, ontsierende of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
Artikel 5:6 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 1.Het is verboden een kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen waaronder begrepen ook aanhangers voor het vervoer van vaartuigen, keetwagen, woonwagen of een ander voertuig dat voor recreatie, of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan vijf achtereenvolgende dagen te plaatsen of op de weg te hebben als dit buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte;
Nieuwe tekst Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 1.Het is verboden een kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen waaronder begrepen ook aanhangers voor het vervoer van vaartuigen, keetwagen, woonwagen of een ander voertuig dat voor recreatie, of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.
5
b. als dit schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
langer dan vijf achtereenvolgende dagen te plaatsen of op de weg te hebben als dit buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte; b. als dit schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
6