toelichting ontwerpbestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
In het Waterbeheer Plan AGV 2016-2021 staat als algemeen doel voor 2030: een goede waterkwaliteit en volop mogelijkheden voor planten en dieren die in het water en langs de oevers thuis horen om zich daar te ontwikkelen, te schuilen, paaien, paren, broeden en van leefgebied naar leefgebied te trekken. Dit is ook het doel voor 2030 voor de Kader Richtlijn Water (KRW). De KRW stelt dat de ecologische toestand van alle oppervlaktewateren niet (verder) achteruit mag gaan. Ook mag er geen afwenteling plaatsvinden van overig water naar waterlichaam en van waterlichaam naar waterlichaam.
Om het doel van een goede waternatuur en –kwaliteit te kunnen bereiken, moeten bepaalde randvoorwaarden aanwezig zijn. Denk daarbij aan voldoende diepe sloten, op diepte houden van primaire en secundaire wateren, zorgdragen voor minder voedingsstoffen in de wateren, minder gebiedsvreemd water inlaten, verminderen emissies glastuinbouw, etc. In het watergebiedsplan Westeramstel is dit nader uitgewerkt. In het plangebied worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit . Watercompensatie Het bestemmingsplan maakt een nieuwe ontwikkeling mogelijk die een oppervlakte heeft van meer dan 1000 m². Dit betreft de aanleg van nieuwe woningen waarbij meer verhard wordt dan de grens van 1000 m². De toename van de afvoer van hemelwater vanaf het verhard oppervlak op het watersysteem dient gecompenseerd te worden door open water met een omvang van 10% van de uitbreiding van het verhard oppervlak, tenzij naar het oordeel van het bestuur een hoger percentage noodzakelijk is voor het betreffende gebied. Binnen het plangebied van in totaal circa 83.775 m2, wordt circa 59.560 m2 aan verharding voorzien. Op basis van het vigerende bestemmingsplan mag het gehele bouwvlak bebouwd worden. Het oppervlakte van dit bouwvlak bedraagt circa 40.000 m2 . Dit betekent dat voorliggend bestemmingsplan circa 19.560 m2 aan extra verharding mogelijk maakt.
Het plan voorziet daarnaast circa 9.035 m2 aan open water, circa 10,5% van het totale plangebied. Hiermee wordt voldaan aan het beleid van het waterschap die een minimum van 10% aan open water eist. De watercompensatie inclusief de watercompensatie voor de demping van enkele watergangen voldoet hiermee aan artikel 2.4 van de Keur. Wel is een watervergunning nodig om het verhard oppervlak met meer dan 1000 m² uit te breiden. Grondwater In het plangebied worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die van invloed zijn op het grondwater. Watergangen In het plangebied zijn diverse overige watergangen gelegen. Sommige van deze watergangen dienen gedempt te worden om de beoogde woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Ter compensatie worden nieuwe watergangen gerealiseerd en enkele bestaande watergangen verbreed. Hierbij dient voldaan te worden aan de Beleidsregels voor de Keur van AGV. Het verlies aan open-waterberging en het effect op de water aan- en afvoer van de demping dient volledig gecompenseerd te worden, waarbij de omvang van de compensatie ten minste gelijk is aan het verlies aan berging door de demping.
Bij het bepalen van de omvang van de compensatie blijven duikers buiten beschouwing; en wordt voldaan aan de onderstaande regels: de uitvoerbaarheid van de compensatie is gewaarborgd (technisch, juridisch en financieel); de compensatie vindt overeenkomstig beleidsregel 11.1 of, ingeval van primair water, de beleidsregels van hoofdstuk 12 plaats; de demping leidt niet tot geïsoleerde oppervlaktewaterlichamen of doodlopende oppervlaktewaterlichamen; de schade aan de ecologische waarde door de demping in een groene oeverzone wordt volledig gecompenseerd waarbij; 1. de verminderde oeverlengte wordt hersteld tot de oorspronkelijke oeverlengte; 2. de vorm van de nieuw aan te leggen oever is minimaal gelijk aan de oorspronkelijke oever; 3. de compensatie vindt plaats in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam; de demping veroorzaakt geen grondwater- en oppervlaktewateroverlast bij nabijgelegen percelen;
de demping leidt niet tot verkleining van het doorvaartprofiel of als er geen doorvaartprofiel is vastgesteld, tot belemmeringen voor de doorvaart in de middenstrook (2,5 m aan weerszijden van de as van de watergang). compenseren binnen het watersysteem dat belast wordt. Voor het dempen en (ver)graven van watergangen is op basis van de Keur een watervergunning benodigd. AGV als waterbeheerder ziet toe op de waterkwaliteit en waterkwantiteit van het oppervlaktewater. Voor het onderhoud van primaire watergangen is AGV verantwoordelijk. Deze onderhoudsplicht geldt niet voor secundaire wateren en voor het water in geïsoleerde stadsparken. Afvalwater In Kudelstaart zijn verschillende rioolstelsels. Bij de lintwegen is voornamelijk een gescheiden rioolstelsel aanwezig terwijl de kern Kudelstaart is voorzien van een gemengd rioolstelsel. De kernuitbreidingen vanaf 1990 beschikken zowel over een verbeterd gescheiden als een gescheiden rioolstelsel. Voor de woningbouwontwikkeling zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd. Klimaatadaptatie In het plangebied worden ontwikkelingen mogelijk gemaakt die mogelijk van invloed zijn op de veranderende klimaat zoals hitte, droogte en wateroverlast. Door het graven van extra water wordt deze invloed geminimaliseerd. Het aspect water staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
6.5 Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Aalsmeer gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".
Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare.
Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen in werking getreden. Deze wet vervangt de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel.
Relevantie beschrijving plangebied Het plangebied is niet binnen de invloedsgebieden van een hogedruk aardgasleiding, LPG-tankstation, Bevi-bedrijf of route gevaarlijke stoffen gelegen. Wel ligt het plangebied binnen de 20 Ke contour. Vanwege het Luchthavenindelingbesluit Schiphol dient bij nieuwe ontwikkelingen in dit gebied te worden gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijkheid van een vliegtuigongeval. Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen planologisch relevante (doorgaande) kabels/leidingen van nutsbedrijven en of riolering gelegen. Niet gesprongen explosieven (NGE) In de gemeente Aalsmeer hebben verschillende oorlogshandelingen plaatsgevonden, waaronder diverse bombardementen, de aanleg van verdedigingswerken en mijnenvelden en het dumpen van munitie. Enkele oorlogshandelingen hebben geleid tot het afbakenen van NGE-risicogebieden waarbinnen een verhoogd risico geldt door mogelijke aanwezigheid van NGE in de bodem. In de directe nabijheid van het plangebied is Fort Kudelstaart het enige aangewezen NGE-risicogebied. Het fort diende ter afsluiting en verdediging van de Westeinderplassen. Het maakte deel uit van de zogenaamde Vuurlinie, waaruit ook de nabijgelegen forten Fort bij Aalsmeer en Fort bij De Kwakel bestaan. Het is gebleken dat via het toegangskanaal en de sluiskom munitieoverslag heeft plaatsgevonden van en naar Fort Kudelstaart.
Daarnaast is er in 1946 een dekschuit met munitie omgeslagen, waardoor er NGE in het water zijn terechtgekomen. Tevens blijkt dat er munitie is terechtgekomen in het water van de fortgracht. Poolse krijgsgevangenen en Nederlandse burgers hebben vanaf de tweede brug over de gracht NGE in het water gegooid. In het risicogebied zijn mogelijk NGE achtergebleven van KKM, hand- en geweergranaten, geschutmunitie, mijnen, ontstekingsinrichtingen, vernielingsmiddelen, vuurwerken en explosieve stoffen. Overigens is n.a.v. nader onderzoek dat t.b.v. de herontwikkeling van Fort Kudelstaart is uitgevoerd gebleken dat dit NGE veel kleiner is dan op onderstaande belemmeringenkaart is weergegeven. Uit de belemmeringenkaart NGE van de gemeente Aalsmeer (zie hieronder) blijkt in elk geval dat het plangebied Westeinderhage aangemerkt is als 'onverdacht'. Daarnaast zijn de betreffende gronden
na de 2e Wereldoorlog bewerkt c.q. geroerd, waardoor het aantreffen van NGE niet aannemelijk is.
Externe veiligheid en het Lib Ten aanzien van het aspect externe veiligheid in relatie tot wonen in het Lib wordt verwezen naar paragraaf 5.3.2. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
6.6 Flora en fauna
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van soorten en leefgebieden. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn). De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder andere soorten vallen onder andere de ringslang en de grote modderkruiper.
De gemeente Aalsmeer adviseert om de gedragscodes van Stadswerk te gebruiken. Er is een code voor bestendig beheer en onderhoud en een code voor ruimtelijke ingrepen. Relevantie plangebied Voor de beoogde ontwikkeling van Westeinderhage is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd zie bijlage 7, ATKB, rapportnummer: 20191229/rap01, rapportagedatum, 7 januari 2020. Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied geschikt is voor/als: dreps en schubvaren; verblijfplaats en foerageergebied van verschillende soorten vleermuizen; waterspitsmuis en bunzing, wezel en hermelijn (kleine marterachtigen); voortplantingsbiotoop en winterhabitat voor rugstreeppadden; zomer- en winterbiotoop voor de ringslang; leefgebied voor platte schijfhoren. Nader onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of bovengenoemde soorten daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied en een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd dient te worden. Op basis van het nadere ecologisch onderzoek beschermde soorten Westeinderhage, zie bijlage 8, kenmerk: 20200068/rap01, rapportagedatum: 26 oktober 2020, blijkt dat de waterspitsmuis, kleine marterachtigen, de rugstreeppad, de ringslang, de platte schijhoren en de dreps en de schubvaren niet voorkomen binnen het plangebied. Het plangebied is als niet essentieel foerageergebied voor vleermuizen in gebruikt.
Als in de vleermuisactieve periode bij daglicht wordt gewerkt is een tijdelijk effect als gevolg van bouwverlichting uit te sluiten. Wanneer wel bouwverlichting nodig is, moet die van de rand van de bouwplaats naar binnen zijn gericht en niet worden gericht op hoog opgaande groenstructuren (bomen) en watergangen. In de periode november-maart zijn maatregelen niet nodig omdat vleermuizen dan niet actief zijn. Daarnaast wordt het plangebied gebruikt door niet jaarrond beschermde broedvogels. Voor broedvogels geldt dat buiten het broedseizoen (half maart t/m half juli) gewerkt moet worden. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden, moet voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen de struiken en bomen gerooid worden. Als de bomen en struiken niet buiten het broedseizoen gerooid kunnen worden, dient men voorafgaand aan het rooien contact op te nemen met een ecoloog. Conclusie van het rapport is dat er geen soorten of leefgebieden zijn aangetroffen waarvoor een ontheffing noodzakelijk is. Indien bovenstaande maatregelen m.b.t. vleermuizen en broedvogels in acht genomen wordt, alsmede de volgende maatregelen m.b.t. zorgplicht en pioniersoorten, is een ontheffingsaanvraag niet nodig.
Zorgplicht: aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden; werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten; enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen; in mogelijk leefgebied: jonge hazen/egels uit werkgebied verplaatsen. Tussentijdse vestiging (pionier)soorten: voorkomen dat er op het bouwterrein natte laagtes of bandensporen overblijven;
vorming van grote zandhopen (met steile kanten) voorkomen of zandhopen afzetten met amfibieënscherm, dit vormt geschikt landhabitat voor de rugstreeppad en broedbiotoop voor oeverzwaluw; voorkomen dat er ten tijde van de werkzaamheden vogels van pionierssituaties gaan broeden door gebruik van linten, regelmatige betreding door geleiders met hond e.d. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet en ook niet in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand (circa 9 kilometer) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Het is mogelijk dat het project een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/j in Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Het project kan middels toename van het verkeer als gevolg van het planvoornemen, de inzet van werktuigen tijdens de sloop en bouw en mogelijke uitstoot van woningen een toename aan stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden veroorzaken en zodoende het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitats in gevaar brengen.
In het kader van het bestemmingsplan is een AERIUS-berekening uitgevoerd, zie bijlage 9, Notitie Stikstofonderzoek, gemeente Aalsmeer, 9 december 2020. Uit dit onderzoek blijkt dat de ontwikkeling, zowel voor de bouw- en de gebruiksfase, niet tot effecten leidt op Natura 2000-gebied. Daarnaast ligt het plangebied eveneens niet in het NNN en valt ook niet onder gebieden die zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. Het plangebied ligt wel nabij het NNN van de Westeinderplassen. Toetsing aan weidevogelgebieden is niet van toepassing, omdat het plangebied niet is aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. De Wet natuurbescherming staat de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg.
6.7 Archeologie en cultuurhistorie Wet op de archeologische monumentenzorg De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voorbeelden daarvan zijn de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de vergunningverlening voor het verstoren van archeologische rijksmonumenten. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld.
Kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt”, dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden. Het principe dat de
veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de wet genoemd: <0000> het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; <0000> de verplichting tot het doen van opgravingen; <0000> het werk laten begeleiden door een deskundige. Het rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet). Vondsten met archeologische waarde zijn eigendom van de provincie Noord-Holland en dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie Noord-Holland. Modernisering Monumentenzorg (MoMo) Op 1 januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd waarbij onder meer artikel 3.1.6 vijfde lid onder a van het Bro is aangevuld. Deze wijziging houdt in dat een bestemmingsplan een paragraaf moet bevatten met "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden”. Naast archeologische waarden zullen hiermee ook cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk moeten worden meegewogen bij de voorbereiding van bestemmingsplannen.
Vergelijkbaar met de huidige regelgeving voor beschermde stads-en dorpsgezichten dient in ieder bestemmingsplan een afweging gemaakt te worden over de wijze waarop met de cultuurhistorische belangen wordt omgegaan. Het opnemen van cultuurhistorie in het proces van de ruimtelijke ordening past binnen de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg uit 2009. In lijn met de Belvedère-gedachte wordt in de beleidsbrief aangegeven dat het belang van cultuurhistorie vroegtijdig in het planproces moet worden ingebracht. Inzet is een meer generieke borging van cultuurhistorie vooraf in het proces van de ruimtelijke ordening, waarmee vermindering van sectorale regelgeving achteraf mogelijk is. Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Noord-Holland biedt een rijke variatie aan landschappen, kernen en cultuurhistorische monumenten. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De provincie onderscheidt zich door zijn openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Elk deel heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis, die vaak nog goed afleesbaar is in het landschap. Het huidige landschap van Noord-Holland is een erfenis met een grote aantrekkingskracht op mensen die in de provincie wonen, werken en recreëren. De hoge kwaliteit ervan draagt bij aan het economische vestigingsklimaat in de provincie.
Het landschap is een dynamische leefomgeving die al sinds mensenheugenis verandert en dat ook zal blijven doen. De provincie wil ruimte blijven bieden aan nieuwe ontwikkelingen, op een manier die bijdraagt aan de waarden en kwaliteiten van het landschap en waarbij de ontstaansgeschiedenis herkenbaar blijft. Inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap is maatwerk. Sommige gebieden hebben unieke of kwetsbare cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten, terwijl andere tegen een stootje kunnen of waar ruimtelijke dynamiek het landschap juist kan versterken. Het is de uitdaging om bij nieuwe ontwikkelingen de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk te houden en bij voorkeur te versterken. De Leidraad is daarbij ook bedoeld om inzichtelijk te maken welke landschappelijke en cultuurhistorische waarden van belang zijn. Aansluitend op de uitgangspunten van de Provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, bestaat ook in Aalsmeer de wens de kenmerkende kwaliteiten, de diversiteit en identiteit van de gemeente te koesteren en te benutten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Verschillende ruimtelijke analyses en beleidsnota's van de gemeente Aalsmeer (bijv. Lintenbeleid en cultuurhistorische analyse 'Gebroken landen, geheelde gronden') biedt hier een goed startpunt toe. De meest karakteristieke objecten, die ons doen herinneren aan vroeger tijden, zijn
aangewezen als monument of beschermd gezicht. Voor grotere landschappelijke structuren die karakteristiek zijn voor de gemeente kunnen ruimtelijke plannen als bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen en structuurplannen als beoordelingskader gebruikt worden. Beleidsnota Archeologie Aalsmeer De Beleidsnota Archeologie zet uiteen op welke wijze de gemeente Aalsmeer verantwoordelijkheid neemt voor het eigen bodemarchief. Door bij het ontwikkelen van nieuwe of het aanpassen van bestaande bestemmingsplannen archeologische waarden en verwachtingen op te nemen en in de toelichting te verwijzen naar het gemeentelijk archeologiebeleid kunnen de kosten van eventueel archeologisch onderzoek worden verhaald op de verstoorder van het bodemarchief. In het bestemmingsplan wordt ook voorgeschreven welke verplichtingen de vergunningaanvrager heeft op het gebied van de archeologische monumentenzorg. Relevantie plangebied Van alle gebieden in Aalsmeer met archeologische waarden is een beleidskaart opgesteld. Op deze kaart is te zien voor welke gebieden bij welke werkzaamheden onderzoek gedaan moet worden naar de archeologische waarden. Voor het plangebied geldt dat het archeologie vrij is. Hierdoor is in voorliggend bestemmingsplan geen dubbelbestemming archeologie opgenomen en is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk voorafgaande aan bodemingrepen.
Uitsnede beleidskaart Archeologie Op basis van de 'Cultuurhistorische analyse Gebroken landen, geheelde gronden' is voor het grondgebied van Aalsmeer een onderverdeling gemaakt van gebieden met specifieke cultuurhistorische waarden en met daarbij beleidsaanbevelingen om de specifieke landschapskarakteristiek te behouden. Voor Kudelstaart zijn de deelgebieden 'jonge droogmakerijen' en de 'Stelling bij Kudelstaart' van toepassing.
Het deelgebied 'jonge droogmakerijen', ter plaatse van het plangebied Westeinderhage, betreft de de Zuider-Legmeerpolder, een grootschalige droogmakerijen uit de tweede helft van de 19e eeuw, met een rationele en blokvormige verkaveling. Voor het deelgebied 'jonge droogmakerijen' zijn de volgende aanbevelingen opgenomen: behoud - en eventueel versterking - van de ruimtelijke hoofdindeling behorend bij jonge droogmakerijen; behoud van de bebouwingslinten met hun bebouwingskarakteristieken en variatie zoals die met name in de Oosteinderpoelpolder zichtbaar zijn; behoud van de aanwezige cultuurhistorische objecten, structuren en samenhangen; het beleid voortzetten van aan de oude huizentypen- en stijl aangepaste nieuwbouw; handhaven - en eventueel versterken - van de historisch bepalende spoorwegtracés, wegen, dijken en kaden, zo nodig met inbegrip van hoogte, profiel en groene uitstraling; behoud van historisch waardevolle molens en gemalen, inclusief hun ruimtelijke context (waterlopen, etc.); behoud van nog bestaande schoorstenen (en bijbehorende ketelhuizen). Relevantie plangebied Het is van belang om bij de invulling van het plangebied de karakteristieke (landschappelijke) kenmerken van de omgeving te respecteren, teneinde de identiteit van het gebied te bewaren.
De zelfstandigheid van de dijkzone, de karakteristiek van het lint langs de Bilderdammerweg en het verkavelingspatroon van het onderliggende landschap zijn daarvan de voornaamste elementen. Voor de identiteit van de nieuwe woningbouwlocatie is het van belang dat de hoofdopzet van de verkaveling wordt geënt op het oorspronkelijke patroon van sloten en kavels. Verder is het van belang de kleinschalige bebouwingstructuur met traditionele uitstraling langs de Herenweg en de Bilderdammerweg te behouden/versterken. De stedenbouwkundige (hoofd)opzet van Westeinderhage moet zorgvuldig op de (achterzijden van de) omliggende (woon)omgeving aansluiten. In de beoogde verkaveling is rekening gehouden met bovenstaande aspecten.
6.8 Verkeer en parkeren Dit bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van het gebied naar een nieuwe woonwijk. Er worden een aantal verkeersaantrekkende functies aan het plangebied
toegevoegd. Ook wordt er voorzien in een toename van het aantal parkeerplaatsen. Deze ontwikkelingen hebben effect op de verkeerssituatie van de omliggende wegen. Relevantie plangebied Westeinderhage is via de Bilderdammerweg en de erfontsluitingswegen van de naastgelegen woonwijk(Spiegelstraat, Schuurboordstraat en Spilstraat) voor het (gemotoriseerd) verkeer te ontsluiten. Een verbinding vanuit Westeinderhage met de Herenweg ontbreekt. Ten behoeve van de ontwikkeling is een verkeersonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 10, Goudappel Coffeng, 7 september 2017, kenmerk VOG001/Rlr/0005.02. In dit verkeersonderzoek is het huidige gebruik en de inrichting van de Bilderdammerweg in beeld gebracht. Aandachtspunt hierin is de verkeersveiligheid. Daarnaast is verkeersafwikkeling van de ontsluiting van de nieuwe woonwijk op de Bilderdammerweg in beeld gebracht. Uit de meting van de huidige situatie komt naar voren dat de verkeersintensiteit op het erftoegangsdeel van de Bilderdammerweg met ongeveer 4.500 motorvoertuigen per etmaal boven de richtlijn van de ontwerpprincipes van ‘Duurzaam Veilig’ ligt. Deze hanteren een grens van 4.000 motorvoertuigen voor een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. De verkeersintensiteit op het gebiedsontsluitingsdeel van de Bilderdammerweg ligt met ongeveer 3.500 motorvoertuigen lager dan het noordelijke deel.
De gereden snelheid op het erftoegangsdeel van de Bilderdammerweg ligt fors hoger dan de maximumsnelheid. De V85, welke met een marge van 5 km/u rond de maximumsnelheid zou moeten liggen, ligt op 49 km/u, terwijl de maximumsnelheid op 30 km/u ligt. Op het gebiedsontsluitingsdeel is de V85 52 km/u bij een maximumsnelheid van 50 km/u. V85 is de snelheid die door 85% van de automobilisten niet en door 15% wel wordt overschreden. Dit wordt gedaan om “extremen” uit de meting te halen. Uit het kentekenonderzoek komt (samengevat) naar voren dat het absolute aandeel doorgaand verkeer op de Bilderdammerweg beperkt is. In vergelijking met de slangtellingen komt wel naar voren dat op de Bilderdammerweg van zuid naar noord de verkeersintensiteiten toeneemt. Hieruit valt te concluderen dat het verkeer vanuit Kudelstaart met name is gericht op het noorden (Schiphol, FloraHolland, Aalsmeer, Amsterdam, etc.). Tevens is hier uit op te maken dat de Bilderdammerweg voornamelijk wordt gebruikt door bewoners uit de aanliggende woonwijken. De ontsluiting van de nieuwe woonwijk is eenvoudig te realiseren met een gelijkwaardig kruispunt, waar het verkeer van rechts voorrang heeft. Uitgaand van een theoretische benadering met maar één ontsluiting van de toekomstige woonwijk en de maximale verkeergeneratie is de verkeersafwikkeling in de maatgevende spitsperioden als goed te classificeren.
Op wegvakniveau zorgt de nieuwe woonwijk voor een verhoogde verkeersdruk. In de huidige situatie ligt de verkeerintensiteit op het erftoegangsdeel al boven de gestelde richtlijnen. De nieuwe woonwijk zorgt op etmaal niveau voor maximaal 2.400 m.v.t. per etmaal extra, die zich over het noordelijke en zuidelijk deel van de Bilderdammerweg zullen verdelen. Om de verkeersveiligheid op de Bilderdammerweg te vergroten in de huidige en toekomstige situatie is een vervolgstudie verricht naar de verkeersveiligheid. In deze vervolgstudie is gelet op toekomstige woningbouwontwikkelingen in heel Kudelstaart uitgezocht of het mogelijk is de verkeersveiligheid te vergroten (zie bijlage 11, Goudappel Coffeng, 14 juni 2018, ASR065/Rlr/0252.04). Uit dit onderzoek blijkt dat een verkeersveilige situatie voor de kwetsbare verkeersdeelnemers (met name fietsers) kan worden bereikt door het bestaande vrijliggende fietspad langs de Bilderdammerweg-zuid door te trekken langs de Bilderdammerweg-noord richting het Robend. Hierdoor is een verkeersveilige verbinding voor fietsers mogelijk tussen de centrumvoorzieningen in Kudelstaart en de sportvelden Calslagen. Tevens kunnen de aanliggende woonbuurten gebruik maken van deze veilige verkeersroute. Voor deze
nieuwe fietsverbinding wordt een separate planologische procedure doorlopen. De omgevingsvergunning hiervoor wordt begin 2022 aangevraagd. Naar verwachting kan het fietspad eind 2023 aangelegd worden. Bij brief van 21 september 2021 is de gemeenteraad over de voortgang van het initiatief geinformeerd. Parkeren In de toekomstige woonwijk vindt het parkeren hoofdzakelijk op de openbare weg in parkeervakken plaats. In enkele gevallen zijn parkeervoorzieningen in de tuin aanwezig en via een voorwaardelijke verplichting voorgeschreven. Het merendeel van de parkeervoorzieningen in de openbare ruimte zal uit haakse parkeerplaatsen bestaan. Daarnaast zullen in het openbaar gebied tevens enkele langs parkeerplaatsen aanwezig zijn. Het beleid van de gemeente Aalsmeer is erop gericht om in nieuwe woon- en werkgebieden voldoende parkeerplaatsen aan te leggen. Voldaan moet worden aan de parkeernorm zoals opgenomen in de op moment van ontwikkeling geldende nota parkeernormen Aalsmeer.
De relevante parkeernormen voor dit bestemmingsplan zijn de volgende: <0000> Kleine woning (kleiner dan 100m2): parkeernorm van 1,5 <0000> Middel woning (tussen de 100-140 m2): parkeernorm van 1,9 <0000> Grote woning (groter dan 140m2): parkeernorm van 2,2 De beoogde verkaveling gaat uit van: <0000> 132 kleine woningen, parkeernorm 1,5, is een totaal van 198 parkeerplaatsen; <0000> 110 middel woningen, parkeernorm 1,9, totale parkeernorm 209; <0000> 25 grote woningen, parkeernorm 2,2, totale parkeernorm van 55. Voor het plangebied geldt daarmee een totale parkeernorm van 462 parkeerplaatsen. Deze kunnen zonder probleem in het plangebied worden ingepast. Daarbij geldt ook nog dat een aantal woningen <75 m2 zijn. Dit betreft veelal starterswoningen die bestaan uit 1 of 2-persoonshuishoudens. Voor deze categorie geldt doorgaans een lager autobezit, waarmee een lagere parkeernorm dan 1,5 zou kunnen volstaan. Het daadwerkelijk aantal benodigde parkeerplaatsen is afhankelijk van de aanvraag omgevingsvergunning die t.z.t. wordt ingediend. Ter borging hiervan is in de regels een zogenaamde voorwaardelijke verplichting opgenomen, die een koppeling kent met de Nota Parkeernormen. Het aspect verkeer en parkeren staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
6.9 Bedrijven en milieuzonering Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. De richtafstanden volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. De VNG-brochure wordt gebruikt als hulpmiddel (niet als blauwdruk) bij het opstellen van bestemmingsplannen met nieuwe milieugevoelige functies of nieuwe
milieubelastende functies. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren, wel is het een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken. In de brochure zijn aan de verschillende bedrijfsactiviteiten, milieucategorieën en richtafstanden toegekend voor de aspecten gevaar, stof, geur en geluid. De afstanden zijn gebaseerd op een rustige woonwijk. Als er sprake is van een gemengd gebied mag er een afstandstrap minder worden gehanteerd. Relevantie plangebied Het plangebied en de directe omgeving kunnen beschouwd worden als een gemengd gebied. Zo zijn binnen de bestemming 'Wonen - Lintbebouwing' bedrijfscategorieën 1 en 2 zoals aangegeven in de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Daarnaast is ten zuidoosten van het plangebied een bedrijfsbestemming aanwezig waar eveneens bedrijfscategorieën 1 en 2 zijn toegestaan. Op basis van de VNG-bedrijvenlijst hebben dergelijke bedrijven in een gemengd gebied als het onderhavige een richtafstand van 10 meter. Door in de verkaveling geen woningen binnen 10 m van deze bestemmingen te realiseren worden deze bedrijven niet beperkt in hun milieugebruiksruimte. Autoschadeherstelbedrijf Herenweg 51 Aan de Herenweg 51 wordt een autoschadeherstelbedrijf met autoschadeherstelbedrijf met spuiterij met categorie 3.1 uitgeoefend.
Geur Voor dit bedrijf geldt op basis van de VNG-bedrijvenlijst een richtafstand van 30 m voor het maatgevende aspect geur, waar het merendeel van de woningen wel, maar voor een aantal woningen niet aan kan worden voldaan. Er zijn de laatste jaren geen geurklachten bekend vanwege de bedrijfsvoering van de inrichting. Relevant hierbij is dat er in de omgeving van het plangebied meerdere bestaande burgerwoningen aanwezig zijn, die op relatief korte afstand van het bedrijf gelegen zijn. Niettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een geuronderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek (zie bijlage 12, Onderzoek naar geurimmissie in de omgeving ten gevolge van Lammers Autoschade B.V. te Kudelstaart, Peutz) is op basis van een worst case scenario de geurimmissie in de omgeving bepaald. Deze is getoetst aan het geurbeleid van de provincie NoordHolland. Het geurbeleid is gebaseerd op voor hedonisch gewogen geurbelasting. De hedonische waarde is een maat voor de (on)aangenaamheid van een geur. Hierbij wordt gewerkt met een beoordelingsschaal die loopt van uiterst aangenaam tot uiterst onaangenaam. In het geurbeleid van de provincie gaat het om geurconcentraties gewogen voor H=-1. Tevens wordt er onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige, minder geurgevoelige en overig geurgevoelige objecten.
Geurgevoelige objecten zijn onder meer aaneengesloten woonbebouwing, zoals met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Voor dit bestemmingsplan wordt overeenkomstig het geurbeleid van de provincie uitgegaan van een aanvaardbaar geurniveau van (0,5 ouE(H)/m3 als 98-percentiel). Uit het onderzoek volgt dat in de situatie zonder actief koolfilter de maximale geurbelasting 1,4 ouE/m3 als 98-percentiel en 3,0 ouE/m3 als 99,9-percentiel bedraagt. De geurconcentratie voldoet daarmee niet aan de grenswaarde van 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel en 2 ouE/m3 als 99,9-percentiel van het Noordhollandse geurbeleid in deze situatie. Wanneer maatregelen worden getroffen in de vorm van een actief koolfilter bedraagt de maximale geurbelasting 0,3 ouE/m3 als 98-percentiel en 0,6 als 99,9-percentiel. In deze situatie wordt er voldaan aan de grenswaarde. De borging van deze maatregelen is via een zogenaamde voorwaardelijke verplichting opgenomen in dit bestemmingsplan, in combinatie met de contourlijn en/of gebiedsaanduiding behorend bij de richtwaarde voor een aanvaardbaarhinderniveau (0,5 ouE(H)/m3 als 98-percentiel) op de verbeelding. De contourlijn van 2,0 als
99,9-percentiel is kleiner dan de contourlijn voor het 98-percentiel, en wordt om die reden niet getoond. Geluid Voor dit bedrijf is ook het aspect geluid relevant, waarvoor in het onderhavige geval een richtafstand van 10 meter geld. Voor een aantal nieuwbouwwoningen kan ook niet aan die richtafstand worden voldaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook voor dit aspect nader onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 13, Onderzoek naar het geluid in de omgeving ten gevolge van Lammers Autoschade BV te Kudelstaart, Peutz). Uit dit onderzoek blijkt dat voor een 3-tal woningen niet kan worden voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Om wel aan de grenswaarden te kunnen voldoen Geadviseerd wordt de bovenliften van dit raamwerk te vervangen door een suskast. Om te kunnen voldoen aan de geluidgrenswaarden kunnen de volgende maatregelen worden getroffen: <0000> het realiseren van een suskast bij het autoschadebedrijf, waardoor het geluidniveau naar de omgeving ten gevolge van het binnengeluidniveau ten minste 6 dB(A) gereduceerd wordt of: <0000> het realiseren van een geluidscherm op korte afstand van het bedrijf. Het scherm zal hoogte moeten hebben minimaal gelijk met de hoogte van het bedrijfspand van Lammers. Het geluidscherm zal het raamwerk met de bovenliften volledig moeten afschermen.
De mogelijke uitvoering van dit geluidscherm is nader onderzocht, zie bijlage 14 Geluidbelasting Lammers Autoschade B.V. te Kudelstaart na realisatie van een geluidscherm, Peutz. Ter borging van het aspect akoestiek is in deze regels voor de betreffende woningen die een specifieke bouwaanduiding hebben gekregen een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Resumerend kan er voor de betreffende woningen, voor zowel de aspecten geur en geluid verantwoord afgeweken worden van de richtwaarden uit de VNG-brochure. In het kader van de onderhavige bestemmingsplanprocedure zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering. Voor de woningen gelden zogenaamde voorwaardelijke verplichtingen, die kort gezegd inhouden dat voor het ingebruiknemen van de woningen nadere voorwaarden gelden.
6.10 Vormvrije m.e.r-beoordeling Op 1 april 2017 is het Besluit m.e.r. aangepast. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het gewijzigde besluit is op 7 juli 2017 in werking getreden en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er toch een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Het plan blijft, met 267 woningen en bijbehorende parkeervoorzieningen, ruim beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst). In categorie D11.2 is voor "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject", een drempelwaarde van 100 hectare of meer, of 2.000 of meer woningen opgenomen. Aangezien de diverse drempelwaarden niet worden overschreden geldt er geen m.e.r.-plicht, maar een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Er zal een toets moeten
worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn en hierover een separaat besluit nemen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een plan-MER. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Toetsing In het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan t.a.v. het Besluit m.e.r. heeft initiatiefnemer een zogenaamde aanmeldnotitie m.e.r. aangeleverd (zie bijlage 15, aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling, Mees Ruimte en Milieu, 11 februari 2021. Uit de beoordeling blijkt dat er geen 'omvangrijke negatieve milieueffecten' optreden als gevolg van de realisatie van dit plan.
Omvangrijke negatieve milieueffecten zijn hierdoor uitgesloten, waardoor het opstellen van een plan-m.e.r. niet nodig is. Op 7 december 2021 heeft het college naar aanleiding van deze aanmeldnotitie en in overeenstemming met de conclusies daaruit een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
HOOFDSTUK 7 UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Met 1 van de 2 particuliere grondeigenaren in het exploitatiegebied is een anterieure overeenkomst tot kostenverhaal voor de ontwikkeling van het gehele bestemmingsplangebied gesloten. Deze grondeigenaar (tevens ontwikkelaar) heeft ook een koopovereenkomst met de andere particuliere grondeigenaar gesloten, waarin de levering van deze gronden aan de ontwikkelaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is opgenomen. Omdat de gemeente niet met alle particuliere grondeigenaren een anterieure overeenkomst gesloten heeft, dient ter zekerstelling van het gemeentelijke kostenverhaal tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Participatie en Inspraak Op 3 april 2017 vond in het dorpshuis ’t Podium in Kudelstaart de eerste participatie/informatiebijeenkomst in de aanwezigheid van ca. 200 belangstellenden plaats. De belangstellenden hebben desgevraagd deelgenomen aan een “digitale enquête” over de toekomstige inrichting en uitstraling van Westeinderhage. Een verslag van deze bijeenkomst, de verzorgde presentaties alsmede en de resultaten van enquete zijn op de gemeentelijke website geplaatst. De zorgen die tijdens de bijeenkomst over de verkeerskundige situatie op de Bilderdammerweg door vele aanwezigen zijn geuit, zijn aanleiding geweest om direct een uitgebreid verkeersonderzoek uit te voeren. Vervolgens heeft een tweede bijeenkomst plaatsgevonden op 10 juli 2017, wederom onder grote belangstelling, in het kerkgebouw De Spil in Kudelstaart. Tijdens deze bijeenkomst heeft Goudappel Coffeng de resultaten van het verkeerkundig onderzoek (zie paragraaf 6.8 )toegelicht. Aansluitend heeft het stedenbouwkundig adviesbureau Kuiper Compagnons een presentatie verzorgd waarin eerst een terugkoppeling over de resultaten van de enquete werd gegeven. Vervolgens is stap voor stap het stedenbouwkundig ontwerpproces voor Westeinderhage toegelicht. Deze planuitwerking resulteerde uiteindelijk in enkele (globale) ontwikkelingsscenario’s voor het plangebied.
Deze presentaties alsmede de verkeerskundige rapportage “Ontwikkeling Westeinderhage te Kudelstaart” zijn op de gemeentelijke website te lezen. Vele aanwezigen, hoofdzakelijk omwonenden van het plangebied, hebben aangegeven geen voorstander van de beoogde woningbouwontwikkeling in Westeinderhage te zijn, vooral omdat de mogelijke wijzigingen in hun directe woon- en leefomgeving onduidelijk/onzeker blijven. Een ander punt van kritiek van de aanwezigen betrof het gebrek aan extra groen en water in de planuitwerkingen. Dit is aanleiding geweest om de verkaveling (zie hoofdstuk 3) eerder uit te werken dan gebruikelijk is. Om de participatie-/informatiebijeenkomsten in goede banen te leiden, is gekozen voor de inzet van een onafhankelijke gespreksleider. Hiervoor is het Bureau voor
Overheidscommunicatie ingeschakeld. Direct omwonenden zijn voor deze bijeenkomsten per brief en via email uitgenodigd. Verder zijn de bijeenkomsten via de gemeentelijke website, het weekblad en sociale media aangekondigd. Gedurende dit participatie-/informatietraject vond actief contact/overleg met de Dorpsraad Kudelstaart plaats. Ook zijn omwonenden, die een reactieformulier hebben ingevuld, aan huis bezocht om een beter beeld van hun situatie te krijgen. Vervolgens is een ontwerpstartnotitie van vrijdag 30 november 2018 tot en met donderdag 10 januari 2019 voor eenieder voor inspraak ter inzage gelegd, waarbij de gelegenheid is geboden om een inspraakreactie in te dienen. Tijdens deze inspraakperiode heeft op dinsdag 11 december 2019 een 3e participatie- en informatiebijeenkomst plaatsgevonden. De binnengekomen inspraakreacties op de ontwerpstartnotitie zijn beantwoord en gebundeld in de Nota van Beantwoording welke tezamen met de vervolgens aangepaste startnotitie door het college van burgemeester en wethouders ter vaststelling aan de gemeenteraad is aangeboden. Na vaststelling van de startnotitie door de gemeenteraad op 12 december 2019 is de volgende stap in het proces gezet, het sluiten van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer waarin het kostenverhaal tussen partijen is gesloten.
Om de gewenste woningbouw te kunnen realiseren is vervolgens voorliggend bestemmingsplan in voorbereiding genomen. Dit om planologisch-juridisch woningbouw op de betreffende locatie mogelijk te maken. Het hiervoor weergegeven participatie- en inspraakproces op de startnotitie kan in deze worden beschouwd als onderdeel van de planvoorbereiding, zodat over het voorontwerpbestemmingsplan geen inspraak hoeft te worden geboden. Tijdens deze wettelijke procedure van het bestemmingsplan, die start met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, bestaat voor eenieder de mogelijkheid om zienswijzen kenbaar te maken. 7.2.2 Bro-partners In het kader van het wettelijk vooroverleg op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp toegezonden aan de hieronder genoemde provinciale en rijksdiensten en andere instanties op 18 februari 2021. De toezending is gedaan met het verzoek om uiterlijk 19 maart 2021 te reageren en met de mededeling, dat indien niet binnen die termijn zal zijn gereageerd, wordt aangenomen, dat het voorontwerp bestemmingsplan geen aanleiding heeft gegeven tot het maken van opmerkingen. 1. 2. 3. 4.
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland; Waterschap Amstel Gooi en Vecht; Waterschap Rijnland; Luchthaven Schiphol Group.
Alleen de overlegpartners als genoemd onder 1 en 3 hebben een reactie gegeven. 1. GS van Noord- Holland GS hebben aangegeven het voorontwerp te willen behandelen in de ARO. Reactie gemeente Zie hiervoor het overwogene in paragraaf 5.3.2. Een aantal van de gedane adviezen wordt meegenomen in de inrichting van het gebied.
3. Rijnland Rijnland heeft geen bezwaar tegen het voorontwerp bestemmingsplan. De waterhuishoudkundige belangen van het Hoogheemraadschap van Rijnland zijn niet in het geding. Het plangebied is namelijk niet gelegen binnen Rijnland, maar binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Geadviseerd wordt dan ook het plan naar AGV en hun uitvoerende dienst Waternet toe te sturen. Wel wordt opgemerkt dat in de waterparagraaf het Waterschap AGV benoemd kan worden. Daarnaast is er een recenter GRP van Aalsmeer, dat medio december 2020 is vastgesteld. Reactie gemeente Ook Waternet heeft het voorontwerpbestemmingsplan in het kader van het artikel 3.1.1.- Bro overleg toegezonden gekregen, maar zij hebben niet gereageerd. Het waterschap AGV is genoemd in de waterparagraaf. De tekst t.a.v. het GRP Aalsmeer is aangepast.
7.3 Handhaving
Handhaving op het gebied van ruimtelijke ordening spitst zich toe op het gebruik van de gronden en opstallen, de maatvoering van bouwwerken en het uitvoeren van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Handhaving kan kortweg worden omschreven als: elke handeling die er op is gericht de naleving van rechtsregels te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Handhaving is geen doel op zich maar draagt bij aan de realisatie van de ruimtelijke doelstellingen die met het bestemmingsplan worden beoogd en de bescherming van de verschillende belangen die worden gewaarborgd. Een bestemmingsplan bevat daarom een handhavingsparagraaf. Hierin wordt een toelichting gegeven op de wijze waarop de gemeente het juridische normenkader van het bestemmingsplan handhaaft, dat door middel van de planregels in samenhang met de planverbeelding in het leven is geroepen. Het niet naleven van een bestemmingsplan komt neer op het ondergraven van één van de meest waardevolle en invloedrijkste instrumenten van de gemeentelijke overheid. Daarnaast is het een inbreuk op en aantasting van de belangrijkste waarborgen die de burger en bedrijven op gemeentelijk niveau hebben. De maatschappij mag immers verwachten en eisen van de gemeentelijke overheid dat zij de regelgeving die zij in het bestemmingsplan heeft opgenomen ook zal handhaven.
Het niet naleven en handhaven van het bestemmingsplan tast de geloofwaardigheid van de gemeente in het algemeen aan. Om deze redenen is het noodzakelijk het bestemmingsplannen te handhaven en te blijven handhaven. De gemeente is verplicht om uitvoerings- (vergunningverlening) en handhavingsbeleid vast te stellen in een of meer documenten, waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen wij onszelf stellen bij de uitvoering en handhaving en welke activiteiten we daarvoor zullen uitvoeren. Deze verplichting is nu al opgenomen in het Besluit omgevingsrecht en komt ook in de Omgevingswet terug. De gemeente heeft aan deze verplichting invulling gegeven in het actuele VTH beleidsplan, waarin zowel het uitvoerings- als het handhavingsbeleid is opgenomen. Deze nota beschrijft de visie, doelstellingen, prioriteiten, uitgangspunten en strategieën op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van de geldende wetgeving, waaronder dit bestemmingsplan. Een andere
belangrijk uitgangspunt zijn de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften, de beleidskaders en een analyse van inzichten, technieken en werkwijzen die gebruikt kunnen worden voor de uitvoering. Het gehele uitvoerings- en handhavingsbeleid geeft ten minste inzicht in: <0000> De prioriteiten bij de uitvoering van voorgenomen activiteiten. <0000> De methodiek die de gemeente gebruikt om te bepalen of gestelde doelen worden bereikt. <0000> De objectieve criteria voor het beoordelen van aanvragen voor en beslissingen over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen. <0000> De werkwijze bij vergunningverlening en het afhandelen van meldingen. <0000> De afspraken die door de gemeente met de Omgevingsdienst en met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt. <0000> De wijze waarop het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde wordt uitgeoefend om de gestelde doelen te bereiken. De wijze waarop bestuurlijke sancties en de termijnen die bij het geven en uitvoeren daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen. De wijze waarop de gemeente handelt na overtredingen die zijn begaan door of in naam van de eigen gemeente of van andere organen behorende tot de overheid.
In de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s worden deze prioriteiten vertaald in daadwerkelijke activiteiten. Jaarlijks evalueren we de uitgevoerde inspanningen en toetsen we de bijdrage aan de beleidsdoelstellingen. Doen we nog de juiste dingen op de juiste wijze of signaleren we ontwikkelingen die een aanpassing van het (ruimtelijke) beleid vragen? Het uitvoeringsprogramma, jaarverslag en de evaluatie worden toegestuurd aan de gemeenteraad. Uit de planregeling van dit bestemmingsplan volgt geen directe opgave voor handhaving. Er zijn geen strijdige en illegale functies geconstateerd die ingevolge het bestemmingsplan dienen te worden beëindigd.