CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - bijlage 4 - QuickscanFF.pdf

1a.Commissie Ruimte Beeldvormend 15 november 2022, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan CO2 transportleiding ‘de Kwakel’, Aalsmeer’6.887 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan flora en fauna voor distributieleiding PrimA4, de Kwakel De Asselen Kuil 20, 6161 RD Geleen MA190014.019.R01 14 juni 2021

Quickscan flora en fauna voor distributieleiding PrimA4, de Kwakel De Asselen Kuil 20, 6161 RD Geleen Documentnummer MA190014.019.R01 14 juni 2021

Atron Engineering

Ir. F. Fahner Senior ecoloog

Functie

Naam

Paraaf

projectleider

Van Oers, D.

DvO

MA190014.019.R01

2 van 15

Inhoud 1

Inleiding ......................................................................... 4

2

Resultaten archief- en veldonderzoek ................. 7

2.1 2.2 2.3

Analyse archiefgegevens Resultaten veldonderzoek flora en fauna Afbakening van en geschiktheid voor soortgroepen

3

Effecten en te treffen maatregelen ...................... 11

3.1 3.2 3.3

Beschrijving van de activiteit Gevolgen voor beschermde soorten Mitigerende maatregelen/vervolgstappen

Bijlagen Bijlage 1 Toetsingskader: wetgeving en beleid Bijlage 2 Status van soorten in het onderzoeksgebied Bijlage 3 Foto’s

MA190014.019.R01

3 van 15

7 8 9

11 11 13

1 Inleiding OCAP (CO2 voor de tuinbouw) is voornemens in het kader van het project PrimA4 een CO2‐distributieleiding aan te leggen nabij Leimuiden, tussen knooppunt Burgerveen (A4/A44) in de Haarlemmermeerpolder tot de Hoofdweg te Bilderdam op de grens van Zuid‐ en Noord‐Holland, genaamd de Kwakel. Het tracé is op onderstaand overzichtskaartje weergegeven en wordt in het vervolg aangeduid als het projectgebied. In het kader van de benodigde vergunningen dient onder meer een vooronderzoek te worden uitgevoerd op het gebied van flora en fauna.

Figuur 1: Overzichtskaartje met ligging projectgebied

Het doel van dit onderzoek is dat nagegaan wordt welke natuurwaarden in c.q. in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig zijn en welke vervolgstappen eventueel nodig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Een toelichting op de werking van de Wnb in relatie tot ruimtelijke ingrepen is opgenomen in voorliggend rapport als bijlage 1. Projectgebied Het tracé van de leiding heeft een lengte van 4,8 kilometer en loopt door in totaal 3 gemeenten, zowel in Noord‐ als in Zuid‐Holland, namelijk Haarlemmermeer, Aalsmeer (beide Noord‐Holland) en Kaag en Braassem (Zuid‐Holland). Ter hoogte van Burgerveen wordt de Westeinderplassen doorsneden en verder loopt het tracé geheel door open, agrarisch gebied. In de Haarlemmermeerpolder, het westelijk deel van het tracé, gaat het om grote akkerbouwpercelen. Voorbij de Westeinderplassen ligt het oostelijk deel in de Griet‐ en Vriesekoopsche Polder met lange, smalle graslandpercelen, waartussen ook akkers liggen.

MA190014.019.R01

4 van 15

In hoofdstuk 2 wordt nader ingegaan op de aanwezige begroeiing en biotopen in en nabij het projectgebied. Werkwijze/indeling rapport Voor de onderhavige quickscan is zowel archief‐/bureau‐ als veldonderzoek uitgevoerd. Bij het bureauonderzoek is onder andere nagegaan in hoeverre het projectgebied zich verhoudt tot beschermde natuurgebieden in de (wijde) omgeving. Hierop wordt aan het eind van dit hoofdstuk nader ingegaan. Voor het archiefonderzoek is met name gebruik gemaakt van gegevens uit het Natuurloket (Nationale Databank Flora en Fauna), zie hiervoor hoofdstuk 2. In dat hoofdstuk komt ook het veldonderzoek ter sprake. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de gevolgen van het voornemen behandeld. Ook worden in dit hoofdstuk, in de laatste paragraaf, eventuele vervolgstappen behandeld, met name te nemen mitigerende maatregelen en wordt ingegaan op de noodzaak een ontheffing aan te vragen ingevolge de Wnb. In bijlage 1 wordt ingegaan op het wettelijk kader en bijlage 2 geeft de status van de in het onderzoeksgebied waargenomen soorten weer. Relatie tot beschermde natuurgebieden Europees beschermde gebieden. Er zijn in de directe omgeving geen Natura 2000‐gebieden aanwezig. Het dichtstbij gelegen Natura 2000‐gebied is het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, dat op ongeveer 9 kilometer afstand van het projectgebied gelegen is, zie figuur 2.

Gelet op deze afstand en de tussengelegen stedelijke gebieden en infrastructuur, zijn negatieve effecten van het voornemen op de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied redelijkerwijs uit te sluiten.

Figuur 2: Ligging projectgebied in relatie tot Natura 2000‐gebieden

Nationaal en provinciaal beschermde gebieden. Onderstaande figuren 3a en 3b geven een uitsnede weer van de kaarten behorende bij de Provinciale Ruimtelijke Verordening (Omgevingsverordening) van respectievelijk de

MA190014.019.R01

5 van 15

Provincie Noord‐Holland en de Provincie Zuid‐Holland. Het projectgebied op land overlapt niet met gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Wel wordt een Ecologische Verbindingszone (Provincie Noord‐Holland) gekruist. Dit zijn verbindingen tussen de Natuurnetwerk‐gebieden. In het onderhavige geval betreft het een verbinding voor het veiligstellen van internationaal kwetsbare populaties. Hiervoor zijn geen natuurdoelen gesteld in het Natuurbeheerplan. In het kader van dit project vindt geen aantasting van de betreffende verbinding plaats, hooguit is er sprake van een tijdelijke verstoring vanwege het realiseren van een werkweg. Wat betreft de Westeinderplassen, dit gebied behoort tot de NNN, maar hieronder vindt een boring plaats op zodanige diepte, dat er geen negatieve gevolgen zijn voor het waterleven. Er vindt al met al geen aantasting plaats van de NNN, zodat strijdigheid met de bepalingen van de genoemde verordeningen kunnen worden uitgesloten. Verder liggen er ook geen weidevogelkerngebieden of ganzenrustgebieden in de directe omgeving, zoals blijkt uit raadpleging van de data‐portalen van de beide provincies. Conclusie. Er hoeft niet verder te worden ingegaan op gevolgen van het onderhavige project voor beschermde natuurgebieden.

Figuur 3a: Ligging Natuurnetwerk Nederland, Noord‐Holland (Bron: Provincie Noord‐Holland)

Figuur 3b: Ligging Natuurnetwerk Nederland, Zuid‐Holland (Bron: Provincie Zuid‐Holland)

MA190014.019.R01

6 van 15

2 Resultaten archief- en veldonderzoek 2.1 Analyse archiefgegevens Uit de dataset van de Nationale Databank Flora en Fauna zijn gegevens gedownload die betrekking hebben op de afgelopen vijf jaar (vanaf 1.1.2015) van de soortgroepen zoogdieren, vogels, amfibieën en reptielen (herpetofauna), vissen, insecten (waaronder) dagvlinders, weekdieren en vaatplanten, van een zone van minimaal 500 m rondom het projectgebied (hierna onderzoeksgebied genoemd). In totaal gaat het om 1.055 waarnemingen. Zogenaamde vlakgegevens, dus gegevens die niet goed te lokaliseren zijn, zijn buiten beschouwing gelaten, waarna nog 600 waarnemingen resteerden. Hieruit zijn alleen beschermde soorten en soorten van de Rode Lijst geselecteerd, waardoor alleen nog gegevens (in totaal 214) overbleven van de soortgroepen amfibieën, vaatplanten, vissen, vogels en zoogdieren. Hieronder worden per soortgroep de resultaten geëvalueerd. Op bijgaande verspreidingskaarten (1 t/m 5) zijn de waarnemingen binnen het onderzoeksgebied uitgeplot. Zoogdieren (kaart 1) Van zoogdieren zijn slechts een tiental waarnemingen beschikbaar in de aangegeven periode. Van vleermuizen zijn in het geheel geen waarnemingen beschikbaar en de overige hebben betrekking op slechts een viertal soorten, namelijk de bunzing, de egel, de haas en de vos.

Het betreft algemeen voorkomende soorten, waarvoor, behalve voor wat betreft de bunzing in de provincie Noord‐Holland, een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen (vergelijk tabel A in bijlage 1). De meeste waarnemingen zijn in de Haarlemmermeerpolder gedaan en voornamelijk van de haas. Van de egel is een verkeersslachtoffer geregistreerd op de Herenweg, langs de Westeinderplassen. Al met al zijn de gegevens van zoogdieren zeer schaars en ze geven zeker geen representatief beeld van de hier te verwachten soorten. Vogels (kaarten 2 t/m 4) Verreweg de meeste waarnemingen heeft betrekking op de soortgroep vogels. Bij deze soortgroep zijn de volgende selectiecriteria gehanteerd om alleen relevante waarnemingen over te houden: van de broedvogels (behalve roofvogels en uilen) zijn alleen waarnemingen geselecteerd die betrekking hebben op territoriaal gedrag. Een aparte categorie vormen de weidevogels, zoals grutto, kievit en scholekster. Van deze groep zijn alle waarnemingen geselecteerd, behalve overvliegende exemplaren, om zodoende ook eventuele rust‐ of foerageerplaatsen te kunnen identificeren. Een vierde categorie wordt gevormd door watervogels (wintergasten), hiervan zijn waarnemingen van grote groepen (pleister‐ en foerageerplaatsen) geselecteerd (minimaal 25 exemplaren). Uiteindelijk bleven van de 562 vogelwaarnemingen 181 relevante waarnemingen over.

Nesten en vastgestelde territoria zijn, voor zover aangetroffen, op de kaarten apart weergegeven. Broedvogels, algemeen. De beschikbare relevante waarnemingen van broedvogels (25) zijn gedaan verspreid over het onderzoeksgebied, met de grootste dichtheid in de oeverzone van de Westeinderplassen. Het gaat daar om typische moerassoorten als blauwborst, bosrietzanger, kleine karekiet en rietzanger. Elders zijn nog bossoorten waargenomen als fitis, graspieper, spotvogel, sprinkhaanzanger, tjiftjaf en zwartkop. De zwarte roodstaart wordt ook veel in stedelijke milieus aangetroffen. Opvallend is dat er geen waarnemingen bij zijn die betrekking hebben op een territorium. Er zullen van de meeste van de genoemde soorten ook zeker territoria aanwezig zijn. Hiervoor is systematisch onderzoek nodig, de gegevens in de NDFF daarover zijn doorgaans

MA190014.019.R01

7 van 15

afkomstig van SOVON. De meeste soorten zijn algemeen, de huismus, de graspieper en de spotvogel staan op de Rode Lijst (zie bijlage 2). Roofvogels en uilen. Van roofvogels en uilen zijn alle waarnemingen geselecteerd, behalve die welke betrekking hebben op overvliegende exemplaren. Van deze groep vogels bleven 104 waarnemingen over, maar ook hierbij zijn geen territoriale waarnemingen. Er zijn waarnemingen van een viertal soorten: de blauwe en de bruine kiekendief, de buizerd en de kerkuil. Vrijwel alle waarnemingen zijn in het westen gedaan (Haarlemmermeerpolder en oeverzone Westeinderplassen). Binnen c.q. nabij het projectgebied zijn vijf soorten waargenomen, namelijk de blauwe kiekendief, bruine kiekendief, de buizerd, de kerkuil en de torenvalk (zie kaart 3), waarvan de buizerd een vrij algemeen voorkomende soort is. Een tweetal in het onderzoeksgebied waargenomen soorten staan op de Rode Lijst (zie bijlage 2): blauwe kiekendief en torenvalk. Watervogels. Van de watervogels zijn alleen waarnemingen van groepen van 25 individuen of meer tegelijk geselecteerd, om zodoende een beeld te verkrijgen van mogelijke foerageer‐ en rustplaatsen. Van de grauwe gans, de nijlgans en de kokmeeuw zijn grote groepen waargenomen in de directe omgeving van het projectgebied, namelijk in de agrarische percelen. Het gaat hierbij met name om foeragerende ganzen en meeuwen. Weidevogels.

Er zijn 4 soorten weidevogels binnen het onderzoeksgebied waargenomen: grutto, kievit, scholekster en tureluur. In totaal gaat het om 25 waarnemingen. Van de genoemde soorten staan er twee op de Rode Lijst (grutto en tureluur). Er zijn ook van de weidevogels geen gegevens beschikbaar over territoria, maar deze zijn in de weidegronden van de Griet‐ en Vriesekoopsche Polder zeker te verwachten. Er zijn echter, voor zover bekend, geen systematische tellingen verricht, althans niet in de onderzoeksperiode. Herpetofauna en vissen (kaart 5) Amfibieën. Het aantal waarnemingen van amfibieën is zeer gering, namelijk 4. Blijkens kaart 6 gaat het om in totaal 2 à 3 soorten, afhankelijk van of men de meerkikker en de bastaardkikker als twee aparte soorten beschouwt. Laatstgenoemde soort is namelijk een kruising tussen de meerkikker en de poelkikker. De op kaart 5 vermelde soorten zijn vrijgesteld (zie bijlage 1, tabel a). De waarnemingen zijn gedaan in de sloten tussen agrarische percelen in de Griet‐ en Vriesekoopsche Polder. Vissen. Van de vissen zijn 2 relevante waarnemingen geselecteerd. Het gaat alleen om de Europese aal en de rivierdonderpad, die tot 1.1.2017 een beschermde status hadden, maar thans niet meer beschermd zijn. De rivierdonderpad staat nog wel op de Rode Lijst. Deze soorten zijn aangetroffen in de Westeinderplassen.

Vaatplanten (kaart 5) Van de vaatplanten zijn 62 puntwaarnemingen beschikbaar, na selectie van beschermde of anderszins bijzondere soorten blijven daar 17 waarnemingen van over, van slechts een tweetal soorten, te weten de rietorchis en de waterscheerling. Laatstgenoemde soort staat op de Rode Lijst en de rietorchis was voorheen beschermd onder de Flora‐ en faunawet. De rietorchis is aangetroffen in de lussen van knooppunt Burgerveen, terwijl de waterscheerling op diverse plekken in de oeverzone van de Westeinderplassen is waargenomen.

2.2 Resultaten veldonderzoek flora en fauna Methode Op 7 januari 2020 in de middag is het projectgebied bezocht. Er zijn daarbij foto’s genomen, welke zijn opgenomen in voorliggend rapport, om een goed beeld te kunnen presenteren van de huidige situatie, zie bijlage 3. Het was bewolkt, maar droog en relatief zacht winterweer (8°C). Niet het volledige tracé was bereikbaar, maar er is qua biotopen geen grote variatie en het agrarisch gebruik is zeer intensief, zodat het inspecteren van een aantal representatieve plekken voldoende informatie oplevert. Met name is gelet op binnen het projectgebied voorkomende bijzondere planten (voor zover te beoordelen gelet op het

MA190014.019.R01

8 van 15

winterseizoen), nesten in bomen, mogelijke pleister‐ en rustgebieden voor weidevogels en wintergasten en potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende dieren, met name vleermuizen. Biotopen De belangrijkste binnen het projectgebied voorkomende biotopen zijn akker, grasland en open water (met oeverzone). Zie voor de akkerpercelen foto’s 1,4, 11, 12 en 13, voor de graslandpercelen foto’s 8 en 9 en voor het open water met oeverzone foto’s 6 en 7. Door de Griet‐ en Vriesekoopsche Polder (oostelijk deel) loopt het tracé langs een brede wetering (zie foto 11), waarbij diverse dwarssloten worden gekruist die hierin uitkomen. Er zijn binnen het projectgebied nauwelijks bomen aanwezig, alleen langs de Venneperweg staan rijen essen, zie foto 5. In het zuidoosten is een werkweg gepland over de dijk, zie foto 13. Op de kruin van de dijk is een onverhard wandelpad aanwezig en de taluds worden begraasd door schapen. Soorten Tijdens het veldbezoek zijn diverse vogels gezien, maar geen zoogdieren. Het gaat vooral om watervogels/wintergasten, die in de graslanden van de Griet‐ en Vriesekoopsche Polder foerageren en rusten. Hierin is een groep van circa 50 kokmeeuwen waargenomen, alsmede een groep grauwe ganzen (circa 10) en een enkele jagende blauwe reiger.

Deze gegevens komen overeen met die in de NDFF (zie vorige paragraaf en kaart 4) Verder zijn met name foeragerende kraaiachtigen waargenomen. Zoals al opgemerkt, zijn er nauwelijks bomen aanwezig binnen het projectgebied. In de essen langs de Venneperweg zijn geen holen aangetroffen, ook zijn geen (oude) nesten aangetroffen. Het voorkomen van vleermuizen in deze bomen is uitgesloten, terwijl er thans ook geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats als roeken, uilen of roofvogels. Langs het projectgebied, met name nabij werkwegen, liggen wel opstallen waar vleermuisverblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn. De akkers waren geploegd en een vegetatie ontbreekt. De graslandpercelen worden intensief gebruikt, zodat bijzondere planten niet te verwachten zijn. In de aanwezige waterlopen ontbreken waterplanten nagenoeg en ook de oevers zijn vrij kaal. Maar dit heeft ook voor een belangrijk deel te maken met het seizoen. In de oeverzone van de Westeinderplassen is riet aanwezig, maar wel op enige afstand van de kant. In de oever langs de Herenweg (oostoever) zijn basaltblokken aangebracht. Hierin is geen vegetatie aanwezig.

2.3 Afbakening van en geschiktheid voor soortgroepen Afbakening van relevante soortgroepen Het projectgebied kent geen grote diversiteit aan biotopen en de kwaliteit ervan is matig, wat te maken heeft met het intensieve agrarische gebruik. Bijzondere plantensoorten zijn niet te verwachten. Bomen ontbreken binnen het projectgebied nagenoeg, afgezien van enkele rijen essen langs de Venneperweg. Daarom heeft het gebied voor vleermuizen geen of slechts een zeer beperkte betekenis en de aanwezigheid van (potentiële) verblijfplaatsen kan in elk geval worden uitgesloten. Alleen kunnen in de nabijheid in opstallen, bijvoorbeeld op de agrarische erven, wel verblijfplaatsen voorkomen. De genoemde bomenrijen kunnen dienst doen als vliegroute en jachtgebied. Ook voor de volgende relevante soortgroepen (waarvan beschermde soorten te verwachten zijn) biedt het projectgebied in meer of mindere mate geschikte habitats: landzoogdieren, broedvogels, amfibieën, reptielen en vissen.

MA190014.019.R01

9 van 15

Geschiktheid voor relevante soortgroepen Zoogdieren – vleermuizen. Zoals opgemerkt kunnen vleermuizen alleen in de nabijheid van het projectgebied verwacht worden, namelijk in opstallen langs werkwegen. Langs de Venneperweg1 kunnen vleermuizen gebruik maken van de essen als vliegroute en foerageergebied. Zoogdieren ‐ landzoogdieren. Er zijn slechts enkele waarnemingen van grondgebonden zoogdieren binnen het onderzoeksgebied. Het terrein biedt geschikte habitats voor algemeen voorkomende soorten, met name diverse muizensoorten, haas, vos en kleine marterachtigen als de bunzing (vergelijk kaart 1). Het betreft, behalve de marterachtigen (bijvoorbeeld bunzing) soorten waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen (zie bijlage 1, tabel a). Vaste rust‐ en verblijfplaatsen van marterachtigen, met name holen, zijn in het projectgebied niet te verwachten, aangezien er weinig vegetatie aanwezig is. Broedvogels. Omdat bomen nagenoeg ontbreken zijn er voor broedvogels ook nauwelijks geschikte nestplaatsen, behalve in de bomen langs de Venneperweg. Gezien de verstoring door verkeer zijn alleen algemene, cultuurvolgende soorten te verwachten, bijvoorbeeld kraaiachtigen. Voor water‐ en weidevogels zijn er wel geschikte broedbiotopen, in de oeverzones van plassen en sloten en in de graslanden. Voor roofvogels en uilen heeft het projectgebied alleen betekenis als jachtgebied.

Amfibieën en reptielen. Er zijn alleen waarnemingen van amfibieën beschikbaar, maar niet van reptielen (zie §2.1). Geschikte voortplantingsplaatsen voor amfibieën zijn in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig, in de vorm van slootoevers. De kwaliteit ervan is echter matig, streng beschermde soorten, die kritisch zijn ten aanzien van hun biotoopkeuze, zijn vooralsnog niet te verwachten, maar alleen algemeen voorkomende soorten als bruine en groene kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Indien er door het berijden van de akkers diepe wielsporen ontstaan, kunnen zich in het projectgebied plaatselijk geschikte voortplantingsplaatsen van de streng beschermde rugstreeppad vormen. Van de reptielen kan de ringslang voorkomen binnen of in de directe omgeving van het projectgebied, maar voortplantingsplaatsen kunnen worden uitgesloten, aangezien geschikte broedhopen als blad‐ en composthopen of mestvaalten niet aanwezig zijn. Voor deze soort heeft het gebied alleen betekenis als jachtgebied. Vissen. De binnen of langs het projectgebied gelegen vaarten en sloten bieden een geschikt leefgebied voor vissoorten als de aal en de rivierdonderpad (zie kaart 5) en ook een (voorheen streng beschermde) soort als de bittervoorn, maar actueel beschermde soorten kunnen wel uitgesloten worden wegens het ontbreken van een geschikt leefmilieu.

1

Langs het verlengde van de Venneperweg, na de gelijkvloerse kruising met de Leimuiderweg N207/Provinciale weg, staan

ook bomen welke door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Echter ten zuidwesten van de N207 vinden geen werkzaamheden plaats in het kader van het onderhavige initiatief

MA190014.019.R01

10 van 15

3 Effecten en te treffen maatregelen 3.1 Beschrijving van de activiteit Het voornemen is reeds in hoofdstuk 1 kort beschreven. Binnen het projectgebied zal een ondergrondse leiding worden aangelegd, deels in een open ontgraving en deels door middel van een horizontaal gestuurde boring, op onderstaande figuur 4 zijn de betreffende delen weergegeven. De lengte van de leiding bedraagt 4,8 km. Verder worden diverse werkterreinen en werkwegen ingericht voor het opstellen van bijvoorbeeld boorinstallaties en het stallen van materieel. Deze terreinen, die op figuur 1 (hoofdstuk 1) zijn weergegeven, hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 11,5 ha. Deze zullen deels met rijplaten worden bedekt. De werkzaamheden voor het leggen van de leiding zijn gepland in 2021, maar een gedetailleerde planning is nog niet beschikbaar.

Figuur 4: Wijze van aanleg (blauw = gestuurde boring, rood = open ontgraving)

3.2 Gevolgen voor beschermde soorten Algemeen Voor de in §2.3 genoemde soortgroepen, namelijk vleermuizen, landzoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen en vissen wordt hierna op de (mogelijke) negatieve effecten ingegaan. Vleermuizen Verblijfplaatsen. Het projectgebied en de directe omgeving bevat geen potentiële verblijfplaatsen in de vorm van geschikte boomholtes. Wel zijn in de opstallen naast het projectgebied (werkwegen) potentiële

MA190014.019.R01

11 van 15

verblijfplaatsen aanwezig, maar de afstand tot het tracé is zodanig dat eventuele verstorende invloeden door de aanlegwerkzaamheden niet aan de orde zijn. Negatieve gevolgen voor vaste rust‐ en verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Vliegroute en foerageergebied. De binnen en nabij het projectgebied aanwezige bomen (met name in rijverband) in combinatie met (vochtige) graslanden en oevervegetaties vormen geschikt foerageergebied voor vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis en de watervleermuis. Maar verstoring (bijvoorbeeld door licht) of vernietiging ervan is niet aan de orde, de werkzaamheden vinden namelijk overdag plaats en er wordt geen verlichting aangebracht. Door de aanwezige bomenrijen langs de Venneperweg kan sprake zijn van een meer of minder belangrijke vliegroute, maar er worden geen bomen gekapt, zodat eventuele vliegroutes ook in tact blijven. Er zijn al met al geen (negatieve) gevolgen voor vliegroutes en foerageergebieden te verwachten. Landzoogdieren Verlies aan biotoop is niet aan de orde voor landzoogdieren, want na aanleg van de leiding wordt het terrein weer in de oorspronkelijke staat hersteld. Er kan alleen sprake zijn van een tijdelijke verstoring, wat vooral aan de orde is voor dieren die deels in de bodem leven, met name mollen en muizen.

Door graafwerkzaamheden en het leggen van rijplaten en dergelijke kunnen de genoemde in de bodem levende dieren onbedoeld worden verstoord of gedood. Door zorgvuldig te werken kan de kans daarop echter aanmerkelijk worden gereduceerd. Voor de te verwachten soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze geldt niet voor de bunzing, maar eerder is al opgemerkt dat verblijfplaatsen van deze soort hier niet te verwachten zijn. Dit betekent dat alleen de zorgplicht van toepassing is en een zorgvuldige werkwijze volstaat, zie volgende paragraaf. Broedvogels Omdat het projectgebied deel uitmaakt van een open agrarisch gebied met akkers en graslanden, doorsneden door sloten en vaarten, kunnen door de aanlegwerkzaamheden broedende water‐ en weidevogels (eenden, ganzen, meerkoet, grutto, kievit en scholekster) worden verstoord. Door met de planning met het broedseizoen rekening te houden, kunnen negatieve effecten geheel vermeden worden, zie verder ook de volgende paragraaf. Voor het broedseizoen kunnen in het onderhavige geval de datumgrenzen 15 maart en 15 juli worden aangehouden. Wat soorten met een jaarrond beschermde nestplaats betreft, met name roofvogels, is al opgemerkt dat er in of nabij het projectgebied geen verblijfplaatsen aanwezig zijn.

Er zijn uit de archiefwaarnemingen ook geen aanwijzigen voor de aanwezigheid van steenuilen op de enkele boerenerven waarover een werkweg wordt aangelegd. Verstoring van dergelijke soorten is vooralsnog uit te sluiten. Amfibieën en reptielen Er vinden graafwerkzaamheden plaats en deze vinden ook deels plaats langs oeverzones van sloten en in of langs moerassige zones. Daarom kunnen negatieve gevolgen op voortplantingsplaatsen van amfibieën niet op voorhand uitgesloten worden. Het betreft echter alleen algemeen voorkomende soorten, met name bruine kikker, gewone pad en groene kikker, dus soorten, waarvoor alleen de zorgplicht geldt, aangezien deze soorten op de Vrijstellingslijst staan (zie bijlage 1, tabel A). Het is overigens niet uit te sluiten dat er binnen het projectgebied geschikte voortplantingsplaatsen voor de rugstreeppad ontstaan en door de werkzaamheden negatieve gevolgen ontstaan voor deze streng beschermde soort. Door een zorgvuldige werkwijze kan het voorkomen van deze soort echter wel worden voorkomen, zie volgende paragraaf. Er zijn geen vaste rust‐ of verblijfplaatsen van de ringslang binnen het projectgebied aanwezig en vooralsnog ook niet te verwachten, zodat negatieve gevolgen voor deze streng beschermde soort niet aan de orde zijn.

MA190014.019.R01

12 van 15

Vissen Voor de werkzaamheden moeten mogelijk stukken sloot worden gedempt, maar beschermde vissoorten zijn niet te verwachten. Het gaat om algemene soorten, waarop alleen de zorgplicht van toepassing is. Door een zorgvuldige werkwijze kunnen negatieve gevolgen nagenoegd worden voorkomen, zie volgende paragraaf.

3.3 Mitigerende maatregelen/vervolgstappen Conclusies onderzoek Omschrijving project. Binnen het projectgebied wordt een ondergrondse CO2‐leiding aangelegd, deels in een open ontgraving en deels via een horizontaal gestuurde boring (zie figuur 4). Voor de aanleg worden (tijdelijke) werkwegen en –terreinen aangelegd. Voorliggend rapport gaat in op de mogelijke negatieve gevolgen voor natuurwaarden. Gevolgen voor beschermde natuurgebieden. Het projectgebied ligt zodanig ver verwijderd van Natura 2000‐ gebieden, dat negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden niet aan de orde zijn. Ook worden door het project geen gebieden, die behoren tot het nationaal of provinciaal natuurnetwerk, negatief beïnvloed. Gevolgen voor beschermde soorten. Er is sprake van een tijdelijke verstoring van beschermde zoogdiersoorten, maar het gaat alleen om algemeen voorkomende soorten, met name muizen, waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ingrepen. Er zijn geen negatieve gevolgen voor strenger beschermde soorten als de bunzing, die in deze omgeving weliswaar voorkomt, maar waarvoor binnen het projectgebied geen geschikte vaste rust‐ en verblijfplaatsen aanwezig zijn. Er kan binnen het broedseizoen wel sprake zijn van verstoring van water‐ en weidevogels, soorten als meerkoet, wilde eend, grutto, kievit en scholekster.

Voor wat betreft amfibieën en reptielen kunnen streng beschermde soorten als de rugstreeppad en de ringslang voorkomen, maar voor deze soorten zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig. Wel kunnen door een onzorgvuldige werkwijze geschikte voortplantingsplaatsen van de rugstreeppad ontstaan, waardoor ook negatieve gevolgen voor deze soort aan de orde kunnen zijn. Mogelijke negatieve gevolgen voor streng beschermde soorten kunnen evenwel eenvoudig worden voorkomen dan wel gemitigeerd. Algemene, licht beschermde soorten (landzoogdieren, amfibieën en vissen) Voor algemene, maar wel beschermde soorten, te weten soorten die op de Vrijstellingslijst van de beide provincies (Noord‐ en Zuid‐Holland) staan, geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen (zie voor een soortenlijst tabel A in bijlage 1). Voor alle soorten, inclusief de bedoelde algemene soorten, geldt evenwel altijd de zorgplicht ex art. 1.11 van de Wet natuurbescherming. Dit artikel is van toepassing op zowel beschermde als onbeschermde dier‐ en plantensoorten, ongeacht vrijstelling of ontheffing. De zorgplicht houdt in dat, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, schade aan plant‐ en diersoorten voorkomen wordt.

In het onderhavige geval betekent dit dat bij graafwerkzaamheden in de bodem voorzichtig te werk moet worden gegaan en in een richting moet worden gewerkt, zodat in de bodem aanwezige dieren (muizen) tijdig kunnen ontsnappen. Verder dienen vegetaties met grassen of ruigte voorafgaande aan de graafwerkzaamheden kort gemaaid te worden, zodat de kans op voorkomen van in de vegetatie schuilende dieren verkleind wordt. Er mag bij graafwerkzaamheden geen grond in oeverzones van sloten of moeraszones worden gedumpt om negatieve gevolgen voor amfibieën te voorkomen, dit geldt met name voor de kwetsbare periode voor amfibieën wat betreft voortplantingsplaatsen, namelijk tussen 15 maart en 1 september. In het geval er op het tracé amfibieën (van de provinciale Vrijstellingslijst ‐ zie bijlage 1, tabel A) worden aangetroffen, dienen deze te worden verplaatst (voor wat betreft de streng beschermde rugstreeppad, zie onder bij ‘amfibieën’). Daar waar delen van sloten worden gedempt, dienen deze eerst te worden afgedamd, waarna nog eventueel aanwezige amfibieën en vissen worden weggevangen.

MA190014.019.R01

13 van 15

Vogels Indien werkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen (15 maart tot 15 juli), dient rekening te worden gehouden met broedende vogels binnen en in de directe omgeving van het projectgebied, waaronder ook weidevogels. De bomen langs werkwegen, met name ter plaatse van de Venneperweg, dienen in deze periode te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten en broedgevallen. Dit geldt ook voor het tracé en de werkterreinen door de graslandpercelen, waar weidevogels en moerasvogels (in oeverzones van sloten) voor kunnen komen. Een ter zake deskundige ecoloog dient een storingsvrije zone te bepalen, waarbinnen geen verstorende werkzaamheden mogen plaatsvinden. In het uiterste geval moeten werkzaamheden tot na het broeden worden opgeschort, dit is ter beoordeling van de ecoloog. Amfibieën en reptielen Indien er zich rugstreeppadden in het werkgebied vestigen, kunnen deze alleen na het verkrijgen van een ontheffing worden verplaatst. Daarom dient het ontstaan van geschikte voortplantingsplaatsen voor de rugstreeppad te worden voorkomen door er op toe te zien dat er geen diepe wielsporen in de bodem ontstaan bij het rijden met zwaar materieel. Dergelijke sporen moeten zo snel mogelijk weer worden uitgewist, indien graafwerkzaamheden in de periode tussen 15 maart en 15 juni plaatsvinden.

Aangezien in de directe omgeving van geschikte voortplantingsplaatsen van algemeen voorkomende soorten amfibieën wordt gewerkt, dient de zorgplicht in acht te worden genomen, zie boven. Eerder is al gemotiveerd (par. 2.3) dat streng beschermde soorten (behoudens de rugstreeppad) hier niet te verwachten zijn, hetgeen vooral te maken heeft met het intensieve agrarische gebruik van aanliggende gronden en het ontbreken van structuurrijke oever‐ (en water)vegetaties. Nader onderzoek naar het voorkomen van amfibieën wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Dit geldt ook voor reptielen, met name de ringslang, waarvoor broedhopen (bijvoorbeeld van riet) en ruigtes nodig zijn, die in het projectgebied ontbreken. Flora In par. 2.3 is aangegeven dat, gelet op de kwaliteit van de aanwezige biotopen en het intensieve grondgebruik, bijzondere soorten, met name beschermde soorten niet te verwachten zijn binnen het werkgebied. Aanvullend veldonderzoek in de geschikte periode (voorjaar, zomer) op de plaatsen waar vergravingen plaatsvinden (in het meest oostelijk deel van het projectgebied) wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Noodzaak ontheffingsaanvraag Indien de voornoemde maatregelen in acht worden genomen, is er geen strijdigheid met de Wet natuurbescherming en kan de ingreep zonder ontheffing plaatsvinden. N.B.

Voor verstoring van broedvogels kan in het onderhavige geval geen ontheffing verkregen worden, aangezien de werkzaamheden niet behoren tot een van de belangen die daarvoor in de wet zijn opgenomen.

MA190014.019.R01

14 van 15

Bijlagen

MA190014.019.R01

15 van 15

Bijlage 1 Toetsingskader: wetgeving en beleid De bescherming van soorten en natuurgebieden is in Nederland op twee niveaus geregeld: 1) a. de soortenbescherming door de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 3) en b. de bescherming van beschermde natuurmonumenten (bijzondere nationale natuurgebieden) en Natura 2000‐gebieden idem (hoofdstuk 2); 2) de veiligstelling van het Nationaal Natuur Netwerk (NNN, voorheen EHS) in de Nota Ruimte, de Streekplannen, Interimstructuurvisie en de Bestemmingsplannen. Hieronder wordt alleen ingegaan op de soortenbescherming. Gevolgen voor Natura 2000‐gebieden kunnen uitgesloten worden, zodat dit hoofdstuk uit de Wnb buiten beschouwing wordt gelaten. Ook zijn er geen gevolgen voor gebieden die behoren tot het NNN.

SOORTENBESCHERMING

Verbodsbepalingen In de Wet natuurbescherming (Wnb), die sinds 1 januari 2017 van kracht is, zijn drie oude wetten geïntegreerd, namelijk de Flora‐ en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Hoofdstuk 3 van de Wnb gaat in op soorten en beschermt een groot aantal planten‐ en diersoorten (waaronder vrijwel alle gewervelde dieren, diverse insectensoorten en een aantal planten). Was voorheen het rijk bevoegd gezag, nu is dat de provincie. Ontheffingen (zie onder) moeten dus vanaf de genoemde datum bij de provincie worden aangevraagd. De wet onderscheidt een drietal categorieën soorten, te weten a)

soorten van de Vogelrichtlijn (artikelen 3.1 t/m 3.4) Het is verboden: 

opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen (art. 3.1 lid 1);

opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (art. 3.1 lid 2);

eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben (art. 3.1 lid 3);

vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen (art. 3.1 lid 4).

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort).

b) soorten van de Habitatrichtlijn (artikelen 3.5 t/m 3.9) Het is verboden: 

in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen (art. 3.5 lid 1);

dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren (art. 3.5 lid 2);

eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen (art. 3.5 lid 3);

MA180057.028.R01

de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen (art. 3.5 lid 4);

planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen (art. 3.5 lid 5).

c)

andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11) Het is verboden: 

in het wild levende zoogdieren,amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen (art. 3.10 lid 1 onderdeel a);

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel A opzettelijk te 2 beschadigen of te vernielen (art. 3.10 lid 1 onderdeel b), of vaatplanten van de soorten, genoemd in de

bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen (art. 3.10 lid 1 onderdeel c).

De categorie ‘andere soorten’ is qua beschermingsregime vergelijkbaar met de tabel 2‐soorten onder de Flora‐ en faunawet. Echter, ten opzichte van het beschermingsregime onder de Flora‐ en faunawet is de lijst van ‘andere soorten’ significant veranderd, met name op het gebied van vissen, insecten en planten. Ernstig bedreigde en bedreigde dagvlinders, libellen en planten zijn toegevoegd, maar de voorheen gevoelige en kwetsbare soorten (voornamelijk orchideeën, klokjes en varens) zijn niet meer beschermd. Ontheffing en vrijstelling In principe geldt ook voor alle opgenomen nationaal beschermde soorten (bovengenoemde soorten genoemd onder c) een ontheffingsplicht (dus ook voor algemene soorten als bruine kikker en konijn). De soorten zijn in de Wnb niet ingedeeld in categorieën, zoals in de AmvB bij art. 75 van de Flora‐ en faunawet, de zogenaamde tabel 1,2,3‐soorten. Vrijstellingsregelingen dienen door de provincies zelf te worden opgesteld. De Provincies Noord‐ en Zuid‐Holland hebben voor de hieronder in tabel A vermelde soorten een vrijstelling opgenomen. Voor deze soorten behoeft geen ontheffing te worden gevraagd bij ruimtelijke ingrepen (vergelijkbaar met de oude tabel 1‐soorten Flora‐ en faunawet).

Voor de overige soorten (de oude tabel 2,3‐soorten Flora‐ en faunawet), inclusief de Vogel‐ en Habitatrichtlijnsoorten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen als wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. In de overige gevallen is een ontheffing nodig, welke alleen kan worden verleend onder de volgende voorwaarden (art. 3.3 lid 4 en art. 3.8 lid 5):  er bestaat geen andere bevredigende oplossing (alternatief), én  de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (bij Vogelrichtlijnsoorten), c.q. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van

2

Het opzettelijk verontrusten van beschermde soorten uit deze categorie en het verstoren van vaste

voortplantingsplaatsen of rust‐ en verblijfplaatsen is in de Wnb niet langer verboden, hetgeen onder de Flora‐ en faunawet wel het geval was.

MA180057.028.R01

de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan (bij Habitatrichtlijnsoorten), én de activiteit past binnen één van de in de wet genoemde belangen3.

Tabel A: Overzicht van beschermde soorten op de ‘vrijstellingslijst’ van de Provincies Noord‐ en Zuid‐Holland Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Amfibieën bastaardkikker (of middelste groene kikker) bruine kikker Rana temporaria gewone pad Bufo bufo kleine watersalamander Lissotriton vulgaris (OUDE NAAM: Triturus vulgaris) meerkikker Rana ridibunda Zoogdieren aardmuis Microtus agrestis bosmuis Apodemus sylvaticus bunzing*) Mustela putorius dwergmuis Micromys minutus dwergspitsmuis Sorex minutus eekhoorn Sciurus vulgaris egel Erinaceus europeus gewone bosspitsmuis Sorex araneus haas Lepus europeus hermelijn*) Mustela erminea huisspitsmuis Crocidura russula konijn Oryctolagus cuniculus ondergrondse woelmuis**) Pitymys subterraneus ree Capreolus capreolus rosse woelmuis Clethrionomys glareolus steenmarter**) Martes foina tweekleurige bosspitsmuis Sorex coronatus veldmuis Microtus arvalis vos Vulpes vulpes wezel*) Mustela nivalis woelrat Arvicola terrestris *) alleen in Zuid‐Holland vrijgesteld **) alleen in Noord‐Holland vrijgesteld

Net als in de Flora‐ en faunawet is ook in de Wnb een zorgplicht opgenomen (art. 1.11). De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen dieren mogen worden gedood, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat het lijden zo beperkt mogelijk is. Jaarrond beschermde vogelnesten Voor ontheffingen en gedragscodes hanteerde het Ministerie voorheen een lijst met jaarrond beschermde vogelnesten (roofvogels, huismus, roek), zie onderstaande tabel B. De Provincies Noord‐ en Zuid‐Holland hanteren dezelfde lijst.

3

De belangen betreffen: volksgezondheid, openbare veiligheid, veiligheid van het luchtverkeer, voorkomen belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, bescherming van flora of fauna, onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt. Bij habitatrichtlijnsoorten worden additioneel nog de volgende belangen vermeld: instandhouding van de natuurlijke habitats, dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Ruimtelijke ontwikkeling geldt als belang alleen voor de categorie ‘andere soorten’.

MA180057.028.R01

Tabel B: lijst met categorieën nestplaatsen en soorten van het Ministerie (‘Rijkslijst’) Cat. 1 2 3

4 5

Type verblijfplaatsen/type soorten vaste rust‐ en verblijfplaatsen; nesten die, behalve gedurende als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust‐ en verblijfplaats nesten van koloniebroeders; nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn, of afhankelijk van bebouwing of biotoop honkvaste broedvogels en vogels afhankelijk van bebouwing; nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn, of afhankelijk van bebouwing of biotoop vogels die niet zelf in staat zijn een nest te bouwen; vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen niet jaarrond beschermd, inventarisatie gewenst; nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen

Betrokken soorten steenuil gierzwaluw, huismus, roek grote gele kwikstaart, kerkuil, oehoe, ooievaar, slechtvalk boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief, zwarte wouw blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart, zwarte specht

Omgevingscheck Er is altijd – ook indien er een jaarrond beschermd nest is aangetroffen en deze door een ingreep zal verdwijnen – een omgevingscheck nodig. Een deskundige moet dan vaststellen of er voor de soort voldoende alternatieve leefomgeving is om zelfstandig een vervangend nest te kunnen vinden of te bouwen in de omgeving. Is dit niet het geval? Dan moet, voor zover mogelijk, een alternatief nest of aanvullend functioneel leefgebied worden aangeboden. Indien ook dat niet mogelijk is, dan moet er een ontheffing worden aangevraagd. Mitigerende en compenserende maatregelen Het kan nodig zijn om mitigerende (verzachtende) en compenserende maatregelen te nemen om aan de voorwaarden voor een ontheffing te voldoen. Mitigerende maatregelen zijn gericht op het voorkomen dat de functionaliteit van de voortplantings‐ en/of vaste rust‐ en verblijfplaatsen wordt aangetast. Deze maatregelen worden uitgevoerd binnen het huidige leefgebied van een bepaalde soort (dit werd voorheen compensatie genoemd). Indien het functionele leefgebied voor 100% gemitigeerd wordt (en de nest/burchtlocatie niet direct wordt aangetast) treedt er geen overtreding op van de Wnb en is ook geen ontheffing nodig. Compenserende maatregelen worden getroffen, wanneer de functionaliteit van de vaste rust en verblijfsplaats niet behouden kan blijven. In dit geval is een ontheffing nodig.

Compensatie kan plaatsvinden om een andere (deel‐)populatie te versterken. Uitgangspunt daarbij is dat de gunstige staat van instandhouding van de soort als geheel niet in het geding komt. De beoordeling van de staat van instandhouding hangt samen met de beschermingsstatus van de soort. Hiervoor geldt het volgende:  De gunstige staat van instandhouding van soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn moet op lokaal‐ regionaal niveau beoordeeld worden.  De gunstige staat van instandhouding van de overige soorten moet op landelijk niveau beoordeeld worden.

MA180057.028.R01

Bijlage 2 Status van soorten in het onderzoeksgebied Toelichting:  Wnb = Wet natuurbescherming; A = overige beschermde soorten (fauna), HRL = Habitatrichtlijn (soorten van bijlage IV HRL), VRL = Vogelrichtlijn  Prov = soort van provinciale vrijstellingslijst (X), zie bijlage 1, tabel A; met *) is alleen in Zuid‐Holland vrijgestelde soort aangeduid  Ffw = Flora‐ en faunawet (tot 1.1.2017)  RL = Rode Lijst; GE = gevoelig, KW = kwetsbaar Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Wnb

Prov

Ffw

Bastaardkikker

Pelophylax kl. esculentus

A

X

tabel 1

groene kikker (soort onbepaald)

Pelophylax esculentus synklepton

X

tabel 1

Meerkikker

Pelophylax ridibundus

A

X

tabel 1

RL

AMFIBIEËN

VAATPLANTEN Rietorchis Waterscheerling

Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa Cicuta virosa

tabel 2 KW

VISSEN Europese aal

Anguilla anguilla

tabel 2

Rivierdonderpad

Cottus perifretum

tabel 2

KW

VOGELS, BROEDVOGELS ALGEMEEN Blauwborst

Luscinia svecica

VRL

vogels

Bosrietzanger

Acrocephalus palustris

VRL

vogels

Fitis

Phylloscopus trochilus

VRL

vogels

Graspieper

Anthus pratensis

VRL

vogels

Kleine Karekiet

Acrocephalus scirpaceus

VRL

vogels

Rietzanger

Acrocephalus schoenobaenus

VRL

vogels

Spotvogel

Hippolais icterina

VRL

vogels

Sprinkhaanzanger

Locustella naevia

VRL

vogels

Tjiftjaf

Phylloscopus collybita

VRL

vogels

Zwarte Roodstaart

Phoenicurus ochruros

VRL

vogels

Zwartkop

Sylvia atricapilla

VRL

vogels

Blauwe Kiekendief

Circus cyaneus

VRL

vogels

Bruine Kiekendief

Circus aeruginosus

VRL

vogels

Buizerd

Buteo buteo

VRL

vogels

Kerkuil

Tyto alba

VRL

vogels

Torenvalk

Falco tinnunculus

VRL

vogels

Grauwe Gans

Anser anser

VRL

vogels

Kokmeeuw

Chroicocephalus ridibundus

VRL

vogels

Kuifeend

Aythya fuligula

VRL

vogels

GE

GE

VOGELS, ROOFVOGELS EN UILEN

VOGELS, WATERVOGELS

MA180057.028.R01

GE

KW

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Wnb

Prov

Ffw

Meerkoet

Fulica atra

VRL

vogels

Nijlgans

Alopochen aegyptiaca

VRL

vogels

Stormmeeuw

Larus canus

VRL

vogels

Limosa limosa

VRL

vogels

Kievit

Vanellus vanellus

VRL

vogels

Scholekster

Haematopus ostralegus

VRL

vogels

Tureluur

Tringa totanus

VRL

vogels

Bunzing*)

Mustela putorius

A

(X)

tabel 1

Egel

Erinaceus europaeus

A

X

tabel 1

Haas

Lepus europaeus

A

X

tabel 1

Vos

Vulpes vulpes

A

X

tabel 1

RL

VOGELS (vervolg)

VOGELS, WEIDEVOGELS Grutto

ZOOGDIEREN

MA180057.028.R01

GE

GE

Bijlage 3 Foto’s

Nr

Omschrijving

Nr

Omschrijving

1

akkergebied Venneperweg, locatie werkweg

8

Westeinderplassen

2

achter kweker, locatie werkweg

9

graslanden, werkweg

3

werkweg over erf kweker

10

erf en akker, werkweg

4

als 1, leidingtracé

11

akker, leidingtracé (langs molentje)

5

bomen Venneperweg, langs werkweg

12

akker, werkterrein

6

rietland in vooroever Westeinderplassen, locatie boring graslanden, leidingtracé

13

dijkkruin, werkweg

14

Hoofdweg, werkweg

7

MA180057.028.R01

MA180057.028.R01

MA180057.028.R01

MA180057.028.R01

MA180057.028.R01

MA180057.028.R01

28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=f1885eb7-092e-43b4-b901-cb3d8a38db78