Toelichting - bijlage 15 - Aanmeldnotitie mer.pdf
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling Project Referentie Datum Status
: CO2-transportleiding ‘de Kwakel’, Aalsmeer : CA210028.006.R01.v1.2 : 19-04-2022 : Definitief
1. Inleiding 1.1. Aanleiding Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die via het herzien van een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, door middel van een vormvrije m.e.r.beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld, op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. Voorliggende aanmeldnotitie is opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan CO₂ transportleiding ‘de Kwakel’, Aalsmeer welke de aanleg van een nieuwe CO₂-leiding tussen de bestaande CO₂- leiding gelegen ten zuidoosten van de A4 nabij knooppunt Burgerveen en het kernglastuinbouwgebied de Kwakel ter plaatse van het grondgebied van de gemeente Aalsmeer mogelijk dient te maken. In deze aanmeldnotitie zijn de milieueffecten in relatie tot het planvoornemen geïnventariseerd en gebundeld weergegeven. Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapportage.
Luchtfoto met aanduiding tracé CO2-leiding met in rood de tracédelen binnen de gemeente Aalsmeer
CA210028.006.R01
1 van 12
1.2. Beschrijving beoogde ontwikkeling OCAP (Organic Carbondioxide for Assimilation of Plants) vangt CO₂ af bij industriële bronnen en levert deze aan tuinders in diverse glastuinbouwgebieden. In verband met de verdere uitbouw van het netwerk is OCAP voornemens om het kernglastuinbouwgebied De Kwakel (gemeente Uithoorn) aan te sluiten op CO₂ (kooldioxide). Hiertoe zal een nieuwe CO₂-leiding (hogedruk) worden aangelegd tussen de bestaande CO₂leiding gelegen ten zuidoosten van de A4 nabij knooppunt Burgerveen en het kernglastuinbouwgebied de Kwakel. Het tracé van de nieuwe CO₂- leiding doorsnijdt een drietal gemeenten, waaronder de gemeente Aalsmeer. Het nieuwe tracé zal een lengte hebben van circa 5,8 kilometer. De lengte van het tracé op grondgebied van de gemeente Aalsmeer bedraagt ca. 1,8 kilometer. Vanaf de aftakking van de bestaande CO₂-leiding nabij knooppunt Burgerveen loopt de nieuwe leiding in zuidoostelijke richting en passeert de gemeentegrens van Aalsmeer ten zuiden van de kern Burgerveen. Binnen de gemeente Aalsmeer loopt het tracé van de leiding eerst door het zuidelijke deel van de Westeinderplassen. Het tracé loopt aansluitend door de gemeente Kaag en Braasem om vervolgens ten westen van de Kwakel wederom de gemeentegrens te passeren. Na het passeren van de gemeentegrens van Aalsmeer buigt het tracé in noordoostelijke richting af richting Kudelstaart.
Langs de Ambachtsheerweg nabij de aansluiting met de Bilderdammerweg bevindt zich het einde van het hogedruk tracé. Op deze locatie wordt het reduceerstation gerealiseerd. In het reduceerstation wordt de hogedruk omgezet in lage druk en vanuit hier verder gedistribueerd naar de afnemers. De nieuwe leiding wordt voor het grootste gedeelte aangelegd middels een horizontale gestuurde boringen (HDD). De horizontaal gestuurde boring betreft een techniek waarbij er een ondergrondse boring plaatsvindt en er geen sleuven hoeven te worden gegraven. In het laatste gedeelte van het tracé (binnen de gemeenten Aalsmeer en Uithoorn) wordt de leiding in open sleuf aangelegd. Nadat de leiding is gelegd, worden de gronden ter plaatse weer in oorspronkelijke staat hersteld (cultuurtechnische afwerking). De bovengrondse ruimtelijke structuur van het plangebied en zijn omgeving wijzigt feitelijk niet. Er zal geen bebouwing worden opgericht. In navolgende figuur is aangegeven waar de leiding wordt aangelegd in een open sleuf (rode lijn) en waar de leiding wordt aangelegd middels een horizontale gestuurde boringen (blauwe lijn). De gele cirkel geeft de locatie weer van het reduceerstation.
Luchtfoto met aanduiding aanlegwijze CO2-leiding (totale tracé) CA210028.006.R01
2 van 12
1.3. Bestemmingsplan Het leggen van hogedruk leidingen voor het transporteren van CO₂ is niet in overeenstemming met de huidige planologische kaders. De herziening van meerdere bestemmingsplannen is daarom noodzakelijk. Ten behoeve van de beoogde planontwikkeling zal daarom een bestemmingsplan worden opgesteld.
2. Besluit milieueffectrapportage 2.1. Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of Dlijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.beoordeling (onderdeel D) verplicht.
Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.- beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling.
2.2.
Activiteit en drempelwaarden
Om het voornemen te kunnen realiseren moet het bestemmingsplan worden gewijzigd. Dat bestemmingsplan voorziet in een dubbelbestemming ‘Leiding – CO₂’ voor wat betreft de binnen het plangebied geplande aanleg en gebruik van leidingen en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt onder de activiteit C8.1 en D8.1 gesproken over de aanleg van een buisleiding voor het transport van CO₂. Het transport van CO₂ als bedoeld bij deze activiteiten is echter beperkt tot het transport ten behoeve van geologische opslag van CO₂. In voorliggende plan is geen sprake van een buisleiding voor geologisch opslag. Om deze reden wordt de aanleg van de transportleiding waar dit bestemmingsplan over gaat niet genoemd in onderdeel C en D van het Besluit m.e.r. en is daarom niet (direct) m.e.r.-plichtig. Om uit te sluiten dat de aanleg van de transportleiding toch belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu is een vormvrije mer-beoordeling uitgevoerd
CA210028.006.R01
3 van 12
2.3.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een informele m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: ▪ belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r. beoordeling noodzakelijk; ▪ belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn ‘betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Het betreft de volgende drie algemene criteria met elk hun sub criteria: ▪ kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; ▪ plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; ▪ kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.
3. Kenmerken van het project Conform bijlage III van de EU-richtlijn dient in het bijzonder in overweging te worden genomen: - de omvang van het project; - eventuele cumulatie met andere projecten; - het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; - de productie van afvalstoffen; - verontreiniging en hinder; - risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.
3.1. Omvang van het project Het plan voorziet in de aanleg en gebruik van ca. 1,8 kilometer aan CO2-leidingen binnen de gemeente Aalsmeer. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt onder de activiteit C8.1 en D8.1 gesproken over de aanleg van een buisleiding voor het transport van CO₂. Het transport van CO₂ als bedoeld bij deze activiteiten is echter beperkt tot het transport ten behoeve van geologische opslag van CO₂. In voorliggende plan is geen sprake van een buisleiding voor geologisch opslag. Om deze reden wordt de aanleg van de transportleiding waar dit bestemmingsplan over gaat niet genoemd in onderdeel C en D van het Besluit m.e.r. Met het plan wordt dan ook geen indicatieve drempel overschreden.
3.2.
Cumulatie van andere projecten
Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied bekend, waardoor geen sprake is van cumulatie van milieueffecten met andere projecten.
CA210028.006.R01
4 van 12
3.3.
Gebruik natuurlijke hulpbronnen
De realisatie van de voorgenomen ontwikkeling legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.
3.4. Productie afvalstoffen Zowel tijdens de aanleg- als de gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit.
3.5.
Verontreiniging en hinder
Tijdens de aanlegfase is er mogelijk in (zeer) beperkte mate sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en aanlegwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Dit zal geen permanente nadelige gevolgen hebben aangezien het slechts om een tijdelijke situatie gaat.
3.6.
risico van ongevallen.
Het project leidt niet tot een significant risico op zware ongevallen of rampen in of in de omgeving van het plangebied.
4. Plaats van het project De ligging van het plangebied is beschreven in hoofdstuk 1. Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden. In het westelijk deelgebied loopt het tracé van de leiding eerst door het zuidelijke deel van de Westeinderplassen. In het oostelijk deelgebied betreft het tracé overwegend agrarisch gebied. Het reduceerstation wordt gerealiseerd in een groengebied. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen. • Het bestaande grondgebruik. • Relatieve rijkdom aan, de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied. • Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor beschermde gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op minimaal 8,2 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. De Westeinderplassen maken onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Overige gebieden zijn op enige afstand van het plangebied gelegen.
De ontwikkeling (aanleg van horizontaal gestuurde boring onder Westeinderplassen) heeft slechts een tijdelijk, beperkt en lokaal effect. Er vindt geen verlies van areaal plaats. In relatie tot de plaats van de activiteit zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk is.
CA210028.006.R01
5 van 12
5. Kenmerken van het potentiële effect Met de beschrijving van de potentiële effecten, wordt er gekeken of er omstandigheden zijn die kunnen leiden tot (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Per onderdeel wordt kort ingegaan welke mogelijke effecten er te verwachten zijn.
5.1. Water In het kader van voorliggend bestemmingsplan wordt, met uitzondering van een kleinschalig reduceerstation (20 m²), geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Daarnaast is van een toename van verharding nauwelijks sprake. Na de werkzaamheden wordt alles weer conform de huidige situatie ingericht. Van blijvende invloeden van de ontwikkeling op de waterhuishouding is dan ook geen sprake.
5.2.
Bodem
Gelet op het feit dat geen sprake is van menselijk verblijf, afgezien van gedurende de werkzaamheden, is het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. Voor de aanleg van de leidingen is een historisch verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat er meerdere deelgebieden binnen de planlocatie zijn met een hypothese ‘prospectief verdacht’. Dit houdt in dat, in het kader van de aanlegwerkzaamheden, er op meerdere locaties binnen het plangebied bodemonderzoek wordt aanbevolen van de nulsituatie en van de eindsituatie. De beoogde ontwikkeling zal geen negatieve invloed hebben op de milieu-hygiënische bodemkwaliteit.
5.3.
Natuur
Soortenbescherming Door Geonius is er in het kader van soortenbescherming een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. In verband met een tussentijds doorgevoerde tracé wijziging is tevens een oplegnotitie voor de quickscan opgesteld. De conclusie luidt dat het planvoornemen niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor natuurgebieden en flora en fauna. Mitigerende maatregelen Uit de Quickscan en bijbehorende oplegnotitie blijkt dat er sprake is van een tijdelijke verstoring van beschermde zoogdiersoorten, maar het gaat alleen om algemeen voorkomende soorten, met name muizen, waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ingrepen. Er zijn geen negatieve gevolgen voor strenger beschermde soorten als de bunzing, die in deze omgeving weliswaar voorkomt, maar waarvoor binnen het projectgebied geen geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn. Er kan binnen het broedseizoen wel sprake zijn van verstoring van water- en weidevogels, soorten als meerkoet, wilde eend, grutto, kievit en scholekster. Voor wat betreft amfibieën en reptielen kunnen streng beschermde soorten als de rugstreeppad en de ringslang voorkomen, maar voor deze soorten zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig. Wel kunnen door een onzorgvuldige werkwijze geschikte voortplantingsplaatsen van de rugstreeppad ontstaan, waardoor ook negatieve gevolgen voor deze soort aan de orde kunnen zijn.
Mogelijke negatieve gevolgen voor streng beschermde soorten kunnen evenwel eenvoudig worden voorkomen dan wel gemitigeerd.
Algemene, licht beschermde soorten (landzoogdieren, amfibieën en vissen) Voor algemene, maar wel beschermde soorten, te weten soorten die op de Vrijstellingslijst van de provincies (Noord- en Zuid-Holland) staan, geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor alle soorten, inclusief de bedoelde algemene soorten, geldt evenwel altijd de zorgplicht ex art. 1.11 van de Wet natuurbescherming. Dit artikel is van toepassing op zowel beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten, ongeacht
CA210028.006.R01
6 van 12
vrijstelling of ontheffing. De zorgplicht houdt in dat, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, schade aan plant- en diersoorten voorkomen wordt. In het onderhavige geval betekent dit dat bij graafwerkzaamheden in de bodem voorzichtig te werk moet worden gegaan en in een richting moet worden gewerkt, zodat in de bodem aanwezige dieren (muizen) tijdig kunnen ontsnappen. Verder dienen vegetaties met grassen of ruigte voorafgaande aan de graafwerkzaamheden kort gemaaid te worden, zodat de kans op voorkomen van in de vegetatie schuilende dieren verkleind wordt. Er mag bij graafwerkzaamheden geen grond in oeverzones van sloten of moeraszones worden gedumpt om negatieve gevolgen voor amfibieën te voorkomen, dit geldt met name voor de kwetsbare periode voor amfibieën wat betreft voortplantingsplaatsen, namelijk tussen 15 maart en 1 september. In het geval er op het tracé amfibieën worden aangetroffen, dienen deze te worden verplaatst. Daar waar delen van sloten worden gedempt, dienen deze eerst te worden afgedamd, waarna nog eventueel aanwezige amfibieën en vissen worden weggevangen. Vogels Indien werkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen (15 maart tot 15 juli), dient rekening te worden gehouden met broedende vogels binnen en in de directe omgeving van het projectgebied, waaronder ook weidevogels.
De bomen langs werkwegen dienen in deze periode te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten en broedgevallen. Dit geldt ook voor het tracé en de werkterreinen door de graslandpercelen, waar weidevogels en moerasvogels (in oeverzones van sloten) voor kunnen komen. Een ter zake deskundige ecoloog dient een storingsvrije zone te bepalen, waarbinnen geen verstorende werkzaamheden mogen plaatsvinden. In het uiterste geval moeten werkzaamheden tot na het broeden worden opgeschort, dit is ter beoordeling van de ecoloog. Amfibieën Indien er zich rugstreeppadden in het werkgebied vestigen, kunnen deze alleen na het verkrijgen van een ontheffing worden verplaatst. Daarom dient het ontstaan van geschikte voortplantingsplaatsen voor de rugstreeppad te worden voorkomen door er op toe te zien dat er geen diepe wielsporen in de bodem ontstaan bij het rijden met zwaar materieel. Dergelijke sporen moeten zo snel mogelijk weer worden uitgewist, indien graafwerkzaamheden in de periode tussen 15 maart en 15 juni plaatsvinden. Noodzaak ontheffingsaanvraag Indien de voornoemde maatregelen in acht worden genomen, is er geen strijdigheid met de Wet natuurbescherming en kan de ingreep zonder ontheffing plaatsvinden. N.B.
Voor verstoring van broedvogels kan in het onderhavige geval geen ontheffing verkregen worden, aangezien de werkzaamheden niet behoren tot een van de belangen die daarvoor in de wet zijn opgenomen. Gebiedsbescherming Specifiek voor gebiedsbescherming is er door Geonius een stikstofdepositieonderzoek (inclusief AERIUSberekeningen) uitgevoerd. Aanvullend is een oplegnotitie opgesteld in verband met een wijziging van
het tracé in het meest oostelijk deel van het traject. Met een AERIUS-berekening wordt er bepaald of het planvoornemen ten aanzien voor stikstofdepositie invloed heeft op de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura-2000 gebied. Uit de resultaten van de AERIUS-berekening blijkt dat er sprake is van stikstofdepositie toename op de Natura 2000-gebieden ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’. Deze bedraagt maximaal 0,01 mol/ha/jr. voor beide natuurgebieden. Op andere Natura 2000-gebieden in de omgeving is geen sprake van een stikstofdepositie toename.
CA210028.006.R01
7 van 12
De extra emissie vindt uitsluitend plaats tijdens de aanlegfase. In de gebruiksfase zijn er geen relevante bronnen die stikstofemissie veroorzaken. Er vinden geen extra verkeersbewegingen plaats. Ten aanzien van de aanlegfase geldt sinds de inwerkingtreding van de ‘Stikstofwet’ per 1 juli 2021 een vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor bouwactiviteiten in de bouwfase, sloopfase en aanlegwerkzaamheden met een tijdelijke en beperkte emissie. Voorliggend project is, gezien de aarde en omvang, daarmee vrijgesteld van de vergunningsplicht.
Ondanks de stikstofdepositie toename van het project worden negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden niet verwacht, aangezien het een eenmalige en erg lage toename betreft. Ook de overige NNN-gebieden en strategische natuur reserveringen worden niet nadelig beïnvloed door het planvoornemen.
5.4.
Archeologie & cultuurhistorie
Voor het plangebied is een bureauonderzoek uitgevoerd. Aanvullend is een oplegnotitie opgesteld in verband met een wijziging van het tracé in het meest oostelijk deel van het traject. Op basis van de resultaten van de bureauonderzoek is voor het plangebied een lage archeologische verwachting vastgesteld. Op basis hiervan en omdat de toekomstige inrichting nergens de ondergrenzen van de vrijstellingswaarden overschrijdt, is het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde een meldingsplicht in het geval er bij graafwerkzaamheden onverwachte archeologische resten worden aangetroffen. Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen betrekking op of is deze niet van invloed op omliggende bebouwing of de omgeving. De ontwikkeling brengt geen negatieve effecten met zich mee ten aanzien van cultuurhistorische waarden.
5.5.Geluid De ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Het toetsen van de voorgenomen ontwikkeling aan de aspecten industrielawaai, wegverkeers- en railverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Wat betreft de geluidsproductie van de leiding op de omgeving wordt opgemerkt dat bij ondergrondse transportleidingen geen sprake is van geluidsemissie.
5.6.
Luchtkwaliteit
Gelet op de aard en omvang van dit project kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. De aanleg van de transportleiding leidt niet tot een toename van motorvoertuigbewegingen. De ontwikkeling zal dan ook niet leiden niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
5.7.
Externe veiligheid
In het kader van voorliggend bestemmingsplan moet het onderwerp externe veiligheid aan de orde komen wanneer dat relevant is. Wanneer gekeken wordt naar de eigenschappen van CO₂ blijkt dat het vrijkomen van CO₂ gevolgen kan hebben voor personen die deze CO₂ inademen: ▪ door verdringing van zuurstof kan CO₂ leiden tot verstikking;
CA210028.006.R01
8 van 12
▪
CO₂ veroorzaakt een toxisch effect bij personen die hoge concentraties CO₂ inademen, zelfs als de zuurstofconcentratie ongewijzigd blijft.
Voor CO₂ geldt dat deze stof is aangewezen als stof dat in het kader van externe veiligheid buisleidingen moet worden onderzocht. Ondergrondse leidingen zijn niet aan te merken als (beperkt) kwetsbare objecten. In voorliggend geval brengt de ontwikkeling wel wijzigingen met zich mee voor wat betreft het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een onderzoek uitgevoerd waarin de wijziging van het plaatsgebonden- en groepsrisico inzichtelijk is gemaakt. Opgemerkt wordt dat nadien enkele onderdelen uit de rapportage nader zijn verduidelijkt in een aanvullende notitie. In verband met het feit dat tracé tot tweemaal toe enigszins is verschoven, en op een ander punt eindigt dan destijds voorzien, zijn tevens een tweetal side letters bij de QRA opgesteld en is een QRA opgesteld voor de nieuwe locatie van het reduceerstation. De ontwikkeling betreft de aanleg van een CO2-leiding. Het betreft een hogedruk leiding met een werkdruk van ca. 8 barg. De leiding kent een ontwerpdruk van 44 barg. Waar de leiding in een open sleuf wordt gelegd kent de leiding een dekking van ca. 1,6 meter. Ter plaatse van de gestuurde boring komt de leiding beduidend dieper te liggen.
Bij de CO2-leiding worden de volgende aanvullende beheersmaatregelen in acht genomen: • Monitoring: leiding bewaking door beheerder op regelmatige momenten • Klic-melding voor graafwerkzaamheden, extra toezicht bij graafwerkzaamheden • Het medium is droge CO2, geheel niet corrosief • Het buismateriaal is carbon steel, corrosief in waterige omgeving, beschermd door een systeem van kathodische protectie. • De leiding is voldoende begraven om verkeersschade te vermijden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico van de buisleiding blijft lager dan het niveau 10-6 per jaar. Hiermee wordt voldaan aan de plaatsgebonden risico normen van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Groepsrisico Uit de berekening van het groepsrisico blijkt dat de groepsrisicografiek geheel leeg blijft en dat er ten gevolge van de aanleg van de leiding geen sprake is van een groepsrisico.
5.8.
Geur
Binnen het plangebied worden geen geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt opgemerkt dat bij ondergrondse leidingen geen sprake is van geuremissie.
5.9.
Milieuzonering
In voorliggend geval zijn de CO₂-leidingen niet aan te merken als milieugevoelige of milieubelastende functies. Voor leidingen gelden de bepalingen uit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen. Transportleidingen zijn niet relevant in het kader van milieuzonering. Van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geen sprake.
5.10. Explosieven In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek Niet Gesprongen Explosieven (NGE) uitgevoerd door Bombs Away. Het onderzoek concludeert dat op basis van de geraadpleegde bronnen, de
CA210028.006.R01
9 van 12
beoordeling en evaluatie geen indicaties aangetroffen zijn dat er Conventionele Explosieven zijn achtergebleven in het onderzoeksgebied.
5.11. Effecten tijdens de aanlegfase Geluid Ten behoeve van de uitvoering dient er bemalen te worden. Gedurende de bemaling kan tijdelijk geluidhinder optreden in verband met wegverkeer en het opzetten en gebruiken van installaties. Ten behoeve van de bemaling zullen bemalingspompen werkzaam zijn welke m.n. ’s nachts geluidhinder kunnen veroorzaken. Het streven is om hinder zoveel mogelijk te beperken. Ook hierbij geldt dat de hinder van tijdelijke aard is. Het plangebied ligt niet in de directe omgeving van een stiltegebied, de afstand tot aan het dichtstbijzijnde stiltegebied bedraagt circa 8 kilometer. Trillingen Gezien de afstand tot en de hoeveelheid aan woonbebouwing op het grootste deel van het plangebied wordt trillinghinder niet verwacht. Wel kan door zwaar transport sprake zijn van enige trillinghinder op lokale wegen. Conclusie Tijdens de aanlegfase zal sprake zijn van tijdelijke effecten. Daarbij zal volgens de geldende normen worden gewerkt wat weinig tot geen hinder oplevert voor de omgeving. Deze effecten verdwijnen na de aanlegfase.
CA210028.006.R01
10 van 12
6. Conclusie Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het milieubelang van de aanleg van een CO2transportleiding in voldoende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Het plangebied ligt in deels in een waardevol gebied. Desondanks zorgt de beoogde ontwikkeling niet voor onaanvaardbare effecten op dit waardevolle gebied.
De beoogde ontwikkeling zorgt, noch in de aanlegfase, noch in de gebruiksfase, voor zodanige belangrijke nadelige milieugevolgen dat een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. Het is aan de bevoegd gezagen om hierover een definitief besluit te nemen en dit bekend te maken.
CA210028.006.R01
11 van 12
Geraadpleegde bronnen Historisch bodemonderzoek - kenmerk MA190014.020.R01.V2.0 - Geonius Stikstofonderzoek - kenmerk EA200092.R01v1.1 - Geonius Oplegnotitie Stikstofonderzoek - kenmerk EA200092.R02 - Geonius Quickscan flora en fauna - kenmerk MA190014.019.R01 - Geonius Oplegnotitie Quickscan flora en fauna - kenmerk MA190014.019.R02 - Geonius Archeologisch bureauonderzoek - kenmerk NOTITIE 5540 - RAAP Archeologisch bureauonderzoek (Aanvullend) - kenmerk AA190059.R01.v01 – Geonius Oplegnotitie archeologie - kenmerk AA190059.001R01.V01.OPLEG - Geonius QRA - kenmerk 0410011.00 - Antea group QRA (Aanvullend) - kenmerk BR-TE15374-5570 – Roos+Bijl Side letter_1 QRA - kenmerk 0464752.100 - Antea group Side letter_2 QRA - kenmerk 0477216.100 - Antea group QRA reduceerstation - kenmerk 0477216.100 - Antea group CE onderzoek – kenmerk 19P193 definitief rapport versie 2 – Bombs Away
CA210028.006.R01
12 van 12