Plantoelichting BP Uiterweg 358.Pdf
Tekst van het document
TOELICHTING
HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doelstelling Bij de gemeente Aalsmeer is een aanvraag voor een bestemmingsplanwijziging voor de Uiterweg 358 binnengekomen. Het plangebied is bij de gemeente Aalsmeer kadastraal bekend als sectie H, nummers 3647, 3648, 3649, 3869. Het perceel is gelegen aan het einde van de Uiterweg aan de zijde van de Ringvaart.
Afb. 1: Kadastrale secties plangebied
De huidige eigenaar van het perceel is voornemens de oude woning en overbodige bedrijfsbebouwing te slopen en een nieuwe woning te realiseren centraal op het perceel. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid het perceel een kwaliteitsimpuls te geven. Doel van dit bestemmingsplan is om de oorspronkelijke bedrijfsbestemming met bouwrechten voor de bedrijfsbebouwing te schrappen en in het bebouwingslint een nieuwe woning te realiseren. Dit binnen de mogelijkheden van het lintenbeleid van de gemeente Aalsmeer. Van toepassing op de projectlocatie is het bestemmingsplan “UiterwegPlasoevers 2021". Binnen dit bestemmingsplan heeft de projectlocatie de bestemmingen ‘Bedrijf’ en 'Wonen Lintbebouwing'. Het bouwplan is hiermee in strijd. Om de onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken is de gemeente bereid het bestemmingsplan aan te passen.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de westzijde van Aalsmeer aan het einde van de Uiterweg. De locatie ligt aan de noordzijde van de weg ingeklemd tussen de Uiterweg en de Ringvaart. De Uiterweg is een lange doodlopende straat in het gebied dat is genaamd ‘De Bovenlanden’. Dit is het gebied tussen de Ringvaart en de Westeinderplassen bestaande uit vele eilanden. Kenmerkend zijn de langgerekte smalle kavels die voornamelijk ten behoeve van de tuinbouw en waterrecreatie intensief worden gebruikt (zie afbeelding 2). De natuurlijke opbouw, de ontginningsgeschiedenis, de ontwikkelingen in de tuinbouw en
de wijze waarop het gebied is ingericht met woningen, bedrijvigheid, scheepswerven en jachthavens heeft geleid tot een gedifferentieerd ruimtegebruik. Veel percelen aan de Uiterweg zijn voornamelijk gericht op het water. Ten noorden van deze percelen ligt de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. Ten zuiden liggen de Westeinderplassen, bestaande uit de ‘Grote Poel’ en de ‘Kleine Poel’.
Afb. 2: plangebied in groter verband
1.3 Geldende bestemmingsplannen Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan “UiterwegPlasoevers 2021”. Zie voor een uitsnede van de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan afbeelding 3. Aan het plangebied zijn de bestemmingen ‘Bedrijf', 'Wonen Lintbebouwing' en een smalle strook 'Water 2' toegekend. Er geldt tevens een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' en een viertal gebiedsaanduidingen die zijn gerelateerd aan zijn aan het Luchthavenindelingbesluit. Zoals te zien in afbeelding 3 ligt het bestemmingsvlak 'Wonen Lintbebouwing' met een evengroot bouwvlak direct tegen de noordoostelijke perceelgrens. Binnen dit bouwvlak mag een woning gebouwd worden met een goot en bouwhoogte van 4,5 resp. 10 meter. Het overige deel van het perceel heeft de bestemming ' Bedrijf'. Deze gronden zijn voorzien van een bouwvlak welke voor maximaal 60% bebouwd mag wordem met een goot en bouwhoogte van 6 resp. 9 meter. De te realiseren nieuwe woning ligt centraler op het perceel binnen de bedrijfsbestemming. De overige gronden hebben ook de bedrijfsbestemming maar dienen gebruikt te worden als bij de woning behorend erf. Dit is in strijd met het bestemmingsplan.
Voor de ontwikkeling wordt het plangebied, met uitzondering van de strook water, herbestemd naar 'Wonen Lintbebouwing' met een bouwvlak en wordt de oorspronkelijke bouw en gebruiksrechten van de bedrijfsbestemming én het oude bouwvlak voor de woning geschrapt.
Afb. 3: planologie plangebied
Ter plaatse geldt ook het Paraplubestemmingsplan Kamerverhuurbedrijf Aalsmeer. Dit plan herziet een aantal begrippen en geeft een aanvullende regel voor bestemmingen die de functie kamerverhuurbedrijven mogelijk maakt. Degelijke bestemmingen komen in het dit bestemmingsplan niet voor. Deze geldende bestemmingsplannen komen met het in werking treden van dit bestemmingsplan (gedeeltelijk) te vervallen.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk twee worden de uitgangspunten van het ruimtegebruik voor de komende tien jaar gegeven. Hoofdstuk drie bevat de juridische vertaling van de visie van het bestemmingsplan. In hoofdstuk vier komt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan bod. Om een indruk te krijgen wat met het bestemmingsplan wordt beoogd en hoe het juridisch vertaald wordt, is het lezen van deze hoofdstukken voldoende. Hoofdstuk vijf tot en met zeven geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de planopzet. In hoofdstuk vijf wordt een beschrijving van het plangebied gegeven. Hoofdstuk zes gaat verder in op de beleidskaders. In het laatste hoofdstuk komen de omgevingsaspecten aan bod.
HOOFDSTUK 2 VISIE PLANGEBIED 2.1 Uitgangspunten Het uitgangspunt van het onderhavige plan is om een kwaliteitsimpuls te geven aan het omliggende gebied, mede door bedrijfsbebouwing te slopen, potentiele hinder van bedrijfsactiviteiten weg te nemen en de lintstructuur te versterken door de verouderde woning te vervangen en centraler te positioneren.
2.2 Functionele en ruimtelijke uitwerking De eigenaar van het perceel is voornemens het perceel om te zetten naar een woonkavel voor een nieuw (te vervangen) woonhuis. De bedrijfsactiviteiten zijn al enige tijd gestopt. Op de locatie is planologisch maximaal een bedrijf in de milieucategorie 2 toegestaan. Ook de kamergewijze verhuur van de oude te slopen woning en bewoning van een bedrijfsruimte welke in strijd met het bestemmingsplan is, wordt beeindigd. Op het perceel zal de bestaande woning van 90m2, die dicht op de noordoostelijke perceelgrens staat, worden gesloopt. Ook zal/is het grootste deel van de bedrijfsbebouwing worden gesloopt. De aan het woonhuis verbonden bedrijfsruimte van 140 m2 én 90 m2 van de loods achter op het terrein wordt gesloopt. Eerder is ook al 145 m2 bedrijfsbebouwing gesloopt. Het totaal aan te slopen bedrijfsbebouwing komt op 375 m2. In de nieuwe situatie zal centraal op het perceel en op een iets ruimere afstand van de Uiterweg een nieuw woonhuis worden gerealiseerd. Het woonhuis heeft een breedte en bouwdiepte van 12 resp. 15 meter en een goot en bouwhoogte van 2,84 resp. 9,39 meter hoog. De afstanden tot de zijdelingse perceelgrenzen worden vergroot tot minimaal 5 meter aan beide zijde. De voorgevelrooilijn ligt op 7 meter uit de voorste perceelgrens. Het deel van de bedrijfsloods dat niet wordt gesloopt bedraagt 150 m2.
De goot en bouwhoogte van die loods is circa 2,5 resp. 4,5 meter. Deze loods zal als bij de woning behorende bouwwerk worden gebruikt. Schuin achter de woning wordt voorzien in voldoende parkeerruimte.
Afb. 4 Bestaande en nieuwe situatie
Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan de maximale, volgens het geldende beleid (lintenbeleid) gegeven, mogelijkheden, zal vastleggen zodat er enige flexibiliteit wordt geven voor een verdere uitwerking van het bouwplan. Dit is conform de manier waarop de woningen langs de Uiterweg in het geldende bestemmingsplan zijn bestemd.
2.3 Motivatie gemaakte keuzes In de structuurvisie Uiterweg (2015) wordt de koers voor het gebied rond de Uiterweg vastgesteld. In z’n algemeenheid is het Uiterweggebied gediend bij een extensieve bebouwing. Waar mogelijk wordt een wezenlijke ‘ontstening’ als voorwaarde gesteld voor een bouwinitiatief. Transformeren naar wonen is niet per definitie voorzien in de structuurvisie. Niet in alle gevallen is een transformatie naar een recreatief/toeristische bedrijfsvoering vanuit de eigenaar gewenst. In dit geval blijft het lintenbeleid ook gewoon van kracht. In combinatie hiermee helpt het wel bij het realiseren van de doelstelling van 'ontstenen'. Aangezien de Uiterweg een historisch lint is is ook het Aalsmeerse lintenbeleid van toepassing. Het doel van het lintenbeleid is het behouden en versterken van doorzichten op landschappelijk waardevolle locaties (zoals het bovenland). Daarnaast is het doel het handhaven van de bebouwingsritmiek van de Uiterweg. Aan de Uiterweg in het lint zal de bestaande woning en het overgrote deel van de bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Er is gekozen om de voorgevelrooilijn van de nieuwe woning op een grotere afstand te plaatse van de Uiterweg en meer maat te houden van de zijdelingse perceelgrenzen. In de huidige situatie is de woning op de voorste perceelgrens gebouwd waardoor er nauwelijk een voortuinzone is.
De afmetingen van de bebouwing blijft binnen de kaders zoals gesteld in het lintenbeleid. Ten aanzien van het bebouwen van achtererf gaat het Lintenbeleid in beginsel uit van de mogelijkheden die vergunningsvrij worden geboden. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken. De oppervlakte van de te slopen bedrijfsbebouwing is niet zo fors dat er reden is een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken toe te staan. Tevens is de oppervlakte van het woonperceel ook niet overdreven groot. De oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken dat overblijft en de hoogte daarvan voldoet aan de standaard regels die op dergelijke woonpercelen van toepassing is in het Uiterweggebied (bestemming Wonen Lintbebouwing en Lintenbeleid. Overigens is het wel zo dat indien tot maximaal 150 m2 aan voormalige bedrijfsbebouwing wordt gebruikt als bij de woning behorende bijbehorende bebouwing de vergunningvrije mogelijkheden voor het uitbouwen van de woning zijn opgesoupeerd.
HOOFDSTUK 3 PLANOPZET 3.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. In het voorgaande hoofdstuk is beschreven welke ontwikkelingen in het plangebied plaatsvinden. In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke juridischplanologische instrumenten daarbij worden ingezet. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) die per 1 juli 2008 in werking is getreden verplicht gemeenten tot het opstellen van een bestemmingsplan voor het gehele grondgebied. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. Deze onderdelen zijn bindend voor de burger. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting is niet juridisch bindend, maar wordt als handvat en beleidskader/interpretatiekader voor het bestemmingsplan gebruikt.
De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Aalsmeer. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan.
3.2 De bestemmingen Voor de keuze van de bestemmingen en de inhoud daarvan wordt aangesloten bij de bestemmingen die voor dezelfde functies in het bestemmingsplan "UiterwegPlasoevers 2021" zijn opgenomen. De bestemmingen zijn wel ontdaan dan aanduidingen die in dit plan niet van toepassing zijn. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) hierin worden de begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt. Wijze van meten (artikel 2) hierin wordt aangegeven hoe de diverse maten worden gemeten en de inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden berekend om zo een eenduidige toepassing van de bebouwingregeling te bewerkstelligen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Water 2 (artikel 3) De voor 'Water 2' aangewezen gronden betreffen over het algemeen kavelsloten zijn onder andere bestemd voor waterlopen, waterplassen en recreatiewater, en watergerelateerde functies. Wonen Lintbebouwing (artikel 4) De voor 'Wonen Lintbebouwing' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woongebouwen, al dan niet in combinatie met uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf en tuinen en erven met daarbij mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken. Deze type woonbestemming wordt gebruikt met oog voor de
cultuurhistorische en aanverwante architectonische waarden gerelateerd aan het 'lint'. De bestemmings voorziet tevens in een aantal voorwaardelijke verplichtingen zodat bij vergunningverlening voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd wordt en aan de sloopverplichting wordt voldaan. WaardeArcheologie 2 (artikel 5) Als dubbelbestemming is opgenomen archeologie. De primaire bestemming mag de belangen welke worden behartigd binnen de dubbelbestemming niet onevenredig schaden. Hiervoor is in de planregels een regeling opgenomen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Antidubbeltelregel (artikel 6) Deze bepaling dient om te voorkomen dat bijvoorbeeld een grondoppervlak dat in een bepaald geval al eens als berekeningsgrondslag voor de toelaatbare oppervlakte aan bebouwing heeft gediend, later nog eens als berekeningsgrondslag voor een ander bouwwerk wordt gebruikt, maar dat dan tot gevolg heeft dat in het eerste geval een situatie ontstaat die afwijkt van het plan. Algemene bouwregels (artikel 7) In dit artikel (toegelaten overschrijdingen) wordt aangegeven in welke gevallen de in dit plan aangegeven bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en/of hoogtematen overschreden mogen worden. Dit betreffen bijvoorbeeld liftkokers, schoorstenen en balkons.
Algemene afwijkingsregels (artikel 8) In dit artikel wordt bepaald in het kader van welke algemene afwijkingen in het plangebied gebruik gemaakt kan worden. LuchtvaartverkeerszoneLIB (artikel 9 t/m 12) Hier wordt aangegeven waar de gronden binnen de gebiedsaanduidingen en vrijwaringszones (Luchtvaartverkeerzones LIB) voor bedoeld zijn. Overige regels (artikel 13) Dit artikel spreekt voor zich. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 14) Samengevat wordt hierin gewaarborgd dat bouwwerken en gebruiksvormen die bij de totstandkoming van het plan reeds bestaan, maar nu in strijd raken met het plan, mogen blijven bestaan. Daarbij wordt het hierin mogelijk gemaakt om op te treden tegen eerder ontstaan illegaal gebruik. Slotregel (artikel 15) Voor de duidelijkheid, o.a. bij benoeming en verwijzing, is hierin een eenduidige naam voor het gehele plan inclusief de toelichting aangegeven.
HOOFDSTUK 4 UITVOERBAARHEID 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.1.1 Financieel-economische haalbaarheid De realisatie van de in dit bestemmingsplan rechtstreeks mogelijk gemaakte ontwikkelingen is in handen van de ontwikkelende partij. Niet is gebleken dat de ontwikkelende partij over onvoldoende middelen beschikt om de bedoelde ontwikkelingen te kunnen realiseren vergoeding van de ambtelijke kosten aan de gemeente te voldoen. Het is niet aannemelijk dat dit bestemmingsplan planschade tot gevolg heeft voor omwonenden. De woonfunctie is al aanwezig en de bouwrechten zijn beperkter dan in het voorgaande bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is derhalve economisch uitvoerbaar. 4.1.2 Verhaal van kosten In het besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente als een bouwplan zoals aangegeven in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt. De realisatie van een woning is een beginsel een bouwvlak waarvoor kostenverhaal verplicht is. In deze situatie is echter al een bouwtitel van een woning aanwezig, er wordt dus geen bouwrecht toegevoegd. Op grond van het Bro behoeft daarom geen anterieure overeenkomst of exploitatieplan te worden opgesteld.
4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 4.2.1 Inspraak Gelet op de beperkte ruimtelijke impact van het bestemmingsplan op de omliggende bebouwing hebben burgemeester en wethouders besloten om op grond van artikel 2 lid 1 van de Algemene inspraak en participatieverordening Aalsmeer 2010 af te zien van inspraak over dit plan. 4.2.2 Bro-partners In het kader van het wettelijk vooroverleg op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp toegezonden aan: provincie NoordHolland Hoogheemraadschap Rijnland De toezending is gedaan met het verzoek om binnen twee weken te reageren en met de mededeling, dat indien niet binnen die termijn zal zijn gereageerd, wordt aangenomen, dat het voorontwerp bestemmingsplan geen aanleiding heeft gegeven tot het maken van opmerkingen. Naar aanleiding van het voorontwerp bestemmingsplan heeft de Provincie NoordHolland aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan. Van het Hoogheemraad is geen reactie ontvangen.
4.2.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2024 ter inzage gelegen als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Tijdens deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.
4.3 Handhaving Uit de planregeling volgt geen directe opgave voor handhaving. Op de planlocatie zijn een aantal gevallen van gebruik geconstateerd dat in strijd is met het bestemmingsplan. De huidige oude woning wordt verhuurd ten behoeve van kamergewijze verhuur aan meer dan 4 personen. De eigenaar van de deze woning woont in het aangebouwde bedrijfsgebouw en het vrijstaande bedrijfsgebouw wordt niet meer overeenkomstig de bedrijfsbestemming gebruikt maar wordt ter vergroting van het woongenot gebruikt. Het strijdige woongebruik wordt beeindigd wanneer uitvoering wordt gegeven aan dit bestemmingsplan. Het gebruik als bij de nieuwe woning behorend bouwwerk (te verkleinen bedrijfsloods) wordt met dit bestemmingsplan gelegaliseerd.
HOOFDSTUK 5 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED Dit is een beschrijving van de huidige situatie van het plangebied. Alle ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met dit bestemmingsplan zijn al behandeld in hoofdstuk 2
5.1 Ruimtelijke karakteristiek Aan de Uiterweg 358 in Aalsmeer bevindt zich nu een oude woning met een aangebouwde bedrijfsruimte. Schuin daarachter staat er nog een grote bedrijfsloods op het perceel. De bedrijfsvoering ter plaatse is beeindigd, maar de bedrijfsbesteming is nog steeds vigerend. De kleine woning staat direct aan de Uiterweg en op de noordoostelijke perceelsgrens. Deze voldoet niet meer aan de moderne wooneisen. De woning wordt verhuurt ten behoeve van kamergewijze verhuur. 5.1.1 Het plangebied in groter verband Het plangebied bevindt zich in het westen van de Gemeente Aalsmeer, en ligt tussen Schiphol en de Westeinderplassen, in een uniek gebied bekend als de Uiterweg Plasoevers. De Uiterweg is één van de historische linten die de gemeente Aalsmeer kent, kenmerkend is dan ook de lintbebouwing. De lintstructuur is redelijk samenhangend en bestaat grotendeel uit vrijstaande panden (vaak woningen) in wisselende afmetingen. Achter het lint bevinden zich langgerekt achtererven die, ten zuiden van de Uiterweg, grenzen aan het open water van de plas en ten noorden aan de Ringvaart. Deze achtererven worden vaak bedrijfsmatig gebruikt vanwege haar geschiedenis en ligging in een waterrijk gebied in de agrarische of recreatieve sector. Op een aantal plekken zijn de achtererven compleet volgebouwd.
Met name enkele grootschalige gebouwde elementen vormen een duidelijke verstoring in dit gebied. In meer en op diverse plekken mindere mate is op deze achtererven ook natuur/groen in combinatie met water aanwezig. 5.1.2 Cultuurhistorie/archeologie Omdat de Uiterweg een historisch lint is, en er dus al honderden jaren mensen wonen, geldt er in het gebied grenzend aan de weg de waarde 'archeologie 2'. De verwachingswaarde voor archeologische vondsten is relatief hoog. Zie paragraaf 7.3 voor een verdere uitwerking van archeologie. Het projectgebied maakt onderdeel uit van wat in de nota 'Globale Cultuurhistorische Analyse' de 'echte' Bovenlanden wordt genoemd: de nog bestaande bebouwingslinten met aan weerszijden huizen en soms ook (oude) boerderijen, later aangevuld met kassen, loodsen, jachthavens, etcetera, en aan de straatkant één of enkele woningen en per kavel diverse “gebroken” landen. Uitgaande van de karakteristieke kenmerken van het gebied is voor De Bovenlanden een aantal aanbevelingen geformuleerd. Deze houden in dat de karakteristieke bebouwingslinten met het bijbehorende verkavelingspatroon dienen te worden behouden en versterkt, het profiel van de oude linten dient te worden behouden, inclusief de nog aanwezige wegsloten. De aanbevelingen van de cultuurhistorische analyse zijn in de structuurvisie voor de Uiterweg verwerkt.
Nu het plan hiermee in overeenstemming is (zie paragraaf 6.4.1) kan tevens worden geconcludeerd dat er vanuit cultuurhistorisch oogpunt geen belemmeringen voor het plan bestaan Er zijn verder geen cultuurhistorisch belangrijke objecten in de directe omgeving van het plangebied.
5.2 Functioneel gebruik In huidige situatie wordt het plangebied gebruikt voor wonen, al is dit voor het overgrote deel nog niet als zodanig bestemd. Naast een oude woning staat er verschillende bedrijfsgebouwen die aan hun oorspronkelijke functie onttrokken zijn. Het perceel is grotendeels verhard en wordt gebruikt als parkeerruimte ten behoeve van het aanwezige woonfunctie. Gezien het gebruik als kamergewijze verhuur zijn er meer parkeerplaatsen aanwezig dan gebruikelijk voor een eengezinswoning. De ontsluiting centraal op het perceel is direct op de Uiterweg. Er is hier geen wegsloot aanwezig. Aan de noordoost, noord en noordwestzijde wordt het perceel begrensd door kavelsloten. Aan de zuidwestzijde grenst het direct aan het belendende woonperceel. Het water wordt tevens gebruikt om privevaartuigen af te meren.
Afb. 5 luchtfoto Uiterweg 358
Afb. 6 streetview Uiterweg 358
HOOFDSTUK 6 BELEIDSKADER 6.1 INLEIDING Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke beleidskaders. Achtereenvolgens komt het relevante rijks, provinciale, regionale en gemeentelijk beleid aan bod. Het beleid en de wetgeving op milieugebied wordt behandeld in hoofdstuk 7.
6.2 Rijksbeleid Hieronder volgt het beleid van het rijk, waar indien relevant voor het plangebied met dit rijksbeleid rekening wordt gehouden in dit bestemmingsplan. 6.2.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven.
Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen.
Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig;
2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. Relevantie plangebied De Novi kent geen directe gevolgen voor dit initiatief. Het onderhavige plan ziet op een verplaatsing van een woning en wegbestemmen van een buiten gebruik geraakte bedrijfsbestemming. Omdat in samenhang met deze planontwikkeling de bestaande rechten op de locatie worden geschrapt, worden er per saldo geen nieuwe functies toegevoegd en is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijkerwijze nadelige effecten heeft voor de rijksbelangen. 6.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De "Ladder voor duurzame verstedelijking" heeft als doel een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder voor duurzame verstedelijking is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), in artikel 3.1.6, lid 2. De onderbouwing van de behoefte aan functies wordt gedaan aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking. Bij de ladder worden een aantal aspecten beschouwd, zoals de behoefte aan functies, zowel kwantitatief als kwalitatief, en de locatie van de voorgestane functies. Op 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van het Bro ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking gewijzigd.
Ingevolge artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Nieuwe ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, mits sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling'. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van het Bro gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. In de 'Handreiking Ladder' is aangegeven dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen. Met de verplaatsing van een woning zoals bij het onderhavige plan is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. 6.2.3 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (2002) Door middel van het Luchthavenindelingbesluit (LIB) is rond de luchthaven Schiphol een beperkingengebied aangewezen. Hierbinnen gelden regels omtrent beperking van bestemming en gebruik van grond in verband met het externe veiligheidsrisico en de geluidbelasting vanwege het luchthavenverkeer.
Daarnaast worden regels gesteld omtrent beperkingen van de maximale hoogte van objecten, en van vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik. De hoogtebeperkingen zijn opgelegd om ervoor te zorgen dat vliegtuigen op een veilige manier van en naar de luchthaven Schiphol kunnen vliegen. De beperkingen voor de vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik zijn opgelegd om te voorkomen dat zich in de nabijheid van de luchthaven concentraties vogels bevinden, die hinderlijk kunnen zijn voor vliegtuigen. Voor het project zijn de regels ten aanzien van geluidsbelasting, vogels en de hoogtes relevant: Op gronden bijbehorende artikel 2.2.1c van het LIB is bepaald dat hier, met het oog op geluidbelasting, geen geluidgevoelige gebouwen zijn toegestaan, behoudens toevoeging binnen bestaand stedelijk gebied van niet meer dan 25 woningen per bouwplan of binnen
lintbebouwing van niet meer dan 3 woningen per bouwplan. Dit bouwplan voorziet in het verplaatsen van een woning binnen lintbebouwing, en voldoet dus aan deze eis. Artikel 2.2.1d geeft vervolgens aan dat buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan. Het verplaatsen van een enkele woning wordt niet als woningbouwlocatie gezien. Daarnaast motiveren gemeenten in de toelichting op het bestemmingsplan of in de onderbouwing van de omgevingsvergunning de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. Deze ontwikkeling voorziet per saldo niet in het toevoegen van een nieuwe geluidsgevoelige bestemming. Daarom kan worden afgezien van deze toelichting. In artikel 2.2.2 van het LIB is bepaald dat objecten niet hoger mogen zijn dan de aangegeven maximale waarden. Voor de projectlocatie geldt een maximale hoogte van 35 meter NAP. De beoogde bouwhoogte van de woning is niet hoger dan 35 meter, en voldoet dus aan de maximale hoogtemaat volgens het LIB. In artikel 2.2.3 van het LIB is bepaald dat er op gronden gelegen binnen de invloedssfeer van dat artikel geen vogelaantrekkende functies mogen rusten. Het plangebied ligt binnen deze invloedssfeer, maar onderhavig plan voorziet niet in een vogelaantrekkende functie.
6.3 Provinciaal en regionaal beleid Hieronder volgt het beleid van de provincie, waar indien relevant voor het plangebied met dit beleid rekening wordt gehouden in dit bestemmingsplan. 6.3.1 Omgevingsvisie NH 2050 De "Omgevingsvisie NH2050 Balans tussen economische groei en leefbaarheid" is op 19 november 2018 door Provinciale Staten van NoordHolland vastgesteld. De Omgevingsvisie NH2050 betreft een structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In de Omgevingsvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en heeft zij tevens aangegeven hoe zij deze visie denkt te zullen realiseren. Het uitgangspunt van de omgevingsvisie is dat NoordHolland een relatief hoog welvaarts en welzijnsniveau heeft. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. In de omgevingsvisie worden ambities genoemd op het gebied van de leefomgeving, het gebruik van de leefomgeving en de energietransitie. De ambities ten aanzien van de leefomgeving luiden als volgt. Een klimaatbestendig en waterrobuust NoordHolland. In het kader van gezondheid en veiligheid, het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Het vergroten van de biodiversiteit van NoordHolland. Voor het gebruik van de leefomgeving gelden de volgende ambities. Een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor, daardoor is er ruimte voor ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Verder wil de provincie vraag en aanbod van woon en werklocaties beter afstemmen (kwantitatief en kwalitatief). Daarbij moet woningbouw, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends, vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden worden gepland. Duurzaamheid van de totale woningvoorraad is het uitgangspunt. De derde ambitie binnen deze categorie is het effectief, veilig en efficiënt
kunnen verplaatsen van inwoners, bedrijven en producten van NoordHolland, waarbij negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk worden meegewogen. Als laatste geldt het behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Voor energietransitie is de overkoepelende ambitie dat NoordHolland in 2050 volledig klimaatneutraal is en gebaseerd op hernieuwbare energie. Daarom is er ruimte voor de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Dit alles rekening houdende met de ambities voor verstedelijking en landschap. Relevantie onderhavig plan Het onderhavige plan maakt verbetering van de stedelijke structuur mogelijk. Het lint van de Uiterweg wordt versterkt. Er wordt een woning verplaatst naar een plek centrale op het perceel. De oude woning voldoet niet meer aan de duurzaamheidsambities. Door het wegbestemmen van een bedrijfsbestemming wordt de leefbaarheid voor de directe omgevings vergroot. Het is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie NH2050.
6.3.2 Omgevingsverordening NH2020 Op 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten van NoordHolland de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om in de geest van de komende Omgevingswet naar nieuwe regels te streven die zien op het 'hoe': 'hoe kom je tot een goede fysieke leefomgeving'. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie (NH2050) worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening NoordHolland. Deze Omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV), de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. Een (groot) aantal van de regels van de PRV zijn ook in de Omgevingsverordening NH2020 terecht gekomen als instructieregels waaraan ruimtelijke plannen van de gemeente moeten voldoen. Deze instructieregels zijn gekoppeld aan werkingsgebieden. De Omgevingsverordening NH2020 is intussen een aantal maal herzien. Relevantie onderhavige plan In combinatie met de beoogde functie (wonen) in dit bestemmingsplan zijn ter plaatse van de planlocatie de relevante werkingsgebieden 'Bodemsanering' en 'MRA Landelijk gebied' van toepassing.
(MRA-)Landelijk gebied Het doel van dit werkingsgebied is het zoveel mogelijk binnenstedelijk of aansluitend aan verstedelijking bouwen van nieuwe woningen en het verbeteren van ruimtelijke kwaliteit door het slopen of van functie wijzigen van voormalige bedrijfsbebouwing. Het realiseren van een kleinschalige woningbouwontwikkeling is in beginsel uitgesloten. In dit geval wordt geen woning (woobestemming) toegevoegd, maar gaat het om een verplaatsen er van. Door het slopen van bedrijfsbebouwing en wegbestemmen van deze functie wordt ter plaatse de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. De ontwikkeling is niet in strijd met de instructieregels van dit werkingsgebied. Op ruimtelijke ontwikkelingen in (MRA)Landelijk Gebied is de zogenaamde 'ruimtelijke kwaliteitseis' (art. 6.59) van toepassing. In de volgende paragraaf wordt hier op ingegaan. Bodemsanering Het doel is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te behouden en waar mogelijk te verbeteren. Dat betreft onder meer ontwikkelingen in de ondergrond. Zie paragraaf 7.2 (Bodem). Voor het onderhavige project is een bodemonderzoek uitgevoerd.
Uitkomst is dat er op diverse locaties vervuilde grond aanwezig is. Voordat de bouwwerkzaamheden gaan starten zullen alle benodigde saneringswerkzaamheden worden uitgevoerd om de locatie geschikt voor de bestemming wonen te maken. 6.3.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie NoordHolland biedt een rijke variatie aan landschappen, kernen en cultuurhistorische monumenten. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De provincie onderscheidt zich door zijn openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Elk deel heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis, die vaak nog goed afleesbaar is in het landschap. Het huidige landschap van NoordHolland is een erfenis met een grote aantrekkingskracht op mensen die in de provincie wonen, werken en recreëren. De hoge kwaliteit ervan draagt bij aan het economische vestigingsklimaat in de provincie. Het landschap is echter een dynamische leefomgeving die al sinds mensenheugenis verandert en dat ook zal blijven doen. De provincie wil dan ook ruimte blijven bieden aan nieuwe ontwikkelingen, op een manier die bijdraagt aan de waarden en kwaliteiten van het landschap en waarbij de ontstaansgeschiedenis herkenbaar blijft. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten de ontwikkelingsgeschiedenis, de bebouwingskarakteristiek en de inpassing in de wijdere omgeving als uitgangspunt hanteren.
Meetpunt hiervoor is deze beleidsnota, waarin de eisen voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit zijn vastgelegd. Voor het plangebied is twee relevante structuren (Stelling van Amsterdam en bebouwingslinten) en één relevant ensemble (Aalsmeer Uithoorn) beschreven. Ensemble: Aalsmeer Uithoorn Het ensemble AalsmeerUithoorn ligt ten zuidwesten van Amsterdam en tussen de ensembles Haarlemmermeerpolder en Amstelscheg. Dit ensemble bevat een complex samenstel van droogmakerijenlandschap en veenpolderlandschap met plassen, ontginningslinten en restanten van het voormalige veenontginningslandschap (veenbovenlanden). Het veenpolderlandschap reikt van Aalsmeer tot Amsterdam en bestaat uit een samenstel van het veenbovenland met ontginningslinten (Aalsmeer en Amstelveen), het grote open water van de (uitgeveende) Westeinderplassen en de Nieuwe Meer. Langs de ontginningslinten van Aalsmeer (Uiterweg, Oosteinderweg) liggen tuinderijen op de restanten veenbovenland en petgaten. Aan de westrand van het ensemble vormen de ringvaart en de ringdijk van de Haarlemmermeer samen een ruimtelijke drager. Aan de noordzijde van de Westeinderplas bevindt zich een langgerekt eilandenrijk van veenbovenlanden met verspringende kavels, waar het plangebied onderdeel van uitmaakt.
Het bestaat uit een dubbele reeks eilanden in dezelfde zuidwestnoordoostrichting Deze vormen een aantrekkelijke (recreatieve) zone tussen Amsterdam en het Groene Hart. De Bovenlanden en de Westeinderplassen vormen een belangrijke ecologische en recreatieve verbinding tussen Amsterdam en het Groene Hart. Het zichtbaar houden van de Westeinderplas en het vergroten van de toegankelijkheid van het water is een belangrijk speerpunt uit de Leidraad. De algemene ambitie binnen dit ensemble is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek; bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en; helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers.
Structuur: Bebouwingslinten Linten zijn onlosmakelijk verbonden met het NoordHollandse landschap. Het zijn lineaire structuren die zijn ontstaan als organisch gegroeide, vaak historische routes en ontginningsassen met een eigen karakteristieke ontwikkelingsgeschiedenis. Elk lint heeft een ‘structuurdrager’ waaraan het lint is gegroeid, meestal een dijk, een weg, een kanaal of een vaart. De woningen zijn op deze structuurdrager georiënteerd en het lint ontleent daar, samen met de opbouw van het landschap, zijn verschijningsvorm en identiteit aan. Vaak staan er aan een lint stolpen die de identiteit ervan versterken. Voor alle ruimtelijke ambities uit de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie die van toepassing zijn voor het (bebouwings)lint Uiterweg zijn, zie https://leidraadlc.noordholland.nl/ervenlinten/linten/. Conclusie De planontwikkeling versterkt de landschappelijke karakteristiek. De oude woning staat nagenoeg op de perceelgrens waardoor de oorspronkelijke kavelsloot nauwelijks waarneembaar is. Door de woning centraler op het perceel te positioneren liggen er kansen deze kavelsloot zichtbaar te maken. Door de sloop van een groot deel van de bedrijfsbebouwing wordt de openheid in het gebied versterkt. De woning die wordt teruggeplaatst is georienteerd op de Uiterweg welke in dit gebied geldt als de belangrijkste ruimtelijke drager.
Er wordt ruimte gemaakt voor een voortuinzone waardoor er mogelijkheden voor vergroening ontstaan. De gemeente Aalsmeer heeft het versterken van de lintstructuren geborgd in het Lintenbeleid, in paragraaf 6.4.4 wordt hier verder op ingegaan. De Leidraad vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
6.4 Gemeentelijk beleid 6.4.1 Structuurvisie Uiterweg De gemeente Aalsmeer heeft specifiek voor het gebied rondom de Uiterweg een structuurvisie ontwikkeld. Deze structuurvisie is op 24 maart 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze structuurvisie is een uitwerking van de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020. Hierin is de opgave beschreven om vorm en inhoud te geven aan de ambitie om Aalsmeer als aantrekkelijk waterrecreatiegebied op de kaart te zetten. Met de Westeinderplassen heeft de gemeente een belangrijke troef in handen om het imago van Aalsmeer als levendig en toeristisch waterdorp te verbeteren en zo de lokale economie te versterken. In de gebiedsvisie staan de volgende denkrichtingen voor de inrichting van het gebied Bovenlanden beschreven die voor het plangebied van belang zijn: in het lint is er hoofdzakelijk sprake van een woonfunctie in combinatie met kleinschalige bedrijvigheid hierachter; het tegengaan van grootschalige, complexmatige bebouwing en het volledig volbouwen van percelen. de landschappelijke structuur van het gebied moet in tact worden gehouden, hetgeen bijvoorbeeld betekent dat het samenvoegen van meerdere eilanden tot één eiland in principe niet mogelijk is; De structuurvisie geeft antwoord op de vraag waar een veelheid aan ruimtevragende functies een plaats krijgt. Het biedt duidelijkheid over de speelruimte voor ontwikkelingen.
De structuurvisie is daarmee een leidraad voor de beoordeling van ruimtelijke initiatieven en geeft sturing aan het bouwplanoverleg tussen gemeente en initiatiefnemers. De structuurvisie geeft vervolgens de basis om voor passende initiatieven af te wijken van het geldende bestemmingsplan. Het hele Uiterweggebied is in de structuurvisie opgedeeld in diverse deelgebieden. Voor elk deelgebied is
een gebiedspaspoort ontwikkeld waarin richting wordt gegeven voor de mogelijkheden van transformatie. Deze vormen ook de basis voor de landschappelijke inpassing van toekomstige ontwikkelingen. Het onderhavig perceel is gelegen in deelgebied 2. Het ontwikkelperspectief dat voor dit gebied beschreven is luidt als volgt: Beperkte kansen voor transformatie naar recreatieve functies, al dan niet in combinatie met een opwaardering van de bestaande pontverbinding. Nieuwe functies in samenhang met bestaande woonfuncties, zoals bed and breakfast. Relevante gebiedsgerichte criteria zijn hier: Handhaven dan wel versterking van lintbebouwing; Versterken visuele relatie vanaf de Uiterweg naar de Ringvaart; Bestendigen verkavelingspatroon; Bebouwing achter het lint haaks op de Uiterweg; Een aantal architectonische randvoorwaarden (relevant bij de vergunningverlening en de toets aan de redelijke eisen van welstand); Primaire voorkant gericht op de Uiterweg; Een bouwlaag met kap. Conclusie Het plan draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. De hoeveelheid bebouwing in het gebied neemt af. De nieuwe bebouwing past qua schaal en uitstraling heel goed op het formaat van de woonpercelen, en in het bebouwingsritme van dat deel van het lint.
Daarnaast draagt het verdwijnen van buiten gebruik geraakte bedrijfsbebouwing en creeeren van een voortuinzone bij aan de groene uitstraling van het perceel en wordt het zicht over de kavelsloot hersteld. 6.4.2 Nota Parkeernormen Aalsmeer Eind 2012 heeft het CROW (Landelijk kenniscentrum voor verkeer en vervoer) nieuwe parkeerkencijfers gepubliceerd. De 'oude' cijfers dateren van 2004 en dienden als basis voor de parkeernormen zoals vastgesteld in het Aalsmeer Verkeer en Vervoerplan (AVVP). In het AVVP zijn echter alleen normen opgenomen voor de categorie 'wonen'. De aanleiding voor deze Nota Parkeernormen Aalsmeer is als volgt: Naast de normen voor de categorie wonen zijn er nog geen parkeernormen vastgesteld voor Aalsmeer en Kudelstaart; De parkeernormen uit 2004 en uit het AVVP zijn niet meer actueel; De nieuwe kencijfers van het CROW zijn gebaseerd op de meest actuele en recente ervaringscijfers; Parkeernormen moeten vanaf 2018 zijn opgenomen in bestemmingsplannen. Door in toekomstige bestemmingsplannen via de regels een verwijzing op te nemen naar deze Nota Parkeernormen inclusief toepassingsregels wordt aan deze verplichting voldaan en geldt voor iedereen een eenduidig kader. Het vaststellen van parkeernormen en toepassingsregels is om diverse redenen belangrijk en nuttig.
Door het parkeren nadrukkelijk te toetsen en de juiste parkeernorm zo vroeg mogelijk in een planproces te bepalen wordt parkeeroverlast voorkomen en wordt de verkeersveiligheid verbeterd. Indien een ontwikkelaar namelijk te weinig parkeerplaatsen realiseert op eigen terrein, gaan er ook mensen in de omgeving parkeren met mogelijk parkeeroverlast en verkeersonveilige situaties tot gevolg. Voor burgers, bedrijven en ontwikkelaars is met deze nota duidelijk welke normen gehanteerd worden bij een aanvraag. Bovendien bevat de nota duidelijke toepassingsregels om uit te leggen hoe de parkeernormen gehanteerd moeten worden. Hierdoor zorgen we er als gemeente voor dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig
zijn en dat mogelijk verwachte parkeerproblemen vanaf het begin van het planproces worden voorkomen. Conclusie Indien een ruimtelijk plan voorziet in het toevoegen of bestendigen van een verkeersaantrekkende functie dienen de gevolgen voor de verkeer en parkeersituatie en de parkeerbehoefte te worden beoordeeld. Met dit plan neemt het aantal verkeersbewegingen niet toe. Het verkeer kan eenvoudig via de Uiterweg worden afgewikkeld. Voor de woning geldt dat er ruimte genoeg is om op eigen terrein te parkeren voor zowel bewoners als bezoekers. Middels een voorwaardelijke verplichting in de regels wordt gewaarborgd dat er voldoende parkeerplaatsen wordt gerealiseerd bij de woningen conform de Parkeernota van Aalsmeer. Er is geen reden te veronderstellen dat het parkeren niet op eigen erf opgelost zal kunnen worden. 6.4.3 Woonvisie 2011-2020 Op 14 juli 2011 heeft de gemeenteraad de Woonvisie Aalsmeer 20112020 vastgesteld. De woonvisie Aalsmeer verwoordt het woonbeleid van de gemeente voor de periode 20112020. Speerpunten zijn: het inspelen op woonwensen, een blijvende zorg voor betaalbaarheid, een voldoende aanbod in de sociale huur, een goede woonruimteverdeling, een goede bereikbaarheid van de koopsector, de beperking van de energielasten, meer kansen voor jongeren/starters op de woningmarkt, een zorgzame gemeente en een ombuiging van kwantiteit naar kwaliteit.
Het woonbeleid is vertaald in een woningbouwprogramma. Het woningbouwprogramma sluit aan bij de gewenste aandacht voor betaalbaarheid. Daarnaast wordt er gestreefd naar een grotere variatie van het woonaanbod. De gemeente zet in op variatie op kleine schaal. Dat sluit aan bij de dorpse sfeer en voorkomt het gevoel in een grootschalige nieuwbouwwijk te wonen. Begin 2014 is er een herijking van dit woonbeleid geweest. De conclusie uit deze herijking was dat de doelstellingen uit de Aalsmeerse Woonvisie nog steeds van kracht was, maar dat er in de uitvoering een aantal aanpassingen noodzakelijk was. Dit is vastgelegd in de 'Actualisatie uitvoeringsprogramma Woonvisie Aalsmeer 2014'. Als gevolg van veranderende marktomstandigheden, veranderde wetgeving (Woningwet en Huisvestingswet 2015) is er behoefte aan een actueel uitvoeringsprogramma. De Woonagenda voorziet in deze behoefte. Conclusie Het onderhavige plan maakt de vervangende nieuwbouw van één woning emogelijk. Daarnaast voorziet het in de sloop van bedrijfsbebouwing en wegbestemmen van de bedrijfsbestemming. Dit zorgt er voor dat de omgeving van het plangebied kwalitatief verbeterd. Het plan is in lijn met de woonvisie.
6.4.4 Het lintenbeleid Het doel van de op 22 december 2011 vastgestelde beleidsnota "Ruimtelijke beoordeling bouwen in de Linten van Aalsmeer" is om te komen tot een helder toetsingskader voor het beoordelen van ontwikkelen in woonlinten. Inzet van het beleid is om bestaande lintenstructuur te behouden en te versterken. De linten van Aalsmeer hebben van oorsprong een hoge landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische kwaliteit. Op grond van de beleidsnota worden de Uiterweg gerekend tot de historische linten. Om de lintenstructuur te beschermen zijn in het lintenbeleid verschillende ruimtelijke en architectonische uitgangspunten geformuleerd, waarmee bij ontwikkelingen in de linten rekening gehouden dient te worden. Naast algemene ruimtelijke voorwaarden die aan
ontwikkelingen binnen worden gesteld, gelden voor de verschillende linten tevens specifieke voorwaarden afgestemd op het oorspronkelijke kenmerkende karakter van het betreffende lint. Op 18 juni 2020 heeft de gemeenteraad het Lintenbeleid 2e herziening vastgesteld. In dit beleidsdocument zijn de linten van Aalsmeer beschreven en is aangegeven onder welke ruimtelijke randvoorwaarden het toevoegen (herbouwen of verplaatsen) van een woning is toegestaan. Uitgangspunt is het aanscherpen en actualiseren van het bestaande kader. Bovendien zijn stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten opgenomen waaraan het bouwen van een woning in de linten van Aalsmeer moet voldoen. Het lintenbeleid is overgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Een aantal eisen uit het lintenbeleid: het perceel waarop het lintwoonhuis gebouwd wordt dient breder te zijn dan 25 meter, het huis moet in de bestaande bebouwingritmiek passen en de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan dat vergunningsvrij zou kunnen worden toegestaan. Van dat laatst kan gemotiveerd worden afgeweken. Dit kan aan de orde zijn bij nieuwbouw van een woning op bouwpercelen die voorheen in gebruik waren als (agrarisch of jachthaven) bedrijf en waar de bedrijfsopstallen nog verwijderd dienen te worden.
Een grotere oppervlakte kan worden toegestaan mits voldaan wordt aan beide volgende uitgangspunten: Ontstening van het gebied is uitgangspunt. De oppervlakte van de vrijstaande bijbehorende bouwwerken dient een aanzienlijke reductie te zijn van de aanwezige bedrijfsopstallen. De mate van reductie kan per type gebied verschillen; Vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen niet voor bewoning worden gebruikt. Daarnaast geeft het lintenbeleid onder voorwaarden de mogelijkheid voor het realiseren van een ondergrondse parkeerkelder. Conclusie In het onderhavig geval is het perceel breder dan 25 meter. Er staat hier tevens al een woning welke wordt vervangen. Met het plan wordt de woning teruggebouwd meer in het midden van het perceel. Er wordt voldoende (een ruimere) afstand aangehouden tot de zijdelingse perceelgrens en de voorgevel wordt geplaatst binnen de daarvoor aangewezen bandbreedte tot de Uiterweg. Het bebouwingslint in de nieuwe situatie worden versterkt. In de nieuwe situatie zal de woning maximaal 12 meter breed zijn met een goot en nokhoogte overeenkomstig dit beleid. Het perceel heeft een oppervlakte van 1428 m2. Dit betekent dat hier maximaal 150m2 aan bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd. Een grotere oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken is niet passend.
Er wordt wel bedrijfsbebouwing gesloopt maar dat is niet van dien omvang (375 m2) dat gesproken kan worden van een flinke reductie van bebouwd oppervlak. Een voormalige bedrijfsloods kan deels worden behouden. Deze resteert 150 m2 en is qua goot en bouwhoogte ook passend binnen de hiervoor geldende regels (max. 3 resp. 5 meter). Dit bijgebouw zal niet voor bewoning worden bestemd.
HOOFDSTUK 7 OMGEVINGSKWALITEIT 7.1 Aanmeldnotitie en besluit Mer Om de mogelijke effecten van de beoogde ontwikkeling in beeld te brengen dient m.e.r. beoordeling te worden uitgevoerd. Het project betreft namelijk een stedelijk ontwik kelingsproject maar blijft onder de drempelwaarden. Deze m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapport (MER) noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt, of het project moet worden aangepast (met maatregelen) en er moet een nieuwe m.e.r. beoordeling worden gemaakt. Voor de vraag of in het kader van het voorgenomen project belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht kunnen worden is een korte analyse gemaakt van de verschillen tussen het geldende bestemmingsplan, het geldende gebruik en het project. Het geldende bestemmingsplan staat diverse functies ter plaatse van het projectgebied toe. Het project leidt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan niet tot een andere functie (wonen) en daarnaast wordt een potentieel hindergevende functie wegbestemd (bedrijf). Belangrijke nadelige gevolgen voor het verkeer en het milieu (waaronder luchtkwaliteit, flora en fauna, waterhuishouding) worden niet verwacht.
Conclusie Het initiatief is geen stedelijk ontwikkelingsproject (volgens jurisprudentie pas vanaf het toevoegen van biv. 12 woningen). Er is geen milieueffectenrapport noodzakelijk.
7.2 Bodem Wettelijk- en Beleidskader Het bodembeleid heeft tot doel een balans te vinden tussen bodemgebruik en bescherming van bodemfuncties. Met bescherming wordt bedoeld dat een bodemgebruik duurzaam, veilig en gezond is. Bescherming is niet alleen tegen verontreiniging gericht, maar in principe tegen elke aantasting die het gebruik benadeeld. Het beleid voor bodembescherming kent drie sporen. Het eerste spoor bestaat uit het oplossen van de knelpunten die zijn ontstaan door historische verontreinigingen. Hiervoor is een programmatische aanpak opgesteld, die in de Wet bodembescherming is opgenomen. Het doel, om in 2015 geen locaties meer te hebben waar acute gezondheidsrisico optreden, is in Aalsmeer/Amstelveen bereikt. Het 2e spoor richt zich op het voorkomen van nieuwe aantasting door het stellen van regels aan activiteiten in en op de bodem. De Wet Milieubeheer vormt hiervoor de basis. Het 3e en laatste spoor is het ruimtelijke spoor (Wro) dat tot doel heeft te komen tot een ‘goede ruimtelijke ordening. Dit gebeurt door nieuwe gebruiksfunctie (bv. wonen) alleen te bestemmen op gronden met voldoende bodemkwaliteit. Bij bestaand bodemgebruik worden natuurlijk momenten aangegrepen om de bodemkwaliteit zo nodig te verbeteren. Als ijkpunt kunnen de bodemnormen uit de Regeling bodemkwaliteit worden toegepast.
In gebieden met intensief bodemgebruik is het niet altijd mogelijk om de juiste bodemkwaliteit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te bereiken. Het Besluit bodemkwaliteit (Bkk) biedt dan de mogelijkheid om op projectniveau af te wijken van de generieke normen, mits op gebiedsniveau de kwaliteit niet verminderd en dit beleid door lokaal bestuur wordt vastgesteld. In Amstelveen is wel gebiedspecifiek beleid opgenomen in de Nota bodembeheer(2013), maar er zijn geen regels opgenomen die het bestemmen van gebruiksfuncties beperken. Daar is ook weinig aanleiding voor, omdat de chemische
bodemkwaliteit over het algemeen geen knelpunt vormt voor bestaand en toekomstig bodemgebruik. De 3 sporen komen te zijner tijd samen in de Omgevingswet. De uitgangspunten van de Nota bodembeheer worden dan vertaald in de omgevingsvisie en resp. omgevingsplannen. Relevantie plangebied Bodemopbouw De oorsprong van het plangebied is beschreven in paragraaf 5.1.2 over cultuurhistorie. De bodem ter plaatse van de Bovenlanden bestaat oorspronkelijk uit veen. Omdat veen bestaat uit organisch materiaal vindt oxidatie plaats aan de lucht. Hierdoor daalt het maaiveld, uiteindelijk tot aan de grondwaterstand. Om de maaivelddaling te compenseren is de bodem in grote delen van Bovenland opgehoogd. Verkennend onderzoek Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend milieukundig bodemonderzoek (26 oktober 2023, projectnummer B23068, uitgevoerd door B&L Grondmanagement) om ter plaatse de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Dit rapport is opgenomen als bijlage 1 bij de plantoelichting. Uit het onderzoek blijkt dat er een tweetal typen verontreiniging aanwezig zijn: Een verontreiniging met koper en zink is in het horizontale vlak nog niet volledig gekarteerd. Ingeschat wordt dat minimaal 60 m2 sterk verontreinigd is met koper en zink. De laagdikte is circa 0,8 meter (20100 cmmv).
Het bodemvolume van de sterke verontreiniging met koper en zink is minimaal 49 m3. Ervanuit gaande dat de verontreiniging is ontstaan vóór 1987, betreft het een geval van bodemverontreiniging. Om de sterke verontreiniging in het horizontale vlak volledig in kaart te brengen dient in de woning en in noordelijke richting (boring 20) een boring geplaatst te worden. De woning is nu nog bewoond. Voorafgaand aan de toekomstige herontwikkeling van de locatie dient de sterke verontreiniging met koper en zink in de grond gesaneerd te worden. Hiervoor dient een BUSmelding ingediend te worden (regelgeving vóór in werking treding Omgevingswet per 1 januari 2024). De grond is sterk verontreinigd met olie over een oppervlakte van 17 m2 en bevindt zich op een diepte van 50100 cmmv. De verontreiniging is volledig gekarteerd en bevindt zich mogelijk gedeeltelijk onder de bebouwing. Het sterk met olie verontreinigde bodemvolume bedraagt < 10 m3. Het grondwater is licht verontreinigd met olie en naftaleen. Er wordt vanuit gegaan dat de verontreiniging is ontstaan vóór 1987. Het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Formeel hoeft de verontreiniging met olie volgens de Wbb niet gesaneerd te worden. Mogelijk dat het bevoegd gezag vanuit andere wetgeving hiertoe eisen stelt. De sterke verontreiniging met koper/zink en olie overlappen elkaar gedeeltelijk.
Vanwege de overlap met de verontreiniging met koper en zink en de aanwezige oliegeuren adviseren wij tegelijkertijd met de sanering van de verontreiniging met metalen ook de olieverontreiniging te verwijderen. Samenvattend is aan de noordzijde van de huidige woning sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Daar zijn sanerende maatregelen nodig in de vorm van verwijdering van de verontreinigde grond. Er is ook een kleine verontreiniging met minerale olie die tegelijkertijd kan worden weggenomen. Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van ruimtelijk plan komt onder druk door de kosten van een noodzakelijke bodemsanering of noodzakelijk grondverzet ter bescherming van het toekomstige bodemgebruik. Dit kan leiden tot een negatief resultaat op de grondexploitatie. Er is geen reden aan te nemen dat door een dergelijke sanering het plan financieel onuitvoerbaar is.
7.3 Water Beleidsdoelen water Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Wettelijk kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artiel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling. De waterbeheerder in dit gebied is het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het Hoogheemraadschap heeft het nieuwe Waterbeheerplan 20222028 (WBP6) vastgesteld.