Plantoelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225.Pdf.pdf
Tekst van het document
TOELICHTING
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer HOOFDSTUK 2 VISIE PLANGEBIED 2.1 Uitgangspunten 2.2 Functionele en ruimtelijke uitwerking 2.3 Motivatie gemaakte keuzes HOOFDSTUK 3 PLANOPZET 3.1 Algemeen 3.2 De bestemmingen HOOFDSTUK 4 UITVOERBAARHEID 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 4.3 Handhaving HOOFDSTUK 5 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED 5.1 Ruimtelijke karakteristiek 5.2 Functioneel gebruik HOOFDSTUK 6 BELEIDSKADER 6.1 INLEIDING 6.2 Rijksbeleid 6.3 Provinciaal en regionaal beleid 6.4 Gemeentelijk beleid HOOFDSTUK 7 OMGEVINGSKWALITEIT 7.2 Bodem 7.3 Water 7.4 Archeologie 7.5 Geluid 7.6 Luchtkwaliteit 7.7 Externe veiligheid 7.8 Flora en fauna 7.9 Duurzaamheid
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
3 3 4 4 5 6 6 6 7 8 8 8 10 10 10 10 11 11 12 13 13 13 16 24 28 28 31 32 35 37 38 40 43
HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doelstelling Bij de gemeente Aalsmeer is een aanvraag voor een bestemmingsplanwijziging voor de Uiterweg 223 en 225 binnengekomen. Het plangebied is bij de gemeente Aalsmeer kadastraal bekend als sectie H, nummer 4437, H4497, H4496 en H4439.
Afbeelding 1: kadastrale secties plangebied Aan de Uiterweg 223 en 225 in Aalsmeer bevindt zich nu een woning met een kwekerij. De kwekerij beschikt over een verouderd bedrijfsgebouw met daarachter een kassencomplex dat zich uitstrekt tot op de Westeinderplassen. De huidige eigenaar van de kwekerij is voornemens om te stoppen met de bedrijfsactiviteiten, hierdoor ontstaat de mogelijkheid het gebied een kwaliteitsimpuls te geven. Doel van dit bestemmingsplan is om alle aanwezige bebouwing te slopen (inclusief de bestaande woning), de oorspronkelijke agrarische bestemming met bouwrechten voor de bedrijfsbebouwing te schrappen en in het bebouwingslint twee bouwkavels te creëren. Dit binnen de mogelijkheden van het lintenbeleid van de gemeente Aalsmeer. Het achterste gedeelte van de kwekerij van ruim 2000 m² op het schiereiland zal worden omgevormd naar de bestemming 'natuur'. Van toepassing op de projectlocatie is het bestemmingsplan “Uiterweg-Plasoevers 2005”. Binnen dit bestemmingsplan heeft de projectlocatie de bestemmingen ‘Woondoeleinden, niet gestapeld’ en 'Agrarische doeleinden’. Het bouwplan is hiermee in strijd. Om de onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken is de gemeente bereid het bestemmingsplan aan te passen.
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de westzijde van Aalsmeer aan de Uiterweg. De Uiterweg is een lange doodlopende straat in het gebied dat is genaamd ‘De Bovenlanden’. Dit is het gebied tussen de Ringvaart en de Westeinderplassen bestaande uit vele eilanden. Kenmerkend zijn de langgerekte smalle kavels die voornamelijk ten behoeve van de tuinbouw intensief worden gebruikt (zie afbeelding 2). De natuurlijke opbouw, de ontginningsgeschiedenis, de ontwikkelingen in de tuinbouw en de wijze waarop het gebied is ingericht met woningen, bedrijvigheid, scheepswerven en jachthavens heeft geleid tot een gedifferentieerd ruimtegebruik. Veel percelen aan de Uiterweg zijn voornamelijk gericht op het water. Ten noorden van deze percelen ligt de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. Ten zuiden liggen de Westeinderplassen, bestaande uit de ‘Grote Poel’ en de ‘Kleine Poel’. Deze worden gescheiden door een strook met onbebouwde eilandjes. Het projectgebied is direct gelegen aan het open water van de Kleine Poel.
Afbeelding 2: plangebied bovenaanzicht (globaal rood omcirkeld)
1.3 Geldende bestemmingsplannen Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan “Uiterweg-Plasoevers 2005”. Zie voor een uitsnede van de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan afbeelding 3. Aan het plangebied zijn de bestemmingen ‘Woondoeleinden, niet gestapeld’ en ‘Agrarische doeleinden’ toegekend. Er geldt tevens een dubbelbestemming 'zonering luchthaven Schiphol'. Zoals te zien in afbeelding 3 liggen er ter hoogte van het plangebied twee bouwvlakken binnen de woonbestemming. Binnen deze bouwvlakken mag gebouwd worden met een goot- en bouwhoogte van 6 en 10 meter (kavel nr. 225) en 4,5 en 8,5 meter (kavel nr. 223). Op slechts één kavel in is huidige situatie (en ten tijde van de ter inzage legging van het geldende ontwerpbestemmingsplan) in gebruik als woning. Het plangebied ligt vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
in een gebied waar artikel 34 ('Zonering luchthaven Schiphol') van de planregels geldt. Hier zijn geen geluidsgevoelige bestemmingen toegestaan, behoudens onder andere gevoelige objecten welke ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan rechtmatig aanwezig zijn. Het realiseren van een woning op het onbenutte, doch als wonen bestemde, kavel is in strijd met het bestemmingsplan. Een deel van het plangebied is bestemd als 'Agrarische doeleinden'. Hierbinnen zijn o.a. tuinbouwbedrijven toegestaan. Dit deel van het plangebied kent tevens de aanduiding ‘zone A’. Hierbinnen zijn gebouwen en kassen toegestaan met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 9 meter. Het schiereiland heeft de aanduiding ‘zone B’. Binnen deze zone mogen kassen worden gebouwd. Het bouwplan is strijdig met deze bestemming. Voor de ontwikkeling wordt dit deel van het plangebied herbestemd naar 'Wonen' en worden de oorspronkelijk agrarische bouwrechten geschrapt. Deze geldende bestemmingsplannen komen met het in werking treden van dit bestemmingsplan (gedeeltelijk) te vervallen.
Afbeelding 3: planologie plangebied (globaal rood omcirkeld)
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk twee worden de uitgangspunten van het ruimtegebruik voor de komende tien jaar gegeven. Hoofdstuk drie bevat de juridische vertaling van de visie van het bestemmingsplan. In hoofdstuk vier komt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan bod. Om een indruk te krijgen wat met het bestemmingsplan wordt beoogd en hoe het juridisch vertaald wordt, is het lezen van deze hoofdstukken voldoende. Hoofdstuk vijf tot en met zeven geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de planopzet. In hoofdstuk vijf wordt een beschrijving van het plangebied gegeven. Hoofdstuk zes gaat verder in op de beleidskaders. In het laatste hoofdstuk komen de omgevingsaspecten aan bod.
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
HOOFDSTUK 2 VISIE PLANGEBIED 2.1 Uitgangspunten Het uitgangspunt van het onderhavige plan is om een kwaliteitsimpuls te geven aan het omliggende gebied, mede door de kassen te slopen, de lintstructuur te versterken door het bedrijfsgebouw in het lint te vervangen voor een woning, de verouderde woning te vervangen, en een deel van het plangebied 'terug te geven' aan de natuur.
2.2 Functionele en ruimtelijke uitwerking De eigenaar van de kwekerij is voornemens om de bedrijfsactiviteiten te stoppen. Daarmee komt een terrein van circa 8.220 m² met veelal verouderde bebouwing vrij. Doel van het plan is om de gehele kwekerij met toebehoren te slopen en te ontmantelen. De bedrijfslocatie wordt vervolgens ontwikkeld tot twee woningbouwkavels met nieuwe natuur en water (bijlage 1 voor planverkaveling). De bedrijfsbebouwing zal allemaal worden gesloopt. Het betreft circa 3100 m² aan kassen en circa 250 m² aan bedrijfsbebouwing. Op beide kavels wordt naast het woonhuis een bijgebouw en een botenloods met schuur gerealiseerd. Het woonhuis op nummer 223 heeft een breedte van 11 meter en een diepte van 15 meter, met een totaal oppervlak van 165 m². Het woonhuis op nummer 225 heeft een breedte van 9 meter, met een diepte van 15 meter, een totale oppervlakte van 135 m². De bijgebouwen en de boothuizen zijn op beide kavels even groot en bedragen 150 m² respectievelijk 120 m². Het parkeren ten behoeve van nummer 223 vindt ondergronds plaats. Het voorerf zal dan vrij van parkeerruimte blijven. De bijgebouwen zullen in lijn achter de hoofdbebouwing worden geplaatst. Op die manier ontstaan er weer doorzichten vanaf de Uiterweg tussen de bebouwing door, dat is in huidige situatie niet het geval.
Op beide kavels vindt een grote reductie van bebouwing plaats (ruim 2.500 m²). Daarnaast komt de mogelijkheid om een kas te realiseren op het achterliggende schiereiland van circa 1.900 m² te vervallen. Aan de achterzijde van beide kavels wordt een deel van het bestaande land afgegraven en vervangen door water. Het schiereiland is begin jaren negentig met de rest van de kavels verbonden. Het voornemen is om deze verbinding weer te verbreken zodat weer een apart eiland ontstaat met een oppervlakte van circa 1.800 m². Deze wordt in zijn geheel omgevormd naar natuur en zal dan ook als zodanig bestemd worden. Zie afbeelding 4 voor de plantekening van de nieuwe situatie. Het stuk natuur is geheel rechts (niet in volledigheid) in bruin te zien.
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
Afbeelding 4: plantekening situatie nieuw.
2.3 Motivatie gemaakte keuzes In de structuurvisie Uiterweg (2015) wordt de koers voor het gebied rond de Uiterweg vastgesteld. In z’n algemeenheid is het Uiterweggebied gediend bij een extensieve bebouwing. Waar mogelijk wordt een wezenlijke ‘ontstening’ als voorwaarde gesteld voor een bouwinitiatief. Transformeren naar wonen is niet per definitie voorzien in de structuurvisie. Niet in alle gevallen is een transformatie naar een recreatief/toeristische bedrijfsvoering vanuit de eigenaar gewenst. In dit geval blijft het lintenbeleid ook gewoon van kracht. In combinatie hiermee helpt het wel bij het realiseren van de doelstelling van 'ontstenen'. Aangezien de Uiterweg een historisch lint is is ook het Aalsmeerder lintenbeleid van toepassing. Het doel van het lintenbeleid is het behouden en versterken van doorzichten op landschappelijk waardevolle locaties (zoals de Westeinderplassen). Daarnaast is het doel het handhaven van de bebouwingsritmiek van de Uiterweg. Aan de Uiterweg in het lint zullen de bestaande woning en het bedrijfsgebouw worden gesloopt. Er is gekozen om de voorgevelrooilijn van beide woningen geleidelijk te laten overvloeien tussen de naastgelegen woningen. In de huidige situatie zit hier een duidelijke sprong naar achteren in van 15 meter waardoor het gevoel van eenheid in het bebouwingslint afneemt.
Het geleidelijk naar achteren plaatsen van de hoofdbebouwing zorgt dat de twee grote bomen de ruimte krijgen en hersteld het gevoel van eenheid in de lintbebouwing ter plaatse. Verder blijven de afmetingen van de bebouwing binnen de kaders zoals gesteld in het lintenbeleid. Ten aanzien van het bebouwen van achtererf gaat het Lintenbeleid in beginsel uit van de mogelijkheden die vergunningsvrij worden geboden. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken. Aangezien een grote maten van sloop van bedrijfsbebouwing wordt bereikt, is er reden een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken toe te staan (zie verder paragraaf 6.4.4). Overigens is het wel zo dat met het benutten van deze bouwmogelijkheid met een dergelijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken (meer dan 150 m2) de vergunningvrije mogelijkheden voor het uitbouwen van de woningen zijn opgesoupeerd.
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
HOOFDSTUK 3 PLANOPZET 3.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. In het voorgaande hoofdstuk is beschreven welke ontwikkelingen in het plangebied plaatsvinden. In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke juridisch-planologische instrumenten daarbij worden ingezet. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) die per 1 juli 2008 in werking is getreden verplicht gemeenten tot het opstellen van een bestemmingsplan voor het gehele grondgebied. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. Deze onderdelen zijn bindend voor de burger. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting is niet juridisch bindend, maar wordt als handvat en beleidskader/interpretatiekader voor het bestemmingsplan gebruikt.
De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Aalsmeer. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan.
3.2 De bestemmingen Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) hierin worden de begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt. Wijze van meten (artikel 2) hierin wordt aangegeven hoe de diverse maten worden gemeten en de inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden berekend om zo een eenduidige toepassing van de bebouwingregeling te bewerkstelligen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Natuur (artikel 3) De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en de landschappelijke waarden. Water (artikel 4) De voor 'Water' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor waterlopen, waterplassen en recreatiewater, en watergerelateerde functies. Wonen - Lintbebouwing (artikel 5) De voor 'Wonen - Lintbebouwing' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woongebouwen, al dan niet in combinatie met uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf en tuinen en erven met daarbij mogelijkheden voor bijbehorende
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
bouwwerken. Deze type woonbestemming wiordt gebruikt met oog voor de cultuurhistorische en aanverwante architectonische waarden gerelateerd aan het 'lint'. Waarde-Archeologie 2 en 3 (artikel 6) Als dubbelbestemming is opgenomen archeologie. De primaire bestemming mag de belangen welke worden behartigd binnen de dubbelbestemming niet onevenredig schaden. Hiervoor is in de planregels een regeling opgenomen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 7) Deze bepaling dient om te voorkomen dat bijvoorbeeld een grondoppervlak dat in een bepaald geval al eens als berekeningsgrondslag voor de toelaatbare oppervlakte aan bebouwing heeft gediend, later nog eens als berekeningsgrondslag voor een ander bouwwerk wordt gebruikt, maar dat dan tot gevolg heeft dat in het eerste geval een situatie ontstaat die afwijkt van het plan. Algemene bouwregels (artikel 8) In dit artikel (toegelaten overschrijdingen) wordt aangegeven in welke gevallen de in dit plan aangegeven bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en/of hoogtematen overschreden mogen worden. Dit betreffen bijvoorbeeld liftkokers, schoorstenen en balkons. Algemene afwijkingsregels (artikel 9) In dit artikel wordt bepaald in het kader van welke algemene afwijkingen in het plangebied gebruik gemaakt kan worden.
Luchtvaartverkeerszone-LIB (artikel 10, 11, 12 en 13) Hier wordt aangegeven waar de gronden binnen de gebiedsaanduidingen en vrijwaringszones (Luchtvaartverkeerzones LIB) voor bedoeld zijn. Overige regels (artikel 14) Dit artikel spreekt voor zich. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 15) Samengevat wordt hierin gewaarborgd dat bouwwerken en gebruiksvormen die bij de totstandkoming van het plan reeds bestaan, maar nu in strijd raken met het plan, mogen blijven bestaan. Daarbij wordt het hierin mogelijk gemaakt om op te treden tegen eerder ontstaan illegaal gebruik. Slotregel (artikel 16) Voor de duidelijkheid, o.a. bij benoeming en verwijzing, is hierin een eenduidige naam voor het gehele plan inclusief de toelichting aangegeven.
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
HOOFDSTUK 4 UITVOERBAARHEID 4.1 Economische uitvoerbaarheid De realisatie van de in dit bestemmingsplan rechtstreeks mogelijk gemaakte ontwikkelingen is in handen van de ontwikkelende partij. Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Niet is gebleken dat de ontwikkelende partij over onvoldoende middelen beschikt om de bedoelde ontwikkelingen te kunnen realiseren en de exploitatiebijdrage aan de gemeente te voldoen. Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve niet meer noodzakelijk.
4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 4.2.1 Inspraak In het ontwerpbestemmingsplan 'Uiterweg-Plasoevers 2021' is in de toelichting een korte beschrijving van het project weergegeven. Daarnaast is een zakelijke beschrijving van de anterieure overeenkomst en de sloopmelding op het perceel gepubliceerd. Hierover zijn door omwonenden geen vragen gesteld. Er is reden om te stellen dat het plan voorziet in een beperkte maatschappelijke impact. Om die reden is overwogen doorlopen van een inspraakprocedure over te slaan en direct een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. 4.2.2 Bro-partners In het kader van het wettelijk vooroverleg op grond van het Besluit op de ruimtelijke ordening is het ontwerp toegezonden aan de hieronder genoemde provinciale en rijksdiensten en andere instanties op 17 december 2020. De toezending is gedaan met het verzoek om binnen 4 weken te reageren en met de mededeling, dat indien niet binnen die termijn zal zijn gereageerd, wordt aangenomen, dat het ontwerp bestemmingsplan geen aanleiding heeft gegeven tot het maken van opmerkingen. Gedeputeerde Staten heeft aangegeven dat op dit bestemmingsplan de Omgevingsverordening van toepassing is. Deze is per 16 november 2020 in werking getreden en op dit plan in niet een overgangregeling van toepassing. Voor de rest zijn er geen inhoudelijke opmerkingen geplaatst.
De ontwerpversie van dit plan geeft inzicht in de toets aan de Omgevingsverordening. 4.2.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft 12 maart tot en met 22 april 2021 ter inzage gelegen als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Tijdens deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.
4.3 Handhaving Uit de planregeling volgt geen directe opgave voor handhaving. Het plangebied is in huidige situatie op legale wijze bebouwd.
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
HOOFDSTUK 5 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED Dit is een beschrijving van de huidige situatie van het plangebied. Alle ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met dit bestemmingsplan zijn al behandeld in hoofdstuk 2.
5.1 Ruimtelijke karakteristiek 5.1.1 Het plangebied in groter verband Het plangebied bevindt zich in het westen van de Gemeente Aalsmeer, en ligt tussen Schiphol en de Westeinderplassen, in een uniek gebied bekend als de Uiterweg Plasoevers. De Uiterweg is één van de historische linten die de gemeente Aalsmeer kent, kenmerkend is dan ook de lintbebouwing. De lintstructuur is redelijk samenhangend en bestaat grotendeel uit vrijstaande panden (vaak woningen) in wisselende afmetingen. Achter het lint bevinden zich langgerekt achtererven die, ten zuiden van de Uiterweg, grenzen aan het open water van de plas. Deze achtererven hebben veelal een tuindersfunctie met kassen of een recreatieve functies in combinatie met het water. Op een aantal plekken zijn de achtererven compleet volgebouwd. Met name enkele grootschalige gebouwde elementen vormen een duidelijke verstoring in dit gebied. In meer en op diverse plekken mindere mate is op deze achtererven ook natuur/groen in combinatie met water aanwezig 5.1.2 Cultuurhistorie/archeologie Omdat de Uiterweg een historisch lint is, en er dus al honderden jaren mensen wonen, geldt er in het gebied grenzend aan de weg de waarde 'archeologie 2'. De verwachingswaarde voor archeologische vondsten is relatief hoog. Zie paragraaf 7.3 voor een verdere uitwerking van archeologie.
Het projectgebied maakt onderdeel uit van wat in de nota 'Globale Cultuurhistorische Analyse' de 'echte' Bovenlanden wordt genoemd: de nog bestaande bebouwingslinten met aan weerszijden huizen en soms ook (oude) boerderijen, later aangevuld met kassen, loodsen, jachthavens, etcetera, en aan de straatkant één of enkele woningen en per kavel diverse “gebroken” landen. Uitgaande van de karakteristieke kenmerken van het gebied is voor De Bovenlanden een aantal aanbevelingen geformuleerd. Deze houden in dat de karakteristieke bebouwingslinten met het bijbehorende verkavelingspatroon dienen te worden behouden en versterkt, het profiel van de oude linten dient te worden behouden, inclusief de nog aanwezige wegsloten. De aanbevelingen van de cultuurhistorische analyse zijn in de structuurvisie voor de Uiterweg verwerkt. Nu het plan hiermee in overeenstemming is (zie paragraaf 6.4.1) kan tevens worden geconcludeerd dat er vanuit cultuurhistorisch oogpunt geen belemmeringen voor het plan bestaan Het plangebied ligt binnen het Werelderfgoed 'De Stelling van Amsterdam'. Kernwaarden hier zijn de grote openheid van het gebied als groene, relatief stille ring om Amsterdam, in dit geval tussen het noordelijk gelegen Fort Aalsmeer aan de overzijde van de Ringvaart en aan de zuidoostoever van de Westeinderplas gelegen Fort Kudelstaart.
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
Er zijn verder geen cultuurhistorisch belangrijke objecten in de directe omgeving van het plangebied.
5.2 Functioneel gebruik In huidige situatie wordt het plangebied gebruikt voor wonen, teelt in kassen en open teelt. Ook staat er een bedrijfsgebouw. Er is ook een klein parkeerterrein. De ontsluiting is geregeld via een 1 brug over de wegsloot. Het water en de kades worden mede gebruikt om agrarische bedrijfsboten af te meren. Zie afbeelding 5 voor een vooraanzicht van het perceel.
Afbeelding 5: vooraanzicht Uiterweg 223 en 225 Op de eerste 30 meter vanaf de Uiterweg staat de bestaande woning en het bedrijfsgebouw. Het terrein hier om heen is ingericht als voorerf met parkeerruimte en achtererf. De 125 meter daarachter is in gebruik aan perceel waar geteelt werd in kassen. De achterste deel van het plangebied, circa 100 meter, was in gebruik als grondgebonden teelt (onbebouwd).
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
HOOFDSTUK 6 BELEIDSKADER 6.1 INLEIDING Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke beleidskaders. Achtereenvolgens komt het relevante rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijk beleid aan bod. Het beleid en de wetgeving op milieugebied wordt behandeld in hoofdstuk 7.
6.2 Rijksbeleid Hieronder volgt het beleid van het rijk, waar indien relevant voor het plangebied met dit rijksbeleid rekening wordt gehouden in dit bestemmingsplan. 6.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Amvb Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: <0000> de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; <0000> de bereikbaarheid verbeteren; <0000> zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken ('je gaat er over of niet'). Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Tevens werkt het Rijk aan eenvoudigere regelgeving. Daarbij verwacht het Rijk dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Rol provincies en gemeenten bij ruimte en mobiliteit De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei, aansluitend op de woonwensen van mensen. Bij beheer en ontwikkeling van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkeling wordt de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd.
Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Het Rijk vindt de stedelijke regio's van vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
mainports, brainport, greenports en valleys van nationale betekenis. Gebiedsontwikkelingen van nationaal belang zoals de Zuidas en Structuurvisie Mainport Schiphol Amsterdam Haarlemmermeer worden doorgezet. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen, zoekt het Rijk in samenwerking met marktpartijen en andere overheden naar nieuwe vormen van financiering. Bereikbaarheid verbeteren Om de bereikbaarheid te verbeteren, zet het Rijk in op investeren, innoveren en instandhouden. Het Rijk geeft vanuit het verlengde Infrastructuurfonds na 2020 prioriteit aan het oplossen van bereikbaarheidsknelpunten voor de main-, brain- en greenports. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Op de weg wordt doorgaand verkeer en bestemmingsverkeer zo veel mogelijk gescheiden, In de Randstad wordt voor snelwegen de standaard 2x4 rijstroken Op het spoor kunnen reizigers vanaf 2020 spoorboekloos reizen (op de drukste trajecten 6 intercity's en 6 sprinters per uur). Verder wordt veel geld uitgetrokken voor wegenonderhoud. Daarnaast wordt er innovatief omgegaan met benutting van infrastructuur, zoals ruimere openstelling spitsstroken, introductie intelligente transportsystemen en afspraken met werkgevers over terugdringen woon- werkverkeer.
Juridische doorwerking De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) definieert de beleidsverantwoordelijkheid van het rijk inzake de ruimtelijke ordening en mobiliteit. Deze verantwoordelijkheid zal betrekking hebben op basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden; (inter)nationale hoofdnetten en ruimtelijke voorwaarden voor versterking van de economische structuur. De structuurvisie moet de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte, de Mobiliteitsaanpak en Randstad 2040 vervangen. De nationale belangen uit de structuurvisie worden in de Amvb Ruimte juridisch geborgd. Deze Amvb komt in de plaats van de eerdere ontwerp-Amvb Ruimte die in 2009 aan de Tweede kamer is aangeboden. De Amvb Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als: Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Amvb is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de 'oude' Amvb en deels uit nieuwe onderwerpen. De Amvb is een van de uitvoeringsinstrumenten die kunnen worden ingezet om het Rijksbeleid in het beleid van lagere overheden te laten implementeren. De Amvb Ruimte bevat de juridische kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de rijksbufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, de mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.
Hiermee kan bijvoorbeeld precies aangegeven worden in welke zones bestemmingsplannen geen bestemmingen mogen bevatten die verdere verstedelijking toestaan. Dit moet leiden tot snellere besluitvorming en minder bestuurlijke drukte. Conclusie De SVIR vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Het plan helpt bij het behalen van punt 3, zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. 6.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De "Ladder voor duurzame verstedelijking" heeft als doel een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
De ladder voor duurzame verstedelijking is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerd en is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), in artikel 3.1.6, lid 2. De onderbouwing van de behoefte aan functies wordt gedaan aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking. Bij de ladder worden een aantal aspecten beschouwd, zoals de behoefte aan functies, zowel kwantitatief als kwalitatief, en de locatie van de voorgestane functies. Op 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van het Bro ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking gewijzigd. Ingevolge artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Nieuwe ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, mits sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling'. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van het Bro gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.
Op basis van jurisprudentie blijkt dat enkele woningen zoals in het onderhavige plan niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling (zie onder meer ABRvS 23 december 2014, zaaknummer 201405237/1/R2). Daarnaast wordt in de 'Handreiking Ladder' aangegeven dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen. Met de realisatie van 2 woningen is bij het onderhavige plan geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. 6.2.3 Luchthavenindelingsbesluit Door middel van het Luchthavenindelingbesluit (LIB) is rond de luchthaven Schiphol een beperkingengebied aangewezen. Hierbinnen gelden regels omtrent beperking van bestemming en gebruik van grond in verband met het externe veiligheidsrisico en de geluidbelasting vanwege het luchthavenverkeer. Daarnaast worden regels gesteld omtrent beperkingen van de maximale hoogte van objecten, en van vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik. De hoogtebeperkingen zijn opgelegd om ervoor te zorgen dat vliegtuigen op een veilige manier van en naar de luchthaven Schiphol kunnen vliegen. De beperkingen voor de vogelaantrekkende bestemmingen en vogelaantrekkend gebruik zijn opgelegd om te voorkomen dat zich in de nabijheid van de luchthaven concentraties vogels bevinden, die hinderlijk kunnen zijn voor vliegtuigen.
Voor het project zijn de regels ten aanzien van geluidsbelasting, vogels en de hoogtes relevant: Op gronden bijbehorende artikel 2.2.1c van het LIB is bepaald dat hier, met het oog op geluidbelasting, geen geluidgevoelige gebouwen zijn toegestaan, behoudens toevoeging binnen bestaand stedelijk gebied van niet meer dan 25 woningen per bouwplan of binnen lintbebouwing van niet meer dan 3 woningen per bouwplan. Dit bouwplan voorziet in de toevoeging van één woning binnen lintbebouwing, en voldoet dus aan deze eis. Artikel 2.2.1d geeft vervolgens aan dat buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan. Een enkele woning wordt niet als woningbouwlocatie gezien. Daarnast motiveren gemeenten in de toelichting op het bestemmingsplan of in de onderbouwing van de omgevingsvergunning de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. Dit rekenschap geven is verder uitgewerkt in paragraaf 6.3.3. In artikel 2.2.2 van het LIB is bepaald dat objecten niet hoger mogen zijn dan de aangegeven maximale waarden. Voor de projectlocatie geldt een maximale hoogte van 30 meter NAP. De beoogde bouwhoogte van de woning is niet hoger dan 30 meter, en voldoet dus aan de maximale hoogtemaat volgens het LIB. In artikel 2.2.3 van het LIB is bepaald dat er op gronden gelegen binnen de invloedssfeer van dat artikel geen vogelaantrekkende functies mogen rusten. Het plangebied ligt binnen deze invloedssfeer, maar onderhavig plan voorziet niet in een vogelaantrekkende functie.
6.3 Provinciaal en regionaal beleid 6.3.1 Omgevingsvisie NH 2050 De "Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid" is op 19 november 2018 door Provinciale Staten van Noord-Holland vastgesteld. De Omgevingsvisie NH2050 betreft een structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In de Omgevingsvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en heeft zij tevens aangegeven hoe zij deze visie denkt te zullen realiseren. Het uitgangspunt van de omgevingsvisie is dat Noord-Holland een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau heeft. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. In de omgevingsvisie worden ambities genoemd op het gebied van de leefomgeving, het gebruik van de leefomgeving en de energietransitie. De ambities ten aanzien van de leefomgeving luiden als volgt. Een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. In het kader van gezondheid en veiligheid, het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het vergroten van de biodiversiteit van Noord-Holland. Voor het gebruik van de leefomgeving gelden de volgende ambities.
Een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor, daardoor is er ruimte voor ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Verder wil de provincie vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter afstemmen (kwantitatief en kwalitatief). Daarbij moet woningbouw, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends, vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden worden gepland. Duurzaamheid van de totale woningvoorraad is het uitgangspunt. De derde ambitie binnen deze categorie is het effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen van inwoners, bedrijven en producten van Noord-Holland, waarbij negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk worden meegewogen. Als laatste geldt het behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Voor energietransitie is de overkoepelende ambitie dat Noord-Holland in 2050 volledig klimaatneutraal is en gebaseerd op hernieuwbare energie. Daarom is er ruimte voor de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Dit alles rekening houdende met de ambities voor verstedelijking en landschap.
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
Conclusie Het onderhavige plan maakt verbetering van de stedelijke structuur mogelijk. Het lint van de Uiterwegwordt versterkt. Er wordt een woning gebouwd op een plek die al een woonbestemming heeft. De woning wordt duurzaam en energiezuinig aangelegd. Daarnaast verdwijnt een groot kassencomplex, en komt er een stuk natuur voor terug. Het is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie NH2050. 6.3.2 Omgevingsverordening NH2020 Op 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om in de geest van de komende Omgevingswet naar nieuwe regels te streven die zien op het 'hoe': 'hoe kom je tot een goede fysieke leefomgeving'. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie (NH2050) worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Deze Omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV), de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. Een (groot) aantal van de regels van de PRV zijn ook in de Omgevingsverordening NH2020 terecht gekomen. Nu de Omgevingsverordening NH2020 per 16 november 2020 in werking is getreden én daarna het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, is de overgangregeling niet van toepassing.
Hoofdstuk 6 bevat de instructieregels die van belang zijn om het provinciale beleid of het provinciale belang te laten doorwerken in de uitoefening van taken of bevoegdheden door andere bestuursorganen dan provinciale staten. Dit betreft voornamelijk instructies aan gemeenten en waterschappen. In de eerste drie afdelingen van hoofdstuk 6 worden regels gesteld over stedelijke, agrarische en andere ruimtelijke ontwikkelingen. In afdeling 6.4 worden regels gesteld over het beschermd landelijk gebied en wordt een passend beschermingsniveau geborgd. Het gaat dan om het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL), Erfgoederen van universele waarde (UNESCO), stiltegebieden en het strand. De afdelingen 6.1 tot en met 6.4 gaan kort samengevat over waar welke ontwikkelingen zijn toegestaan (wat). Afdeling 6.5 ziet vervolgens op een goede ruimtelijke inpassing (hoe) en dat geldt ook voor afdeling 6.6 (klimaatadaptatie). De verschillende instructieregels zijn vervolgens gekoppeld aan verschillende 'werkingsgebieden'. Relevantie onderhavige plan In combinatie met de beoogde functie (wonen en natuur) in dit bestemmingsplan zijn ter plaatse van de planlocatie de werkingsgebieden 'Bodemsanering', 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde', 'MRA - Landelijk gebied', 'LIB 5 zone Schiphol' en van toepassing.
MRA -Landelijk gebied Het doel van dit werkingsgebied is het zoveel mogelijk binnenstedelijk of aansluitend aan verstedelijking bouwen van nieuwe woningen en het verbeteren van ruimtelijke kwaliteit door het slopen of van functie wijzigen van voormalige bedrijfsbebouwing. Het realiseren van een kleinschalige woningbouwontwikkeling is in beginsel uitgesloten. In afwijking van dat bepaalde kan een plan voorzien in een functiewijziging van een stedelijke functie of van een agrarisch boouwperceel naar maximaal twee burgerwoningen indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. ter plaatse van de bestaande stedelijke functie of het agrarisch bouwperceel is ten minste één bedrijfswoning planologisch toegestaan; b. de functiewijziging naar een woonfunctie beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet; vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
c. de bestaande bedrijfsbebouwing op de overige gronden wordt gesloopt en aan deze gronden wordt een bestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden; en d. een tweede burgerwoning is alleen mogelijk als meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak wordt gesloopt. Aan het bepaalde onder a. wordt voldaan. Er wordt ter plaatse een woning gesloopt die bij het inmiddels gestopt agrarische bedrijf hoorde. Het bepaalde onder b. wordt voldaan, er liggen geen agrarische bedrijven rond de planlocatie die in hun ontwikkeling beperkt worden. De bestaande bedrijfsbebouwing, circa 3350 m2, wordt gesloopt. Met uitzondering van bij de woningen behorende bouwwerken zullen hier geen bouwmogelijkheden voor nieuwe hoofdgebouwen meer zijn. Een groot deel van de kavel zou daarnaast als 'Natuur' worden bestemd. Met het slopen van deze oppervlakte wordt voldaan aan het bepaalde onder c. en d. LIB 5 zone Schiphol Dit werkingsgebied moet in samenhang worden gezien met het bepaalde in het Luchthavenindelingsbesluit. Er worden regels gesteld met het oog op het waarborgen van terughoudendheid met woningbouw in het landelijk gebied binnen de LIB 5 zone Schiphol en het expliciet meewegen van luchtvaartgeluid in ruimtelijke plannen waarin woningen worden toegevoegd binnen de LIB 5 zone Schiphol.
De zogenaamde rekenschap geven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer op de planlocatie in de 20Ke-contour is verder uitgewerkt in paragraaf 6.3.3 Daabij wordt ook gemotiveerd welke redenen er toe hebben geleid om op de planlocatie een extra woning te bestemmen. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Het plangebied ligt in de invloedssfeer het Werelderfgoed Stelling van Amsterdam. Deze structuur bestaat uit twee militaire verdedigingsgordels uit de laat-19e, vroeg-20e eeuw. De verdediging werd uniek vormgegeven, met gebruikmaking van de karakteristieken van het omringende landschap en door het onder water zetten (inundatie) van het land. Dit is de reden dat de linies tevens zijn opgenomen in de Werelderfgoedlijst van UNESCO. De waterlinies zijn van groter belang dan enkel als krijgskundig monument. Ze brengen ook op markante wijze landschappelijke samenhang tot expressie en zijn daarmee een verrijking van het cultuurlandschap. Naast hun cultuurhistorische en landschappelijke betekenis vormen de linies een 'stiltelandschap' waar openheid en rust te ervaren zijn. De verdedigingslinie was 135 kilometer lang en bestond uit 46 forten.
Het bestemmingsplan moet regels bevatten gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van het erfgoed, zoals dat is beschreven is in de bijlage bij de Omgevinsgverordening. Voor de materiele invulling van deze uit de Omgevingsverordening voortvloeiende vereisten is naar de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (paragraaf 6.3.4) verwezen. Bodemsanering Het doel is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te behouden en waar mogelijk te verbeteren. Dat betreft onder meer ontwikkelingen in de ondergrond. Zie paragraaf 7.2 (Bodem). Voor het onderhavige project is een bodemonderzoek uitgevoerd. Uitkomst is dat er op diverse locaties vervuilde grond aanwezig is. Voordat de bouwwerkzaamheden gaan starten zullen alle benodigde saneringswerkzaamheden worden uitgevoerd om de locatie geschikt voor de bestemming wonen te maken.
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
6.3.3 Wonen binnen de 20 Ke contour van Schiphol De planlocatie is gelegen binnen de 20 Ke-contour van luchthaven Schiphol. Binnen deze contour moet een afweging gemaakt worden voor de gewenste ontwikkeling in relatie tot externe veiligheid en geluid. Rekenschap geven van vliegtuiggeluid In juli 2016 is er tussen regio, Rijk en luchtvaartsector een akkoord bereikt binnen het onderdeel “wonen en vliegen” van het SMASH-traject. Met dit akkoord is met het oog op de leefbaarheid en vitaliteit en in verband met de woningbouwopgave in de metropoolregio meer afwegingsruimte voor woningbouw overeengekomen voor het lokaal bestuur. Per 1 januari 2018 is conform deze afspraken het Luchthavenindelingbesluit gewijzigd. Tevens is het beleid voor het gebied binnen de 20 Ke-contour in het LIB verankerd. In samenhang met de vergroting van de lokale afwegingsruimte dienen gemeenten de afspraken na te komen die zijn gemaakt om te voorkomen dat de luchtvaartsector voor extra kosten komt te staan door nieuwe woningbouwontwikkelingen. Kern van deze afspraken is het rekenschap geven van vliegtuiggeluid in ruimtelijke plannen, mede met het oog op objectieve en vroegtijdige informatievoorziening van (toekomstige) bewoners. In samenspraak met de gemeenten in de regio is een handreiking opgesteld hoe op transparante wijze de afspraak over rekenschap geven in te vullen.
Deze handreiking is in een provinciale beleidsregel vertaald. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen zal de provincie aan deze regel toetsen. Conform deze regel dient in ruimtelijke plannen een aantal stappen te worden doorlopen om te kunnen concluderen dat aan de afspraak over rekenschap geven is voldaan: a b c d e
een weergave en beschrijving van de exacte ligging van de woningbouwlocatie in het beperkingengebied; een beschrijving van de huidige geluidsituatie op die woningbouwlocatie; een beschrijving van verwachte toekomstige ontwikkelingen die kunnen zorgen voor een verandering van de huidige geluidsituatie op de woningbouwlocatie; een beschrijving van de belangen die met de beoogde woningbouw zijn gemoeid gelet op de leefbaarheid en de lokale vitaliteit, de kwaliteit van de locatie en/ of de regionale woningbouwmarkt en woningbouwopgave; een slotconclusie over de bevindingen naar aanleiding van de onderwerpen bedoeld in a., b., c. en d.
Ad a. De ligging in het beperkingengebied De planlocatie is gelegen aan de Uiterweg binnen het gebied van de 55-59 dB Lden-contour en vrijwel midden in de 20 Ke-contour ter plaatse. Ad b. De huidige geluidsituatie Gegevens over de actuele geluidbelasting vanwege vliegtuigverkeer kunnen worden ontleend aan de geluidbelastingkaarten die elke vijf jaar volgens de Europese richtlijn omgevingslawaai worden opgesteld en de informatie op de website van het Bewonersaanspreekpunt Schiphol. In het kader van de Europese richtlijn omgevingslawaai karteren gemeenten de geluidsbelasting van een luchthaven als die groter of gelijk is aan 55 dB Lden of 50 dB Lnight. Geluidbelasting lager dan deze waarden worden niet gerapporteerd. De huidige geluidbelastingkaarten dateren van juni 2017. Volgens deze kaarten ondervindt de planlocatie een geluidbelasting tussen 55 en 59 dB Lden en minder dan 50 dB Lnight.
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
Uit het akoestisch onderzoek dat voor deze locatie is uitgevoerd (zie tevens paragraaf 7.4), blijkt dat voor het akoestisch leefmilieu op deze locatie het wegverkeerslawaai vanwege de Uiterweg bepalend is. Voor de berekening van de benodigde karakteristieke geluidwering van de gevels dient uit gegaan te worden van een gecumuleerde (weg en luchtvaart) geluidbelasting van 66 dB voor de woning. Conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt de minimale karakteristieke geluidwering van de gevel 20 dB bij een binnenniveau van 33 dB in de woningen. Bij een geluidbelasting tot 53 dB wordt hier zonder meer aan voldaan. Bij een geluidbelasting van 66 dB op de woning dient derhalve rekening te worden gehouden met aanvullende gevelweringsmaatregelen om het binnenniveau van 33 dB waarborgen. Ad c. Toekomstige ontwikkelingen In het zogenaamde Aldersakkoord van 2008 zijn afspraken gemaakt over de ontwikkeling van Schiphol tot 2020. In het akkoord is vastgelegd dat Schiphol mag groeien tot maximaal 500.000 vluchten per jaar. Na 2020 mag de luchthaven verder groeien op basis van een evenredige verdeling van de gerealiseerde milieuwinst tussen de sector en de omgeving. Volgens deze afspraak mag 50% van de milieuwinst worden ingezet voor verdere groei. De andere 50% komt ten goede aan de kwaliteit van de leefomgeving. Conform de afspraken uit het Aldersakkoord wordt strikt geluidpreferentieel gevlogen.
Dit betekent dat die banen worden ingezet die het minst geluidoverlast veroorzaken. Op dit moment wordt in het kader van de Omgevingsraad Schiphol gewerkt aan advisering van de verantwoordelijke minister over de verankering van het geluidpreferentiële stelsel in wet- en regelgeving en over de verdere ontwikkeling van Schiphol na 2020 in balans met de omgeving. Het vliegtuiggeluid op de planlocatie wordt veroorzaak door opstijgend en landend verkeer van de Zwanenburgbaan. De Zwanenburgbaan is in het nieuwe stelsel een baan met redelijke preferentie. Ook in de nacht wordt de baan gebruikt. Afhankelijk van de specifieke weersomstandigheden zal dan de geluidbelasting per jaar enigszins kunnen verschillen. Naarmate Schiphol verder groeit zal het verkeer over alle banen toenemen. Bij meer aanbod van verkeer, zal het gebruik van de baan intensiever zijn dan voorheen. Gezondheidsrisico's van geluidoverlast worden vooral in verband gebracht met slaapverstoring. Van belang in dit verband is dat de Zwanenburgbaan in beginsel ’s nachts is geopend. De nacht duurt van 23.00 uur tot 06.00 uur. De sluiting van de Zwanenburgbaan in de nacht staat voor zover nu bekend ook in de toekomst niet op de agenda. Ad d. Het belang van woningbouw De beoogde ontwikkeling bestaat uit de sloop van een bedrijfsgebouw met bijbehorende woning en kassen. Op de betreffende locatie worden 2 woningen gerealiseerd.
De woningen zijn qua omvang vergelijkbaar met de langs de Uiterweg voorkomende woningen. Transformatie naar een andere functie dan wonen, bijvoorbeeld bedrijvigheid of kantoren, is niet passend gezien het karakter van de omgeving. Hiervoor zijn binnen de gemeente en regio andere locaties aangewezen. Op deze locatie is hier dus ook geen behoefte aan. Wonen is, gezien het karakter van de omgeving, de enige voor de hand liggende bestemming. Het wegsaneren van bedrijvigheid langs de Uiterweg levert een kwaliteitsverbetering op voor het gebied. Het gaat hier dan ook om een gewenste ontwikkeling die de beeldkwaliteit langs de Uiterweg verbetert. Ad e. Slotconclusie Het wegsaneren van bedrijvigheid langs de Uiterweg levert een kwaliteitsverbetering op voor de omgeving. Wonen is, gezien het karakter van de omgeving, de enige voor de hand liggende bestemming. Hiertegen bestaan vanuit de afweging van de vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
geluidbelasting vanwege vliegtuiggeluid geen al te zwaarwegende bezwaren. In het cumulatieve geluidonderzoek is het luchtverkeerslawaai en wegverkeerslawaai meegenomen. Aanvullende gevelweringsmaatregelen zijn voorgeschreven om het binnenniveau van 33 dB te waarborgen. Afhankelijk van omstandigheden kan vliegtuiglawaai voor hinder zorgen. Om deze reden is het van belang open en transparant te informeren over de mogelijkheid van vliegtuiglawaai. Door vroegtijdig te informeren over geluidhinder van vliegtuigen kan hinderbeleving worden voorkomen. Informatievoorziening over vliegtuiggeluid valt buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan. In het kader van het bouwproject wordt op een deugdelijke informatievoorziening van de toekomstige bewoners ingezet. Rekenschap geven aan externe veiligheid Het vliegverkeer van en naar Schiphol brengt externe veiligheidsrisico’s met zich mee. In heel Nederland kan een vliegtuig neerstorten maar de meeste luchtvaartongevallen gebeuren op of in de directe omgeving van een vliegveld. In het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) zijn daarom regels opgenomen onder meer ten aanzien van het onderwerp externe veiligheid. In bijlage 3 van het LIB is het gebied voor ‘beperkingen bebouwing’ aangewezen. Voor externe veiligheid zijn de zones 1 en 3 relevant; 2 en 4 hebben betrekking op geluid. Zone 1 is de sloopzone vanwege externe veiligheid.
In dit gebied is het doel om het risico van slachtoffers op de grond ten gevolge van een vliegtuigongeluk te minimaliseren. Om die reden zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten niet toegestaan. Alleen zeer extensief gebruik van gronden is mogelijk. Zone 3 wordt afgebakend door de zogenaamde PR 10-6 contour. Binnen deze contour is de kans dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een vliegtuigongeval, 1 op de miljoen per jaar. Binnen zone 3 is – gelet op de risico’s – tevens het doel om grote concentraties van personen te voorkomen. Per wijziging van 1 januari 2018 is een nieuw ‘afwegingsgebied’ (zone 5) toegevoegd aan bijlage 3 van het LIB. In dit gebied (afgebakend door de voorheen geldende planologische 20 Ke zone) bestaat er een enigszins verhoogde kans op een vliegtuigongeval met dodelijke slachtoffers op de grond. Gelet hierop dienen gemeenten op grond van artikel 2.2.1.d, lid 2 LIB te motiveren de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied valt binnen zone 5. In de huidige situatie is sprake van een bedrijfsfunctie en wonen. In de nieuwe situatie is uitsluitend sprake van wonen (maximaal 2 woningen).
Onderliggend bestemmingsplan heeft niet direct tot gevolg dat het gebied intensiever wordt gebruikt dan in de huidige situatie. Het gebied wordt eerder minder intensief gebruikt. Desalniettemin kunnen er bij een ongeval in het plangebied slachtoffers vallen. Dit wordt in dit geval aanvaardbaar geschat om de volgende redenen: <0000>
De kans op een dergelijke ramp binnen het plangebied is zeer klein te noemen. Het is in ieder geval kleiner dan 1 op de miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten zone 3. Een kans van 1 op de miljoen per jaar wordt in het algemeen (bij andere risicobronnen) al zo gering gezien dat het risico als aanvaardbaar wordt geacht. De kans op het optreden van dergelijk incident is verwaarloosbaar klein.
<0000>
Er zijn geen gevaarlijke of ontplofbare objecten in de omgeving van het plangebied waardoor vervolgschade (kettingreactie of domino-effect) zou kunnen ontstaan.
<0000>
De gemeente kan geen maatregelen treffen om dergelijk ongeluk te voorkomen (bronmaatregel). Er wordt uiteraard alles aan gedaan om het vliegverkeer zo veilig
vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
mogelijk te laten lopen. De (rijks)overheid stelt strenge eisen aan luchthavens, de verkeersleiding en luchtvaartmaatschappijen. De eisen zijn zowel ten aanzien van vliegtuigen (technische veiligheid), maar ook voor persoonlijke veiligheid. Er zijn regels voor bemanningen, voor mensen die op of in de buurt van de luchthaven werken en voor reizigers. De overheid controleert of de organisaties aan de gestelde eisen voldoen. <0000>
De mogelijkheden voor het treffen van effectmaatregelen om de gevolgen te beperken, zijn zeer gering. In het algemeen geldt dat nieuwbouw (gelet op de eisen van Bouwbesluit 2012) zeer goed bestand is tegen brand. Aanwezigen in een pand zijn derhalve goed beschermd tegen hittestraling indien een vliegtuig in de directe omgeving van het gebouw neerstort. Daarnaast is er in de nieuwe situatie geen sprake van een intensiever gebruik van het perceel dan in de huidige situatie.
<0000>
De hulpdiensten treden in het geval van een ramp volgens het hiervoor geldende protocol op. De kwaliteit van de hulpdiensten wordt door intensieve monitoring steeds verbeterd. Sinds de Bijlmerramp zijn de lokale rampenplannen verbeterd. Lokale bestuurders zijn en worden getraind in het leiding geven tijdens crisissituaties. Dit wordt periodiek herhaald en geëvalueerd.
<0000>
In het plangebied is de functie wonen gepland. De bewoners kunnen zichzelf en anderen over het algemeen goed redden. In het plangebied worden geen zeer kwetsbare objecten toegestaan. Dat zijn gebouwen voor minder redzame groepen, zoals kinderen, zieken en andere zorgbehoevenden.
<0000>
In het geval van calamiteiten worden burgers door de overheid zo snel mogelijk geïnformeerd hoe ze moeten handelen (bv. via NL-Alert). De (rijks)overheid adviseert burgers in geval van een vliegtuigongeval het volgende: I Ga niet kijken. II Houd afstand bij brand vanwege de hitte en de giftige rook. III Houd afstand vanwege gevaarlijke stoffen die kunnen vrijkomen. IV Bel 112 als dat nog niet gebeurd is. De woningen zijn gelegen aan de Uiterweg. Dit is een lange, doodlopende weg, met aan het einde een veerpont. De hoofdvluchtroute is gericht naar de Van Cleeffkade en het Raadhuisplein van Aalsmeer. Het is mogelijk dat bewoners richting de achter gelegen eilanden in de plassen vluchten. Hulpdiensten kunnen de locatie vanuit zowel Hoofddorp, Uithoorn en Aalsmeer bereiken en dus vanuit verschillende windrichtingen. Daarbij is er voldoende bluswater aanwezig vanuit de Ringvaart of de plassen. 6.3.4 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Noord-Holland biedt een rijke variatie aan landschappen, kernen en cultuurhistorische monumenten. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De provincie onderscheidt zich door zijn openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Elk deel heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis, die vaak nog goed afleesbaar is in het landschap.
Het huidige landschap van Noord-Holland is een erfenis met een grote aantrekkingskracht op mensen die in de provincie wonen, werken en recreëren. De hoge kwaliteit ervan draagt bij aan het economische vestigingsklimaat in de provincie. Het landschap is echter een dynamische leefomgeving die al sinds mensenheugenis verandert en dat ook zal blijven doen. De provincie wil dan ook ruimte blijven bieden aan nieuwe ontwikkelingen, op een manier die bijdraagt aan de waarden en kwaliteiten van het landschap en waarbij de ontstaansgeschiedenis herkenbaar blijft. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten de ontwikkelingsgeschiedenis, de bebouwingskarakteristiek en de inpassing in de wijdere omgeving als uitgangspunt hanteren. Meetpunt hiervoor is deze beleidsnota, waarin de vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Uiterweg 223-225 pagina
eisen voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit zijn vastgelegd. Voor het plangebied is twee relevante structuren (Stelling van Amsterdam en bebouwingslinten) en één relevant ensemble (Aalsmeer - Uithoorn) beschreven. Ensemble: Aalsmeer Uithoorn Het ensemble Aalsmeer-Uithoorn ligt ten zuidwesten van Amsterdam en tussen de ensembles Haarlemmermeerpolder en Amstelscheg. Dit ensemble bevat een complex samenstel van droogmakerijenlandschap en veenpolderlandschap met plassen, ontginningslinten en restanten van het voormalige veenontginningslandschap (veenbovenlanden). Het veenpolderlandschap reikt van Aalsmeer tot Amsterdam en bestaat uit een samenstel van het veenbovenland met ontginningslinten (Aalsmeer en Amstelveen), het grote open water van de (uitgeveende) Westeinderplassen en de Nieuwe Meer. Langs de ontginningslinten van Aalsmeer (Uiterweg, Oosteinderweg) liggen tuinderijen op de restanten veenbovenland en petgaten. Aan de westrand van het ensemble vormen de ringvaart en de ringdijk van de Haarlemmermeer samen een ruimtelijke drager. Aan de noordzijde van de Westeinderplas bevindt zich een langgerekt eilandenrijk van veenbovenlanden met verspringende kavels, waar het plangebied onderdeel van uitmaakt. Het bestaat uit een dubbele reeks eilanden in dezelfde zuidwest-noordoostrichting Deze vormen een aantrekkelijke (recreatieve) zone tussen Amsterdam en het Groene Hart.
De Bovenlanden en de Westeinderplassen vormen een belangrijke ecologische en recreatieve verbinding tussen Amsterdam en het Groene Hart. Het zichtbaar houden van de Westeinderplas en het vergroten van de toegankelijkheid van het water is een belangrijk speerpunt uit de Leidraad. De algemene ambitie binnen dit ensemble is om ruimtelijke ontwikkelingen: <0000> bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek; <0000> bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en; <0000> helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Structuur: Bebouwingslinten Linten zijn onlosmakelijk verbonden met het Noord-Hollandse landschap. Het zijn lineaire structuren die zijn ontstaan als organisch gegroeide, vaak historische routes en ontginningsassen met een eigen karakteristieke ontwikkelingsgeschiedenis. Elk lint heeft een ‘structuurdrager’ waaraan het lint is gegroeid, meestal een dijk, een weg, een kanaal of een vaart. De woningen zijn op deze structuurdrager georiënteerd en het lint ontleent daar, samen met de opbouw van het landschap, zijn verschijningsvorm en identiteit aan. Vaak staan er aan een lint stolpen die de identiteit ervan versterken.