Planregels Oosteinderweg 2020.Pdf.pdf
Tekst van het document
16.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 16.7.1 Omgevingsvergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: a. binnen de bouwaanduiding 'karakteristiek' aanwezige gronden het aanwezige ketelhuis te slopen; b. binnen de functieaanduiding 'gemengd' de bestaande schoorsteen te slopen. 16.7.2 Sloopverbod De omgevingsvergunning kan niet worden verleend indien: a. niet is aangetoond dat de bouwkundige staat van de bouwwerken gevaar oplevert voor de directe leefomgeving; b. er geen omgevingsvergunning is verleend ten behoeve ter plaatse geprojecteerde nieuwbouw.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Artikel 17
Recreatie - Jachthaven
17.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie - Jachthaven' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het bedrijfsmatig exploiteren van een jachthavenbedrijf, waaronder; I. de verhuur van ligplaatsen voor pleziervaartuigen; II. de stalling en (buiten)opslag van pleziervaartuigen; III.reparatie- en herstelwerkzaamheden van pleziervaartuigen behoren tot de categorie 1, 2 en 3.1 uit de van deze planregels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1) met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen en met uitzondering van bedrijfsactiviteiten die vallen onder het besluit externe veiligheid inrichtingen; b. de bedrijfsvoering van watersportbedrijven; c. bedrijfsmatige verhuur van recreatiekavels ten behoeve van dagrecreatie; d. watersport; e. water; f. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is tevens een bedrijfswoning toegestaan; g. ter plaatse van de aanduiding 'recreatie' is uitsluitend de bedrijfsmatige verhuur van recreatiekavels ten behoeve van dagrecreatie en verhuur voor ligplaatsen voor pleziervaartuigen toegestaan; met de daarbij behorende: h. waterhuishoudkundige voorzieningen; i. bouwwerken; met daaraan ondergeschikt: j. oevers en bouwwerken, niet zijnde ligplaatsen, behorende bij de op de planverbeelding aangrenzende ligplaatsen voor woonarken met aanduiding 'jachthaven'; k. horeca tot maximaal categorie 1 (max 150m2); l.
watersportgerelateerde detailhandel (max 150 m2); m. dienstverlening en kantoor ten dienste van de bestemming; n. erven, ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming; o. groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 17.2 Bouwregels 17.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van de in lid 17.1 genoemde gebouwen gelden de volgende regels: a. een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden; c. het bebouwingspercentage bedraagt 100%, tenzij anders is aangeduid met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage'; d. onverminderd het bepaalde in lid c. van dit artikel dient de afstand tussen bedrijfsgebouwen, niet zijnde stallings- en opslagruimten behoeve van pleziervaartuigen, en de grens met de bestemming "Water" ten minste 2 meter te bedragen. 17.2.2 Bedrijfswoning Voor de bedrijfswoning geldt met inachtneming van het bepaalde in lid 17.2.1, de volgende regels:
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
a. een bestaande bedrijfswoning mag op dezelfde plaats worden herbouwd, mits deze zal gaan dienen voor de huishouding van de ondernemer, waarvan de huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, onverminderd noodzakelijk is; b. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 350 m³; c. de gezamenlijke oppervlakte van bij een bedrijfswoning behorende bouwwerken mag niet meer dan 60 m² bedragen; d. de goot- en nokhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan respectievelijk 3 en 4,5 meter. 17.2.3 Recreatiekavels Voor het bouwen ten dienste van recreatiekavel als bedoeld in artikel 17.1 onder d. gelden de volgende regels: a. per recreatiekavel met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer, mag ten hoogste één gebouw worden opgericht, waarvan de bouwhoogte en de oppervlakte niet meer dan respectievelijk 3 meter en 6 vierkante meter mag bedragen; b. per recreatiekavel met een oppervlak van 100 m2 of meer, mag ten hoogste één bergkist worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte en de oppervlakte niet meer dan respectievelijk 1 meter en 2 vierkante meter mag bedragen; c. andere bouwwerken, waaronder overkappingen en gebouwde erf- en terreinafscheidingen, zijn niet toegestaan. 17.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.
de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter; b. 6 meter voor palen en masten; c. 3 meter voor lichtmasten en het overige; d. de hoogte andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 10 meter bedragen. 17.3 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 17.3.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 17.3.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
17.3.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 17.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 17.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 17.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 17.3.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 17.4 Specifieke gebruiksregels 17.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning, uitgezonderd een bedrijfswoning; b. het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens; c. het innemen van een ligplaats voor woonarken voor permanente bewoning; d.
het gebruik van onbebouwde gronden voor opslag van goederen waarvan de aanwezigheid voor de bedrijfsvoering niet noodzakelijk is; e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van niet watergerelateerde detailhandel; f. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van horeca, met uitzondering van het bepaalde in 17.1 onder k.; g. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; h. het gebruik van gronden en bouwwerken voor grootschalige vermaak faciliteiten, zoals een zwembad, speeltuin of discotheek. 17.5 Afwijken van de gebruiksregels 17.5.1 Bed and breakfast Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 17.1 van dit artikel voor het vestigen van een bed and breakfast accommodatie in het hoofdgebouw indien voldaan wordt aan de regels voor bed and breakfast uit het thans geldende beleid 'Beleidsregels planologische afwijkingen gemeente Aalsmeer'. 17.5.2 Ligplaatsen voor woonarken voor niet-permanente bewoning Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 17.1 onder j. van dit artikel voor het bedrijfsmatig aanbieden van
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
ligplaatsen ten behoeve van woonarken voor niet-permanente bewoning indien voldaan wordt aan: a. de woonark voor niet-permanente bewoning voldoet aan de maatvoering zoals voorgeschreven in artikel 24.2 onder b t/m d; b. de ligplaats en woonark voldoen aan het Beeldkwaliteitplan Woonarken; c. het bepaalde in de Ligplaatsenverordening Aalsmeer in acht wordt genomen; d. het bepaalde in artikel 17.6 is overeenkomstig van toepassing. e. Indien b. en c. gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 17.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.6.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: het vergraven van watergangen en waterpartijen. 17.6.2 Toegestane werkzaamheden Het in lid 17.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
17.6.3 Voorwaarden voor omgevingsvergunning De in lid 17.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien de afname van oppervlaktewater wordt gecompenseerd met open water dat in verbinding staat met oppervlaktewater in hetzelfde peilvak. 17.6.4 Advies t.b.v. omgevingsvergunning Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de Waterbeheerder.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Artikel 18
Sport - Zwembad
18.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Sport - Zwembad' aangeduide gronden zijn bestemd voor: a. buitenzwembad; b. ter plaatse van de functieaanduiding 'woning' tevens is een woning toegestaan; met de daarbij behorende: c. kleedruimten; d. sanitaire voorzieningen; e. ligweiden; f. waterhuishoudkundige voorzieningen; g. bouwwerken; met daaraan ondergeschikt: h. ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming; i. groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; j. horeca tot maximaal categorie 1; k. detailhandel. 18.2 Bouwregels 18.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' mag niet worden overschreden; c. het bebouwingspercentage mag 100% bedragen, tenzij anders is aangeduid. 18.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen; b. de hoogte van palen, (licht)masten en speeltoestellen mag niet meer dan 6 meter bedragen; c. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen. 18.3 Voorwaarden m.b.t.
het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 18.3.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 18.3.2 Laden en of lossen
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 18.3.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 18.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 18.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 18.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 18.3.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a.
de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 18.4 Specifieke gebruiksregels 18.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden: a. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning, met uitzondering ter plaatse van de functieaanduiding 'woning'; b. het plaatsen of geplaatst hebben van onderkomens; c. het gebruik van onbebouwde gronden als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; d. het gebruik van gronden voor het beproeven van voer- of vaartuigen, voor het beoefenen van auto- of motorsport of de (model) vliegsport en voor het houden wedstrijden met motorvoertuigen of bromfietsen; e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; f. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van zelfstandige horeca; g. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van zelfstandige detailhandel.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Artikel 19
Tuin
19.1 Bestemmingsomschrijving De voor Tuin (T) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. oever behorende bij de op de planverbeelding aangrenzende ligplaatsen voor woonarken; b. oevergebruik; met de daarbij behorende: c. tuinen, erven en oevervoorzieningen; d. natuurlijke oevers of oeverbeschoeiingen; e. bouwwerken, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - bijgebouwen woonarken' en 'specifieke vorm van tuin - bijgebouwen 1 woonarken'; met daaraan ondergeschikt: f. ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming; g. groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 19.2 Bouwregels 19.2.1 Bijbehorende bouwwerken bij woonarken Voor het oprichten van bijgebouwen bij woonarken gelden de volgende regels: a. binnen de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - bijgebouwen woonarken' is per woonark 1 zelfstandig bijbehorend bouwwerk toegestaan met een oppervlakte van niet meer dan 40 m2; b. binnen de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - bijgebouwen 1 woonarken' is per woonark 1 zelfstandig bijbehorend bouwwerk toegestaan met een oppervlakte van niet meer dan 30 m2; c.
binnen de aanduidingen 'specifieke vorm van tuin - bijgebouwen woonarken' en 'specifieke vorm van tuin - bijgebouwen 1 woonarken' is, voor zover deze aanduidingen grenzen aan de bestemming 'Water - Verblijfsrecreatie' per woonark voor niet-permanente bewoning 1 zelfstandig bijbehorend bouwwerk toegestaan met een oppervlakte van niet meer dan 6 m2; d. de bouwhoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen; e. de afstand van het zelfstandige bijhorend bouwwerk tot de oeverlijn mag niet minder dan 2 meter bedragen. 19.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde dienen te worden opgericht binnen de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - bijgebouwen woonarken' en 'specifieke vorm van tuin - bijgebouwen 1 woonarken'; b. per woonark is maximaal één aanlegplaats toegestaan; c. de maximale oppervlakte van voorzieningen voor woonarken, met uitzondering van de loopplank bedraagt, per woonark 15 m²; d. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 1 meter; e. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 1 meter, gemeten vanaf het waterpeil. 19.3 Nadere eisen
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van: a. de waterhuishouding; b. de brandveiligheid en rampenbestrijding; c. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend bebouwingsbeeld en de landschappelijke inrichting en inpassing; d. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken. 19.4 Specifieke gebruiksregels 19.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; b. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor recreatief nachtverblijf; c. het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens; d. voor het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; e. voor het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; f. als opslag-, laad- en/of losplaats ten behoeve van handelsdoeleinden; g.
het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting. 19.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 19.5.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het dempen, graven, vergroten of herprofileren van watergangen en waterpartijen; b. het aanleggen van dammen, dijken of andere taluds, of het vergraven dan wel ontgraven van bestaande dammen, dijken en taluds c. het ontginnen, verlagen van de bodem, afgraven, ophogen of egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld; d. het permanent opslaan van goederen. e. het aanbrengen van drainagesystemen, tenzij het de vervanging van een bestaande drainage betreft; f. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; g. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houden constructies, installaties of apparatuur. 19.5.2 Toegestane werkzaamheden Het in lid 19.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. noodzakelijk zijn in verband met het op de betreffende bestemming gerichte beheer of gebruik van de gronden;
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning of krachtens een in het kader van de Natuurbeschermingswet vastgesteld beheersplan; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 19.5.3 Voorwaarden voor omgevingsvergunning De in lid 19.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door die werken of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de in 19.1 genoemde doeleinden dan wel waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind, gelet op: a. het belang dat met de ingreep is gediend; b. het waterhuishoudkundig belang (kwantitatief en kwalitatief), met het oog op de waterhuishoudkundige doelstellingen van het betrokken gebied.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Artikel 20
Verkeer
20.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, straten en paden ten behoeve van het wegverkeer; b. parkeervoorzieningen; c. in- en uitritten; d. ter plaatse van de functieaanduiding 'tunnel' is een tunnel toegestaan; met de daarbij behorende: e. bouwwerken; f. standplaatsen, conform standplaatsenbeleid; g. waterhuishoudkundige voorzieningen; h. bruggen; i. viaducten; j. groenvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; k. geluidwerende voorzieningen; l. fietsenstallingen; m. infrastructurele voorzieningen met het oog op het beheer van de bestemming. 20.2 Bouwregels 20.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van het bijzondere gebruik, als bedoeld in artikel 20.1 onder c. van deze planregels; c. andere gebouwen zijn niet toegestaan. 20.2.2 Tunnel In afwijking van artikel 20.2.1 onder a. mag ter plaatse van de aanduiding 'tunnel': a. een verkeerstunnel worden opgericht waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer dan 6 meter mag bedragen; b. een technische ruimte worden opgericht waarvan de goot- en bouwhoogte niet meer dan 3,50 en 4,50 meter en de oppervlakte niet meer dan 60 m2 mag bedragen.
20.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van lichtmasten, bewegwijzering en verkeersregulering mag niet meer dan 10 meter bedragen; b. de hoogte van reclame-uitingen en kunstwerken, zowel civiel als cultureel, mag niet meer dan 6 meter bedragen; c. de hoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 1 meter bedragen; d. per woonperceel is één (duiker)brug toegestaan; e. de breedte van (duiker)bruggen ten behoeve van een in- of uitrit naar of van een perceel met de bestemming 'Wonen - Lintbebouwing' mag maximaal 4 meter bedragen; f. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer dan 3 meter bedragen. 20.3 Nadere eisen
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van: a. de sociale veiligheid; b. de verkeersveiligheid; c. de waterhuishouding; d. de brandveiligheid en rampenbestrijding; e. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, en de landschappelijke inrichting; f. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; g. de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluitingen op (structurele) groenen waterelementen. 20.4 Specifieke gebruiksregels 20.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van de gronden voor de opslag van goederen; b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Artikel 21
Verkeer - Verblijfsgebied
21.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het langzaamverkeer en verblijfsgebied; b. erfontslutingen; c. parkeervoorzieningen; met de daarbij behorende: d. waterhuishoudkundige voorzieningen; e. bruggen; f. groenvoorzieningen en speelvoorzieningen g. openbare nutsvoorzieningen; h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; i. infrastructurele voorzieningen met het oog op het beheer van de bestemming. met daaraan ondergeschikt: j. straatmeubilair; k. ondergrondse containers. 21.2 Bouwregels 21.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van palen en (licht-)masten en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer dan 10 meter bedragen; b. de hoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 1 meter bedragen; c. per woonperceel is één (duiker)brug toegestaan; d. de breedte van (duiker)bruggen ten behoeve van een in- of uitrit naar of van een perceel met de bestemming 'Wonen - Lintbebouwing' mag maximaal 4 meter bedragen; e. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer dan 3 meter bedragen.
21.3 Specifieke gebruiksregels 21.3.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van de gronden voor de opslag van goederen; b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Artikel 22
Water
22.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. waterlopen, waterplassen en recreatiewater; b. water als netwerk voor de waterhuishouding, waaronder waterberging, wateraanvoer en waterafvoer; c. de ontwikkeling en het beheer van natuur en landschap waaronder de natuurverbindingen en de natuurwaarden; d. (dras)oevers en groenvoorzieningen langs de oevers, zoals rietkragen; e. bruggen en landhoofden; f. verkeer op het water; g. aanlegplaatsen; alsmede: h. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van water - scheepswerf' is medegebruik ten behoeve van het aangrenzende scheepsbouw- en reparatiebedrijf toegestaan; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - botenhuis' is een botenhuis toegestaan; j. ter plaatse van de functieaanduiding 'jachthaven' is medegebruik ten behoeve van het aangrenzende jachthavenbedrijf waaronder het gebruiken van ligplaatsen toegestaan; k. ter plaatse van de functieaanduiding 'tunnel' is een tunnel toegestaan; l. ter plaatse van de functieaanduiding 'scouting' is een scoutingvereniging met daarbijhorende scoutingactiviteiten toegestaan; met de daarbij behorende: m. bouwwerken; n. al dan niet gebouwde voorzieningen met het oog op het beheer en onderhoud; o. keermuren, oeverbeschoeiingen, duikers en andere bouwwerken ten behoeve van de waterhuishouding; met daaraan ondergeschikte: p.
openbare nutsvoorzieningen. 22.2 Bouwregels 22.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van het bijzondere gebruik, als bedoeld in artikel 22.1 onder i. en k. van deze planregels; c. andere gebouwen zijn niet toegestaan. 22.2.2 Boothuizen In afwijking van artikel 22.2.1 onder a. mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - botenhuis' een botenhuis van niet meer dan 40 m2 worden opgericht waarvan de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen. 22.2.3 Tunnel
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
In afwijking van artikel 22.2.1 onder a. mag ter plaatse van de aanduiding 'tunnel' een verkeerstunnel worden opgericht waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer dan 6 meter mag bedragen. 22.2.4 Aanlegsteigers Voor het bouwen van aanlegsteigers gelden de volgende regels: a. aanlegsteigers mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - scheepswerf', 'jachthaven' en 'scouting' worden gebouwd; b. de breedte mag niet meer dan 1,25 meter bedragen; c. de hoogte van het loopvlak mag niet meer dan 1,50 meter bedragen; d. in afwijking van b. mag de breedte binnen de aanduiding 'scouting' niet meer dan 1,75 meter bedragen; e. er dient een vrije vaarbreedte van minimaal 4,5 meter gewaarborgd te zijn; f. het bouwen op een steiger of vlonder is niet toegestaan. 22.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen (aanleg)steigers en gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van palen, (licht-)masten en kunstwerken mag niet meer dan 6 meter bedragen; b. per woonperceel is één (duiker)brug toegestaan; c. de breedte van (duiker)bruggen ten behoeve van een in- of uitrit naar of van een perceel met de bestemming 'Wonen - Lintbebouwing' mag maximaal 4 meter bedragen; d. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen; e. bootoverkappingen zijn niet toegestaan.
22.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van: a. de sociale veiligheid; b. de verkeersveiligheid; c. doorvaart; d. de waterhuishouding; e. de brandveiligheid en rampenbestrijding; f. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, en de landschappelijke inrichting; g. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; h. de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluitingen op (structurele) groenen waterelementen. 22.4 Specifieke gebruiksregels 22.4.1 Aanleg- en ligplaatsen Op de gronden als bedoeld in 22.1 van dit artikel is het volgende specifieke gebruik toegestaan: a. het gebruiken of laten gebruiken als ligplaats voor woonarken voor niet-permanente bewoning binnen de aanduiding 'jachthaven'; b. het gebruiken of laten gebruiken als aanlegplaats voor pleziervaartuigen, waaronder kajuitboten, en bedrijfsschepen binnen de aanduiding 'jachthaven' en 'specifieke vorm van water - scheepswerf';
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als aanlegplaats ten behoeve van pleziervaartuigen, uitgezonderd kajuitboten, mits dit plaatsvindt direct aangrenzend aan de bestemmingen 'Wonen', 'Wonen - Lintbebouwing' en 'Tuin' en de functieaanduiding 'scouting'; d. aanvullend op het bepaalde onder b. en c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als aanlegplaats ten behoeve van pleziervaartuigen, waaronder kajuitboten mits dit plaatsvindt; 1. aangrenzend aan het eigen en als zodanige bestemde recreatieperceel en binnen het recreatieseizoen, zijnde tussen 1 april en 15 oktober, of; 2. direct aangrenzend aan de bestemming 'Natuur' met de functieaanduiding 'recreatie' en de bestemming 'Recreatie' met functieaanduiding 'gemengd', mits dit plaatsvindt gedurende maximaal 48 uur; e. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als aanlegplaats voor één bedrijfsschip mits dit plaatsvindt direct aangrenzend aan de bestemming 'Agrarisch Tuinbouw'; f. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als tijdelijke aanlegplaats zoals aangewezen in de Algemene Plaatselijke Verordening Aalsmeer; g. de regels onder c. tot en met f. vinden toepassing met inachtneming van een vrije doorvaartbreedte van minimaal 4,5 meter. 22.4.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1., eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a.
het gebruik ten behoeve van drijvende steigers en ander daarmee vergelijkbaar drijftuig; b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als aanlegplaats voor bedrijfsschepen met uitzondering van artikel 22.4.1 onder b.; c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als aanlegplaats ten behoeve van kajuitboten in afwijking van artikel 22.4.1 onder b. en d.; d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als aanlegplaats ten behoeve van pleziervaartuigen in afwijking van artikel 22.4.1 onder b., c. en d.; e. het gebruiken of laten gebruiken als ligplaats voor woonarken ten behoeve van permanente bewoning; f. het gebruiken of laten gebruiken als ligplaats voor woonarken voor niet-permanente bewoning buiten de aanduiding 'jachthaven'.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Artikel 23
Water - Permanent Wonen
23.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water - Permanent Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een ligplaats ten behoeve van één woonark voor permanente bewoning, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf tot maximaal 30% van de vloeroppervlakte van de woonark; b. water; c. waterberging; d. waterhuishouding; met de daarbij behorende: e. voorzieningen van algemeen nut; f. voorzieningen voor woonarken; g. aanlegplaatsen; h. erf- en terreinafscheidingen. 23.2 Bouwregels Voor het bouwen van woonarken geldt de volgende bepaling: a. woonarken dienen minimaal volledig binnen het bestemmingsvlak gelegen te zijn dan wel het bestemmingsvlak volledig te benutten; b. de woonark mag maximaal 18x6x5 meter bedragen (lxbxh); c. de woonark grenzend aan een bestemmingsvlak 'Tuin' met een aanduiding 'specifieke vorm van tuin - bijgebouwen 1 woonarken' mag maximaal 15x5x4,5 meter bedragen (lxbxh); d. de afstand tot de naastgelegen woonarken dient aan alle zijden tenminste 5 meter te zijn; e. de maximale afstand van de woonark tot de insteek van het water bedraagt 1 meter; f. in afwijking van het bepaalde in lid a tot en met d zijn bestaande woonarken toegestaan in de volgende gevallen: I.
de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstanden tot de naastgelegen woonark en/of de insteek van het water, die minder bedragen dan in de regels is voorgeschreven, mogen als minimaal toelaatbaar worden aangehouden; II. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstanden van de bijgebouwen tot de oeverlijn, die minder bedragen dan in de regels is voorgeschreven, mogen als minimaal toelaatbaar worden aangehouden; III.de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afmetingen van woonarken die meer bedragen dan in de regels is voorgeschreven en die op de als bijlage 2 bij deze regels toegevoegde lijst afwijkende maatvoering voorkomen, mogen in strijd met de regels worden aangehouden; IV. bij vervanging of verplaatsing van de bestaande ark is het bepaalde onder sub III niet meer van toepassing; V. in afwijking van het bepaalde onder sub IV mag een woonark die is opgenomen op de lijst van bestaande woonarken met afwijkende maten in bijlage 2 van dit bestemmingsplan na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag voor het veranderen of vernieuwen van die ark wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop de woonark teniet is gegaan.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
23.3 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 23.3.1 Parkeernorm Een omgevingsvergunning voor bouwen kan slechts worden verleend indien voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze is opgenomen in de vigerende Nota Parkeernormen Aalsmeer. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 23.3.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 23.3.3 Afwijken van de regels Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 23.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of: b.
met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 23.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 23.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 23.3.5 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 23.4 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 23.2 onder e. sub IV bij vervanging van de bestaande ark indien: a. er zwaarwegende gronden zijn om af te wijken van de voorgeschreven maatvoering; b. de maximaal afwijkende afmetingen van de woonark niet meer te bedragen dan de afwijkende afmetingen, zoals opgenomen in bijlage 2; c. de afwijkende afmeting ruimtelijk inpasbaar zijn indien deze woonark grenst een bestemmingsvlak 'Tuin' met een aanduiding 'specifieke vorm van tuin - bijgebouwen 1 woonarken'.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
23.5 Specifieke gebruiksregels 23.5.1 Aan-huis-gebonden beroep en of -bedrijf Het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep en/of bedrijf is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; b. het bruto-vloeroppervlak voor de uitoefening van het aan-huis-gebonden beroep danwel het aan-huis-gebonden bedrijf niet groter is dan 30% van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken; c. het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse; d. geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame; e. het beroep alleen door de bewoner(s) wordt uitgeoefend; f. er geen horeca-activiteiten en geen detailhandel plaatsvinden; g. er geen buitenopslag plaatsvindt, noch beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in de openbare ruimte rond de woning, met uitzondering van in- en uitladen. 23.5.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; b. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor recreatief nachtverblijf; c. het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens anders dan woonarken; d.
voor het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; e. voor het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; f. als opslag-, laad- en/of losplaats ten behoeve van handelsdoeleinden; g. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Artikel 24
Water - Verblijfsrecreatie
24.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een ligplaats ten behoeve van één woonark voor niet-permanente bewoning; b. water; c. waterberging; d. waterhuishouding; met de daarbij behorende: e. voorzieningen van algemeen nut; f. voorzieningen voor woonarken; g. aanlegplaatsen; h. erf- en terreinafscheidingen. 24.2 Bouwregels Voor het bouwen van woonarken geldt de volgende bepaling: a. woonarken dienen minimaal volledig binnen het bestemmingsvlak gelegen te zijn dan wel het bestemmingsvlak volledig te benutten; b. de woonark mag maximaal 15x5x3 meter bedragen (lxbxh); c. de afstand tot de naastgelegen woonarken dient aan alle zijden tenminste 5 meter te zijn; d. de maximale afstand van de woonark tot de insteek van het water bedraagt 1 meter; e. in afwijking van het bepaalde in lid a tot en met c zijn bestaande woonarken toegestaan in de volgende gevallen: I. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstanden tot de naastgelegen woonark en/of de insteek van het water, die minder bedragen dan in de regels is voorgeschreven, mogen als minimaal toelaatbaar worden aangehouden; II.
de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstanden van de bijgebouwen tot de oeverlijn, die minder bedragen dan in de regels is voorgeschreven, mogen als minimaal toelaatbaar worden aangehouden; III.de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afmetingen van de woonark op Oosteinderweg 377a ws3 van 15,9 x 3,6 x 2,1 meter (lxbxh) mag in strijd met de regels worden aangehouden; IV. bij vervanging of verplaating van de bestaande ark is het bepaalde onder sub III niet meer van toepassing; V. in afwijking van het bepaalde onder sub IV mag de woonark na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag voor het veranderen of vernieuwen van die ark wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop de woonark teniet is gegaan. 24.3 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 24.3.1 Parkeernorm Een omgevingsvergunning voor bouwen kan slechts worden verleend indien voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze is opgenomen in de vigerende Nota Parkeernormen Aalsmeer. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 24.3.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 24.3.3 Afwijken van de regels Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 24.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of: b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 24.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 23.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien.
24.3.5 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 24.4 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 24.2 onder d sub IV bij vervanging van de bestaande ark indien: a. er dienen zwaarwegende gronden zijn om af te wijken van de voorgeschreven maatvoering; b. de maximaal afwijkende afmetingen van de woonark dient niet meer te bedragen dan de afwijkende afmetingen van woonark op Oosteinderweg 377a ws3 zoals opgenomen in artikel onder 24.2 e. III. 24.5 Specifieke gebruiksregels 24.5.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van een woonark voor permanente bewoning; b. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; c. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor recreatief nachtverblijf;
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
d. het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens anders dan woonarken; e. voor het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; f. voor het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; g. als opslag-, laad- en/of losplaats ten behoeve van handelsdoeleinden; h. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Artikel 25
Wonen
25.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen in woongebouwen, al dan niet in combinatie met uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf; b. tuinen en erven; met de daarbij behorende: c. bouwwerken; d. waterhuishoudkundige voorzieningen; e. ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming; f. groenvoorzieningen. 25.2 Bouwregels 25.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. per bouwvlak als aangegeven op de planverbeelding is één woning toegestaan; b. het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak als aangegeven op de planverbeelding worden gebouwd; c. de goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden; d. de inhoud van de woningen aan de Mr. Jac. Takkade en woningen die niet direct ontsloten worden op de openbare weg mag niet meer dan 450 m3 bedragen; e. de dakhelling van een hoofdgebouw mag niet meer dan 60° bedragen. Deze contouren gelden voor ten minste twee dakvlakken; f. bij woningen mag een dakkapel worden gerealiseerd, met dien verstande dat: I.
voor zover gelegen op het dakvlak aan de straatzijde of op het dakvlak aan de zijde van de zijtuin, de dakkapel niet breder mag zijn dan de helft van de breedte van het dakvlak van het hoofdgebouw, de afstand tot de zijkant van het dak meer dan 1 meter en de hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet meer dan 1,5 meter mag bedragen; II. voor zover gelegen op het dakvlak aan de achtertuinzijde, de zijkanten van de dakkapel op meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak van het hoofdgebouw worden gerealiseerd; III.de bovenzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter onder de noklijn van het dakvlak wordt gerealiseerd; IV. de onderzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter en niet meer dan 1 meter boven de gootlijn van het dakvlak wordt gerealiseerd; V. per dakvlak meerdere dakkapellen zijn toegestaan indien de dakkapellen op dezelfde bouwlaag worden gerealiseerd en deze dakkapellen tezamen voldoen aan de hiervoor opgenomen breedte- of afstandsmaten. h. gebouwde parkeervoorzieningen onder het hoofdgebouw zijn niet toegestaan; i. de regels onder a. tot en met h. vinden toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 33.1 van deze planregels. 25.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken van het hoofdgebouw gelden de volgende regels: a.
behoudens vergunningvrije bouwwerken conform de thans geldende regelgeving ten aanzien van vergunningvrij bouwen, zijn geen bijbehorende bouwwerken
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
toegestaan. Indien de regelgeving ten aanzien van vergunningvrij bouwen gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels; b. de regels onder a. vindt toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 33.1 van deze planregels. 25.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 meter mag bedragen; b. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen 3 meter; c. de regels onder a. vindt toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 33.1 van deze planregels. 25.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van: a. de sociale veiligheid; b. de verkeersveiligheid; c. de waterhuishouding; d. de brandveiligheid en rampenbestrijding; e. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, en de landschappelijke inrichting; f. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken. 25.4 Voorwaarden m.b.t.
het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 25.4.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 25.4.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 25.4.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 25.4.1 omgevingsvergunning verlenen indien: vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of: b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 25.4.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 25.4.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 25.4.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 25.5 Specifieke gebruiksregels 25.5.1 Aan-huis-gebonden beroep en of -bedrijf Het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep en/of bedrijf is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; b. het bruto-vloeroppervlak voor de uitoefening van het aan-huis-gebonden beroep danwel het aan-huis-gebonden bedrijf niet groter is dan 30% van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken; c. het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse; d.
geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame; e. het beroep alleen door de bewoner(s) wordt uitgeoefend; f. er geen horeca-activiteiten en geen detailhandel plaatsvinden; g. er geen buitenopslag plaatsvindt, noch beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in de openbare ruimte rond de woning, met uitzondering van in- en uitladen. 25.5.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van bijgebouwen voor bewoning; b. het plaatsen of geplaatst hebben van onderkomens; c. het opslaan van goederen, stoffen, producten of materialen en materieel, waarvan de aanwezigheid voor de realisering of handhaving van de in lid 1 genoemde bestemming niet noodzakelijk is, dan wel kan worden geacht noodzakelijk te zijn; d. het gebruik ten behoeve van het kamperen; e. het gebruik ten behoeve van detailhandel; f. het gebruik ten behoeve van horeca; g. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
Artikel 26
Wonen - Lintbebouwing
26.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - Lintbebouwing' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen in woongebouwen, al dan niet in combinatie met uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf; b. tuinen en erven; alsmede: c. ter plaatse van de functieaanduiding 'detailhandel' is het bestaande detailhandelbedrijf toegestaan; d. ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijf' is bedrijfsuitoefening toegestaan overeenkomstig de bedrijfscategorieën 1 en 2 als aangegeven in de Staat van Bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van deze planregels, met uitzondering van: I. geluidzoneringsplichtige inrichtingen; II. bedrijfsactiviteiten die vallen onder het besluit externe veiligheid inrichtingen; III.groothandelsbedrijven; e. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' is laagdynamische opslag toegestaan; f. ter plaatse van de aanduiding 'praktijkruimte' is een praktijkruimte toegestaan; g. ter plaatse van de aanduiding 'tuinbouw' is de uitoefening van een tuinbouwbedrijf toegestaan; met de daarbij behorende: h. bouwwerken; i. waterhuishoudkundige voorzieningen; j. groenvoorzieningen; k. openbare nutsvoorzieningen; l. ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de woonbestemming en de achtergelegen agrarische percelen.
26.2 Bouwregels 26.2.1 Algemeen Op en onder de in artikel 26.1 genoemde gronden mag slechts worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde bestemming. 26.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. het aantal bestaande woningen zoals aanwezig op het moment van terinzageligging van het ontwerp van dit plan mag niet worden vermeerderd; b. oorspronkelijke hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de bouwvlakken worden gebouwd; c. per bouwperceel mag maximaal één woning worden gerealiseerd bij een minimale perceelsbreedte van 25 meter of indien de perceelbreedte minimaal 40 meter bedraagt maximaal twee aanéén gebouwde woningen; d. de maximum bouwdiepte van een oorspronkelijk hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 15 meter; e. de voorgevelbreedte van het oorspronkelijk hoofdgebouw mag niet meer dan 12 meter bedragen en van een twee-onder-een-kapwoning niet meer dan 10 meter per woning; f. de voorgevelbreedte van het hoofdgebouw bij een perceelsbreedte vanaf 30 meter mag niet meer bedragen dan 15 meter;
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
g. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in dan wel niet meer dan 5 meter achter de naar de openbare weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd; h. de goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden; i. de maximale goothoogte mag per dakvlak voor maximaal 30% worden doorsneden; j. de dakhelling van een hoofdgebouw mag niet meer dan 60° bedragen. Deze contouren gelden voor ten minste twee dakvlakken; k. de afstand van het oorspronkelijk hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient niet minder dan 3 meter te bedragen bij elke vrijstaande zijgevel; l. de afstand van een hoofdgebouw tot bedrijfsbebouwing bedraagt tenminste 14 meter; m. bij woningen met een kap mag een dakkapel worden gerealiseerd, met dien verstande dat: I. voor zover gelegen op het dakvlak aan de straatzijde of op het dakvlak aan de zijde van de zijtuin, de dakkapel niet breder mag zijn dan de helft van de breedte van het dakvlak van het hoofdgebouw, de afstand tot de zijkant van het dak meer dan 1 meter en de hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet meer dan 1,5 meter mag bedragen; II.
voor zover gelegen op het dakvlak aan de achtertuinzijde, de zijkanten van de dakkapel op meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak van het hoofdgebouw worden gerealiseerd; III.de bovenzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter onder de noklijn van het dakvlak wordt gerealiseerd; IV. de onderzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter en niet meer dan 1 meter boven de gootlijn van het dakvlak wordt gerealiseerd; V. per dakvlak meerdere dakkapellen zijn toegestaan indien de dakkapellen op dezelfde bouwlaag worden gerealiseerd en deze dakkapellen tezamen voldoen aan de hiervoor opgenomen breedte- of afstandsmaten; j. gebouwde parkeervoorzieningen onder het hoofdgebouw zijn niet toegestaan; k. de regels onder a. tot en met j. vinden toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 33.1 van deze planregels. 26.2.3 Bedrijfsgebouwen ten behoeve van tuinbouw Binnen het kader van de bestemmingsomschrijving als gegeven onder 26.1 onder g. gelden ter plaatse van de aanduiding 'tuinbouw' de volgende regels: a. het bestaande bedrijfsgebouw, zoals aanwezig ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan, is toegestaan; b. herbouw met dezelfde afmetingen is toegestaan. 26.2.4 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken van het hoofdgebouw gelden de volgende regels: a.
behoudens vergunningvrije bouwwerken conform de thans geldende regelgeving ten aanzien van vergunningvrij bouwen, zijn geen bijbehorende bouwwerken toegestaan. Indien de regelgeving ten aanzien van vergunningvrij bouwen gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels; b. de regel onder a. vindt toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 33.1 van deze planregels. 26.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 meter mag bedragen;
vastgesteld regels Oosteinderweg 2020
pagina
b. de bouwhoogte van gemetselde penanten in het voorerfgebied mag niet meer dan 2 meter bedragen; c. de breedte en bouwhoogte van een toegangspoort in het voorerfgebied die onderdeel uitmaakt van de totale erf- of perceelscheiding, of die geplaatst wordt tussen een groene erfafscheiding, mag niet meer bedragen dan 4 respectievelijk 2 meter; d. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 6 meter; e. per woonperceel is één (duiker)brug toegestaan; f. de breedte van (duiker)bruggen ten behoeve van een in- of uitrit naar of van een perceel met de bestemming 'Wonen - Lintbebouwing' mag maximaal 4 meter bedragen; g. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 6 meter; h. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen 3 meter; i. de regel onder a. tot en met h. vinden toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 33.1 van deze planregels. 26.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van: a. de sociale veiligheid; b. de verkeersveiligheid; c. de waterhuishouding; d. de brandveiligheid en rampenbestrijding; e. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, en de landschappelijke inrichting; f.