CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Planregels BP Oosteinderweg 2020 na uitspraak RvS.Pdf.pdf

3.Raad (besluitvormend) 2 februari 2023, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplan 'Oosteinderweg 2020'31.294 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

6.3.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 6.3.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 6.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 6.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 6.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien.

6.3.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 6.4 Specifieke gebruiksregels 6.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan scheepsbouw- en reparatiebedrijven die maximaal behoren tot de categorie 3.2 uit de van deze planregels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten; b. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; c. het huisvesten van tijdelijke arbeidsmigranten; d. het gebruik van gebouwen voor meer dan 30% van het b.v.o. voor kantoordoeleinden verbonden aan de bedrijfsactiviteiten; e. het gebruik van onbebouwde gronden gelegen buiten het bouwvlak voor opslag van goederen met een hoogte van meer dan 2 meter; f. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel; g. het gebruik van bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Artikel 7

Bedrijf - Scheepswerf 2

7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf-Scheepswerf 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijfsactiviteiten van scheepsbouw- en reparatiebedrijven die zijn aan te wijzen als te zoneren bedrijfsactiviteit en maximaal behoren tot de categorie 5.1 uit de van deze planregels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1); b. gebouwen die voor de bedrijfsuitoefening nodig zijn; met de daarbij behorende: c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; d. kantoor- en andere vergelijkbare nevenruimten; e. ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning' tevens is een bedrijfswoning toegestaan; f. water; met daaraan ondergeschikt: g. ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming; h. groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: a. bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen en bouwvlak worden gebouwd; b. de goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte, maximum bouwhoogte' mag niet worden overschreden; c. het bebouwingspercentage bedraagt 100%, tenzij anders is aangeduid met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage'. 7.2.2 Bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a.

het aantal bestaande woningen zoals aanwezig op het moment van terinzageligging van het ontwerp van dit plan mag niet worden vermeerderd; b. oorspronkelijke hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de bouwvlakken worden gebouwd; c. per bouwperceel mag maximaal één woning worden gerealiseerd bij een minimale perceelsbreedte van 25 meter of indien de perceelbreedte minimaal 40 meter bedraagt maximaal twee aanéén gebouwde woningen; d. de maximum bouwdiepte van een oorspronkelijk hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 15 meter; e. de voorgevelbreedte van het oorspronkelijk hoofdgebouw mag niet meer dan 12 meter bedragen en van een twee-onder-een-kapwoning niet meer dan 10 meter per woning; f. de voorgevelbreedte van het hoofdgebouw bij een perceelsbreedte vanaf 30 meter mag niet meer bedragen dan 15 meter; g. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in dan wel niet meer dan 5 meter achter de naar de openbare weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd; h. de goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden;

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

i.

de dakhelling van een hoofdgebouw mag niet meer dan 60° bedragen. Deze contouren gelden voor ten minste twee dakvlakken; j. de afstand van het oorspronkelijk hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient niet minder dan 3 meter te bedragen bij elke vrijstaande zijgevel; k. bij woningen met een kap mag een dakkapel worden gerealiseerd, met dien verstande dat: I. voor zover gelegen op het dakvlak aan de straatzijde of op het dakvlak aan de zijde van de zijtuin, de dakkapel niet breder mag zijn dan de helft van de breedte van het dakvlak van het hoofdgebouw, de afstand tot de zijkant van het dak meer dan 1 meter en de hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet meer dan 1,5 meter mag bedragen; II. voor zover gelegen op het dakvlak aan de achtertuinzijde, de zijkanten van de dakkapel op meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak van het hoofdgebouw worden gerealiseerd; III.de bovenzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter onder de noklijn van het dakvlak wordt gerealiseerd; IV. de onderzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter en niet meer dan 1 meter boven de gootlijn van het dakvlak wordt gerealiseerd; V. per dakvlak meerdere dakkapellen zijn toegestaan indien de dakkapellen op dezelfde bouwlaag worden gerealiseerd en deze dakkapellen tezamen voldoen aan de hiervoor opgenomen breedte- of afstandsmaten; m.

gebouwde parkeervoorzieningen onder het hoofdgebouw zijn niet toegestaan; n. de regels onder a. tot en met i. vinden toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 33.1 van deze planregels. 7.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde dienen op een afstand meer dan 3 meter achter de voorgevel van de bedrijfswoningen worden gebouwd; b. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 3 meter bedragen met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 meter mag bedragen; c. de hoogte van palen en masten mag niet meer dan 6 meter bedragen; d. de hoogte van hijsinstallaties en lichtmasten mag niet meer dan 10 meter bedragen; e. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen. 7.3 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 7.3.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'.

Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 7.3.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 7.3.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 7.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 7.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 7.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 7.3.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b.

de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 7.4 Specifieke gebruiksregels 7.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan scheepsbouw- en reparatiebedrijven die maximaal behoren tot de categorie 5.1 uit de van deze planregels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten; b. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning, met uitzondering ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning'; c. het huisvesten van tijdelijke arbeidsmigranten, met uitzondering ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning'; d. het gebruik van gebouwen voor meer dan 30% van het b.v.o. voor kantoordoeleinden verbonden aan de bedrijfsactiviteiten; e. het gebruik van onbebouwde gronden gelegen buiten het bouwvlak voor opslag van goederen met een hoogte van meer dan 2 meter; f. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel; g. het gebruik van bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Artikel 8

Gemengd 1

8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. indoor sportvoorzieningen; b. cultuur en ontspanning uitsluitend in de vorm van indoor speeltuin en midgetgolf; c. evenementencentrum; d. gebouwen die voor de onder a. t/m c. genoemde functies nodig zijn; met de daarbij behorende: e. kantoorruimte, kleedruimte en sanitaire voorzieningen; f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; g. tuinen en erven; h. terrassen; met daaraan ondergeschikt: i. horeca tot maximaal categorie 2; j. zaalaccommodatie; k. ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming; l. groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 8.2 Bouwregels 8.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte en de goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden; c. het bebouwd oppervlak mag 100% bedragen; d. enkel de bestaande dakhellingen zoals deze op het moment van tervisielegging van dit bestemmingsplan als zodanig aanwezig waren zijn toegestaan. 8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen; b.

de hoogte van palen en masten mag niet meer dan 6 meter bedragen; c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen. 8.3 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 8.3.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 8.3.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 8.3.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 8.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 8.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 8.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien.

8.3.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 8.4 Specifieke gebruiksregels 8.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1. eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; b. het plaatsen of geplaatst hebben van onderkomens; c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven anders dan bedoeld in artikel 8.1; d. het gebruik van onbebouwde gronden voor opslag van goederen met een hoogte van meer dan 2 meter; e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel; f. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Artikel 9

Gemengd 2

9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. detailhandel, een supermarkt uitgezonderd; b. dienstverlenend bedrijf; c. het wonen in woongebouwen, al dan niet in combinatie met uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf; d. gebouwen die voor de onder a. t/m c. genoemde functies nodig zijn; met de daarbij behorende: e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; f. tuinen en erven; met daaraan ondergeschikt: g. ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming; h. groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 9.2 Bouwregels 9.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte en de goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden; c. het bebouwd oppervlak mag niet meer dan 80% bedragen. 9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 meter mag bedragen; b.

de hoogte van palen en masten mag niet meer dan 6 meter bedragen; c. de hoogte van lichtmasten en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen; e. bij het hoofdgebouw mag een overkapping worden gerealiseerd, met dien verstande dat deze binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd en het maximum bebouwingsoppervlak van 80 % in acht wordt genomen. 9.3 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 9.3.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 9.3.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 9.3.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 9.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 9.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 9.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien.

9.3.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 9.4 Specifieke gebruiksregels 9.4.1 Detailhandel Binnen de bestemming is enkel het gebruik door detailhandelbedrijf dat op het moment van tervisielegging van dit bestemmingsplan als zodanig aanwezig was toegestaan. 9.4.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1. eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; b. het plaatsen of geplaatst hebben van onderkomens; c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven anders dan bedoeld in artikel 9.1; d. het gebruiken of doen gebruiken van meer dan 30% van het b.v.o. van de vloeroppervlakte van een woning, met inbegrip van de daarbij behorende aan- en/of bijgebouwen, als kantoor- en/of praktijkruimte ten behoeve van een aan huis gebonden beroep of bedrijf; e. het gebruik van onbebouwde gronden voor opslag van goederen met een hoogte van meer dan 2 meter; vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

f. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Artikel 10

Groen

10.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. bermen en beplanting; c. ter plaatse van de functieaanduiding 'tunnel' is een verkeerstunnel toegestaan; d. ter plaatse van de functieaanduiding 'scouting' is een scoutingvereniging met daarbijhorende scoutingactiviteiten toegestaan; e. gebouwen, die voor de onder c. en d. genoemde functies nodig zijn; met de daarbij horende: f. parkeervoorzieningen; g. fiets-, voet en ruiterpaden; h. speelvoorzieningen; i. water, waterlopen, waterpartijen en oevervoorzieningen; j. bruggen en landhoofden; k. duikers en duikerbruggen; l. kunstobjecten; m. kunstwerken; n. openbare nutsvoorzieningen; met de daaraan ondergeschikte: o. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 10.2 Bouwregels 10.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd; b. in afwijking van lid a. mag binnen de aanduiding 'tunnel' een verkeerstunnel worden opgericht waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer dan 6 meter mag bedragen; c. in afwijking van lid a. mag binnen de aanduiding 'scouting' gebouwen worden opgericht met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 250 m2, waarbij de goot- en bouwhoogte niet meer dan 3 respectievelijk 4 meter mag bedragen.

10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 6 meter; b. de hoogte van palen en (licht)masten mag niet meer bedragen dan 10 meter; c. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 meter. 10.3 Specifieke gebruiksregels 10.3.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend:

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

a. het gebruik van gronden als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; b. het gebruik van gronden als staan-, aanleg- of ligplaats, alsmede kampeerterrein voorzover dit terrein is gelegen buiten de functieaanduiding 'scouting'; c. het gebruik van gronden voor het beproeven van voer- of vaartuigen, voor het beoefenen van auto- of motorsport of de (model) vliegsport en voor het houden wedstrijden met motorvoertuigen of bromfietsen; d. het gebruik van gronden voor sport- of wedstrijdterrein, parkeerterrein, landingsplaats, dagcamping dan wel voor de ruitersport.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Artikel 11

Horeca

11.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. horecavoorzieningen; b. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2' is uitsluitend horeca 1 en 2 toegestaan; c. ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 5' is uitsluitend horeca 5 toegestaan; d. zaalaccommodatie; alsmede: e. wonen met uitzondering binnen de aanduiding 'horeca van categorie 5; met de daarbij behorende: f. bouwwerken; g. terrassen; h. tuinen en erven; i. ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming; met daaraan ondergeschikt: j. groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 11.2 Bouwregels 11.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden; c. het bebouwingspercentage mag 100% bedragen; d. de dakhelling van een hoofdgebouw mag niet meer dan 60° bedragen. Deze contouren gelden voor ten minste twee dakvlakken. 11.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken van het hoofdgebouw gelden de volgende regels: a.

behoudens vergunningvrije bouwwerken conform de thans geldende regelgeving ten aanzien van vergunningvrij bouwen, zijn geen bijbehorende bouwwerken toegestaan. Indien de regelgeving ten aanzien van vergunningvrij bouwen gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels; b. in afwijking van het gestelde onder a. is binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overkapping' een overkapping toegestaan met een oppervlakte van niet meer dan 80 m2 en een bouwhoogte van niet meer dan 3 meter. c. de regel onder a. vindt toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 33.1 van deze planregels. 11.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 meter mag bedragen; b. de hoogte van palen en masten mag niet meer dan 6 meter bedragen; c. de hoogte van lichtmasten en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen. 11.3 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 11.3.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 11.3.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

11.3.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 11.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 11.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 11.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 11.3.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 11.4 Specifieke gebruiksregels

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

11.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning; b. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor horeca; c. het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens; d. het gebruik van onbebouwde gronden voor opslag van goederen met een hoogte van meer dan 2 meter; e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel; f. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Artikel 12

Kantoor

12.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Kantoor' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. kantoren; met de daarbij behorende: b. bouwwerken; c. tuinen en erven; d. ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming; met daaraan ondergeschikt: e. groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; f. horecavoorzieningen tot en met categorie 1 ten dienste van de bestemming. 12.2 Bouwregels 12.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden; c. het bebouwingspercentage bedraagt 100%; d. de regel onder a. en b. vindt toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 33.1 van deze planregels. 12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 meter mag bedragen; b. de hoogte van palen en masten mag niet meer dan 6 meter bedragen; c.

de hoogte van lichtmasten en voor het overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen. d. bij het hoofdgebouw mag een overkapping worden gerealiseerd, met dien verstande dat: I. de overkapping op een afstand van niet minder dan 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd; II. de overkapping op niet minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens wordt geplaatst; III.de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen; IV. de totale gezamenlijke oppervlakte aan overkappingen niet meer dan 30 m2 mag bedragen. 12.3 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 12.3.1 Parkeernormen

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 12.3.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 12.3.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 12.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b.

met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 12.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 12.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 12.3.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 12.4 Specifieke gebruiksregels 12.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1. eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; b. het huisvesten van tijdelijke arbeidsmigranten; c. het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens; d. het gebruik van onbebouwde gronden voor opslag van goederen met een hoogte van meer dan 2 meter; e. het parkeren, anders dan ten behoeve van het ter plaatse aanwezige kantoor; f.

het gebruik van gronden en bebouwing als parkeergelegenheid voor reizigers die reizen vanaf de luchthaven Schiphol; g. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

h. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel; i. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van zelfstandige horeca. 12.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen ten behoeve van het gebruik als wonen ten opzichte van het bepaalde in 12.1 onder a, met dien verstande dat: a. het wonen plaats dient te vinden in het hoofdgebouw binnen de bestaande vloeroppervlakte; b. het aantal wooneenheden mag maximaal 25 bedragen; c. aangetoond wordt dat de nieuwe woning ruimtelijk en milieutechnisch past binnen de locatie, waaronder een akoestisch onderzoek; d. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'; e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; f. artikel 35 van deze planregels alsmede artikel 2.2.1d lid 2 van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol in acht moeten worden genomen.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Artikel 13

Maatschappelijk

13.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. gebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen; b. ter plaatse van de functieaanduiding 'woning' tevens is een woning toegestaan; c. ter plaatse van de functieaanduiding 'begraafplaats' is een begraafplaats toegestaan; met de daarbij behorende: d. bouwwerken; e. tuinen en erven; met daaraan ondergeschikt: f. horecavoorzieningen tot en met categorie 3 ten dienste van de bestemming; g. ontsluitingswegen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming; h. parkeervoorzieningen ten dienste van de bestemming voor zover de gronden niet zijn aangeduid als 'begraafplaats'; i. groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 13.2 Bouwregels 13.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouw mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte en de goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden; c. het bebouwingspercentage mag 100% bedragen, tenzij anders is aangeduid; d. de regel onder a. en b. vindt toepassing met inachtneming van het bepaalde in artikel 33.1 van deze planregels. 13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.

de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen; b. de hoogte van palen en masten mag niet meer dan 6 meter bedragen; c. de hoogte van lichtmasten en voor het overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen; d. bij het hoofdgebouw mag een overkapping worden gerealiseerd, met dien verstande dat: I. de overkapping op een afstand van niet minder dan 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd; II. de overkapping op niet minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens wordt geplaatst; III.de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen; IV. de totale gezamenlijke oppervlakte aan overkappingen niet meer dan 30 m2 mag bedragen. 13.3 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 13.3.1 Parkeernormen

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 13.3.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 13.3.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 13.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b.

met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 13.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 13.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 13.3.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 13.4 Specifieke gebruiksregels 13.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning; b. het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens; c. het inrichten en gebruiken van gronden met de aanduiding 'begraafplaats' als parkeervoorziening; d. het gebruik van de onbebouwde gronden voor opslag van goederen met een hoogte van meer dan 2 meter; e.

het gebruik van gronden als begraafplaats, met uitzondering de daarvoor aangeduide gronden, asielzoekerscentrum en verslavingszorg; f. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting;

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

g. het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige detailhandel; h. het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige horeca.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Artikel 14

Maatschappelijk - Dierenopvang

14.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Maatschappelijk - Dierenopvang' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dierenverzorging honden, katten en andere kleine huisdieren, zoals een trimsalon; met de daarbij behorende: b. bouwwerken; c. tuinen en erven; met daaraan ondergeschikt: d. kantoor; e. ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen en andere verhardingen ten dienste van de bestemming; f. groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 14.2 Bouwregels 14.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte en de goothoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' mag niet worden overschreden; c. het bebouwingspercentage mag 100% bedragen. 14.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter; b. de hoogte van palen en masten mag niet meer dan 6 meter bedragen; c. de hoogte van lichtmasten en voor het overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen. d. bij het hoofdgebouw mag een overkapping worden gerealiseerd, met dien verstande dat: I. de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen; II.

de totale gezamenlijke oppervlakte aan overkappingen niet meer dan 30 m2 mag bedragen. 14.3 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 14.3.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

14.3.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 14.3.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 14.3.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 14.3.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 14.3.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien.

14.3.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid; b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 14.4 Specifieke gebruiksregels 14.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; b. het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens; c. het gebruik van de onbebouwde gronden voor opslag van goederen met een hoogte van meer dan 2 meter; d. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting; e. het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige detailhandel; f. het gebruik van gronden en bouwwerken als zelfstandig kantoor.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Artikel 15

Natuur

15.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en de landschappelijke waarden; b. ter plaatse van de aanduiding 'tunnel' is een tunnel toegestaan; c. ter plaatse van de aanduiding 'recreatie' is de uitoefening van een jachthavenbedrijf uitsluitend met recreatiekavels toegestaan; met de daarbij behorende: d. oevers en oeverbeschoeiingen; e. waterhuishoudkundige voorzieningen; f. bouwwerken; g. infrastructurele voorzieningen met het oog op het beheer van de bestemming; met daaraan ondergeschikt: h. ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning' is een recreatiewoning toegestaan; i. beperkt openbaar toegankelijk extensief recreatief medegebruik, in de vorm van wandelen, vissen, natuur- en landschapsbeleving of andere niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten; j. speelvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 15.2 Bouwregels 15.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van het bijzondere gebruik, als bedoeld in artikel 15.1 onder b. en h. van deze planregels; c. andere gebouwen zijn niet toegestaan. 15.2.2 Tunnel In afwijking van artikel 15.2.1 onder a.

mag ter plaatse van de aanduiding 'tunnel' een verkeerstunnel worden opgericht waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer dan 6 meter mag bedragen. 15.2.3 Recreatiewoningen In afwijking van artikel 15.2.1 onder a. mogen recreatiewoningen gebouwd worden ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning'. Hiervoor gelden de volgende regels: a. per aanduiding is één recreatiewoning toegestaan; b. bij een recreatiewoning mogen geen vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd; c. de oppervlakte mag niet meer dan 30 m2 bedragen; d. de goothoogte mag niet meer dan 2,50 meter bedragen; e. de dakhelling mag niet minder dan 25° en niet meer dan 50° bedragen. 15.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van wegbewijzeringsborden, aanduidingsborden, en dergelijke mag niet meer dan 2,50 meter bedragen;

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

b. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen 3 meter; c. overkappingen en gebouwde terrein- en erfafscheidingen zijn niet toegestaan. 15.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van: a. de waterhuishouding; b. de brandveiligheid en rampenbestrijding; c. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend bebouwingsbeeld en de landschappelijke inrichting en inpassing; d. de aanwezige natuurwaarden; e. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken. 15.4 Specifieke gebruiksregels 15.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik voor agrarische doeleinden; a. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; b. het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens; c. het gebruik van onbebouwde gronden als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; d. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; e.

het gebruik van gronden voor het beproeven van voer- of vaartuigen, voor het beoefenen van auto- of motorsport of de (model) vliegsport en voor het houden wedstrijden met motorvoertuigen of bromfietsen; f. het gebruik van gronden voor sport- of wedstrijdterrein, parkeerterrein, landingsplaats, dagcamping dan wel voor de ruitersport. 15.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 15.5.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het dempen, graven, vergroten of herprofileren van watergangen en waterpartijen; b. het aanleggen van dammen, dijken of andere taluds, of het vergraven dan wel ontgraven van bestaande dammen, dijken en taluds c. het ontginnen, verlagen van de bodem, afgraven, ophogen of egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld; d. het permanent opslaan van goederen. e. het aanbrengen van drainagesystemen, tenzij het de vervanging van een bestaande drainage betreft; f. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen. 15.5.2 Toegestane werkzaamheden Het in lid 15.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

a. het normale onderhoud betreffen; b. noodzakelijk zijn in verband met het op de betreffende bestemming gerichte beheer of gebruik van de gronden; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning of krachtens een in het kader van de Natuurbeschermingswet vastgesteld beheersplan; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 15.5.3 Voorwaarden voor omgevingsvergunning De in lid 15.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door die werken of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de in 15.1 genoemde doeleinden dan wel waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. 15.5.4 Advies over omgevingsvergunning Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheid als bedoeld in 15.5.1 van dit artikel wint het bevoegd gezag advies in van de natuur- en landschapsdeskundige omtrent de vraag als bedoeld in 15.5.3 van dit artikel. Indien de waterhuishouding en/of de waterafvoer in het geding is, dient het Hoogheemraadschap van Rijnland daaromtrent te worden gehoord.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Artikel 16

Recreatie

16.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. recreatiekavels ten behoeve van dagrecreatie; b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en de landschappelijke waarden; c. (open) landschapsontwikkeling; d. ter plaatsen van de functieaanduiding 'gemengd' is een samenhangend recreatief steunpunt toegestaan; met de daarbij behorende: e. waterhuishoudkundige voorzieningen; f. bouwwerken; met daaraan ondergeschikt: g. ontsluitingswegen en andere verhardingen ten behoeve van de bereikbaarheid van de percelen; h. collectieve parkeervoorzieningen ten dienste van de bestemming; i. groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 16.2 Bouwregels 16.2.1 Gebouwen op recreatiekavels Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen mogen worden opgericht op recreatiekavels groter dan 200 m2; b. de maximale oppervlakte per recreatiekavel mag niet meer bedragen dan 20 m2; c. de maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter; d. de afstand tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 1 meter. 16.2.2 Gebouwen binnen 'gemengd' Voor het bouwen van gebouwen binnen de functieaanduiding 'gemengd' gelden de volgende regels: a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd; b. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan respectievelijk 4 en 7 meter; c.

het bebouwingspercentage bedraagt 100%; d. gebouwen dienen te zijn voorzien van een kap waarvan de helling van minimaal 15 graden en maximaal 50 graden mag bedragen. 16.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken mogen worden opgericht op recreatiekavels groter dan 100 m2; b. de bouwhoogte van bergkisten mag niet meer dan 1 meter bedragen; c. de oppervlakte van bergkisten mag niet meer dan 2 m2 bedragen; d. een aanlegvoorziening ten behoeve van een pleziervaartuig mag een lengte van maximaal 10 meter (evenwijdig aan de oever) en een maximale breedte van 1 meter bedragen; e. binnen de functieaanduiding 'gemengd' is een schoorsteen toegestaan, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 12 meter mag bedragen; f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 meter bedragen; g. andere bouwwerken, waaronder overkappingen en gebouwde terrein- en erfscheidingen zijn niet toegestaan. vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

16.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van: a. de waterhuishouding; b. de brandveiligheid en rampenbestrijding; c. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend bebouwingsbeeld en de landschappelijke inrichting en inpassing; d. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken. 16.4 Voorwaarden m.b.t. het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen 16.4.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 16.4.2 Laden en of lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

16.4.3 Afwijken parkeernormen Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kunnen Burgemeester en Wethouders in afwijking van het bepaalde in 16.4.1 omgevingsvergunning verlenen indien: a. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of; b. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 16.4.4 Afwijken van de regels voor laden en of lossen Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 16.4.2 omgevingsvergunning verlenen indien: a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien. 16.4.5 Nadere eisen parkeernormen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de aard, plaats en inrichting van de parkeer- en/of stallingsgelegenheid;

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- en/of stallingsgelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden.

16.5 Specifieke gebruiksregels 16.5.1 Gemengd Ter plaatse van de functieaanduiding 'gemengd' is het volgende gebruik toegestaan: a. horeca categorie 1 inclusief cateringactiviteiten mede ten dienste van de onder b. t/m g. genoemd gebruik waarbij de publiektoegankelijke ruimte niet meer dan 200 m2 mag bedragen; b. biljartvereniging; c. creatieve vorming in de vorm van een werkatelier; d. (buiten)sportvoorziening; e. escaperoom; f. opslagruimte voor pleziervaartuigen; g. andere recreatieve voorzieningen, niet zijnde horeca categorie 2 of hoger en recreatief nachtverblijf; h. de totale vloeroppervlakte van de onder a. t/m g. genoemde functies mag niet meer dan 2756 m2 bedragen; i. buitenruimten ten dienste van parkeren, erfinrichtingen, aanlegvoorzieningen en ontsluitingen van het onder a. t/m g. genoemd gebruik. 16.5.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. b. c. d.

het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning; het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor recreatief nachtverblijf; het plaatsen of het geplaatst hebben van onderkomens; het gebruik van onbebouwde gronden als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; f. het gebruik van gronden voor het beproeven van voer- of vaartuigen, voor het beoefenen van auto- of motorsport of de (model) vliegsport en voor het houden wedstrijden met motorvoertuigen of bromfietsen; g. het gebruik van gronden voor sport- of wedstrijdterrein, parkeerterrein, landingsplaats, dagcamping dan wel voor de ruitersport. 16.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 16.6.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het dempen, graven, vergroten of herprofileren van watergangen en waterpartijen; b. het aanleggen van dammen, dijken of andere taluds, of het vergraven dan wel ontgraven van bestaande dammen, dijken en taluds c.

het ontginnen, verlagen van de bodem, afgraven, ophogen of egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld; d. het permanent opslaan van goederen.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

e. het aanbrengen van drainagesystemen, tenzij het de vervanging van een bestaande drainage betreft; f. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen. 16.6.2 Toegestane werkzaamheden Het in lid 16.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen; b. noodzakelijk zijn in verband met het op de betreffende bestemming gerichte beheer of gebruik van de gronden; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning of krachtens een in het kader van de Natuurbeschermingswet vastgesteld beheersplan; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 16.6.3 Voorwaarden voor omgevingsvergunning De in lid 16.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door die werken of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de in 16.1 genoemde doeleinden dan wel waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

16.6.4 Advies over omgevingsvergunning Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheid als bedoeld in 16.6.1 van dit artikel wint het bevoegd gezag advies in van de natuur- en landschapsdeskundige omtrent de vraag als bedoeld in 16.6.3 van dit artikel. Indien de waterhuishouding en/of de waterafvoer in het geding is, dient het Hoogheemraadschap van Rijnland daaromtrent te worden gehoord. 16.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 16.7.1 Omgevingsvergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: a. binnen de bouwaanduiding 'karakteristiek' aanwezige gronden het aanwezige ketelhuis te slopen; b. binnen de functieaanduiding 'gemengd' de bestaande schoorsteen te slopen. 16.7.2 Sloopverbod De omgevingsvergunning kan niet worden verleend indien: a. niet is aangetoond dat de bouwkundige staat van de bouwwerken gevaar oplevert voor de directe leefomgeving; b. er geen omgevingsvergunning is verleend ten behoeve ter plaatse geprojecteerde nieuwbouw.

vastgesteld regels Oosteinderweg 2020

pagina

Artikel 17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=f79290ee-e62d-485a-9364-380e255dbff2