Nota van Zienswijzen Staat van Wijzigingen BP Uiterweg Plasoevers 2021 anoniem.pdf
Tekst van het document
Het is ons niet duidelijk welke activiteiten volgens u onder ‘recreatie gerelateerd’ vallen. Zonder dit nader te specificeren kan dit uiteenlopen van ongelimiteerde verblijfsrecreatie met overnachtingen in verschillende vormen tot uiteenlopende vormen van leisure welk niet specifiek zijn gebonden aan het waterrijke karakter van het gebied. De impact op de omgeving is hierdoor onbekend. De mogelijkheden die nu onder de jachthavenbestemming vallen (art. 15.1 a t/m e) vloeien voort uit het geldende bestemmingsplan en zijn dus minimaal ruimtelijk en milieutechnisch aanvaardbaar. Hierbij stellen wij niet dat andere recreatieve activiteiten in strijd zijn met de uitgangspunten van de structuurvisie. Verdere uitwerking en onderbouwd met een degelijk bedrijfsplan moet dit uitwijzen.
Nee
g.
Indiener verwijst naar hetgeen de gemeente betoogd in de beantwoording van de inspraakreactie 44 onder i ten aanzien van bedrijfswoningen. Indiener ziet graag maatwerk zonder de situaties over een kam te scheren. Verwezen wordt naar andere gemeenten die op dit vlak meer toestaan. Het bevreemdt indiener dat er wel permanent bewoonde woonarken achter het lint bestemd worden. Verder worden vergelijkbare opmerkingen geplaatst als bij zienswijze 11 onder e.
Wij verwijzen naar de beantwoording van zienswijze 11 onder e. Elke gemeente heeft eigen beleidsvrijheid ten aanzien van de ruimtelijke ordening van haar grondgebied. Gemeente Aalsmeer is hier wel gebonden aan de regels die voortvloeien uit het Luchthavenindelingsbesluit. Het is ons onduidelijk met welke doel u deze bezwaargrond aanvoert. Indien u zelf een (extra) bedrijfswoning wenst dient u hiervan de noodzaak te onderbouwen. Pas dan kan bekeken worden of en hoe hier maatwerk in uw situatie een oplossing kan bieden. De door u bedoelde woonarken voor permanente bewoning achter het lint betreft het doorbestemmen van een legale status in het
Nee
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 27
bestemmingsplan ‘Woonarken’. De aanvaardbaarheid is destijds gemotiveerd op basis van specifiek opgestelde beleidsuitgangspunten. h.
Indiener schets de parkeerproblemen op de Uiterweg. Het is indiener duidelijk dat dit niet gaat via een bestemmingsplan, toch wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om te pleiten voor een verkeersbesluit met voor een jaarrond parkeerverbod op de weg.
Wij verwijzen naar de beantwoording van zienswijze 11 onder g. Wij hebben uw pleidooi onder de aandacht gebracht van de desbetreffende afdeling.
Nee
i.
Indiener wijst op de bebouwingsregel in de bestemming ‘Recreatie – Jachthaven 1’, art. 15.2.6 onder a. De aanlegplaatsen op de jachthaven zijn niet kadastraal opgesplitst in 100 m2 of meer. Cliënten kunnen hier dan ook geen gebruik van maken.
De oppervlakte aan toegestane bebouwing is gerelateerd aan de beschikbare oppervlakte van een recreatiekavel. Artikel 2.8 geeft aan hoe deze oppervlakte gemeten dient te worden, namelijk per kadastraal perceel. Hiermee is de regel vooral gericht op de recreatiekavels van particuliere eigenaren en minder toepasbaar bij verhuur van kavels welke in beheer blijven bij één exploitant zoals in uw geval een jachthavenbedrijf. Deze regeling is overigens overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Wij zullen in artikel 15.2.6 een nieuw sub c toevoegen en de begripsbepaling ‘recreatiekavel’ hierop aanpassen.
Ja
j.
Indiener wijst op art. 15.4.3 onder c, d, e en f (strijdig gebruik). Gevraagd wordt een verruiming van het gewenste zoals verwoord in deze zienswijze onderdeel g. (bedrijfswoningen) en f. (niet watersport gerelateerde opslag).
De bepaling voor ‘strijdig gebruik’ volgt uit de bestemmingsomschrijving (het eerste lid van een bestemming) en geeft expliciet weer, voor zover hier onduidelijkheid over mocht bestaan, welk gebruik als strijdig met de bestemming moet worden gezien. Vaak is dit artikel van doorslaggevend belang bij de handhaving. Mocht op basis van een concreet plan dat past binnen de uitgangspunten van de structuurvisie van het bestemmingsplan worden afgeweken, dan is deze regeling ‘strijdig gebruik’ voor deze afwijking ook niet meer van toepassing. Uit de voorgaande beantwoording van de verschillende bezwaaronderdelen volgt dat art. 15.4.3 niet
Nee
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 28
aangepast hoeft te worden. k.
Indiener wijst op art. 23 ‘Water – Verblijfsrecreatie’. Bij vervanging van een recreatieark op dezelfde plaats is het onlogisch dat je niet de ark zoals vergund mag terugbouwen. In dat geval kan je beter je ark teniet laten gaan en gebruik maken van art. 23.2 onder e V (calamiteitenregeling). Daarnaast stelt indiener dat wanneer je in bezit bent van een vergunning op een locatie van een afwijkende maat en de ark moet nog gebouwd worden, de vergunde maat moet gelden en niet de beleidsmaat. Dit moet aangepast worden.
Het behoeft geen toelichting dat het moedwillig misbruik maken van de calamiteitenregeling niet de bedoeling is. De calamiteitenregeling is een wettelijk verplicht onderdeel in een bestemmingsplan.
Ja
Artikel 23.2 onder e III gaat er van uit dat de afmetingen van bestaande woonarken mogen worden aangehouden als deze woonarken voorkomen op de lijst afwijkende maatvoering (bijlage 3 planregels). Het gaat hier om de feitelijk aanwezige woonarken, niet om vergunningen waarbij de woonarken nog niet zijn gebouwd. Ter vergelijking verwijzen we naar de algemene regeling voor bestaande maten (art. 31.1. onder c). Dat artikel is weliswaar niet van toepassing op woonarken (art. 31.1 onder e) want hiervoor is een specifieke regeling (art. 23.2 onder e) vormgegeven die over is genomen uit het bestemmingsplan ‘Woonarken’. Wij zullen dit verduidelijken in de plantoelichting.
l.
Indiener stelt dat de lijst met afwijkingsbesluiten zoals beschreven in paragraaf 1.3.4 van de plantoelichting verre van compleet is. Zo mist bijvoorbeeld Uiterweg 139 en 405.
Het is niet de intentie hier een compleet overzicht te geven. Het gaat hier onder andere om de in het oog springende ontwikkelingen. Uiterweg 139 en 401 (welke u waarschijnlijk bedoelt) zijn bestemmingsplanherzieningen. Deze zullen genoemd worden in paragraaf 1.3.3.
Ja
m.
Indiener stelt dat de inventarisatie van de functies (bedrijven en horeca) zoals beschreven in paragraaf 2.2 van de plantoelichting niet compleet is. Bedrijven zijn al weg of zijn van naam veranderd. Als doorgaande watergang dient de Hansesloot te worden toegevoegd.
Wij zullen nog eens kritisch naar de opsomming kijken en daarnaast de Hansesloot als doorvaarbare sloot toevoegen.
Ja
n.
Indiener verzoekt aan paragraaf 2.2.10.1 van de plantoelichting een overzicht van verblijfsrecreatie toe te
De inventarisatie van vormen van verblijfsrecreatie, ook op
Nee
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 29
voegen.
jachthavens, is weergegeven in paragraaf 2.2.10.3.
o.
Indiener verwijst naar paragraaf 4.5.19 van de plantoelichting waar de bestemming ‘Water – 2’ nader wordt geduid. Het gebruik van water als ligplaats voor een vaartuig wordt overal toegestaan mits een vrije doorvaart van 4,5 meter kan worden gegarandeerd. Iedereen kan dus een boot aanleggen ook als degene geen eigenaar is van de grond/waterweg. Hoe wordt daarnaast de 48-uurs regeling gehanteerd?
Het bestemmingsplan regelt het toegestaan gebruik van gronden (publiekrecht), zonder onderscheid te maken in de verschillende eigendomsposities (privaatrecht). Niet iedereen mag zomaar ergens een vaartuig aanleggen, vaak is hier ook toestemming van de grondeigenaar voor nodig. Op deze privaatrechtelijke aangelegenheid handhaaft de gemeente niet. Op al het openbaar toegankelijk water zijn de regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening van toepassing. De 48-uurs regeling vindt hierin ook haar grondslag. Deze geldt enkel voor kajuitboten buiten de jachthavens/werven of voor pleziervaartuigen op aangewezen locaties voor tijdelijke aanlegplaatsen. In alle gevallen dient voldoende doorvaart van 4,5 meter aanwezig te blijven.
Nee
13.
Zienswijze 13 (ontvangen 27 november 2020)
Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 3 september 2008 over de vaststelling van het BP UiterwegPlasoevers 2005’ zijn verschillende plandelen (bestemmingen en aanduidingen) op de gronden van het Recreatiepark Aalsmeer van goedkeuring onthouden. Op deze gronden blijft tevens het BP ‘Uiterweg 1985’ van toepassing. Binnen de bestemming ‘Jachthaven’ mag, voor zover deze gronden een kleine arcering hebben, inderdaad 70% van deze gronden worden bebouwd. Dit neemt niet weg dat de gemeente in het bestemmingsplan in 2005 een beleidslijn heeft vertaald waarbij bedrijfsbebouwing zich manifesteert in de zone direct achter de Uiterweg (zone A) en daarachter geen bedrijfsbebouwing is toegestaan (zone B). De RvS stelt de keuze ook niet ter discussie, maar is van mening dat hierbij wel rekening moet
Ja
D20-424241 en D20-454411 a.
Indieners geven aan dat op grond van het geldende bestemmingsplan een bebouwingspercentage van 70% is toegestaan. In het ontwerpbestemmingsplan wordt dit beperkt tot slechts 60%. Verzocht wordt deze 70% te respecteren voor de gronden aan Uiterweg 214, 303 en 317.
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 30
worden gehouden met de bestaande bebouwing. Dit beleid is in 2015 bekrachtigd in de Structuurvisie Uiterweg en is, vooral aan de zuidzijde van de Uiterweg, nog steeds van kracht. Daarnaast geeft het BP ‘Uiterweg 1985’ ook een verplichting ruimte beschikbaar te houden op eigen terrein voor voldoende parkeerplaatsen. Dit in overweging nemende stellen wij ten aanzien van de aangehaalde adressen het volgende. Op Uiterweg 214 mogen volgens het BP ‘Uiterweg 1985’ gronden (niet zijnde water) op de percelen H1001, H1002, H1003 en H3659 (gedeeltelijk) voor 70% bebouwd worden. Hierbinnen staat nu bebouwing, circa 60% van de gronden. Wij zullen het bouwvlak en bebouwingspercentage aanpassen, met als uitgangspunt dat percelen H1001, H1002 en H1003 reeds voor 100% zijn bebouwd. Tevens wordt de huidige (en noodzakelijke) parkeervoorziening en ontsluiting van het perceel vrijgehouden van een bouwvlak. Op deze manier ontstaat enige flexibiliteit bij bijvoorbeeld sloop/nieuwbouw. Op (achter) Uiterweg 303 mogen volgens het BP ‘Uiterweg 1985’ gronden op perceel H2168 (eerste 85 meter vanaf de Uiterweg) voor 70% bebouwd worden (1120 m2). De bestaande bebouwing (circa 1200 m2) is daar echter in afwijking van gebouwd. De bestaande bebouwing is dus meer dan hetgeen in het geldende bestemmingsplan is toegestaan.
Het bouwvlak (circa 2000 m2) in het ontwerp strekt zich uit tot aan de achterzijde van de bestaande bebouwing. Met het bebouwingspercentage van 60% past de aanwezige bebouwing hierbinnen en is dit per saldo meer dan in het geldende bestemminsplan was toegestaan. Wij delen uw verzoek ten aanzien van dit perceel dan ook niet. Op (achter) Uiterweg 317 mogen volgens het BP ‘Uiterweg 1985’ gronden op perceel H4511, H4512, H1234 en H2170 Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 31
(niet zijnde water) voor 70% bebouwd worden. Het ontwerpbestemmingsplan beperkt de grootte van dit bouwvlak door de oude zone A aan te houden en dat te vergroten met de contour van de bestaande bebouwing die deels in zone B is gelegen. Hiermee wordt de uitspraak van de RvS gerespecteerd. De bouwmogelijkheden zijn wel minder dan wat op grond van het geldend bestemmingsplan is toegestaan. Wij zullen het bouwvlak vergroten door over de gehele breedte van perceel H4512 de achterzijde van de bestaande bebouwing aan te houden. Zo volgen wij het actuele beleid maar ontstaat enige flexibiliteit over de invulling van het bouwvlak. Een bouwpercentage van 60% blijft het maximale om zo ook de benodigde parkeerruimte beschikbaar te kunnen houden. b.
Indiener geeft aan dat op de percelen Uiterweg 214 vermoedelijk per abuis de percelen H998, H999 (deels) en H1000 niet zijn aangeduid als ‘recreatie’ en ‘kampeerterrein’. Verwijzend naar het BP ‘Uiterweg 1985’, de beantwoording van de eerder ingediende inspraakreactie (52 d en f) en het advies van de StAB (behorend bij de uitspraak RvS van 3 september 2008) wordt verzocht deze percelen van de juist aanduiding te voorzien. Tevens ontbreekt de aanduiding ‘kampeerterrein’ op perceel H3659. Hier wordt al jaren een vergund kampeerterrein geëxploiteerd.
Dit is inderdaad in omissie in de planverbeelding. We zullen de percelen H998, H999 (deels) en H1000 voorzien van een nadere aanduiding ‘recreatie’ en ‘kampeerterrein’. Ook het grootste deel van het perceel H3659 zal worden aangeduid als ‘kampeerterrein’. Op dit perceel zijn ook de camperplaatsen en parkeerplaatsen gelegen. Vooral voor dat laatste dient voldoende ruimte op eigen terrein beschikbaar te blijven. Het aanduiden van deze ruimte als ‘kampeerterrein’ maakt dat de ruimte voor parkeren niet meer zeker gesteld kan worden. Het gebruik als kampeerterrein is immers niet omgevingsvergunningplichtig, zodat er geen nadere voorwaarden kunnen worden gesteld om voldoende parkeerruimte in stand te houden of te realiseren. U heeft daarnaast op dit moment ook niet aangegeven hoe u het parkeervraagstuk op zal lossen als deze bestaande parkeerruimte in gebruik wordt genomen als kampeerterrein.
Ja
c.
Indieners wensen dat de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – camperterrein’ op het perceel Uiterweg 214, H3659
Wij verwijzen naar de beantwoording van uw inspraakreactie 52 onder f. De verleende omgevingsvergunning ‘OIAVHB
Ja
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 32
wordt vergroot omdat deze in het ontwerp niet overeenkomt met de feitelijke situatie.
Uiterweg 1985 – Camperterrein’, die voorzag om het camperterrein te realiseren binnen de bestemming ‘Water’ is overgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. U geeft aan dat dit terrein groter is dan het gebied waar deze omgevingsvergunning van toepassing is. Anders dat bij het gebruik als kampeerterrein (zie onder b) hoeft een gebruik als camperterrein geen gevolgen te hebben voor de beschikbare parkeerruimte. Een camperplaats kan immer eveneens dienst doen als parkeerplaats. Wij zullen de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – camperterrein’ aanpassen overeenkomstig de feitelijke situatie.
d.
Indiener wijst op haar rechten in het geldende bestemmingsplan met betrekking tot de plaatsing van trekkershutten op het perceel Uiterweg 214. Op dit moment staan er 2 trekkershutten op het perceel. Indieners wensen de toegestane 4 trekkershutten te kunnen (ver)plaatsen binnen een afstand van 175 meter vanaf de Uiterweg.
Wij verwijzen naar de beantwoording van uw inspraakreactie 52 onder g. De aanpassing die hier werd aangekondigd is in het ontwerp (digitale verbeelding) al verwerkt. Binnen een afstand van 175 van de as van de Uiterweg zijn 4 trekkershutten toegestaan, de percelen aan weerszijde van de centrale watergang hebben de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – trekkershutten’. Uitgezonderd zijn de gronden die in gebruik zijn als parkeerterrein/camperterrein. Er dient immers voldoende parkeerruimte op eigen terrein aanwezig te blijven.
Nee
e.
Indiener stelt dat zij op het perceel Uiterweg 214 ernstig wordt beperkt in haar bouwmogelijkheden. In het ontwerp kan er alleen binnen een bouwvlak worden gebouwd. Indiener wenst een vergroting van het bouwvlak tot op 30 meter van de Ringvaart. Verwezen wordt naar Uiterweg 282-286, eveneens met bestemming ‘Recreatie – Jachthaven 1’ waar wel mogelijkheden worden geboden met een bouwvlak tot aan de Ringvaart, het naast Uiterweg 214 gelegen perceel H4413 en H4296 met de bestemming ‘Recreatie – Jachthaven 1’ en de naastgelegen kavels met agrarische bestemming. Op grond
Van het gelijkheidsbeginsel kan hier geen sprake zijn. Op de percelen van indieners is immers een ander bestemmingsplan van kracht (Uiterweg 1985) dan op de aangewezen vergelijkbare gevallen (Uiterweg-Plasoevers 2005).
Nee
De grootte van de bouwvlakken is onder a. beoordeeld. Het vergroten van het bouwvlak richting de Ringvaart is niet in lijn met de Structuurvisie. Het perceel ligt binnen gebiedspaspoort 3. Hierbinnen dient de afwisseling van intensiever bebouwde gebieden (of die bouwrechten bezitten) met primair
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 33
van het gelijkheidsbeginsel komt de indiener ook in aanmerking voor een bouwvlak. Ten aanzien van de bebouwingsdichtheid in het gebied ten noorden van de Uiterweg wordt in de ontwerpplantoelichting (paragraaf 4.3.2 en 4.5.12) alleen gesproken over een onbebouwde zone van 30 meter langs de Ringvaart.
onbebouwde gebieden gehandhaafd te blijven. De gronden achter Uiterweg 214 richting de Ringvaart hebben een lage bebouwingsdichtheid. De beperkte bebouwing die op grond van het geldende bestemmingsplan is toegestaan ten behoeve van de recreatiekavels en trekkershutten zijn overgenomen in art. 15.2.5 en 15.2.6. De mogelijkheden zijn iets verruimd ten behoeve van voorzieningen (zie verder onder f.). Het vergroten van het bouwvlak is daarnaast in strijd met Provinciale regelgeving (art. 5c PRV, gevolgd door art. 6.4 Omgevingsverordening). Binnen Landelijk Gebied (buiten BSG) mag het bebouwd oppervlak niet worden vergroot ten behoeve van een stedelijke functie.
f.
Indieners wensen dat art. 13.3.7 onder c. van het BP ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ wordt overgenomen in de nieuwe bestemming ‘Recreatie – Jachthaven 1’ (art. 15) voor zover deze betrekking heeft op de gronden voor recreatiekavels. Hierdoor is het mogelijk om het perceel Uiterweg 214 te voorzien van sanitaire voorzieningen. Dit voorziet in een behoefte voor de recreanten die die voorzieningen doorgaans niet op hun boot hebben. Deze voorzieningen zitten ook niet in de vaste accommodaties.
Artikel 15.1 onder n. voorziet in de mogelijkheid bij de bedrijfsvoering horende sanitaire voorzieningen te hebben. Deze voorzieningen vallen onder bedrijfsbebouwing en zijn dus onder art. 15.2.1 binnen de bouwvlakken toegestaan. Buiten de bouwvlakken, in het onderhavige geval zijn deze gronden aangeduid als ‘recreatie’, zal binnen art 15.2.6 een lid worden toegevoegd voor het realiseren van sanitaire voorzieningen.
Ja
g.
Indiener geeft aan over een zogenaamde zwevende vergunning voor een woonark voor permanente bewoning te beschikken. Zij wensen deze in de toekomst te gebruiken. Gemeente geeft in de beantwoording van de inspraak aan dat woonarken voor permanente bewoning binnen een jachthaven in beginsel geen gewenste ontwikkeling is. Indiener duidt een locatie aan (figuur 7 van bijlage 2: in de centrale watergang circa 130 meter uit de as van de Uiterweg). Deze locatie heeft een zo min mogelijke ruimtelijke impact omdat dit slechts 40 meter van de al ingetekende plek is. Indien hier niet aan meegewerkt wordt, wordt verzocht om verplaatsing naar een
Wij verwijzen naar de beantwoording van inspraak 52 onder k.
Nee
Uit de uitspraak van de RvS (zie a.) volgt dat delen van het bestemmingsplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ van toepassing zijn op de gronden van het Recreatiepark op nr. 214. Het betreft hier onder andere de algemene- en bijzondere bepalingen. Artikel 35.2 onder d., zoals dat luidt na vaststelling van de ‘1e herziening Uiterweg-Plasoevers’ wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan: ‘het gebruik van gronden als ligplaats voor woonschepen welke permanent
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 34
h.
plek in water grenzend aan gronden binnen het BP ‘Uiterweg 1985’ met de bestemming ‘Jachthaven’. Hierbinnen zijn ligplaatsen voor woonarken immers toegestaan mits het vastgestelde aantal niet wordt overschreden. De indiener wordt anders zeer ernstig beperkt in haar vrijheid gebruik te maken van deze vergunning.
worden bewoond’.
Indiener geeft aan dat op grond van het geldende bestemmingsplan ‘Uiterweg 1985’ binnen ‘Jachthaven’ een bedrijfswoning is toegestaan. Verzocht wordt om een aanduiding ‘bedrijfswoning’ ter plaatse van de loods op Uiterweg 214 toe te voegen aangezien dit een bestaand recht is. Gelet op de aard, inrichting omvang en continuïteit van de jachthaven met camping is dit noodzakelijk met een doelmatige 24-uurs bedrijfsvoering. In de beantwoording van de inspraakreactie 52 onder l heeft de gemeente gemotiveerd waarom hieraan niet meegewerkt wordt. Indiener geeft aan dat er wel een noodzakelijkheid is voor twee bedrijfswoningen die zij nader hebben gemotiveerd en dat daarom kan worden afgeweken van het Lintenbeleid. Er is sprake van een bestaand gebouw, er wordt geen bebouwing toegevoegd en het gebruik heeft ook geen negatieve invloed op de ruimtelijke uitstraling. Indieners geven aan dat er meerdere bedrijfswoningen zijn in het gebied zoals in de plantoelichting is beschreven.
Het geldende bestemmingsplan ‘Uiterweg 1985’ maakt de bouw van een bedrijfswoning mogelijk. In 1988 is op grond van dat bestemmingsplan door de exploitant gebruik gemaakt van dit recht. De woning Uiterweg 212 is van oorsprong een woning behorend bij het achterliggende bedrijf en is tevens nog in bezit van de familie. Ook op het perceel Uiterweg 303 en 317 staan aan de Uiterweg nog woningen welke in eigendom zijn en bewoond worden door de indieners. Deze waren ook op grond van het geldende bestemmingsplan toegestaan. Dit werpt de vraag op hoeveel bedrijfswoningen nodig zijn voor de exploitatie van het bedrijf nu er al drie zijn gerealiseerd.
Ligplaatsen voor woonarken voor permanente bewoning binnen jachthavens zijn beleidsmatig ongewenst. Dit is in strijd met beleid in het bestemmingsplan ‘Woonarken’ en in strijd met Structuurvisie Uiterweg. Daarnaast past het innemen van een ligplaats voor een woonark voor permanente bewoning ook niet binnen het Luchthavenindelingsbesluit art. 2.2.1c onder c. nu enkel een ligplaatsvergunning niet als bestaand gebruik kan worden aangemerkt. De woonark was op 1 januari 2018 niet fysiek aanwezig is en werd niet bewoond. Dat u destijds bij de realisatie van het camperterrein heeft verzuimd de verplaatsing van de woonark aan te vragen werkt niet in uw voordeel. Nee
In de bijgevoegde onderbouwing van één extra bedrijfswoning geeft u aan een extra fulltime medewerker te willen huisvesten op het bedrijf. U beschrijft de (toekomstige) werkzaamheden op het bedrijf welke voorziet in uiteenlopende reguliere dienstverlening aan de gebruikers. Van een structurele 24-uurs
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 35
dienstverlening is blijkens de website en het regelement voor de gebruikers geen sprake. Onvoorziene werkzaamheden buiten de dagperiode vinden incidenteel plaats. Hiervoor is de beheerder telefonisch bereikbaar en binnen korte afstand aanwezig. Onduidelijk is hoe de werkverdeling is tussen u als eigenaar/beheerder en bewoners van de woningen op nr. 212, 303 en 317 en de fulltime medewerker. De extra bedrijfswoning(en) lijkt vooral ingegeven de twee illegaal gerealiseerde appartementen in de bedrijfsloods te kunnen gebruiken. Hier spreekt u ineens over twee extra bedrijfswoningen. Bij het toestaan van een bedrijfswoning is van belang of de bedrijfsvoering ter plaatse zoveel tijd en aandacht van de aanvrager opeist, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Wij zijn van mening dat niet aannemelijk is gemaakt dat de bedrijfsvoering zoveel tijd en aandacht van de fulltime medewerker vraagt dat deze daardoor op het terrein moet wonen. Dat dit wellicht praktisch zou zijn of een door u gewenst gebruik van de loods, is daarvoor niet voldoende. Op 19 oktober 2018 hebben wij een negatief standpunt ingenomen op uw principeverzoek de twee leegstaande appartementen te gebruiken als bedrijfswoning. Wij verwijzen naar deze beantwoording.
Daarnaast zijn bedrijfswoningen waarvan de noodzakelijkheid niet is aangetoond in strijd met Luchthavenindelingsbesluit. i.
Indieners wensen een bestemming ‘Wonen – Lintbebouwing’ met een bouwvlak voor de kopse kant van het perceel H3659 aan de Uiterweg 214. Er is hier geen strijd met het lintenbeleid, de afwijkende kavelbreedte maakt deel uit van
In het bestemmingsplan ‘Uiterweg Plasoevers 2005’ heeft dit deel van het perceel een bestemming ‘Woondoeleinden, niet gestapeld’. Woningen moeten hier binnen het bouwvlak worden gebouwd. Ter plaatse is geen bouwvlak aangegeven.
Nee
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 36
een reeds met dezelfde kavelbreedten. Dit geldt ook voor de voorgevelrooilijn. Dit wordt onderbouwd met een uiteenzetting van een architect en de mailcorrespondentie met de gemeentelijk stedenbouwkundige. Op grond van het geldende BP Uiterweg-Plasoevers 2005’ was aan dit perceeldeel al een woonbestemming toegekend.
De voorzijde van dit perceel wordt gebruikt als noodzakelijke ontsluiting en parkeerruimte ten behoeve van Recreatiepark Aalsmeer. Dit gebruik is ook toegestaan binnen de geldende bestemming. Het is ons niet duidelijk hoe dit gebruik passend gecombineerd kan worden met een woonkavel. Omdat het hier een burgerwoning betreft dienen de milieueffecten van de omgeving, waaronder Recreatiepark Aalsmeer, op de woning in acht te worden genomen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Het plan is niet verder uitgewerkt en hier is verder geen onderzoek naar gedaan. Daarnaast hebben wij twijfels of het Recreatiepark Aalsmeer hierdoor nog voldoende bereikbaar kan zijn en er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar blijven. De mogelijkheid voor het realiseren van een woning op deze locatie wordt dus niet alleen getoetst aan het geldende Lintenbeleid. Uw architect bevestigd dat dit in overleg met een gemeentelijk stedenbouwkundige hierbinnen zou passen. Onduidelijk is of en in welke context dit gesprek heeft plaatsgevonden. Vast staat dat aan dit verzoek om informatie geen rechten kunnen worden ontleend. Van uw architect mag, gezien zijn functie en ervaring, verwacht worden dat voor toestemming meer nodig is dan een uitwisseling van standpunten met een stedenbouwkundige. Wij delen deze zienswijze niet.
j.
Indieners wensen dat het strookje grond naast de woning op Uiterweg 317 gewijzigd wordt in de bestemming ‘Wonen – Lintbebouwing’.
Onduidelijk is met welk doel u deze grond een andere bestemming wil laten geven. Deze strook grond behoort functioneel toe aan de ontsluiting van het bedrijf Recreatiepark Aalsmeer en is ook noodzakelijk voor de bereikbaarheid van de achtergelegen parkeerplaatsen. In het geldende bestemmingsplan ‘Uiterweg 1985’ heeft deze grond ook de bestemming ‘Jachthaven’. Wij zullen deze bestemming niet
Nee
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 37
wijzigen. k.
Indieners wensen dat de gronden aan de Uiterweg 303 en 317, die sinds lange tijd gebruikt worden als recreatiekavel, worden aangeduid als ‘recreatie’. Uit de uitspraak van de Raad van State over het BP ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ en het bijbehorende StAB-advies blijkt dat de gemeente abusievelijk het huidige gebruik als recreatiekavels (2008) niet nader heeft aangeduid als ‘recreatie’.
Het gebruik als recreatiekavels past niet in het van goedkeuring onthouden deel van het BP ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ en het geldende BP ‘Uiterweg 1985’. Uit de uitspraak van 3 september 2008 blijkt inderdaad dat de gemeente het gebruik als recreatiekavels abusievelijk niet had bestemd. Wij zullen deze gronden alsnog overeenkomstig aanduiden met ‘recreatie’. Doorslaggevend is hier dat wij van mening zijn dat het bedrijfsconcept, welk binnen het plangebied als onderscheidend kan worden aangemerkt, voorziet in de verhuur van recreatiekavels (op dag/nachtbasis) met een hoogwaardig voorzieningenpakket.
Ja
l.
Indieners wensen dat de gronden aan de Uiterweg 303 met perceelnummer H1221 worden voorzien van de aanduiding ‘kampeerterrein’ en ‘recreatie’. Volgens het geldende BP “Uiterweg 1985” zou op deze gronden al een kampeerterrein zijn toegestaan. Indiener is niet van plan dit gebruik binnen 10 jaar te beëindigen. Opgemerkt wordt dat ook in de beantwoording van de inspraakreactie (52 onder o) wordt aangegeven dat dit wordt aangepast. Dit is echter niet gebeurd.
In de beantwoording van de inspraakreactie 52 onder o. is slechts een concept-overweging opgenomen. Abusievelijk is vergeten dit verder uit te werken en eventueel te verwerken in het ontwerpbestemmingsplan. Wij delen uw stelling dat het gebruik als kampeerterrein past binnen het BP “Uiterweg 1985”. De overwegingen zoals hierboven onder k. zijn overeenkomstig van toepassing. Wij zullen het perceel H1221 aanduiden als ‘kampeerterrein’.
Ja
m.
Indieners wensen dat het bouwvlak achter Uiterweg 317, perceelnr. H3428, wordt vergroot overeenkomstig aangegeven. Aangezien het 240 meter ten westen gelegen perceel H3417 met dezelfde bestemming ‘Recreatie – Jachthaven I’ volledige is voorzien van een bouwvlak, zou dit hier ook niet op ruimtelijke bezwaren moeten stuiten. Een gelijke situatie doet zich eveneens voor op percelen H3298 (gelegen 220 meter te westen), H3582, H4359, H3138 en H3302. Ook wordt opgemerkt dat de bebouwingsgrens in het
Voor zover een beroep wordt gedaan op het gelijkheidsbeginsel door te verwijzen naar andere percelen slaagt dit niet. Op de door u genoemde percelen zijn de bouwrechten op grond van het BP “Uiterweg-Plasoevers 2005” bestendigd. Dit nieuwe plan is immers conserverend van aard waarbij beleidsmatig nog steeds de wens bestaat aan de zuidzijde van de Uiterweg de bebouwingsdichtheid richting de Kleine Poel te laten afnemen. Dit beleidsuitgangspunt is ook op uw perceel (H3428, volgens huidige kadastrale ondergrond
Ja
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 38
geldende BP ‘Uiterweg 1985’ verder naar achteren ligt.
bekend als H4512) actueel én sinds de vaststelling van het BP ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ bekend. Dit blijkt ook uit de wijze waarop destijds de bouwmogelijkheden op uw perceel zijn bestemd (zone A/B). De RvS heeft weliswaar geoordeeld dat de aanwezige loods ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht, en om die reden de goedkeuring van dit plandeel vernietigd, zij heeft niet in twijfel getrokken dat het beleidsuitgangspunt onredelijk zou zijn. Dit in acht nemend, zijn wij van mening dat de aanvankelijke ligging van zone A/B op uw perceel niet juist is bestemd echter dat een zonering wel wenselijk is. Wij zullen het bouwvlak ter plaatse gedeeltelijk vergroten en de bouwgrens in lijn brengen met het uiterste punt van de aanwezige loods op dit perceel en in verlengde daarvan. Verder naar de Kleine Poel ligt immers geen grootschalige bedrijfsbebouwing en verharding meer. Hiermee reikt het de bouwvlak even ver richting de Kleine Poel als de percelen waar naar wordt verwezen (zie ook onder 13 a).
n.
Indieners wensen dat de gronden aan de Uiterweg 303, perceel H2168, richting de plas ook wordt voorzien van een bouwvlak. Verwijzen wordt naar de onderbouwing die bij zienswijze 13 onder m. is besproken.
Deze gronden hebben in het geldend BP ‘Uiterweg 1985’ geen mogelijkheden voor bedrijfsgebouwen. Om reden zoals in de beantwoording van 13 onder a en m. beschreven is grootschalige bedrijfsbebouwing hier niet gewenst. Dit bleek ook uit de wijze waarop destijds de bouwmogelijkheden op uw perceel zijn bestemd (zone A/B) in het BP “UiterwegPlasoevers 2005” en in de overwegingen van de RvS niet in twijfel is getrokken. Dit beleidsmatig uitgangspunt is nog steeds actueel.
Nee
o.
Indieners geven aan dat het hen binnen het geldende BP ‘Uiterweg 1985’ is toegestaan sanitaire voorzieningen op te richten. Op Uiterweg 303 en 317 staan twee sanitairgebouwtjes die zijn geplaatst ten behoeve van de klanten van het recreatiepark. Deze voorzieningen zijn in het
Op basis van het geldende BP ‘Uiterweg 1985’ zijn de bouwmogelijkheden binnen de bestemming ‘Jachthaven’ aangegeven met een kleine en een grote arcering. Binnen de kleine arcering zijn gebouwen toegestaan, binnen de grote arcering enkel bouwwerken geen gebouwen zijnde.
Ja
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 39
ontwerp toegestaan binnen de bestemming ‘Recreatie – Jachthaven 1’ (art. 15.1 onder n). Deze bebouwing dient echter gebouwd te worden binnen een bouwvlak, dit ontbreekt in het ontwerp. Verzocht wordt dat deze bebouwing binnen een bouwvlak komt te liggen.
Sanitairgebouwen maken onderdeel uit van de bedrijfsbebouwing van de jachthaven. Hieruit volgt dat een sanitairgebouw binnen de kleine arcering (achter 317) wel is toegestaan en binnen de grote arcering (achter 303) niet is toegestaan. Zoals onder n. geconcludeerd hebben de gronden die hier verder naar achteren liggen geen mogelijkheden voor bedrijfsbebouwing. Wij zien zeker een behoefte en noodzaak om binnen bedrijfsconcept dergelijke voorzieningen aan te kunnen bieden. Wij zullen de aanwezige bebouwing dan ook positief bestemmen. Het sanitairgebouw achter nr. 317 zal komen te liggen binnen het aangepaste bouwvlak (zie onder m.) en past daarmee binnen de bouwregels voor het realiseren van bedrijfsbebouwing (art. 15.2.1) en de bestemmingsomschriiving (art. 15.1 onder n.). Het sanitairgebouw achter nr. 303 zal buiten het bouwvlak blijven liggen en wordt toegestaan door een nadere bouwregel die van toepassing is op de aanduiding ‘recreatie’ binnen de bestemming ‘Recreatie – Jachthaven 1’ (zie ook onder f.).
p.
Indieners wensen op het perceel H312 (eiland) met de aanduiding ‘recreatie’ de mogelijkheid om één tent per recreatiekavel toe te staan. Dit perceel is alleen per boot bereikbaar.
Het eiland H312 heeft in het geldende BP ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ de bestemming ‘agrarische doeleinden, tevens landschappelijk waardevol terrein’. Hierbinnen zijn recreatiekavels toegestaan, maar valt kamperen onder het strijdig gebruik. Ook op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is recreatief nachtverblijf in kampeermiddelen (tenten) buiten een als zodanig bestemd kampeerterrein verboden. Het eiland is in het ontwerp doorbestemd als ‘Agrarisch met waarden’ met een aanduiding ‘recreatie’. Het eiland maakt ruimtelijk geen onderdeel uit van de percelen van Recreatiepark Aalsmeer (achter Uiterweg 214, 3030 en 317) maar is meer als een toevalligheid (qua eigendom) aan de
Nee
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 40
bedrijfsvoering verbonden. In de Structuurvisie is op het eiland dus ook een ander gebiedspaspoort van toepassing (Eilandenrijk) waar de voltooiing van de Groene As en verwezenlijking van het natuurlandschap de primaire doelstelling is. Ondanks dat de Structuurvisie zich niet direct verzet tegen extensieve recreatieve voorzieningen hebben we onvoldoende inzicht in de wijze waarop u dit wenst vorm te geven of in gebruik te nemen. Wij zien graag een verdere uitwerking van uw bedrijfsconcept voordat deze functie in het bestemmingsplan bekrachtigd wordt. 14.
Zienswijze 14 (ontvangen 27 november 2020) D20-424218
a.
Indieners zijn eigenaar van het huisje op Kudelstaartseweg 14 naast de watertoren. Zij vrezen ernstige overlast als het bestemmingsplan op deze manier wordt vastgesteld omdat dit voorziet in een nadelige wijziging van gebruik van de percelen rond de watertoren met de bestemmingen ‘Cultuur en ontspanning’, ‘Water -1’ en ‘Groen’. De watertoren is een rijksmonument dat slecht een beperkte openstelling heeft en niet commercieel geëxploiteerd dient te worden. In het programma van eisen van het project Waterfront is aangegeven dat de openingstijden niet aangepast zullen worden. Per jaar zijn er dan ook iets minder dan 3000 bezoekers. De watertoren heeft in het geldende bestemmingsplan, gezien de kleurcodering, de bestemming ‘Agrarische doeleinden, tevens landschappelijk waardevol terrein’. Het ontwerpbestemmingsplan geeft de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’ waaronder culturele voorzieningen (art. 1.31), horeca 1 en 2 (art. 1.54 en 1.55) en parkeerplaatsen zijn toegestaan. De watertoren mag als
De watertoren heeft in het geldende bestemmingsplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ de bestemming ‘Recreatieve en culturele voorzieningen’. Indien dit niet duidelijk uit de kleurstelling van de kaart volgt, geeft de plantoelichting hier duidelijkheid over. Binnen deze bestemming zijn reeds horeca, parkeervoorzieningen en culturele voorzieningen toegestaan. Horeca is hier ook niet nader gecategoriseerd. Dit in tegenstelling tot in het nu voorgestelde ontwerp waar binnen de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’ enkel de lichtere vormen van horeca zijn toestaan. Wat dat betreft voorziet het ontwerp in minder potentieel hinder gevende mogelijkheden dan het voorheen geldende plan.
Ja
Het niet-commercieel exploiteren en toegankelijk moeten blijven voor publiek, zoals dat bij de entree van de watertoren wordt aangekondigd, is overigens geen besluit waar derden rechten aan kunnen ontlenen. De watertoren is gemeenteeigendom waarbij het college van B&W bevoegd is tot
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 41
rijksmonument zowel van binnen als buiten niet worden gewijzigd en het slechtvalkpaartje dat hier huist mag niet verstoord worden.
privaatrechtelijke handelingen. Het ‘citaat’ van de gemeenteraad moet dan ook gelezen worden in overdrachtelijke zin. Overigens maakt dit standpunt niet dat de beoogde bestemming niet uitgevoerd kan worden. Daarnaast is het niet de intentie de watertoren commercieel te exploiteren of niet meer toegankelijk te maken voor publiek. Het bestemmingsplan is overigens niet de plaats om de wijze van exploiteren of de al dan niet openbare toegankelijkheid te regelen. De rijksmonumentenstatus van de watertoren blijft kaderstellend voor de mogelijkheden voor wat betreft fysieke ingrepen aan het gebouw. Het bovenstaande schets de bestaande planologische situatie van de watertoren en omliggende gronden. Ten aanzien van het gebied van het Waterfront inclusief het perceel van de watertoren zal een wijziging ten opzichte van het ontwerp plaatsvinden. De verleende omgevingsvergunning voor het herinrichten van het recreatiegebied Waterfront (29 oktober 2020) is niet onherroepelijk en de werking ervan is deels door de bestuursrechter geschorst. Mede vanwege het bevorderen van transparantie voor belanghebbenden bij deze omgevingsvergunning waarbij recht wordt gedaan aan een optimale rechtszekerheid zullen wij het gebied van het Waterfront buiten het plangebied van dit bestemmingsplan laten. De planverbeelding, planregels en toelichting zijn overeenkomstig aangepast.
Doordat het gebied van het Waterfront buiten dit plangebied ligt, blijven de rechtsgevolgen van deze omgevingsvergunning en toegekende gedeeltelijk schorsing van kracht.
b.
Indiener geeft aan dat de bestemming ‘Water -1’ recreatiewater, verkeer te water, aanlegplaatsen en steigers mogelijk maakt en binnen de bestemming ‘Groen’ onder meer
In navolging van de beantwoording onder a. waarbij voor de gronden van het Waterfront een wijziging ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan is voorgesteld, is deze bezwaargrond
Ja
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 42
groen- en speelvoorzieningen en parkeerplaatsen zijn toegestaan. Al deze commerciële functies hebben een grote publieks- en verkeersaantrekkende werking en zullen gepaard gaan met geluidsoverlast.
niet meer van toepassing op de vaststelling van dit bestemmingsplan. Het gebied van het Waterfront valt buiten het plangebied van dit bestemmingsplan.
c.
Indieners hebben eerder een zienswijze geuit tegen de ontwerp-omgevingsvergunning van de herinrichting van het Waterfront. Zij gaan er van uit dat het ontwerpbestemmingsplan dezelfde ontwikkelingen mogelijk maakt als de inmiddels verleende vergunning. Verwezen wordt naar de zienswijze welk als ingelast beschouwd dient te worden.
De omgevingsvergunning voor het afwijken van het gebruik ten behoeve van de herinrichting van het Waterfront is niet in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. Wij hebben kennisgenomen van uw zienswijze die u hiertegen heeft ingediend. In navolging van de beantwoording onder a. waarbij voor de gronden van het Waterfront een wijziging ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan is voorgesteld, zijn deze bezwaargronden niet meer van toepassing op de vaststelling van dit bestemmingsplan. Ter overvloede verwijzen wij dan ook naar de nota van beantwoording behorende bij de omgevingsvergunning Z19-059133. Het gebied van het Waterfront valt buiten het plangebied van dit bestemmingsplan.
Ja
15.
Zienswijze 15 (ontvangen 25 november 2020)
Het stuk dat ter inzage heeft gelegen betreft niet de ontwerp structuurvisie Uiterweg, maar het ontwerpbestemmingsplan ‘Uiterweg-Plasoevers 2021’. Een structuurvisie geeft de visie op het gebied en ontwikkelmogelijkheden weer en geeft inzicht in de manier waarop dit bereikt kan worden. Een bestemmingsplan dat hierop volgt geeft de juridische rechten en plichten weer met betrekking tot gebruik en bebouwing. Dit bestemmingsplan is in beginsel een conserverend plan wat betekent dat de bestaande rechten en plichten worden bestemd, maar verder niet tot nauwelijks de mogelijkheden
Ja
D20-423125 a.
Indieners zijn blij met de ontwerp structuurvisie voor het gebied Uiterweg dat voor iedereen duidelijkheid schept voor de toekomst. Indieners exploiteren een jachthaven (Uiterweg 96) en willen investeren om de toekomst van de jachthaven te waarborgen. Indiener beschrijft globaal haar toekomstige bedrijfsactiviteiten. Gedacht wordt aan verhuur van ligplaatsen, stalling, refitt, verkoop en klein onderhoud. De jachthaven heeft relatief veel land en wenst dit te gebruiken voor het aanbieden van verblijfsrecreatie en wenst bebouwing toe te staan in de zone tussen de bedrijfsbebouwing en de
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 43
groene zone langs de Ringvaart.
van de visie juridisch vertaald. Reden hiervan is dat het vaak ontbreekt aan een concreet plan op perceelsniveau en daardoor onduidelijk is wat de gevolgen daarvan zijn met betrekking tot de haalbaarheid en uitvoerbaarheid. Wij zijn in ieder geval blij te horen dat de visie voor u naar tevredenheid is. Na uitspraak van de Raad van State op uw herzieningsverzoek in de beroepszaak tegen het bestemmingsplan “UiterwegPlasoevers 2005” (200906738/1/R1, 24 maart 2010) is het plandeel ter plaatse van Uiterweg 96 met de bestemming ‘Jachthaven I’ vernietigd. Op uw gronden geldt nu dus nog het bestemmingsplan “Uiterweg 1985”. De gronden hebben hierin de bestemming ‘Jachthaven’ en ‘Recreatieve doeleinden II’ (de achterste percelen H790, H787 en H2122). Deze bestemmingen zijn het uitgangspunt geweest voor de bestemmingslegging in dit ontwerpbestemmingsplan. De gronden van uw jachthaven zijn in het ontwerp bestemd als ‘Recreatie – Jachthaven 1’. Deze bestemming betreft de percelen H3378, H795, H793, H792, H790, H787 en H2122. Deze bestemmingsvlakken voorziet ook in een bouwvlak die voor 60% bebouwd mogen worden. De door u omschreven bedrijfsactiviteiten passen in bepaalde omvang binnen de bestemmingsomschrijving van de bestemming ‘Recreatie – Jachthaven 1’. Binnen deze bestemming is het gebruik als recreatiekavel passend als dit nader is aangeduid met de aanduiding ‘recreatie’.
Uw gronden zijn in het ontwerp niet als zodanig aangeduid. Nu op grond van het geldende BP “Uiterweg 1985” recreatiekavels op de percelen H790, H2122 en H787 zijn toegestaan met beperkte mogelijkheden voor bebouwing
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 44
zullen wij dit recht respecteren. Wij zullen het ontwerp aanpassen en de percelen voorzien van een nadere aanduiding ‘recreatie’ met de bijbehorende bouwmogelijkheden voor bouwwerken ten behoeve van deze recreatiekavels (art. 15.2.6). Een bouwvlak, welk abusievelijk op deze kavels ligt, is hierbij geen vereiste. Ruimere bouwmogelijkheden richting de Ringvaart is niet in lijn met de Structuurvisie. Het perceel ligt binnen gebiedspaspoort 6. Hierbinnen dient de afwisseling van intensiever bebouwde gebieden (of die bouwrechten bezitten) met primair onbebouwde gebieden gehandhaafd te blijven. De gronden richting de Ringvaart (H790, H2122 en H787) hebben een lage bebouwingsdichtheid. b.
Indieners betalen belasting en krijgen post voor 4 vergunde woonarken. Er zijn slechts 3 woonarken ingetekend zoals aangegeven op de bijgevoegde kaart. Dit is tegenstrijdig. Daarnaast wensen de indieners woonarken te verplaatsen naar de zone tussen de bedrijfsbebouwing en de Ringvaart.
De door u bijgevoegde kaart herkennen wij niet als de geldende versie van het bestemmingsplan ‘Woonarken’. Het is ons niet duidelijk welke status uw bijlage heeft, waarschijnlijk betreft de versie van het ter inzage gelegde voorontwerpbestemmingsplan ‘Woonarken’. Op uw perceel liggen 3 vergunde woonarken ten behoeve van nietpermanente bewoning en geen 4, namelijk nrs. 96 ws 1 t/m 3). Deze arken zijn toegestaan binnen de bestemming ‘Water – 2’ met aanduiding ‘specifieke vorm van water – jachthaven recreatieve woonarken toegestaan’. Op de ontwerpplanverbeelding worden de ligplaatslocaties van de recreatiearken dus niet specifiek aangegeven, maar worden zones aangeduid waarbinnen deze verplaatst kunnen worden. Wel worden de exacte locaties van o.a. woonarken ten behoeve van niet-permanente bewoning gelegen binnen jachthavens aangegeven op de Ligplaatsenkaarten behorend bij de Ligplaatsenverordening Aalsmeer 2018. Hierbij wordt opgemerkt dat de 3 woonarken ten behoeve van niet-
Nee
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 45
permanente bewoning gelegen in uw jachthaven geen ligplaats innemen op de locaties waarvoor aan u in 2012 vergunning is verleend. Dit betekent dat deze woonarken zich nu illegaal binnen uw jachthaven bevinden. U dient deze 3 woonarken dus ofwel af te meren op de locaties zoals in 2012 vergund óf een aanvraag omgevingsvergunning in te dienen voor het innemen van een andere (of huidige) ligplaats op grond van de Ligplaatsenverordening Aalsmeer 2018. Dat u belasting betaald en post ontvangt voor 4 woonarken, moet berusten op een misverstand. Tussen het jaar 2013 en 2017 was er weliswaar een ligplaatslocatie bekend als Uiterweg 96 ws4, maar deze ligplaatslocatie is komen te vervallen met de in 2017 verleende vergunning voor het verplaatsen van de ligplaatslocatie naar een andere jachthaven binnen de gemeente Aalsmeer. c.
Indiener geeft aan dat in het gebied tussen de bedrijfsbebouwing op Uiterweg 96 en de Ringvaart een passantensteiger is gebouwd (aangevraagd als jachthaven). Deze staat in het ontwerpbestemmingsplan nog aangegeven als ‘Agrarisch’ met aanduiding ‘recreatie’.
Op 17 januari 2012 heeft ons college aan uw jachthavenbedrijf een omgevingsvergunning (WABO-20110536) verleend voor het realiseren van een passantensteiger op perceel H789. De steiger is ten behoeve van het jachthavengebruik. Wij zullen deze vergunning in het bestemmingsplan verwerken.
Ja
d.
Indiener geeft aan dat in het belang van het exploiteren van de jachthaven in de toekomst een bedrijfswoning, ark of woonverblijf nodig is. Zij vragen hier toestemming voor.
Het toestaan van een bedrijfswoning is pas aan de orde als minimaal de noodzakelijkheid is aangetoond. Dit is ook een voorwaarde om een bedrijfswoning toe te staan binnen het beperkingengebied Luchthavenindelingsbesluit zone 4. De verwachting is dat dit in algemeenheid voor een jachthavenbedrijf niet aan de orde zal zijn. Beleidsmatig voorzien wij de woonfuncties in het lint van de Uiterweg. Dit volgt uit de structuurvisie Uiterweg en het Lintenbeleid. Hier lagen van oorsprong ook de woningen behorende bij de jachthavens. In uw geval is dit de woning Uiterweg 94 aan de voorzijde van het bedrijfsperceel. Een woonark voor
Nee
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 46
permanente bewoning als ‘bedrijfswoning’ is volgens de beleidsuitgangspunten ook niet wenselijk in een jachthaven. 16.
Zienswijze 16 (ontvangen 26 november 2020) D20-423135, D20-434458 en D20-454408
a.
Indieners zijn van mening dat de aanduiding ‘Cultuurhistorie gemeente’ moet worden verwijderd. De hieraan gekoppelde planregels (art. 28) beperken de sloop- en bouwmogelijkheden ter plaatse van Uiterweg 13 en 15. Er zijn nu geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan en er zijn dwingende weigeringsgronden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken. Aangegeven wordt dat de aanduiding onvoldoende is gemotiveerd. Nergens blijkt uit dat de uiterlijkheden binnen dit dorpsgezicht exemplarisch zouden zijn voor de lintbebouwing in Aalsmeer. Er is niet aangegeven welke karakteristieke elementen zo bijzonder zijn voor de gemeente Aalsmeer dat deze bescherming behoeven. Dat een omgevingsvergunning beoordeeld moet worden op basis van de Welstandsnota betekend niet dat een aanduiding als beschermde dorpsgezicht gerechtvaardigd is. Immers een omgevingsvergunning wordt altijd getoetst aan de Welstandsnota. Daarnaast is er geen apart onderzoek gedaan naar de waarden van de percelen, los van het aanwijzingsbesluit en waardestelling van 7 jaar geleden. Dat sprake is van een rijksmonument (enkel hoofdgebouw Uiterweg 15) rechtvaardigt niet de aanduiding voor de overige gronden.
Het besluit tot aanwijzing van het beschermd dorpsgezicht (De Ontginningsbasis) dateert van 11 juni 2013. De motivering van dit besluit staat in deze procedure niet meer ter discussie. Dit besluit moet eventueel gevolgd worden door een herziening van het bestemmingsplan indien het geldende bestemmingsplan niet in voldoende bescherming voorziet.
Ja
In het ontwerpbestemmingsplan is de primaire bestemming ‘Wonen – Lintbebouwing’ voorzien waarin uitgebreide bouwregels zijn opgenomen voor hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken voor alle woningen langs de Uiterweg. Aanvullend, ter plaatse van het beschermd dorpsgezicht, ligt een dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie Gemeente’ met specifieke aanvullende regels, die hier extra van kracht worden. De bouwregels in de bestemming ‘Wonen – Lintbebouwing’ zijn voldoende om bescherming te bieden tegen ongewenste ingrepen op het dorpsgezicht voor wat betreft de bouwwerken. Uitzondering hierop zijn de bouwregels met betrekking tot erf- en perceelsscheidingen. Zie hiervoor verder de beantwoording onder c. Mede omdat de vergunningsvrije bouwregels vanuit het Bor van toepassing blijven treffen de aanvullende bouwregels (art. 28.2) geen doel. De redengevende beschrijving van het dorpsgezicht wordt ook betrokken bij de welstandstoetsing. Wij zullen de aanvullende bouwregels dan
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 47
ook schrappen. Het sloopverbod in artikel 28 is wel gewenst. Er dient immers te worden voorkomen dat de gebouwen (woningen), die een wezenlijk onderdeel uitmaken van de te beschermen stedenbouwkundige structuur worden gesloopt indien hiervoor niets meer wordt teruggebouwd. Onder voorwaarden kan een omgevingsvergunning voor slopen verkregen worden. Bij sloop van een rijksmonument (Uiterweg 15) zijn de regels uit de Monumentenwet van toepassing. Deze prevaleren boven de voorwaarde onder 28.4.2 onder a. De woning Uiterweg 13 is geen monument. Het is niet persé in het belang van het beschermen van het dorpsgezicht dat deze woning alleen mag worden gesloopt als de bouwkundige staat zeer slecht is. Deze voorwaarden zullen we dan ook schrappen. b.
Ter onderbouwing van de bezwaargrond onder a. wordt tevens verwezen naar de rechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2017:1094). Op grond daarvan is het onvoldoende om op basis van slechts uitwendige visuele waarneming percelen of bebouwing aan te wijzen als beschermd dorpsgezicht. Het ligt eerder voor de hand specifieke objecten als zodanig aan te wijzen hetgeen gemotiveerd moet worden aan de hand van gedegen bouwhistorisch onderzoek. Verwijzen naar een algemene waardestelling is onvoldoende.
De aangevoerde rechtspraak had betrekking op de waarde van een specifiek pand (object) dat in een bestemmingsplan als te beschermen ‘BK’ (bouwkwaliteit) is aangeduid. Geconcludeerd werd dat in dat geval ook het interieur en de bouwkundige staat beoordeeld had moeten worden. Dit beschermd dorpsgezicht waardeert niet zo zeer de objecten en haar bouwkundige kwaliteit, maar juist de uiterlijke verschijningsvorm, positie in het lint en op de kavel in relatie tot de doorzichten naar achteren. Doel is dat de hoofdstructuur van het gebied in stand blijft en dat de ontwikkeling in hoofdlijn blijft aansluiten op de historische ontwikkeling. Het doel is niet de objecten te bevriezen en op slot te zetten. Met inachtneming van het geconcludeerde onder a. is voor hetgeen artikel 28 regelt de waardestelling voldoende als onderbouwing.
Nee
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 48
Indien vast wordt gehouden aan de aanwijzing wensen de indieners dat de bouwbeperking zoals bedoelt in art. 28.2.3 onder a. van het ontwerpBP wordt aangepast aan hetgeen is toegezegd in het aanwijzingsbesluit zodat vergunningsvrij bouwen nog wel is toegestaan. De uitsluiting van de hoogtebeperking van erfafscheidingen aan de straatkant, zoals genoemd in het aanwijzingsbesluit, komen niet overeen met de regels. Artikel 28.2.3 onder b. beperkt deze hoogte immers tot 1 meter.
Onder a. is geconcludeerd dat de aanvullende bouwregels komen te vervallen. Vergunningsvrije bouwmogelijkheden blijven binnen het beschermde dorpsgezicht ook van kracht.
d.
Indieners geven aan dat de kadastrale percelen van Uiterweg 13 (H1791, H545, H3466, H1747, H1790, H3467 en H2922) zullen worden heringedeeld en in eigendom worden herverdeeld (verwezen wordt naar bijlage 3). Hierdoor komt Uiterweg 13B en 13C op een ander perceel te liggen met een andere eigenaar met het doel de woonbestemmingen verder te realiseren. Deze woningen en de woning nr. 13A zullen worden voorzien van duurzame voorzieningen waaronder een warmtepomp. Dit extra ruimtebeslag dient te worden gecreëerd in- en/of aan- of onder de woningen.
De tekening van bijlage 3 geeft onvoldoende inzicht in de plannen zoals u die schetst. Onduidelijk is ook de omvang van de voorzieningen hebben die u wenst te realiseren. Uitgangspunt bij herverkaveling van het perceel is planologische status van de panden Uiterweg 13A, 13B en 13C en de bouwmogelijkheden die daar gelden. Of meer ruimtebeslag nodig is en of dit passend is kan nu niet worden beoordeeld. Wij zien graag een uitwerking van uw plan tegemoet. Ten aanzien van de verschillende adressen wordt verwezen naar de verdere beantwoording.
Nee
e.
Indieners willen Uiterweg 13B bestemd zien als permanente woning en niet als recreatiewoning zoals dat in het ontwerp het geval is. Dit komt niet overeen met de feitelijke situatie. Zij wensen het gebouw in de toekomst te gebruiken als ‘woning’. Hiervan wordt ook bij de herindeling uit gegaan. In
Niet ter discussie staat dat het geldende bestemmingsplan het pand Uiterweg 13B heeft bestemd als recreatiewoning en er geen vergunning is verleend om dit in afwijking van het bestemmingsplan te gebruiken ten behoeve van permanente bewoning. Het gemeentelijk lintenbeleid staat voor dat wonen
Nee
c.
Ja
Uit het aanwijzingsbesluit volgt dat de hoogte van erfscheidingen aan de achterzijde niet beperkt wordt. Deze beperking zal enkel aan de straatvoorzijde (voorerfgebied) worden opgelegd. Dit is ook vanuit de vergunningsvrije bouwregels al aan de orde. Binnen de primaire bestemming ‘Wonen – Lintbebouwing’ worden in artikel 25.2.7 sub b en c echter meer mogelijkheden voor erf- en perceelsscheidingen geboden. Deze beperking zat in het ontwerpbestemmingsplan al in artikel 28.2.3 en zullen, weliswaar anders verwoordt, van toepassing blijven binnen het beschermde dorpsgezicht.
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 49
de nota van inspraak (38 onder b) blijkt niet welke ruimtelijke belangenafweging ten grondslag ligt om het gebruik als recreatiewoning te handhaven. Het ligt op de weg van de gemeente dit te onderzoeken en daarin een planologische afweging te maken.
achter het lint een ongewenste ontwikkeling is, dit verzwakt de voor Aalsmeer zo karakteristieke lintenstructuur als woonlint. Bestaande legale situaties worden gerespecteerd en als zodanig bestemd. Recreatiewoningen hebben binnen het plangebied een toevoeging voor wat betreft het toeristisch recreatieve profiel dat in het Uiterweggebied wordt nagestreefd. Daar komt bij dat het toevoegen van woningen, want dat is in casu aan de orde, in strijd is met het provinciale beleid en de regels die daaruit voortvloeien (Omgevingsverordening, art. 6.9 MRA-Landelijk Gebied). Daarnaast is het toevoegen van een woning een bouwplan waarop verplicht kostenverhaal van toepassing is. Bij het ontbreken van overeenstemming daarover zijn wij om eerder genoemde redenen niet voornemens bij dit bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen. De jurisprudentie waaruit zou blijken dat de motiveringsplicht altijd bij de gemeente ligt is hier niet van toepassing. Aan de aard van het beoogde gebruik (wonen) is immers een groter impact toe te rekenen dan aan het gebruik als tuin (zoals in deze uitspraak).
f.
Indieners zijn van mening dat van het bestemmen van Uiterweg 13B als permanente woning geen ongewenste precedentwerking uitgaat. Het gebouw staat immers op een woonperceel en bij het verwijderen van de aanduiding ‘recreatiewoning’ wordt de recreatiefunctie in het gebied niet bedreigd. Ook omdat de percelen worden heringedeeld en in eigendom worden herverdeeld kan er geen sprake zijn van een precedent.
Wij zien zeker een risico op ongewenste precedentwerking. Er zijn meerdere recreatiewoningen die zijn gelegen binnen een woonbestemming. Daarnaast staat het opsplitsen en herverdelen van percelen iedereen vrij en hoeft die omstandigheid hier niet uniek te zijn.
g.
Indieners wensen een bouwvlak voor het gebouw Uiterweg 13C. In de Nota van Inspraak (38 onder c) heeft de gemeente
Wij onderschrijven het standpunt dat het pand Uiterweg 13C in 1987 is vergund als jachthavenmeesterwoning en de gronden
Nee
Nota van Beantwoording, Uiterweg-Plasoevers 2021, oktober 2021 Z19-006733 D21-316894
Pagina 50
h.
gemotiveerd dat er geen sprake van een hoofdgebouw maar van een bijbehorend bouwwerk. Dit standpunt delen de indieners niet en wel om de volgende redenen (zie verder h tot en met l). Het gebouw is in 1987 vergund als jachthavenmeesterwoning. Vervolgens is de bestemming in het geldend bestemmingsplan gewijzigd naar ‘woondoeleinden, niet gestapeld.
ter plaatse van dit adres in het geldende bestemmingsplan zijn gewijzigd naar ‘Woondoeleinden, niet gestapeld’. Overigens wordt een bedrijfswoning op een (jachthaven)bedrijfsperceel feitelijk gezien als het bijbehorend bouwwerk bij het bedrijfspand. Dit is doorgaans het hoofdgebouw dat voor de verwezenlijking van de bestemming noodzakelijk is. Op het moment van oprichten was Uiterweg 13A het hoofdgebouw op het perceel.
In navolging van g. geven indieners tevens aan dat er geen sprake van is dat Uiterweg 13C een bijgebouw is. In dat geval zou het gebouw ten onrechte onder het overgangsrecht zijn gebracht omdat het niet past binnen artikel 24.2.4 (bijbehorende bouwwerken). Daarnaast heeft het gebouw een specifieke woonfunctie en onderscheidt het zich visueel en functioneel niet van het vermeende daarbij horende woonhuis. Het gebouw is naar zijn aard gebouwd, ingericht en bestemd om in te wonen en is vergund om te wonen. Het gebouw is niet gebouwd om te behoren tot een ander hoofdgebouw, staat door verschillende erfscheidingen op een eigen perceel en heeft een eigen adres. Om die reden dient het gebouw te worden gekwalificeerd als hoofdgebouw.
De omstandigheid dat het jachthavenbedrijf is beëindigd, er dus geen functionele binding meer is met een bedrijf en de bestemming in het geldende plan ‘Uiterweg-Plasoevers 2005’ is gewijzigd naar ‘Woondoeleinden, niet gestapeld’ maakt dat anders moet worden gekeken naar de status van Uiterweg 13C. Uiterweg 13C is opgericht om permanent in te wonen (hierin verschilt het van Uiterweg 13B). Het verschil tussen een bedrijfswoning en een reguliere woning is dat de bedrijfswoning niet beschermd hoeft te worden tegen de hinder van het bedrijf waartoe deze behoort. Nu het jachthavenbedrijf is beëindigd en de bestemming is gewijzigd is naast de functionele binding ook de potentiële milieuhinder weggenomen.