CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7_verkennend ecologisch onderzoek

3.Raad (besluitvormend) 18 april 2024, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365 ws1 en 365 ws210.755 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming Oosteinderweg 365, Aalsmeer

Rapport

Quickscan Wet natuurbescherming

Locatie Kenmerk Datum

: : :

Oosteinderweg 365, Aalsmeer A3908-03/SKA/qs1 24 mei 2023

Auteur Vrijgave Email Telefoon

: : : :

Dhr. S.W. Kamer Mevr. Ir. J. van Kolck skamer@idds.nl 06 8238 7263

Opdrachtgever

:

Architectenburo R.J. Pannekoek BV Dhr. R. Groenewoud

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Samenvatting In opdracht van Architectenburo R.J. Pannekoek BV op 14 april 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Oosteinderweg 365 te Aalsmeer. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 8 Conclusie en advies. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Botshol, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Kennemerland-Zuid zijn door de geringe schaal van de werkzaamheden en de grote afstand tot deze gebieden niet waarschijnlijk. Met de uitspraak van de Raad van State van 0211-2022 (zaak 202107079/1/R4 Porthos) is de bouwvrijstelling komen te vervallen betreffende de gevolgen van stikstof in de sloop- en aanlegfase. Door deze uitspraak is het noodzakelijk om zowel de gevolgen van stikstofdepositie die mogelijk worden veroorzaakt door bouw-, aanlegen sloopactiviteiten als voor de gebruiksfase inzichtelijk te maken met AERIUS Calculator versie 2022 (release datum 26-1-2023).

Geadviseerd wordt bij het bevoegd gezag navraag te doen of een stikstofberekening voor deze werkzaamheden noodzakelijk is. Soortbescherming Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat in het plangebied mogelijk meerdere geschikte verblijfplaatsen voor broedvogels en vleermuizen aanwezig zijn. Door middel van mitigerende maatregelen kan een negatief effect op beschermde soorten worden voorkomen. Zie ook Tabel 1 op de volgende pagina. Binnen het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie uitgevoerd te worden door een deskundig ecoloog. Indien broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. De omliggende vegetatie en waterlichamen kunnen door vleermuizen gebruikt worden als foerageergebied en vliegroute. Ook kunnen in omliggende gebouwen, waaronder de werkschuur, vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn.

Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, wordt geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten lichtbronnen zo zijn afgesteld dat deze niet op omliggende gebouwen en vegetatie schijnen. Ook in de definitieve fase kan verstoring van vleermuizen worden voorkomen door geen verlichting te laten schijnen op de omliggende waterlichamen en gebouwen.

Tabel 1: Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Broedvogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is

Diverse algemene vogelsoorten

Mitigerende maatregelen

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Mitigerende maatregelen

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Mitigerende maatregelen

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Mitigerende maatregelen

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Mitigerende maatregelen

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Mitigerende maatregelen

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Mitigerende maatregelen

Vleermuizen

Inhoudsopgave

1.1 1.2 1.3

Inleiding .................................................................................................................... 7 Aanleiding .................................................................................................................. 7 Doel van het onderzoek.............................................................................................. 7 Leeswijzer .................................................................................................................. 7

2.1 2.2 2.3

Opzet van het onderzoek ......................................................................................... 8 Bureauonderzoek ....................................................................................................... 8 Veldonderzoek ........................................................................................................... 8 Effectenbeoordeling ................................................................................................... 8

3.1 3.2

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen ........................................... 10 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied .............................................. 10 Planvoornemen ........................................................................................................ 12

4.1 4.2

Gebiedsbescherming ............................................................................................. 13 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden ............................ 13 Effectbeoordeling en deelconclusie gebiedsbescherming ......................................... 15

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

Soortbescherming.................................................................................................. 16 Broedvogels ............................................................................................................. 16 Flora ........................................................................................................................ 17 Reptielen.................................................................................................................. 18 Vleermuizen ............................................................................................................. 18 Zoogdieren............................................................................................................... 19 Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied ......... 20 Vrijgestelde soorten .................................................................................................. 20

6.1 6.2

Effectbeoordeling ................................................................................................... 21 Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt .......................................... 21 Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt......................................... 21

7.1 7.2

Advies en vervolg soortbescherming ................................................................... 25 Nader onderzoek...................................................................................................... 25 Mitigerende maatregelen .......................................................................................... 25

8.1 8.2

Conclusie en advies ............................................................................................... 27 Gebiedsbescherming................................................................................................ 27 Soortbescherming .................................................................................................... 27 Literatuur en bronvermelding ................................................................................ 29

Bijlage I Wet natuurbescherming......................................................................................... 30

Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen............................................................. 35

Inleiding Hoofdstuk 1 bestaat uit een korte uitleg waarom dit onderzoek noodzakelijk is. Tevens wordt het doel van het onderzoek toegelicht en als laatste volgt de leeswijzer van deze rapportage. 1.1

Aanleiding

De opdrachtgever is voornemens twee woonarken aan de oever af te meren. Een deel van de oever zal hiervoor uitgegraven en versterkt worden. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzocht te worden of de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en/of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). De opdrachtgever heeft IDDS gevraagd hiervoor een quickscan op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • In het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen; • Het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats); • De ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten; • De ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden en NNN); • Door het treffen van mitigerende maatregelen negatieve effecten op beschermde planten diersoorten kunnen worden voorkomen; • Op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is; en • Op basis van bovenstaande bevindingen mogelijk een ontheffing en/of vergunning nodig is. 1.3

Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en het planvoornemen. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb. De resultaten van het bureau- en veldonderzoek in het kader van de soortbescherming worden in Hoofdstuk 5 beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt de effectbeoordeling van de soortberscherming uiteen gezet en in Hoofdstuk 7 volgt het advies en mogelijke vervolgstappen in het kader van de soortbescherming. Ten slotte worden in Hoofdstuk 8 conclusies getrokken. Een overzicht van de gebruikte literatuur is terug te vinden in Hoofdstuk 9. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wnb staan in Bijlage I. Bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer voor natuurinclusief bouwen.

Opzet van het onderzoek In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe het onderzoek is opgezet. Hierbij wordt het bureauonderzoek, het veldbezoek en de effectbeoordeling toegelicht. 2.1

Bureauonderzoek

Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast wordt (vrij beschikbare) informatie geraadpleegd, zoals relevante verspreidingsatlassen en actuele websites (zie Hoofdstuk 9 voor de literatuurlijst). Hierbij wordt in een straal van drie kilometer rond het plangebied gekeken welke beschermde soorten voorkomen. Ook wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart gebracht. Indien nodig worden gebiedsspecifieke documenten geraadpleegd om beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied in kaart te brengen. 2.2

Veldonderzoek

Tevens wordt een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied, wordt een indicatie gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt globaal geïnventariseerd welke biotopen en welke (beschermde) soorten (mogelijk) in en in de directe omgeving van het gebied aanwezig zijn. Het kan zijn dat op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, niet alle soorten zichtbaar zijn. Soorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aanwezig. Daarom worden de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratieroutes vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier wordt het belang van het plangebied beoordeeld voor (beschermde) flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3

Effectenbeoordeling

Gebiedsbescherming Op basis van de voorgenomen werkzaamheden en de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en NNN, wordt bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten op beschermde gebieden. Indien negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals aanvullende toetsing en/of vergunningsaanvraag) noodzakelijk zijn. Een stikstofberekening is geen onderdeel van dit rapport. Indien stikstofeffecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, kan wel geadviseerd worden om een stikstofberekening op te (laten) stellen. Soortbescherming Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Vervolgens wordt getoetst of de voorgenomen werkzaamheden kunnen

leiden tot (negatieve) effecten op de potentieel aanwezige soorten. Bij deze toetsing wordt gekeken naar de beschermde soorten uit de Wnb. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming. Indien (negatieve) effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, wordt in kaart gebracht welke verbodsbepalingen worden overtreden. Indien mogelijk worden mitigerende maatregelen benoemd om de effecten te voorkomen of te verzachten om te voldoen aan de Wnb. Indien mitigerende maatregelen niet mogelijk zijn, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals nader onderzoek en/of ontheffingstraject) noodzakelijk zijn. Soorten die geen strikte bescherming genieten, worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten, bij een ruimtelijke ontwikkeling, een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikel 3.10 van de Wnb. Wel geldt ten alle tijden de Zorgplicht op grond van artikel 1.11 van de Wnb.

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen Hoofdstuk 3 bestaat uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Tevens wordt een beschrijving van de voorgenomen plannen weergegeven. 3.1

Ligging en algemene beschrijving van het plangebied

In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Hierop is te zien dat het plangebied aan buitenrand van Aalsmeer ligt, ingeklemd tussen Schiphol, Aalsmeer en Amstelveen. De omgeving van het plangebied bestaat uit landbouw, bebouwing en enkele waterrijke natuurpercelen. Verder zijn veel kassen in de directe omgeving van het plangebied, voornamelijk richting het oosten.

Figuur 1: Onderzoeksgebied quickscan binnen het blauwe kader.

Het plangebied bestaat uit een werkschuur met bijhorende loodsen met daar omheen een stuk grond, grenzend aan een vaart. Het perceel wordt gebruikt als boomkwekerij, in de gronden worden jonge siergewassen opgekweekt. De schuur is twee bouwlagen hoog onder een schuin zadeldak bedekt met dakpannen (Figuur 2). De gevels zijn gepleisterd aan de westzijde en bekleed met houten betimmering aan de westzijde. Aan de westzijde staat tegen de werkschuur een loods van een bouwlaag onder een golfplaten dak. Deze gevels van deze loods bestaan uit gemetselde bakstenen en beschikken niet over open stootvoegen. Rondom de schuur ligt een (op moment van opname) braakliggend perceel waarop kluiten en potten met stronken voor de opkweek van jonge siergewassen (Figuur 3). De watergang ten oosten van het plangebied beschikt over een beschoeide oever met een inham voor de plaatsing van een woonark (Figuur 4).

Figuur 2: De werkschuur en loodsen in het plangebied worden omringd door een perceel met potten met jonge siergewassen.

Figuur 3: langs de watergang ten zuidwesten van de werkschuur ligt het terrein braak en worden potten met sierplanten opgeslagen.

Figuur 4: Op het perceel staan stronken voor de opkweek van siergewassen. In de beschoeide oevers is een enkele inham gegraven voor de plaatsing van een woonark.

3.2

Planvoornemen

De opdrachtgever is voornemens twee woonarken langs de oever van het plangebied te plaatsen. In de oever is reeds één inham aangelegd (Figuur 4). Een tweede inham wordt nog gegraven ter hoogte van de werkschuur (Figuur 5). Na het afgraven wordt langs de oever een rechte beschoeiing aangelegd. Vervolgens worden de woonarken naar hun aanlegplaats gesleept. Aan de werkschuur of bijhorende loodsen vinden geen werkzaamheden plaats. Ook het kappen van bomen of dempen van waterlichamen behoort niet tot het planvoornemen.

Figuur 5: locatie van de nog uit te graven inham binnen het plangebied.

Gebiedsbescherming In dit hoofdstuk wordt weergegeven welke beschermde natuurgebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Op basis van de bureaustudie wordt bepaald of (negatieve) effecten op deze beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is. 4.1

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebieden, NNN of Bijzonder Provinciaal Landschap. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 6 en Figuur 7. In Figuur 8 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Tabel 2: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied

Afstand tot het plangebied in meters

Natura-2000 gebied

8.370 – Botshol (zeer gevoelig voor stikstof) 12.970 – Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (zeer gevoelig voor stikstof) 14.510 – Kennemerland-Zuid (zeer gevoelig voor stikstof)

Natuur Netwerk Nederland (NNN)

180

Bijzonder Provinciaal Landschap

2.910

Figuur 6: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van beschermde natuurgebieden.

Figuur 7: Het plangebied in relatie tot het naastgelegen NNN-gebied.

Figuur 8: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator.

4.2

Effectbeoordeling en deelconclusie gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard en beperkte schaal van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Botshol, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Kennemerland-Zuid worden door de afstand en geringe schaal van de werkzaamheden niet verwacht. Met de uitspraak van de Raad van State van 02-11-2022 (zaak 202107079/1/R4 Porthos) is de bouwvrijstelling echter komen te vervallen betreffende de gevolgen van stikstof in de sloop- en aanlegfase. Door deze uitspraak is het noodzakelijk om zowel de gevolgen van stikstofdepositie die mogelijk worden veroorzaakt door bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten als voor de gebruiksfase inzichtelijk te maken met AERIUS Calculator versie 2022 (release datum 26-1-2023).

Geadviseerd wordt bij het bevoegd gezag navraag te doen of een stikstofberekening voor deze werkzaamheden noodzakelijk is.

Soortbescherming In dit hoofdstuk wordt per soortgroep weergegeven of en zo, ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als het veldbezoek. Het veldonderzoek is op 14 april 2023 uitgevoerd door deskundig ecoloog S.W. Kamer. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 3: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: Weeronline). Datum

Temperatuur (℃)

Overheersende windrichting (Bft)

Bewolking

Neerslag (mm)

14-04-2023

14

ZO 2

Overwegend zonnig

Geen

5.1 Broedvogels Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied waarnemingen zijn gedaan van verschillende vogels met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4). In de tabel hieronder wordt weergegeven om welke soorten het gaat. Tabel 4: Waargenomen vogelsoorten met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam)

Beschermingscategorie

Buizerd (Buteo buteo)

4

Gierzwaluw (Apus apus)

2

Havik (Accipiter gentilis)

4

Huismus (Passer domesticus)

2

Veldbezoek De werkschuur binnen het plangebied bestaat uit twee bouwlagen met daarop een zadeldak met dakpannen. De gevels zijn gepleisterd en met hout betimmerd waardoor in de gevel geen openingen aanwezig zijn waar beschermde soorten gebruik van kunnen maken om een verblijfplaats te bereiken. De dakpannen van de opstal liggen bijna allen goed recht waardoor geen mogelijkheid is voor vogels om via scheef liggende dakpannen onder het dak te komen. Tevens zijn de nokpannen dichtgesmeerd waardoor ook hier geen ruimte aanwezig is voor vogels. De onderste rij pannen is wel open en daarmee toegankelijk voor soorten als de huismus, welke tijdens het veldbezoek overigens niet waargenomen zijn. Figuur 10 geeft een beeld van de dak- en nokpannen.

Figuur 9: Het dakpannen zadeldak verkeerd in goede staat. De dakpannen liggen goed recht. Wel is de onderste rij pannen toegankelijk voor soorten als de huismus.

Ook net onder de nok aan de westzijde is één enkele wijkende dakpan zichtbaar (Figuur 10). Deze opgening zou door gierzwaluwen als nestlocatie gebruikt kunnen worden. Ook kunnen, naast huismussen en gierzwaluwen, algemene broedvogels van de ruimte onder de pannen gebruik maken.

Figuur 10: Onder de nok is één wijkende kantpan zichtbaar welke door gierzwaluwen gebruikt zou kunnen worden.

De bodem rondom het plangebied bestaat uit kale grond die wordt gebruikt voor de opslag van kluiten en potten van de (sier)kwekerij die op het perceel bedrijf voert. Door de hoge mate van bedrijvigheid bijhorende verstoring en de aanwezigheid van huiskatten worden nesten van algemene broedvogels als de scholekster niet op de bodem verwacht. Wel staat een enkele berk direct ten westen van de werkschuur. In deze boom zijn geen (jaarrond beschermde) nesten of holtes aangetroffen. Algemene broedvogels kunnen de boom wel gebruiken om tot broeden te komen. In de al gegraven inham is reeds een drijftil met riet gevormd (Figuur 11). In en rond deze drijftil en in de rest van de watergang kunnen eveneens algemene broedvogels als de meerkoet en fuut tot broeden komen. Buizerd en havik worden niet binnen het plangebied verwacht door het ontbreken van kraaien- en eksternesten.

Figuur 11: In de gegraven inham is reeds een drijftil van riet gevormd, welke een aantrekkelijke broedlocatie vormt voor algemene watervogels als de fuut of meerkoet.

5.2

Flora

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten in de directe omgeving van het plangebied voorkomen.

Tabel 5: Waargenomen soorten beschermde flora in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Kartuizer anjer (Dianthus carthusianorum)

Veldbezoek De kartuizer anjer is in haar standplaats gebonden aan uitgesproken stikstofarme graslanden, bermen en rotsachtige plaatsen. Het voedselrijke, braakliggende karakter van het perceel is daarmee ongeschikt voor deze beschermde vaatplant. Zodoende wordt de aanwezigheid van beschermde flora binnen het plangebied uitgesloten. 5.3

Reptielen

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande reptielen in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 6: Waargenomen beschermde reptielensoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Muurhagedis (Podarcis muralis) Ringslang (Natrix natrix)

Veldbezoek Binnen het plangebied ontbreekt het aan oude muren en andere stenige plaatsen met spleten en holtes voor de muurhagedis. Het plangebied en haar omgeving is daarmee ongeschikt voor de muurhagedis. De waterrijke omgeving met veel natte eilandpercelen met bosschages en uitgebreide rietkragen vormt wel een geschikt biotoop voor de ringslang. Het plangebied zelf biedt echter niet de gewenste habitateisen. De oevers zijn stijl en beschoeid. Het perceel zelf is kaal, kent veel bedrijvigheid, bied weinig beschutting en kent geen blad en/of strooisellaag welke de ringslang kan gebruiken om in weg te kruipen en zich door te verplaatsen. Ook zijn binnen het plangebied geen broeihopen aanwezig waardoor de ringslang niet in het plangebied kan voortplanten of overwinteren. Door het ontbreken van deze elementen word de ringslang binnen het plangebied uitgesloten. 5.4

Vleermuizen

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied onderstaande vleermuissoorten voorkomen. Tabel 7: Waargenomen beschermde vleermuissoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Veldbezoek De gevels van de werkschuur zijn gepleisterd en met hout betimmerd waardoor in de gevel geen openingen aanwezig zijn waar beschermde soorten gebruik van kunnen maken om een verblijfplaats te bereiken. Wel kunnen gebouw bewonende soorten als dwergvleermuizen en laatvliegers gebruik maken van de opening bij de kantpannen aan de westzijde (Figuur 10). Door het donkere, onverlichte karakter van de waterlichamen in de omgeving moet ook rekening worden gehouden met soorten als de watervleermuis en meervleermuis. In de omliggende bebouwing, zoals de loods en de woonhuizen aan de Oosteinderweg, kunnen verblijfplaatsen aanwezig zijn van vleermuizen. De aangrenzende woningen bevatten open stootvoegen en een geschikte dakrand, waardoor vleermuizen een verblijfplaats in de woning kunnen hebben. Vleermuissoorten als baardvleermuis, bosvleermuis, Brandt’s vleermuis en gewone grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van bosrijke omgeving. De tweekleurige vleermuis wordt niet verwacht aangezien binnen het plangebied geen hoge gebouwen aanwezig zijn. Direct ten westen van de werkschuur staat een enkele berk. In deze boom zijn geen holtes aangetroffen. Boom bewonende vleermuissoorten (zoals rosse vleermuis) zijn daarmee uitgesloten.

Binnen het plangebied zijn geen uitgesproken lijnvormige landschapselementen aanwezig welke als vliegroute voor vleermuizen kunnen fungeren. De vegetatie in het plangebied kan een functie als foerageergebied voor vleermuizen vervullen. Echter wordt dit niet als essentieel gezien vanwege de geringe omvang en hoeveelheid alternatief in de directe omgeving. 5.5

Zoogdieren

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Tabel 8: Waargenomen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Boommarter (Martes martes) Bunzing (Mustela putorius) Eekhoorn (Sciurus vulgaris) Steenmarter (Martes foina) Wezel (Mustela nivalis)

Veldbezoek Het ontbreekt binnen het plangebied aan bosrijk gebied met een dicht bladerdak en grote bomen met holtes. Hiermee is het plangebied ongeschikt voor soorten als de eekhoorn en boommarter. Het bedrijvige, strak georganiseerde karakter van het perceel zijn zeer onaantrekkelijk voor marterachtigen als de steenmarter, wezel en bunzing. Daarnaast is het plangebied, doordat het omringt is met steil beschoeide oevers en grenst aan een drukke doorgaande weg ,moeilijk voor deze soorten te bereiken. Structuurelementen die beschutting bieden, in de vorm van bijvoorbeeld kluiten en potten, zijn aanwezig maar slechts van tijdelijke aard en kennen veel verplaatsing en bewerking. Dit intensieve gebruik waarbij veel verstoring plaatsvindt, gecombineerd met de barrières van beschoeide oevers, maakt dat het plangebied ongeschikt is voor marterachtigen.

5.6

Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied

Bureaustudie en veldbezoek Uit de bureaustudie is gebleken dat van de soortgroepen amfibieën, libellen, vlinders, vissen, overige insecten en weekdieren, binnen een straal van 3 kilometer, geen beschermde soorten zijn waargenomen. Geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt ook binnen het plangebied. Beschermde soorten van deze soortgroepen worden daarom binnen het plangebied niet verwacht. 5.7

Vrijgestelde soorten

In de omgeving van het plangebied zijn enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Noord-Holland een vrijstelling geldt. Het gaat hier om de volgende zoogdieren en amfibieën; bosmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Voor deze soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht in het kader van de Wnb.

Effectbeoordeling In dit hoofdstuk wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een (negatief) effect kunnen hebben op de beschermde soorten die volgens het (bureau- en veld)onderzoek in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen. Allereerst komen de soorten aan bod waarop een negatief effect niet uitgesloten kan worden. Vervolgens komen de soorten aan bod waar geen effect op verwacht wordt. 6.1

Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tevens wordt weergegeven welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Tabel 9: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten een negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden en welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Soort(groep)

Reden optreden mogelijke effecten

Artikel en lid Wnb

Vogels kunnen broeden in de boom en struiken binnen het plangebied. De boom staat binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Wanneer de werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden en broedende vogels aanwezig zijn, worden broedende vogels verstoord. Tevens kunnen algemene soorten als de witte kwikstaart onder het dak broeden. Wanneer de graaf- en sleepwerkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden, kunnen individuen worden gedood en nesten worden vernietigd. Negatieve effecten op broedende vogels kunnen daarom niet uitgesloten worden.

§3.1, lid 1, 2 en 4

In de bebouwing in en rond het plangebied (zoals onder het dak van de werkschuur) kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. De opstal blijft behouden en bevindt zich op voldoende afstand om geen significante hinder door trillingen en geluid van graaf- en schoeiwerkzaamheden te ondervinden. Tijdens en na de werkzaamheden kan wel gebruik gemaakt worden van bouwverlichting. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijf en in functionele delen van hun leefgebied. Als de lichtbundels op de aangrenzende bebouwing, vegetatie of waterlichamen schijnen, kan een negatief effect optreden voor vleermuizen.

§3.5, lid 2

Broedvogels

Algemene broedvogels

Vleermuis

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis

6.2

Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer welke soorten niet verwacht worden en/of op welke soorten geen negatief effect verwacht worden. Tabel 10: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten geen negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden. Soort(groep) Reden van uitsluiten negatieve effecten Broedvogels Buizerd, havik

Horsten ontbreken binnen het plangebied. Ook zijn geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in het plangebied. De directe omgeving is ook te druk bezocht door verkeer en voetgangers waardoor bij het broeden te veel verstoring zou optreden.

Gierzwaluw

Binnen het plangebied is één geschikte broedlocaties aanwezig, in de ruimte onder één

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten kantpan. De opstal blijft behouden, werkzaamheden vinden niet aan het dak plaats en daarnaast bevindt het dak zich buiten de verstorende invloedssfeer van graaf- en schoeiwerkzaamheden aan de oever. Zodoende wordt een negatief effect op deze soort niet verwacht.

Huismus

Huismussen kunnen broeden onder de onderste rij dakpannen van de opstal. Huismussen zijn soorten die juist voorkomen bij menselijke verstoring, er vinden geen werkzaamheden aan het dak plaats en de opstal blijft behouden. Zodoende bevinden eventueel aanwezige nesten zich buiten de verstorende invloedssfeer van graaf- en schoeiwerkzaamheden aan de oever. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen binnen het plangebied waargenomen. Zodoende wordt een negatief effect op deze soort niet verwacht.

Flora Kartuizer anjer

Kartuizer anjer groeit in zonnige, matig voedselrijke en uitgesproken stikstofarme bodems in grasland (schraal grasland en kalkgrasland), bermen en rotsachtige plaatsen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

Reptielen

Muurhagedis

De muurhagedis komt voor op warme, stenige plekken zoals rotswanden en stadsmuren. In Nederland komt de soort alleen in het wild voor in Maastricht. Andere waarnemingen in Nederland betreffen illegaal uitgezette individuen. Binnen het plangebied zijn de vereiste biotopen niet aanwezig.

Ringslang

De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Deze biotopen zijn aanwezig rond het plangebied. Binnen het plangebied ontbreekt het echter aan beschutting en een strooisellaag. Ook zijn geen broeihopen aangetroffen binnen het plangebied. Tenslotte is het plangebied door de beschoeide oevers moeilijk te bereiken. De ringslang wordt daarom niet binnen het plangebied verwacht.

Vleermuizen

Bosvleermuis

Negatieve effecten op de bosvleermuis worden uitgesloten vanwege het ontbreken van een bosrijke omgeving in het plangebied. Verder zijn de twee bekende kolonies van de bosvleermuis in Nederland enkel bekend in boomholtes (enkele malen is een solitair mannetje in een gebouw aangetroffen) en in het oosten van het land.

Baardvleermuis, Brandts vleermuis

Binnen het plangebied vinden geen werkzaamheden plaats aan gebouwen. Daarnaast zijn geen holtebomen aanwezig. Ook worden geen effecten op essentieel foerageergebied verwacht, omdat geen (groot) oppervlakte aan houtige begroeiing verwijderd wordt of waterpartij gedempt wordt. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten. Zomerverblijfplaats: boomholtes, nest- of vleermuiskasten, zolders, de ruimte achtergevelbetimmering en vensterluiken van gebouwen. Winterverblijfplaats: voornamelijk ondergrondse ruimten als mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. Foerageergebied: bossen, bosranden en in kleinschalig gesloten landschappen.

Franjestaart

Binnen het plangebied vinden geen werkzaamheden plaats aan gebouwen. Daarnaast zijn geen holtebomen aanwezig. Ook worden geen effecten op essentieel foerageergebied verwacht, omdat geen (groot) oppervlakte aan houtige begroeiing verwijderd wordt of waterpartij gedempt wordt. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten. Zomerverblijfplaats: boomholten en gebouwen (spleetvormige ruimte, zolders van kerken en boerderijen. Winterverblijfplaats: ondergrondse ruimten als forten, groeven, ijskelders en bunkers. Foerageergebied: bosrijkgebied met waterpartijen of waterrijke gedeelten. Langs en boven kleinschalige weilanden en akkers en in open veestallen.

Gewone grootoorvleermuis

Binnen het plangebied vinden geen werkzaamheden plaats aan gebouwen. Daarnaast zijn geen holtebomen aanwezig. Ook worden geen effecten op essentieel foerageergebied verwacht, omdat geen (groot) oppervlakte aan houtige begroeiing verwijderd wordt of waterpartij gedempt wordt. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten. Tevens zorgt de aanwezigheid van straatverlichting en andere felle lichtbronnen voor teveel lichtverstoring voor deze zeer lichtgevoelige soort.

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: in de directe omgeving van de verblijfplaats op beschutte plekken in bos, langs bosranden, lanen en kleinschalig parkachtig landschap waarbij ze lijnvormige structuren als hagen, rietkragen en houtwallen volgen. Vanwege de beperkte reikwijdte van de echolocatie en gevoeligheid voor wind mogen de onderbrekingen in lijnvormige structuren niet te groot zijn. De grijze grootoorvleermuis heeft een voorkeur voor droge, open gebieden en warme valleien. Zuid-Nederland vormt de noordelijke grens van het verspreidingsgebied. Deze biotopen zijn niet aanwezig.

Grijze grootoorvleermuis

Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Kraamkolonies voornamelijk op (kerk)zolders. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: kleinschalig parkachtig landschap.

Rosse vleermuis

Negatieve effecten op de rosse vleermuis worden niet verwacht, aangezien holtebomen ontbreken binnen het plangebied. Zomer- en winterverblijfplaats: boomholten. Foerageergebied: open terrein, boven water en moerassige gebieden.

Tweekleurige vleermuis

Negatieve effecten op de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht wegen het ontbreken van hoge gebouwen binnen het plangebied. Winterverblijfplaats: grotten, kelders en spleten in hoge gebouwen. Foerageergebied: half open agrarisch gebied, boven water en open plaatsen in het bos (zowel tussen als boven de boomkruinen).

Vale vleermuis

Binnen het plangebied vinden geen werkzaamheden plaats aan gebouwen. Daarnaast zijn geen holtebomen aanwezig. Ook worden geen effecten op essentieel foerageergebied verwacht, omdat geen (groot) oppervlakte aan houtige begroeiing verwijderd wordt of waterpartij gedempt wordt. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten. Zomerverblijfplaats: Kraamverblijven in warme (kerk)zolders, groeven en grotten. Solitair ook in kasten en boomholten. Winterverblijfplaats: grotten, groeven en kelders. In de winter vaak in grote groepen. Foerageergebied: open landschap met bomen, zoals parken, boven velden en weilanden, ook bij bebouwing. Prooi bestaat ook vooral uit bodemdieren.

Zoogdieren Boommarter

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk bos. Ook ontbreken holtebomen binnen het plangebied.

Bunzing

De bunzing komt voor in oude kleinschalige agrarische cultuur- en natuurlandschappen, waarbij een sterkte voorkeur is voor natte gebieden. De soort hecht grote waarde aan voldoende dekking in de vorm van houtwallen, struwelen en ruigte. In open gebieden ontbreekt de soort evenals in aaneengesloten bossen. De soort komt vaak voor in de buurt van rommelige bebouwing in het buiten gebied. Deze habitateisen zijn niet aanwezig in het plangebied. Tevens zijn geen (oude)holen (van mollen, ratten, dassen, vossen of konijnen) gevonden die de bunzing kan gebruiken als verblijfplaats.

Eekhoorn

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig namelijk; loofbos, naaldbos en gemengd bos of tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Ook zijn geen bomen holtebomen en eekhoornnesten aangetroffen binnen het plangebied.

Steenmarter

Binnen het plangebied zijn geen schuilplaatsen aanwezig, zoals boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, toegankelijke zolders of kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder dakbedekking met een minimale opening van 5-6 centimeter. Ook zijn geen prooiresten of latrines aangetroffen binnen het plangebied.

Wezel

De wezel komt voor in oude kleinschalige agrarische cultuur- en natuurlandschappen met de volgende kenmerken; open, droge gebieden zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Hierbij heeft de soort een voorkeur voor open gebieden. Voldoende dekking moet aanwezig zijn wat al kan worden bereikt door grote graspollen. Open, aaneengesloten agrarische gebieden worden gemeden. De habitateisen die de wezel

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten aan zijn omgeving stelt zijn niet aanwezig.

Advies en vervolg soortbescherming In dit hoofdstuk wordt een advies gegeven betreffende de soortbescherming welke voortvloeit uit de bevindingen van het vorige hoofdstuk. Het gaat hierbij om soortgericht nader onderzoek waar mogelijk maatregelen uit volgen, mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden en zorgplichtmaatregelen. 7.1

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het planvoornemen geen potentiële bedreiging vormt voor de meeste beschermde soorten. Derhalve is het uitvoeren van nader ecologisch onderzoek niet noodzakelijk. In en direct grenzend aan het plangebied zijn wel potentiële verblijfplaatsen voor algemene broedvogels en vleermuizen. Door het nemen van mitigerende maatregelen kan nader onderzoek voorkomen worden. Indien niet aan de mitigerende maatregelen gehouden kan worden, wordt nader onderzoek alsnog nodig geacht. 7.2

Mitigerende maatregelen

Vogels zonder jaarrond beschermd nest: diverse algemene broedvogels kunnen broeden in de boom en struiken binnen het plangebied en de watergangen langs het plangebied. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Vleermuizen: in de opstallen in en grenzend aan het plangebied zijn potentieel verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijven. Wanneer in het actieve seizoen (1 april t/m 31 oktober) van vleermuizen gewerkt wordt met (bouw)verlichting en deze verlichting op de omliggende panden geschenen wordt, kan verstoring ontstaan van vleermuisverblijven. In de periode 1 november t/m 31 maart zijn vleermuizen inactief en heeft verlichting geen effect, in deze periode zijn dan ook geen beperkingen.

Het advies luidt daarom om in de actieve periode (1 april t/m 31 oktober) niet met (bouw)verlichting op de omliggende woningen te schijnen om verstoring van verblijven van vleermuizen te voorkomen. Verlichting kan ook in de toekomstige situatie voor verstoring zorgen. Dit betekent dat in de toekomstige situatie niet met (extra) verlichting om de omliggende panden en watergangen geschenen mag worden. Wanneer dit niet mogelijk is, zal nader onderzoek moeten uitwijzen of vleermuisverblijven aanwezig zijn. Zorgplicht: de Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de egel. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. • Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de watergang af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de watergang in gejaagd waar ze kunnen verdrinken. • Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten.

• Om te voldoen aan de zorgplicht voor de vissen en amfibieën die in de watergangen aanwezig kunnen zijn, dient gewerkt te worden met een ecologisch werkprotocol. • De watertemperatuur mag niet onder de 0° of boven de 25° Celsius zijn. • De werkzaamheden zijn niet gebonden aan een speciale periode, aangezien geen strikt beschermde vis of amfibiesoorten verwacht worden in de watergang. • Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van (beschermde) soorten.

Conclusie en advies Dit hoofdstuk geeft de conclusie van de uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot gebiedsbescherming en soortbescherming weer. Voor zowel de gebiedsbescherming als de soortbescherming wordt beschreven of vervolgstappen en/of het treffen van maatregelen noodzakelijk zijn. 8.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Botshol, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Kennemerland-Zuid worden door de ruime afstand en geringe schaal van de werkzaamheden niet verwacht. Met de uitspraak van de Raad van State van 02-11-2022 (zaak 202107079/1/R4 Porthos) is de bouwvrijstelling echter komen te vervallen betreffende de gevolgen van stikstof in de sloop- en aanlegfase. Door deze uitspraak is het noodzakelijk om zowel de gevolgen van stikstofdepositie die mogelijk worden veroorzaakt door bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten als voor de gebruiksfase inzichtelijk te maken met AERIUS Calculator versie 2022 (release datum 26-1-2023).

Geadviseerd wordt bij het bevoegd gezag navraag te doen of een stikstofberekening voor deze werkzaamheden noodzakelijk is. 8.2

Soortbescherming

Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen de meeste soorten, die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat nader ecologisch onderzoek noodzakelijk is, voor andere soorten kan worden volstaan met mitigerende maatregelen. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Voor een nadere toelichting van het nader onderzoek en de mitigerende maatregelen verwijzen wij naar Hoofdstuk 7. Tabel 11: Overzicht van de onderzochte soort(groepen) en onderzoeksresultaten in relatie tot het vervolgtraject. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest

Diverse algemene soorten

Mitigerende maatregelen

Buizerd (Buteo buteo)

Nee

Gierzwaluw (Apus apus)

Nee

Havik (Accipiter gentilis)

Nee

Huismus (Passer domesticus)

Nee

Kartuizer anjer (Dianthus carthusianorum)

Nee

Muurhagedis (Podarcis muralis)

Nee

Ringslang (Natrix natrix)

Nee

Baardvleermuis (Myotis mystacinus)

Nee

Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)

Flora Reptielen

Soortgroep

Vleermuizen

Zoogdieren

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)

Nee

Brandts vleermuis (Myotis brandtii)

Nee

Franjestaart (Myotis nattereri)

Nee

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Mitigerende maatregelen

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Nee

Grijze grootoorvleermuis (Plexotus austriacus)

Nee

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Mitigerende maatregelen

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Mitigerende maatregelen

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Mitigerende maatregelen

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)

Nee

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Mitigerende maatregelen

Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)

Nee

Vale vleermuis (Myotis myotis)

Nee

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Mitigerende maatregelen

Boommarter (Martes martes)

Nee

Bunzing (Mustela putorius)

Nee

Eekhoorn (Sciurus vulgaris)

Nee

Steenmarter (Martes foina)

Nee

Wezel (Mustela nivalis)

Nee

Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. Sovon Vogelonderzoek Nederland, december 2012. Notitie deskundigen bericht verstoring vogels Van Uchelen, E., (2021). Bunzing, hermelijn en wezel; kleine roofdieren. KNNV Uitgeverij Zeist Internetbronnen www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.floron.nl www.floravannederland.nl www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten www.ndff-ecogrid.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage I

Wet natuurbescherming

Wet natuurbescherming, Natura 2000-gebieden Algemeen Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die zorg moeten dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. • Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden.

Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht. Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking 1.

Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (uitgezonderd vogels) op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is. De 1 De nadelige invloed van activiteiten buiten een Natura 2000-gebied op natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied.

richtlijn onderscheidt daarbij te beschermen gebieden en te beschermen soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn bestaat uit een lijst van zeldzame of bedreigde vogelsoorten. De leefgebieden en belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soorten worden aangewezen als speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden). Wet natuurbescherming, Soorten Voor de soortbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (Bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11).

Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, Bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het

eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of Bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Gedragscodes, ontheffingen en vrijstellingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: • een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; • een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; • een bestendig gebruik; • ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=c324555b-a3e6-4ccb-91f4-a9d872db7bf1