Bijlage 3 Verslag ARO 31 augustus 2021.pdf
Tekst van het document
Verslag 80e (online) vergadering ARO, 31 augustus 2021 Voorzitter: ARO-leden:
Secretaris:
1.
de heer H. ter Heegde mevrouw E. Marcusse, de heer P. de Ruyter, mevrouw I. Thoral, de heer P. Veen, de heer K.J. Wardenaar, mevrouw I. van Koningsbruggen, de heer S. Jansen, mevrouw W. Klemm de heer H. van Helden (secretaris, verslag)
Opening en mededelingen
De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen van harte welkom.
2.
Algemene punten en voorbespreking agenda (niet openbaar gedeelte).
Het verslag van de 79e ARO-vergadering van 29 juni 2021 wordt vastgesteld. De secretaris doet een korte terugmelding van het concept van de PARK-evaluatie RES-proces NoordHolland, met nadruk op de advisering over de inpassing van wind- en zonneparken en de rol van de ARO daarbij. De reactie van de ARO-leden hierop zal worden gedeeld met Steven Slabbers. Daarnaast noemt hij een aantal plannen die eerder in de ARO zijn behandeld en plannen die de volgende keer mogelijk aan de ARO zullen worden voorgelegd. De secretaris gaat na of de volgende vergadering weer fysiek kan plaatsvinden in Haarlem. Vanuit de ARO wordt een vraag gesteld over mogelijke uitgangspunten of richtlijnen vanuit de provincie richting gemeenten op het gebied van duurzaamheid, inclusief de opgaven zoals energietransitie, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Gezien deze thema’s naar verwachting een steeds prominentere rol zullen spelen bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen (nu en in de toekomst), zou het goed zijn dat de ARO daar, naast de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, gebruik van kan maken bij de advisering over deze onderwerpen in projecten. De secretaris zegt toe om dit uit te zoeken.
3.
Woningbouwontwikkeling Oosteindedriehoek (deelgebied 1), gemeente Aalsmeer Aanwezig bij dit agendapunt: de heer F. Hildebrand (projectleider gemeente Amstelveen/Aalsmeer), de L. kiep (stedenbouwkundige gemeente Amstelveen/Aalsmeer), mevrouw A. Linschooten (senior adviseur RO gemeente Amstelveen/Aalsmeer), de heer S. de Wit (namens het consortium Van Wanrooij, Roosdom Tijhuis en Eigen Haard ), mevrouw M. Witbraad (SVP), de heer U. Buter (provincie Noord-Holland, BEL/RO).
De heer Hildebrand geeft een korte inleiding over deze planontwikkeling. Hij noemt de Structuurvisie Landelijk gebied (juni 2017) en het Ruimtelijk raamwerk Aalsmeer Oost (maart 2019) als belangrijk e kaders voor de nu voorliggende Stedenbouwkundige visie. Hij toont de ligging van deelgebied 1 tussen Nieuw Oosteinde (Aalsmeer) en Westwijk (Amstelveen). De Legmeerdijk en Aalsmeerderweg
1
vormen belangrijke ruimtelijke grenzen. Het is een kansrijk gebied als het gaat om het voorzien in de behoefte aan woningbouw. Mevrouw Witbraad gaat verder in op de stand van zaken van het stedenbouwkundig plan. In het plan is extra aandacht voor starters en senioren. Belangrijk uitgangspunt is de ontwikkeling van vier buurten binnen een groen/blauw raamwerk. Verder is er veel aandacht voor klimaatadaptatie, waterberging en bewegen. De auto is te gast in het gebied; nadruk ligt op langzaam verkeer en openbaar vervoer. Zij gaat in op de identiteit van de verschillende (delen van) buurten die onderdeel uitmaken van deelgebied 1: buurt 1 (dorps), een deel van deelgebied 2 (suburbaan) en een deel van deelgebied 3 (suburbaan). Er wordt gezorgd voor goede verbindingen richting de later te ontwikkelen buurten. Mevrouw Witbraad toont een aantal thematische kaarten met betrekking tot groen, water en mobiliteit. Buurt 2 heeft de hoogste dichtheid, waarbij aan de zijde van de Legmeerdijk tot zeven lagen kan worden gebouwd. Dit sluit aan op de hogere bebouwing die ook aan de Amstelveense kant staat. Buurt 1 heeft een wat lossere bebouwing en buurt 3 zit wat betreft dichtheid tussen de andere twee buurten in. In het plan worden verschillende innovatieve woonconcepten toegepast. Zij toont een concept van de principeverkaveling.
Naast het groen en water in het landschappelijk kader is er ook sprake van groene woonstraten. Vanuit Goudappel-Coffeng wordt nog gestudeerd op het mobiliteitsconcept. De heer Hildebrand vult aan dat het hierbij gaat om duurzame mobiliteit. Verder wordt ook gestudeerd op de manier waarop met duurzame energie wordt omgegaan. Eind oktober wordt een besluit genomen over de startnotitie, waarna gestart wordt met het opstellen van het bestemmingsplan. De planning is om het bestemmingsplan medio volgend jaar vast te stellen. De ARO heeft een aantal vragen. Wat wordt precies bedoeld met de identiteit van het gebied. Het lijkt te gaan om de woningbouwtypologie en dichtheid, maar is er ook aandacht voor de identiteit van de polderstructuur? De Oosteinderpoelpolder heeft van oorsprong een rechtlijnige polderstructuur, met langgerekte kavels, haaks op de ontsluitingswegen en schuin op de Legmeerdijk. Mevrouw Witbraad zegt hierop dat zeker naar de identiteit van de polder is gekeken. Het gebied is door de ligging tussen het lint en de dijk naar binnen gekeerd. Het groen/blauwe raamwerk volgt op hoofdlijnen de polderstructuur. Daarbinnen hebben de buurten een eigen identiteit, wat leidt tot ruimtelijke verschillen. Op dit moment wordt al gewerkt aan een verdere uitwerking van de visie. De ARO constateert dat de lange lijnen in de verkaveling maar beperkt terugkomen in het plan.
Waarom wordt de centrale groene ruimte bijvoorbeeld niet doorgetrokken tot de Legmeerdijk? De commissie adviseert om dit te onderzoeken. Mevrouw Witbraad zegt toe dat ze hiernaar zal kijken. De ARO adviseert om daarbij ook te kijken naar het benutte n en versterken van de Legmeerdijk als robuuste groene structuur, die een rol speelt of kan spelen in de ecologische en recreatieve verbinding tussen het Amsterdamse Bos/De Poel en de Westeinderplassen. Het profiel van de dijkzone in relatie tot de woonontwikkeling ontbreekt in de stukken. De ARO vraagt in dit kader ook hoe de schakelfunctie, die dit deelgebied zou moeten vervullen tussen de omliggende wijken, terugkomt in de stedenbouwkundige opzet. De heer Kiep zegt hierop dat de Legmeerdijk zowel een scheiding als een verbinding is tussen de gemeenten Aalsmeer en Amstelveen. Wat betreft de Legmeerdijk is bebouwing in een hogere dichtheid dan in de rest van het plan en in een groen/blauwe setting het uitgangspunt. De ARO constateert dat in buurt 2 gebouwen worden voorgesteld op een dek. Vraag is hoe zich dat verhoudt tot de groen/blauwe setting van de Legmeerdijk. De ARO geeft de overweging mee om op dit punt nog eens goed na te denken over de typologie, ook op een hoger schaalniveau. Mevrouw Witbraad zegt dat de woningen haaks op de dijk een groene buitenruimte krijgen, in relatie met de groene ruimtes achter de Legmeerdijk.
De hogere gebouwen op de kop zitten met de eerste woonlaag op het niveau van de dijk. Er wordt dus wel 2
nagedacht over de relatie tussen de woningen en het groen/blauw op deze plek. De ARO ziet dat de bouwblokken op de kop ook de hoek omgaan, terwijl ze elders meer haaks op de dijk staan. Mevrouw Witbraad zegt hierop dat in de hoekverdraaiing juist het samenkomen van beide richtingen wordt geaccentueerd. De ARO constateert dat er relatief weinig waterberging in het gebied zit (9%). Ook lijkt het groen min of meer op hetzelfde niveau te zijn geordend, terwijl een grotere afwisseling beter zou zijn voor de beleving en biodiversiteit. De heer Hildebrand zegt dat het Hoogheemraadschap van Rijnland betrokken is bij het ontwerpproces en dat er naast oppervlaktewater ook waterbergings mogelijkheden in de groenstructuur komen. De profielen worden nog uitgewerkt. De commissie is blij om te lezen dat er veel aandacht is voor duurzaamheid. De uitdaging is om die uitgangspunten en ambities in de volgende stappen, bij het inrichtingsplan openbare ruimte, verder uit te werken. Bij de parkeervoorzieningen lijkt bijvoorbeeld sprake te zijn van veel verharding en weinig bomen. De heer Hildebrand legt uit dat het parkeren zeker niet volledig verhard hoeft te zijn, zoals nu vaak nog standaard het geval is. Conclusie, samenvatting De ARO is positief over de manier waarop met aspecten als duurzame energie en duurzame mobiliteit van begin af aan worden meegenomen in de ontwikkeling.
Wat betreft de ruimtelijke hoofdopzet vraagt de commissie nadrukkelijk om te onderzoeken hoe een betere ruimtelij ke relatie met de kenmerkende langgerekte verkaveling van de polder kan worden gelegd. Daarbij zou de centrale groenstructuur tussen buurt 1 en 3 ter hoogte van buurt 2 moeten worden doorgetrokken, zodat een betere visuele relatie met de Legmeerdijk wordt gerealiseerd. Ook adviseert de ARO om meer water op te nemen in de groene structuur, meer diversiteit aan te brengen in het groen zelf en oevers natuurvriendelijk in te richten. Hier is zowel biodiversiteit als klimaatadaptatie mee gediend. De ARO adviseert ook om de Legmeerdijk beter te benutten en te versterken als robuuste groene structuur, die een belangrijke rol speelt in de ecologische en recreatieve verbinding tussen het Amsterdamse Bos en de Westeinderplassen. Ook in de gekozen woningtypologie aan de Legmeerdijk moet een goede relatie aangegaan worden met deze groen/blauwe verbinding. Wat betreft klimaatadaptatie en hittestress vraagt de ARO bij de uitwerking van het plan aandacht voor de inrichting en het materiaalgebruik in de buitenruimte, bijvoorbeeld bij parkeervoorzieningen. Hier zouden meer halfverharding en bomen moeten worden toegepast; algemeen is het principe ‘groen-tenzij’ van toepassing. De ARO is benieuwd naar de verdere uitwerking van het plan en wordt hier graag van op de hoogte gehouden.
4.
Woningbouwontwikkeling Gommerwijk-West West, gemeente Enkhuizen Aanwezig bij dit agendapunt: de heer J. Eenkoren (SED gemeenten), de heer T. Bullens (Vollmer & Partners), de heer U. Buter en de heer M. Levering (provincie Noord-Holland, BEL/RO).
De heer Bullens gaat in op het plangebied, dat ligt op de grens met Stede Broec en het Streekbos. Opdracht van de gemeente Enkhuizen was om niet alleen woningen te bouwen, maar ook om een landschappelijke verrijking te vinden op deze bijzondere locatie. Aanknopingspunten voor de opzet zijn gevonden in het Streekbos, de kenmerkende oost-west lopende waterverbindingen (Noorder en 3
Zuider Kadijk) en de noord-zuid lopende waterlopen en verkavelingsstructuur. Langs de oost-west lopende waterlopen zijn later wegen gelegd, deels ook met bebouwing. Aan de noordzijde is het lint langs de Haling ontstaan, aan de zuidzijde langs de Gouw. Parallel aan de Zuider Kadijk ligt een langzaam verkeersverbinding. De waterlopen vormen belangrijke vaarverbindingen. Wat betreft de inrichting van het gebied is gedacht vanuit het landschap naar de stad. Het gebied vormt zo een verlengstuk van het Streekbos, waarin gewoond wordt. Er is gezocht naar een afwisselend samenspel tussen water, groen, oevers en wonen. Groen en water vormen de dragende structuur waarin en waaraan gewoond wordt. Ook het nieuwe water is bevaarbaar. Aan de zijde van de linten staan vrijstaande woningen. In het gebied zelf is sprake van een grote afwisseling in woningtypen, waaronder waterwoningen, vrijstaande woningen en hogere gebouwen met appartementen. Duurzaamheid vormt een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling en zal nog nader worden uitgewerkt. De ARO erkent dat groen, water, biodiversiteit een belangrijke rol spelen in het project en vind het positief dat duurzaamheid als uitgangspunt van begin af aan mee is genomen. De ARO heeft een aantal vragen en opmerkingen.
Is het een bewuste keuze om de oevers van de centrale watergang, los van de openbare toegankelijkheid van het water, vooral als geprivatiseerde ruimte vorm te geven? En waarom is de noordelijke centrale waterloop niet gekoppeld met de zuidelijke? De heer Bullens zegt hierop dat langs de centrale watergang juist sprake is van een combinatie van privé en openbaar. Hij zal kijken of er meer oevers openbaar toegankelijk te maken zijn. De heer Eenkoren geeft aan dat de noordelijke en zuidelijke waterloop niet fysiek gekoppeld kunnen worden vanwege de aanwezigheid van een grote waterleiding. Ruimtelijk zouden de gebieden wel meer gekoppeld kunnen worden met een zichtrelatie. De ARO heeft wat moeite met de veelheid aan vormen en richtingen van de waterlopen en groenstroken. Het lijkt de voortzetting van ideeën uit 2000. De verspringende waterlopen zijn logisch, maar de organische ‘meanderende’ vormen zouden hier en daar wat strakker kunnen worden uitgevoerd, zodat ze meer bij het onderliggende landschap passen. De heer Bullens zegt dat de gekozen vormen en richtingen en de parkachtige opzet een bewuste keuze zijn, omdat hiermee de bestaande woonwijk en het Streekbos met elkaar gekoppeld worden. Het zou wel hier en daar wat rechter kunnen.
Wat betreft het groen zegt de ARO dat het belangrijk is dat het beheer goed geregeld wordt, zodat de diversiteit en afwisseling ook in de toekomst gegarandeerd is. Als bewoners daarbij betrokken zijn, moet dat op een goede manier worden geregeld. Met name de natte natuur lijkt zich maar al te vaak razendsnel te ontwikkelen en particuliere initiatieven boven het hoofd te groeien. Ook het groen op de woonkavels maakt onderdeel uit van het groene karakter. De gemeente zou bewoners kunnen stimuleren om groene tuinen aan te leggen. De heer Eenkoren zegt dat het vooral gaat om bewustwording bij bewoners en niet om het juridisch borgen van groen. Via een participatietraject wordt hier invulling aan gegeven. Wat betreft de gesloten groenstructuur aan de zuidoostzijde, op de overgang naar de bestaande wijk, constateert de commissie dat er weinig visuele relatie is tussen de bestaande en nieuwe woonwijk. Het is wenselijk dat hier wat meer zichtlijnen worden gecreëerd. De heer Bullens zegt dat het gesloten karakter juist een wens was, maar zegt toe deze opmerking mee te nemen. De commissie merkt op dat er sprake is van een hoge archeologische waarde ter hoogte van de grafheuvel. Het is meer dan een object. De grafheuvel heeft een relatie met het vroegere landschap, nog voordat het gebied ontgonnen en verkaveld werd en verwijst daarmee naar de gelaagdheid van het landschap.
De grafheuvel zou dan ook meer als uitdaging dan als belemmering moeten worden gezien en een goede plek moeten krijgen in het plan. Het beheer zou op dit punt niet aan bewoners 4
overgelaten moeten worden. De heer Bullens begrijpt dit en zegt dat de grafheuvel een goede plek krijgt. Hij zegt toe dat er ook een directe verbinding komt met het Streekbos. De ARO vindt dat er sprake is van een erg grote diversiteit in woontypologieën. Het zou wat vanzelfsprekender worden als er meer eenvoud in de typologieën wordt gezocht. De ARO adviseert om de typologieën nog meer in lijn met het landschappelijk karakter te brengen. Bij de waterwoningen is het noodzakelijk om deze typologie in functioneren en beeldkwaliteit goed te doordenken en in de randvoorwaarden daarmee de kwaliteit te borgen. Bijvoorbeeld het parkeren en het functioneren van de berging zijn op maaiveld van belang. Iets als het parkeren op een vlonder biedt geen garantie voor kwaliteit. In de verkaveling vraagt dit woningtype aandacht. ‘Uitverkavelen’ past niet bij de toepassing van deze typologie. Het is van belang dat de hoeken van de oevers, vanuit de woonbuurt vrij blijven met uitzicht op het water. Het wonen op de rietkavels moet goed worden gedefinieerd en uitgewerkt. De ARO doet de suggestie om de twee gebouwen op de rietkavel aan de noordzijde samen te voegen tot één integraal vormgegeven complex in een bijzondere landschappelijke setting, bestaande uit meerdere gebouwen, parkeren en landschap.
Wat betreft de hoogbouw moet beter gekeken worden naar een logische positionering, zoals aan het begin en eind van de centrale waterloop en bij de toegangen. Op sommige punten wordt de landschappelijke beleving belemmerd door de aanwezigheid van bebouwing. Het kan geen kwaad om hier en daar een kavel achterwege te laten, ten gunste van de het zicht op het landschap. In de stukken wordt ergens de naam ‘tuinstedelijke wijk’ gebruikt, terwijl de term ‘tuinstad’ toch heel andere, meer stedelijke referenties oproept. ‘Parkwijk’ is wellicht een betere term. In het plan zou verder gedacht kunnen worden aan meer collectieve voorzieningen, zoals een gezamenlijke moestuin of een haventje voor kinderen. De ARO is blij met de duurzaamheidsuitgangspunten. Het is zaak om aspecten als collectieve voorzieningen in een vroegtijdig stadium mee te nemen in de planontwikkeling. De heer Eenkoren zegt dat er onder andere een burgerinitiatief is om te kijken naar meekoppelkansen met de warmte van tuinbouwbedrijven in de omgeving. Conclusie, samenvatting De ARO kan zich heel goed vinden in het uitgangspunt van een groene en waterrijke woonwijk en is blij met de duurzaamheidsuitgangspunten. Het plan kan op een aantal punten nog worden geoptimaliseerd.
Het is goed om het plan te enten om de reeds aanwezige waterlopen, maar in het huidige opzet is sprake van een grote hoeveelheid aan verschillende vormen en richtingen. Dat zou hier en daar wat strakker kunnen. De commissie begrijpt dat de centrale waterloop in het zuidelijk deel niet fysiek verbonden kan worden met die in het noordelijk deel, maar vraagt wel de visuele relatie tussen beide gebieden te versterken. Hetzelfde geldt voor de visuele relatie tussen de nieuwe en bestaande wijk aan de zuidoostzijde, waar de nu voorgesteld groenstrook zorgt voor een te sterke scheiding tussen beide wijken. De ARO vraagt om het beheer van het groen en de openbare ruimte goed te regelen. Het idee van burgerparticipatie daarbij wordt ondersteund, maar bij plekken als de grafheuvellocatie en natuurvriendelijke oevers is wel extra aandacht nodig en kan het beheer niet zomaar aan burgers worden overgelaten. Er kan ook gedacht worden aan collectieve voorzieningen zoals e en moestuin of haventje voor kinderen. Zorg verder langs de centrale waterloop voor meer openbare ruimte. Nu lijken de oevers vooral particulier. De ARO vraagt verder om meer eenvoud aan te brengen in de grote diversiteit aan woontypologieën en deze meer in lijn te brengen met het landschappelijke karakter. Bij de waterwoningen is het noodzakelijk om de kwaliteit goed te borgen. Het wonen op de rietkavels moet goed worden 5
gedefinieerd en integraal uitgewerkt. De commissie vraagt ook op goed te kijken naar de positionering van hoogbouw en te zorgen dat deze op logische plekken komt te staan. Daar waar woningen in zichtlijnen komen te staan is het beter om kavel s achterwege te laten, ten gunste van de belevingswaarde van het gebied. De commissie kijkt met belangstelling uit naar de verdere uitwerking van dit plan.
5.
Woningbouwontwikkeling Julianaweg 1 Hensbroek, gemeente Koggenland Aanwezig bij dit agendapunt: de heer R. Karstens (gemeente Koggenland), de heer K. Bosman (Timpaan), de heer U. Buter en de heer M. Levering (provincie NoordHolland, BEL/RO).
De heer Bosman licht de ruimtelijke visie en het plan toe. Er zijn meerdere varianten onderzocht, waarbij de huidige opzet de voorkeur had van de gemeente. De groene wig aan de oostzijde kon niet worden ontwikkeld, omdat daar niet tot overeenstemming kon worden gekomen met de eigenaar. Gezien de vorm van het gebied is gekozen voor een simpele verkaveling. Langs de Julianaweg is de lintbebouwing doorgetrokken. In het gebied daarachter is gekozen voor een hof -structuur, met centraal in het plan een stuk openbaar groen waar speelvoorzieningen kunnen komen. De twee zijwegen aan de westkant maken een visuele verbinding met het landschap mogelijk. De rondweg door het gebied wordt eenrichtingsverkeer. Parkeren vindt deels plaats op eigen terrein, deels op straat. Het programma bestaat uit vrijstaande woningen, rug-aan-rugwoningen, tweekappers, levensloopbestendige woningen en grondgebonden rijwoningen. De ARO heeft een aantal vragen en opmerkingen. De commissie mist ee n totaalvisie op de dorpsontwikkeling van Hensbroek. De huidige structuur van het dorp laat een erg versnipperde ontwikkeling zien. Hoe past deze ontwikkeling in de toekomstige ontwikkeling van het dorp en hoe verhoudt Hensbroek zich bijvoorbeeld tot Heerhugowaard? De heer Bosman zegt dat dit de plek is waar woningbouw het minst zeer doet. Het gebied ligt al ingeklemd tussen bestaande bedrijven en woonwijken.
De ARO merkt op dat in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie staat dat de ruimtelijke beleving van het open landschap en met name de openheid tussen de linten, zoals hier nog het geval is, juist een belangrijke kwaliteit is in West-Friesland. Over de toekomst van Hensbroek zegt de heer Karstens dat het een belangrijk uitgangspunt van de gemeente is om de v oorzieningen in de kleine kernen op peil te houden. Hiervoor is meer woningbouw nodig. Het bouwen langs het lint is niet aan de orde. De polder aan de zuidoostzijde van het lint is nog echt open en dat wil met niet verstoren. De nu gekozen locatie is beter. De commissie vraagt of de uiteinden van de twee straten aan de westzijde een aanzet zijn voor een verdere uitbreiding. En stel dat dit niet het geval is, hoe manifesteert de dorpsrand zich dan aan deze zijde? De heer Bosman zegt dat het niet de intentie is dat er een verdere uitbreiding komt. De ARO mist hier aan de westzijde de openbare toegankelijkheid van de rand, om een ommetje te kunnen maken. Ook vraagt de commissie hoe de verbinding met het dorp is. Zijn er niet meer mogelijkheden dan alleen het pad aan de zuidzijde? De heer Bosman legt uit dat het gebied aan de oostzijde volledig in particulier bezit is. Ook het voorgestelde pad aan de zuidzijde is al lastig, omdat dit via de locatie van de voetbalvereniging loopt.
De ARO adviseert om van de westrand van het gebied geen achterkant te maken, omdat deze het zicht op het dorp bepaald. Als een ommetje deels buiten de wijk voorlopig lastig is, zorg dan dat de randen van deze ontwikkeling in iedere geval een groene 6
uitstraling krijgen en dat er wel binnen de wijk een ommetje is. De uiteinden van de straten aan de westkant moeten echt ontworpen worden zodat deze openbare plekken ook echt betekenis krijgen in het plan. De ARO zegt dat de woning aan de Julianaweg langs de noordelijke toegangsweg wel erg dicht op de toegangsweg komt te staan. Is dit een bestaande, te handhaven woning? De heer Karstens legt uit dat de bestaande woning weggaat en dat op dezelfde plek een nieuwe woning wordt gebouwd. De commissie ziet dat de parkeervoorzieningen zorgen voor veel verharding in het plan. Vanuit duurzaamheidsaspecten als toekomstbestendigheid, klimaatadaptatie en hittestress is het beter om juist minder verharding toe te passen. Het ‘groen-tenzij’ principe zou het uitgangspunt moeten zijn. Vraag is ook hoe omgegaan wordt met biodiversiteit, zoals natuurvriendelijke oevers langs watergangen. Ten slotte wordt door de commissie de vraag gesteld of de hele ontwikkeling geen 30 of 15 km/u zone moet zijn, waar de auto minder dominant is. Dan kunnen de formele stoepen achterwege worden gelaten, wat weer meer ruimte oplevert voor bijvoorbeeld een natuurvriendelijke oever. Ook zou het goed passen bij het idee van de halfverharding dat in het plan aan de oostzijde wordt voorgesteld. De heer Bosman zegt dat in het plan rekening gehouden wordt met duurzaamheidsaspecten.
Hij geeft aan dat de verharding rond de parkeervoorzieningen groener zou kunnen. Over de inrichting van de oevers vindt nog overleg plaats met de gemeente. De ARO pleit voor natuurvriendelijke oevers en veel groen, omdat deze bijdragen aan de biodiversiteit. De watergang aan de westzijde zou in dat kader minimaal even breed moeten zijn als die aan de oostzijde. Daarnaast adviseert de ARO om duurzaamheid echt van het begin af aan mee te nemen in het plan, omdat deze ook de inrichting van de openbare ruimte mede bepaalt. Hier moet een visie op zijn. Conclusie, samenvatting De ARO is kritisch over deze ontwikkeling en de onderbouwing ervan. De ARO constateert dat de ruimtelijke ontwikkeling van het dorp erg versnipperd is en dat deze woningbouwlocatie alleen gekozen is omdat deze plek het minst slecht is. Een bredere ruimtelijke visie op de dorpsontwikkeling van Hensbroek, waaruit ook duidelijk wordt wat deze locatie aan ruimtelijke kwaliteit toevoegt, ontbreekt. De ARO doet een oproep aan de provincie om gemeenten te stimuleren om altijd eerst een bredere ruimtelijke visie te ontwikkelen, voordat woningbouwlocaties worden aangewezen en ontwikkeld. In de onderbouwing van het plan ontbreekt ook een visie op duurzaamheid, zowel op het gebied van duurzame energievoorzieningen, klimaatadaptatie, hittestress als biodiversiteit.
De parkeervoorzieningen zouden bijvoorbeeld moeten worden voorzien van meer bomen en halfverharding, zowel met het oog op waterberging als hittestress. De ARO vraag om duurzaamheid echt aan de voorkant van de planontwikkeling mee te nemen. ‘Groen-tenzij’ moet het uitgangspunt zijn. De openbare ruimte zou ook uitgevoerd kunnen worden als 30 of 15 km/u zone, waar de auto minder dominant is, wat ruimte oplevert voor leefkwaliteit en groene aspecten. Wat betreft de ruimtelijke opzet en inrichting van de openbare ruimte vraagt de ARO om met name de westrand van het gebied en de daar aanwezige uiteinden van straten beter te ontwerpen. Deze rand, die het gezicht van het dorp aan deze zijde bepaalt, moet een groener karakter krijgen en bij voorkeur ook openbaar toegankelijk zijn, zodat er vanuit de wijk een ommetje gemaakt kan worden. De ARO ziet het plan graag nog een keer terug als het op genoemde punten verder is onderbouwd en uitgewerkt.
7
6.
Rondvraag + afsluiting
In de nabespreking wordt het plan voor het bedrijventerrein De Veken 4 nogmaals besproken, op basis van de reactie van de gemeente op het laatste advies van de ARO. De vragen, aanbevelingen en adviezen die hier uit voortkomen worden separaat aan dit verslag aan de gemeente beschikbaar gesteld. De volgende vergadering is op dinsdag 12 oktober vanaf 16:00 uur. De voorzitter sluit de vergadering.
8