CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 CE_Delft_200326_Feitennotitie_TVW_Aalsmeer_Def.pdf

3.Raad (besluitvormend) 10 maart 2022, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Warmtevisie Aalsmeer23.842 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

wlp

Feitennotitie Warmtevisie Aalsmeer

Feitennotitie Warmtevisie Aalsmeer

Dit rapport is geschreven door: Pien van Berkel, Fenneke van de Poll, Emma Koster en Marianne Teng Delft, CE Delft, november 2021 Gemeenten / Beleidsplannen / Energievoorziening / Warmte Opdrachtgever: André van der Poel, gemeente Aalsmeer Alle openbare publicaties van CE Delft zijn verkrijgbaar via www.ce.nl Meer informatie over de studie is te verkrijgen bij de projectleider Emma Koster (CE Delft) © copyright, CE Delft, Delft

CE Delft Committed to the Environment CE Delft draagt met onafhankelijk onderzoek en advies bij aan een duurzame samenleving. Wij zijn toonaangevend op het gebied van energie, transport en grondstoffen. Met onze kennis van techniek, beleid en economie helpen we overheden, NGO’s en bedrijven structurele veranderingen te realiseren. Al 40 jaar werken betrokken en kundige medewerkers bij CE Delft om dit waar te maken.

1

200326 - Feitennotitie – November 2021

Inhoud Lijst van afkortingen

4

1

Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Keuzes maken op buurtniveau 1.3 Geraadpleegde documenten/studies 1.4 Onderzoeksvragen en leeswijzer

5 5 5 5 6

2

Indeling van Aalsmeer in warmtebuurten 2.1 Indeling van Aalsmeer in warmtebuurten 2.2 Beschrijving van warmtebuurten

7 7 7

3

Huidige warmtevraag en -voorziening 3.1 Warmtevraag 3.2 Huidige warmtevoorziening 3.3 Energielabels van de gebouwen in Aalsmeer 3.4 Koudevraag

9 9 10 10 12

4

Alternatieven voor aardgas 4.1 Aardgasvrije warmtetechnieken 4.2 Warmtebronnen voor collectieve warmte

13 13 16

5

Nationale kosten van aardgasvrije warmtetechnieken 5.1 Inleiding 5.2 CEGOIA-model 5.3 Resultaten berekeningen nationale kosten

22 22 22 24

6

Eindgebruikerskosten van aardgasvrije warmtetechnieken 6.1 Inleiding 6.2 Methode 6.3 Resultaten

27 27 27 29

7

Techniekkeuze per warmtebuurt 7.1 Bedrijventerrein 7.2 Centrum nieuw 7.3 Centrum oud 7.4 Hornmeer 7.5 Kudelstaart centrum 7.6 Kudelstaart label C en corporatiebezit 7.7 Kudelstaart nieuw 7.8 Lintbebouwing Aalsmeer 7.9 Lintbebouwing bedrijventerrein 7.10 Lintbebouwing Kudelstaart

32 32 32 33 33 33 34 34 34 35 35

2

200326 - Feitennotitie – November 2021

7.11 Oosteinde-Oost 7.12 Oosteinde-West 7.13 Stommeer label B en C 7.14 Stommeer labels E, F, G

35 36 36 36

8

Tempo van de verduurzaming 8.1 Gemiddelde opgave per jaar 8.2 Doelstelling 2030 Klimaatakkoord 8.3 Versnelling richting fossielonafhankelijk in 2040 (S-curve) 8.4 Versnelling richting aardgasvrij in 2050 (S-curve) 8.5 Verduurzaming met tussenstappen 8.6 Aantal buurten tot 2030

38 38 38 39 40 41 41

9

Conclusie

42

Literatuur

47

A

Uitkomsten Warmteanalyse Aalsmeer, Startanalyse en Openingsbod A.1 Warmteanalyse Aalsmeer A.2 Startanalyse 2020 A.3 Openingsbod Warmtetransitie 2020

49 49 50 51

B

Impact van energie-infrastructuren op de openbare en ondergrondse ruimte B.1 Impact van het verzwaren van het elektriciteitsnet B.2 Impact van de aanleg van warmtenetten

52 52 54

C

CBS-buurtindeling van Aalsmeer

59

D

Uitkomsten Startanalyse 2020

60

E

Parameters nationale kosten

61

3

200326 - Feitennotitie – November 2021

Lijst van afkortingen

4

HT

Hoge temperatuur (> 75°C)

LT

Lage temperatuur (30-55°C)

MT

Middentemperatuur (50-75°C)

RES

Regionale Energiestrategie

RSW

Regionale Structuur Warmte

TEA

Thermische energie uit afvalwater

TED

Thermische energie uit drinkwater

TEO

Thermische energie uit oppervlaktewater

wkk

Warmtekrachtkoppeling

wko

Warmte-koudeopslag

ZLT

Zeerlagetemperatuur (10–30°C)

200326 - Feitennotitie – November 2021

1 Inleiding In deze feitennotitie geven we een overzicht van de inhoudelijke kennis die ten grondslag ligt aan de Warmtevisie van de gemeente Aalsmeer. Het dient ter ondersteuning van de Warmtevisie.

1.1

Aanleiding en doel In de Warmtevisie legt de gemeente Aalsmeer een tijdspad vast waarop buurten overgaan op duurzame verwarming. Voor de buurten waarvan de transitie vóór 2030 gepland is, geeft de Warmtevisie ook inzicht in de potentiële alternatieve energie-infrastructuren (all electric, (type) warmtenet, etc.). Om deze buurten en de voorziene energie-infrastructuur te kiezen, zijn zowel subjectieve criteria en uitgangspunten als inhoudelijke kennis nodig. Er zijn al verschillende studies gedaan voor de gemeente Aalsmeer, de metropoolregio Amsterdam, de RES-regio Noord-Holland-Zuid en de provincie Noord-Holland. In deze feitennotitie bundelen we deze bestaande kennis en vullen deze aan met eigen modelberekeningen. De focus van deze notitie ligt op technisch-economische aspecten zoals de warmtevraag van de gebouwde omgeving in Aalsmeer, de aanwezigheid van warmtebronnen en kostenberekeningen van warmteopties.

1.2

Keuzes maken op buurtniveau In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in de transitie naar aardgasvrij verwarmen wordt gekozen voor een wijkgerichte aanpak. Dit houdt in dat gemeenten wijk voor wijk (of buurt voor buurt) aan de slag gaan met de warmtetransitie en op wijk-/buurtniveau bepalen wat de beste oplossing is als gebouwen niet langer met de cv-ketel worden verwarmd. Er is gekozen voor een wijkgerichte aanpak omdat het organiseren van de eventuele benodigde infrastructuur, zoals bijvoorbeeld warmtenetten, of verbouwingen sneller verloopt als buren hierin met elkaar en de lokale overheid optrekken (Rijksoverheid, 2019). Veel studies naar (de kosten van) verwarmen zonder aardgas presenteren de resultaten op CBS-buurtniveau. Uit onze analyse van de studies Startanalyse (PBL, 2020a), Openingsbod Warmtetransitie (Stedin, 2020) en Warmteanalyse Aalsmeer (CE Delft, 2018) blijkt dat de CBS-buurtindeling voor Aalsmeer te grofmazig is (zie Bijlage A). De bebouwing binnen de CBS-buurten is vaak te divers om een uitspraak over een geschikte warmtetechniek te kunnen doen. Daarom hebben we additionele berekeningen gemaakt met een nieuwe indeling in logische warmtebuurten, zie Hoofdstuk 2.

1.3

Geraadpleegde documenten/studies Tabel 1 geeft een overzicht van de geraadpleegde documenten. Per document hebben we aangegeven waarover deze informatie levert.

5

200326 - Feitennotitie – November 2021

Tabel 1 - Overzicht van de geraadpleegde documenten Nr

Naam document

Type informatie Warmtebronnen in Aalsmeer

1

Openingsbod Warmtetransitie (Stedin, 2020)

2

Startanalyse 2020 (PBL, 2020a)

3

Warmteanalyse Aalsmeer (CE Delft, 2018)

X

4

RES 1.0 Noord-Holland-Zuid (conceptversie 11 maart 2021)(RES-regio Noord-Holland-Zuid, 2021)

X

5

Verkennende studie warmtenet Schiphol-Zuid (BLOC, 2019)

X

6

MRA Warmte Koude - Grand Design 2.0 (MRA Warmte & Koude programma, lopend)

X

7

Warmtedataregister (Provincie-Noord-Holland)

X

8

WRK-leiding Waternet: Levering van thermische energie (Waternet, 2018)

X

Kosten van verschillende warmteopties

Overig/ achtergrondinformatie

X X

X

X

In aanvulling op deze bestaande studies hebben we berekeningen gedaan met het CEGOIAmodel. Daarmee hebben we de nationale kosten van warmtetechnieken berekend (Hoofdstuk 5).

1.4

Onderzoeksvragen en leeswijzer Deze feitennotitie geeft antwoord op de volgende centrale vraag: Wat zijn kansrijke aardgasvrije warmtetechnieken voor de verschillende buurten van Aalsmeer? Deelvragen, om de centrale vraag te beantwoorden, zijn als volgt: — Hoe kunnen we Aalsmeer indelen in logische warmtebuurten? (Hoofdstuk 2) — Wat is de huidige warmtevraag van de gebouwde omgeving in Aalsmeer en hoe wordt deze momenteel ingevuld? (Hoofdstuk 3) — Wat zijn de alternatieven voor aardgas? (Hoofdstuk 4) — Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste nationale kosten1? (Hoofdstuk 5) — Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste eindgebruikerskosten? (Hoofdstuk 6) — Wat is, op basis van de kostenberekeningen en gebouwkenmerken, de voorkeurswarmtetechniek voor de verschillende warmtebuurten in Aalsmeer? (Hoofdstuk 7) — In hoeveel buurten moet Aalsmeer tot 2030 aan de slag met de warmtetransitie om de duurzaamheidsdoelstellingen te behalen? (Hoofdstuk 8)

________________________________ 1

De nationale kosten zijn de kosten van een warmteoptie: de kosten van energie zelf, de distributiekosten (infrastructuur), gebouwmaatregelen (isolatie en afgiftesysteem) en installatiekosten van de techniek zelf. Het maakt daarbij niet uit wie de kosten draagt: alle kostenposten worden bij elkaar opgeteld. Belastingen en subsidies worden niet meegenomen: dit is slechts een verschuiving van geld tussen de overheid en de maatschappij.

6

200326 - Feitennotitie – November 2021

2 Indeling van Aalsmeer in warmtebuurten De CBS-buurtindeling van Aalsmeer is erg grofmazig; de bebouwing in de CBS-buurten is te verschillend om hier een warmtetechniek toe te wijzen. Daarom hebben we Aalsmeer ingedeeld in logische warmtebuurten. Dit zijn clusters die wat betreft bouwjaar, type bebouwing (utiliteitsgebouwen, type woningen) en energielabel uniform zijn. De warmtebuurten zijn zoveel mogelijk geografisch samenhangend en de grootte van de clusters is zodanig dat collectieve oplossingen mogelijk blijven.

2.1

Indeling van Aalsmeer in warmtebuurten Figuur 1 geeft de indeling van Aalsmeer in veertien warmtebuurten weer. Figuur 1 – De logische warmtebuurten van Aalsmeer

2.2

Beschrijving van warmtebuurten Tabel 2 beschrijft de veertien warmtebuurten van Aalsmeer.

7

200326 - Feitennotitie – November 2021

Tabel 2 – Beschrijving van de warmtebuurten

8

Warmtebuurt

Voorkeurstechniek

Bedrijventerrein

Er staan veelal industriële panden in de buurt. Als de industriële partijen komen tot een collectieve oplossing, onderzoek dan in het wijkuitvoeringsplan of de woningen en utiliteiten daarop kunnen aansluiten.

Centrum nieuw

Als het oude centrum overschakelt op een warmtenet, dan kan deze warmtebuurt meegaan. Als het oude centrum geen warmtenet krijgt, dan ligt een elektrische warmtepomp het meest voor de hand.

Centrum oud

Op basis van de eindgebruikerskosten is de voorkeurstechniek een warmtenet. Met de huidige bronnen zou dit een MT-warmtenet gevoed met warmte uit de Meerlanden of opgewaardeerde LT-warmte kunnen zijn.

Hornmeer

Een HT- of MT-warmtenet lijkt voor de hand te liggen. Mogelijk kan aquathermie benut worden uit de Westeinderplassen en naar MT-niveau worden gebracht of kan het bestaande warmtenet op datacenterwarmte worden uitgebreid.

Kudelstaart centrum

In deze buurt is verwarmen met een elektrische warmtepomp een goede optie. Doordat in Kudelstaart centrum ook veel utiliteitsgebouwen zijn (met een koudevraag in de zomer), zou een kleinschalig wko-net ook een geschikte optie zijn voor deze buurt.

Kudelstaart label C en corporatiebezit

Een MT-warmtenet is mogelijk een geschikte optie is voor deze buurt. De Westeinderplassen zijn een grote potentiële bron voor aquathermie.

Kudelstaart nieuw

Woonwijk is grotendeel geschikt voor verwarming op LT-niveau, zoals individuele warmtepompen of kleinschalige wko-installaties. Als er in Kudelstaart een warmtenet komt, kunnen delen van de buurt daarop aansluiten.

Lintbebouwing Aalsmeer

Een individuele warmtetechniek ligt hier voor de hand. De panden die geschikt zijn voor verwarmen op lage temperatuur (isolatieniveau van tenminste 50 kWh/m2) kunnen overstappen op een elektrische warmtepomp, voor andere gebouwen is een hybride warmtepomp een mogelijke (tussen)oplossing.

Lintbebouwing bedrijventerrein

Eerste stap om in gesprek te gaan met de bedrijven en kasseneigenaren over verduurzaming en de mogelijkheden voor een warmtenet. Een deel van de panden kan hier mogelijk op aansluiten. Wanneer duidelijk is wat de warmte-oplossing voor de kassen wordt, kan de keuze worden gemaakt daarbij aan te sluiten of over te schakelen naar een hybride warmtepomp en op langere termijn waarschijnlijk naar een elektrische warmtepomp.

Lintbebouwing Kudelstaart

Een individuele warmtetechniek ligt hier voor de hand. De panden die geschikt zijn voor verwarmen op lage temperatuur (isolatieniveau van tenminste 50 kWh/m2) kunnen overstappen op een elektrische warmtepomp, voor andere gebouwen is een hybride warmtepomp een mogelijke (tussen)oplossing.

Oosteinde Oost

Verwarming met elektrische warmtepompen of kleinschalige wko-installaties heeft de voorkeur.

Oosteinde West

Voor deze buurt zijn zowel een warmtenet (MT of HT) of een elektrische warmtepomp een optie. Er zijn dus nog verschillende keuzemogelijkheden.

Stommeer label B en C

Een eventueel MT-net zou kunnen worden gevoed met een LT-warmtebron dat wordt opgewaardeerd naar MT-niveau, maar de eindgebruikerskosten van een MT-warmtenet zijn nog niet rendabel. De buurt grenst aan Stommeer label E, F en G en aan Hornmeer. Als in een van deze warmtebuurt een warmtenet wordt ontwikkeld kan dit worden uitgebreid naar Stommeer label B en C. Al met al komt er in deze buurt niet één duidelijke voorkeurstechniek naar voren en zijn er nog verschillende keuzemogelijkheden.

Stommeer label E, F en G

In deze buurt komt geen duidelijke warmteoplossing naar voren. Een warmtenet is, als we kijken naar de kosten, een optie. Er is nog geen MT of HT-warmtebron aanwezig.

200326 - Feitennotitie – November 2021

3 Huidige warmtevraag en voorziening 3.1

Warmtevraag De huidige warmtevraag van woningen in de gemeente Aalsmeer is 695 TJ per jaar en van utiliteitsbouw 569 TJ per jaar (PBL, 2020a). De totale warmtevraag van de gebouwde omgeving komt daarmee uit op 1.264 TJ per jaar. Tabel 3 geeft de warmtevraag per woningequivalent2 (weq) en het gemiddelde energielabel van woningen weer per warmtebuurt. Een woningequivalent staat gelijk aan één woning of 130 m2 oppervlak aan utiliteitsbouw. In de warmtebuurten waar woningen goed geïsoleerd zijn, is de warmtevraag per weq relatief laag. Dit zien we bijvoorbeeld in de warmtebuurten Kudelstaart centrum en Kudelstaart nieuw. De warmtebuurten Centrum nieuw en Oosteinde-Oost vormen hierop een uitzondering: hier is de warmtevraag relatief hoog in relatie tot het gemiddelde isolatieniveau van de woningen. Tabel 3 – Huidige warmtevraag van de warmtebuurten in Aalsmeer

Warmtebuurt

Woningen

Utiliteitsbouw [aantal weq]

Warmtevraag [GJ/weq/jaar]

Totale warmtevraag per warmtebuurt [GJ/jaar]

Gemiddelde isolatieniveau woningen [kWh/m2]

Stommeer labels E, F, G

1.717

1.293

55

165.113

100

Stommeer label B en C

997

925

50

96.893

73

Hornmeer

1.090

1.019

54

114.035

96

Lintbebouwing Aalsmeer

1.723

1.968

58

213.138

98

Kudelstaart centrum

186

116

24

7.156

50

Lintbebouwing Kudelstaart

510

658

52

61.124

94

1.668

1.387

48

146.647

95

396

319

44

31.426

92

Kudelstaart label C en corporatiebezit Centrum oud Centrum nieuw

926

786

41

70.510

56

Oosteinde-Oost

1.254

1.411

47

124.226

46

Kudelstaart nieuw

1.455

1.457

35

100.786

52

Oosteinde-West

1.042

965

38

76.463

76

Lintbebouwing bedrijventerrein

378

523

64

57.519

97

Bedrijventerrein

39

44

-

-

104

Bron: CEGOIA.

________________________________ 2

Een woningequivalent (afkorting: weq) staat voor de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om een gemiddelde woning van ruimteverwarming en warm water te voorzien. Eén weq utiliteitsbouw staat gelijk aan 130 m2 bruto vloeroppervlakte (bvo).

9

200326 - Feitennotitie – November 2021

3.2

Huidige warmtevoorziening Momenteel wordt de warmtevraag van de gebouwde omgeving in Aalsmeer vrijwel volledig ingevuld door aardgas. Volgens Klimaatmonitor werd er in 2017 (meest recente jaartal waarvoor gegevens beschikbaar zijn) 29,6 miljoen m 3 aardgas verbruikt door de gebouwde omgeving in Aalsmeer (Rijkswaterstaat, lopend). Dit komt overeen met een CO2-uitstoot van ongeveer 59 kiloton per jaar.3 Een aantal gebouwen (kindcentrum Triade, Sportcentrum de Waterlelie en exporteur van potplanten Fertiplant) in Aalsmeer zijn al aangesloten op een lokaal warmtenet dat wordt gevoed met restwarmte van een datacenter van NorthC Datacenters (zie Figuur 2). Het project staat bekend als Energy Hub Aalsmeer. De aanvoertemperatuur is 22˚C, de retourtemperatuur is 12°C. Het datacenter gebruikt de koude die wordt teruggeleverd om de datazalen te koelen. Met het project wordt jaarlijkse 327 ton CO2-besparing gerealiseerd.4 Figuur 2 – Energy hub Aalsmeer

3.3

Energielabels van de gebouwen in Aalsmeer Figuur 3 geeft de energielabels van de gebouwen in Aalsmeer weer. We zien groepen gebouwen met een goed isolatieniveau in o.a. Oosteinde, delen van het Centrum, en Kudelstaart. De lintbebouwing in Aalsmeer heeft over het algemeen een minder goed isolatieniveau.

________________________________

10

3

Energie-inhoud aardgas (bovenwaarde): 0,03517 GJ/m3; emissiefactor aardgas: 56,4 kg CO2/GJ (Publicatie

4

standaard emissiefactor aardgas 2020) Energyhub Aalsmeer : Waar duurzaamheid en slim ondernemen samenkomen

200326 - Feitennotitie – November 2021

Figuur 3 – Energielabels van de gebouwen in Aalsmeer (definitief label als beschikbaar en anders voorlopig)

Standaard en streefwaarden voor isolatieniveau van woningen In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er een ’Standaard’ (in kWh/m2/jaar) met bijbehorende streefwaarden voor individuele bouwdelen (zoals muren, vloer en glas) komt voor het isolatieniveau van woningen. De Standaard moet woningeigenaren, verhuurders en particulieren meer duidelijkheid geven over wat als goede en toekomstbestendige woningisolatie wordt beschouwd. Met isoleren naar de Standaard worden woningen voorbereid op verwarming met lagere temperaturen dan nu gebruikelijk is. In de kamerbrief over de Standaard voor woningisolatie van 18 maart 2021 (MinBZK, 2019) staat dat wanneer woningen worden geïsoleerd volgens de voorgestelde Standaard, dit betekent dat woningen van na 1945 geschikt zijn voor verwarming met warmte van 50°C. Bij oudere woningen ontbreekt vaak een spouwmuur, waardoor verduurzamen tot dat niveau meer kostbaar en ingrijpend is. Voor woningen van voor 1945 geldt daarom een lagere standaard, namelijk isoleren tot een niveau dat deze woningen kunnen worden verwarmd met warmte van 70°C. De Standaard en streefwaarden zijn (nog) niet verplicht. De gemeente kan deze al wel gebruiken bij de voorlichting van woningeigenaren.

11

200326 - Feitennotitie – November 2021

3.4

Koudevraag Naast een warmtevraag, hebben gebouwen in toenemende mate een koudevraag. Dit komt doordat de gemiddelde buitentemperatuur stijgt door klimaatverandering. Een andere reden waarom de koudevraag toeneemt, is dat woningen een steeds beter isolatieniveau hebben (zowel nieuwbouwwoningen als bestaande woningen die extra isolatie hebben aangebracht). Woningen met een hoog isolatieniveau houden de warmte zo goed vast, dat ze op warme dagen hun warmte niet goed kwijt kunnen en de binnentemperatuur hoog blijft (RVO, 2018). Bij een isolatieniveau van 50 kWh/m2 kan koeling aan de orde komen: de ene bewoner zal koelingsmaatregelen toepassen en de andere niet. Bij een hoger isolatieniveau van 30 kWh/m2 kunnen koelingsmaatregelen een serieus aandachtspunt worden (Merosch, 2020). De koelbehoefte is echter niet enkel afhankelijk van de isolatiegraad, maar bijvoorbeeld ook van de oriëntatie van de woning. Weren en afvoeren van warmte zijn slimme stappen om te nemen voordat je gaat koelen met een installatie. Weren van warmte kan bijvoorbeeld met zonwering, zonwerend glas of bomen die zorgen voor schaduw en daarmee warmtestraling voorkomen. Afvoeren van warmte gebeurt door middel van ventilatie.5 Momenteel gaat de meeste aandacht uit naar het beperken van de warmtevraag in de winter, niet zozeer naar de koudevraag in de zomer (RVO, 2018).

Het is dan ook nog niet duidelijk welke maatregelen zullen worden gekozen om in de groeiende koudevraag van woningen te voorzien. In de utiliteitsbouw is koeling momenteel al meer gangbaar dan bij woningen, met name in bepaalde typen utiliteitsgebouwen, zoals zorginstellingen, winkels en kantoren (PBL, 2020b). Buurten of gebouwen met een substantiële koudevraag naast een warmtevraag zijn geschikt voor toepassing van wko-systemen6, mits de ondergrond daarvoor geschikt is. In deze buurten kan aquathermie in combinatie met een wko-systeem een interessante oplossing zijn, omdat hierbij zowel warmte als koude kan worden onttrokken uit de waterbron. Ook kunnen warmtepompen in beperkte mate voor koeling worden ingezet. Dit stelt wel eisen aan het warmteafgiftesysteem van gebouwen: vloerverwarming is meer geschikt dan LTradiatoren (PBL, 2020b).

________________________________ 5 6

12

TKI Urban Energy : Factsheets koudetechnieken Wko staat voor warmte-koudeopslag.

200326 - Feitennotitie – November 2021

4 Alternatieven voor aardgas 4.1

Aardgasvrije warmtetechnieken Voor de warmtetransitie kunnen meerdere warmtetechnieken worden ingezet. Voor een CO2-neutrale warmtevoorziening is de voorwaarde dat de energie die wordt gebruikt afkomstig is van duurzame energiebronnen. In deze paragraaf geven we eerst een overzicht van de technieken die geschikt zijn voor een fossielvrije warmtevoorziening. De factsheets op www.warmtetechnieken.nl gaan uitgebreider in op de warmtetechnieken. Sommige warmtetechnieken vereisen een minimum isolatieniveau: — Warmtetechnieken op middentemperatuur (MT) vereisen een isolatieniveau van 70 kWh/m2 (dit komt ongeveer overheen met het vroegere energielabel C). — Warmtetechnieken op lage temperatuur (LT) vereisen een isolatieniveau van 50 kWh/m2 (dit komt ongeveer overeen met het vroegere energielabel B). Voor alle aardgasvrije warmtetechnieken geldt voor het koken dat er moet worden overgeschakeld op elektrisch koken. Inductie koken is de meest energiezuinige vorm van elektrisch koken.

4.1.1 All electric-warmtetechnieken Elektrische warmtepomp Een elektrische warmtepomp is een individuele elektrische warmteoplossing.7 Gebouweigenaren kunnen zelfstandig overschakelen op deze techniek. De luchtwarmtepomp, de bodemwarmtepomp en de PVTwarmtepomp8 zijn de bekendste typen warmtepomp. Deze warmtepompen gebruiken warmte uit de lucht, bodem en zonnewarmte en brengen dit met behulp van elektriciteit naar een temperatuurniveau dat geschikt is voor het verwarmen van gebouwen en tapwater. Doordat warmtepompen grotendeels energie uit de lucht of bodem gebruikt en maar een beperkte hoeveelheid elektriciteit, hebben ze een hoger rendement dan de hr-ketel. Voor het toepassen van een elektrische warmtepomp moet een woning of utiliteitsgebouw zeer goed worden geïsoleerd, naar een isolatieniveau van 50 kWh/m2. Dit is met name kostbaar bij vooroorlogse bouw. Ook moet worden overgeschakeld op een LT-afgiftesysteem (andere radiatoren of vloer-/wandverwarming). Wanneer een groep gebouwen overschakelt naar een elektrische oplossing, kan het zijn dat het elektriciteitsnet moet worden verzwaard. De luchtwarmtepomp maakt gebruik van de buitenlucht. De ventilator (buitenunit) die nodig is voor een luchtwarmtepomp, maakt geluid. De bodemwarmtepomp is duurder dan de luchtwarmtepomp om aan te leggen, maar is wel energiezuiniger.

PVT-panelen worden op het dak geplaatst en leveren zowel warmte als elektriciteit.

________________________________

13

7

Bij een bronnet is er ook een individuele elektrische warmtepomp nodig in de woning. Wij beschouwen dit als

8

een collectieve warmtetechniek. PVT-panelen zetten licht om in elektriciteit (photovoltaïsch) en warmte (thermisch).

200326 - Feitennotitie – November 2021

4.1.2 Collectieve warmte Hogetemperatuurwarmtenet Voor een hogetemperatuur(HT-)warmtenet is een nieuwe infrastructuur nodig voor het vervoeren van water met een temperatuur van minimaal 75°C. Dit water wordt verwarmd met een collectieve warmtebron, zoals geothermie (afhankelijk van de diepte) of restwarmte uit de industrie. Een HT-warmtenet is warm genoeg voor het verwarmen van het gebouw en verzorgen van warmtapwater. In het gebouw zelf wordt de cv-ketel vervangen door een kleinere afleverset, bestaande uit een warmtewisselaar en warmtemeter. De afleverset komt doorgaans in de meterkast te hangen. De afleverset moet nog gekoppeld worden aan het warmteafgiftesysteem, hiervoor moeten de verwarmingsleidingen worden omgelegd. Extra isolatie is niet nodig, hoewel dit wel wenselijk kan zijn vanuit comfortoverwegingen en energiebesparing (besparing op de energielasten, zuinig omgaan met schaarse warmtebronnen en CO2-reductie). Een aandachtspunt bij het ontwikkelen van een warmtenet is de afstemming tussen de huidige en toekomstige warmtevraag en de warmte die het net kan leveren. Middentemperatuurwarmtenet Voor een middentemperatuur (MT-)warmtenet is ook een nieuwe infrastructuur nodig. Een MT-warmtenet heeft een temperatuur van tussen de 55°C en 75°C en wordt meestal gevoed met LT-bronnen, waarna de temperatuur wordt opgewerkt met een collectieve warmtepomp.

Voorbeelden van LT-bronnen zijn ondiepe geothermie (tot 1.250 meter diep, met een temperatuur van 15-40˚C) of aquathermie. Bij aquathermie wordt warmte onttrokken aan water, zoals oppervlaktewater of afvalwater. Dit is doorgaans in combinatie met een wko. Door het omhoog brengen van de temperatuur van het water in het warmtenet met een collectieve elektrische warmtepomp, is het water dat bij de woningen en overige gebouwen aankomt warm genoeg voor het verwarmen van HT-radiatoren en tapwater. Een MT-warmtenet kan ook een warmtebron van hogere temperatuur hebben, zoals geothermie9 of de retourleiding van een HTwarmtenet. De gebouwen moeten voor verwarmen met deze techniek wel een redelijk isolatieniveau hebben (70 kWh/m2), maar niet zo goed als bij een LT-warmtenet. De geleverde temperatuur is immers hoger, waardoor de woningen sneller opwarmen. Lagetemperatuurwarmtenet Ook voor een (zeer)lagetemperatuur (ZLT-/LT-)warmtenet is een nieuwe infrastructuur nodig. Bij LT-warmte gaat het om warmte met een temperatuur tussen de 30°C en 55°C. Een ZLT-warmtenet, of bronnet, heeft een temperatuur van maximaal 30°C. Bij een ZLT-warmtenet moet de temperatuur van de warmte nog omhoog gebracht worden met een individuele warmtepomp in het gebouw. LT-warmtebronnen zijn bijvoorbeeld warmte uit koel- en vrieshuizen, waterzuiveringsinstallaties en datacenters of aquathermie.

Gebouwen moeten zeer goed worden geïsoleerd, namelijk naar een isolatieniveau van 50 kWh/m2. Daarnaast moet worden overgeschakeld op een LT-afgiftesysteem en is er een aparte voorziening nodig voor warmtapwater. ________________________________ 9

14

Afhankelijk van de diepte kan geothermie warmte leveren van 70-90°C.

200326 - Feitennotitie – November 2021

4.1.3 Hernieuwbare gassen en brandstoffen Groengas en waterstof zijn energiedragers die op termijn aardgas kunnen vervangen als brandstof voor de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving. Groengas en waterstof zullen zeker tot 2030 echter geen significante rol kunnen spelen in de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Ook de toekomstige beschikbaarheid en prijs van deze gassen is zeer onzeker, waardoor waterstof en groengas ook na 2030 voor de gebouwde omgeving naar verwachting alleen een logische optie zijn als er geen andere reële warmtealternatieven voorhanden zijn (MinBZK, 2021). Groengas Het gemakkelijkst voor de bewoners en gebouweigenaren is als aardgas wordt vervangen door groengas. Groengas heeft dezelfde kwaliteit als aardgas, dus zijn er geen aanpassingen nodig aan het gebouw of aan de infrastructuur. Wel is het vanuit het oogpunt van comfort en energiebesparing (besparing op de energielasten en zuinig omgaan met schaarse warmtebronnen) wenselijk dat het gebouw enigszins is geïsoleerd. Groengas kan worden gebruikt in de hr-ketel of de hybride warmtepomp. Het enige probleem is de beperkte beschikbaarheid van groengas. De potentiële groengasproductie in de regio, maar ook de (inter)nationale groengasproductie, ligt ver onder de huidige aardgasvraag.

In het Klimaatakkoord heeft de groengassector het streven uitgesproken om in Nederland 70 PJ groengas te produceren in 2030. Dit is ongeveer 6% van de huidige aardgasvraag. Het is nog onbekend of deze ambitie gehaald wordt, maar groengas zal sowieso een schaars product blijven. Daarnaast is het lastig om al toekomstbestendig groengas te alloceren aan bepaalde wijken. In lijn met de Routekaart Groen Gas ligt het daarom voor de hand om de warmtetransitie niet te beginnen met het inzetten van groengas (MinBZK, 2021). Waterstofgas Waterstof komt niet op grote schaal als molecuul in de natuur voor, maar kan worden geproduceerd uit aardgas, waarbij CO₂ vrijkomt, maar kan ook klimaatneutraal zijn. Dit kan door CO₂ af te vangen en op te slaan (‘blauwe waterstof’) of door waterstof direct te produceren uit duurzame elektriciteit of vergassing van biomassa (‘groene waterstof’). Voor omschakeling naar verwarming op 100% waterstof dient de ketel te worden vervangen door een brandstofcel, of door een hr-ketel of hybride warmtepomp die op waterstof kan draaien. In de gebouwen hoeft behalve de installatie en eventueel de leidingen niets aangepast te worden. Wel moeten de leidingen van het huidige aardgasnet geschikt worden gemaakt voor waterstof. Dit houdt in dat bepaalde onderdelen moeten worden vervangen of soms zelfs het hele net als de technische staat van de leidingen onvoldoende is.

Er is nog bijna geen praktijkervaring met het gebruik van waterstof voor verwarming van gebouwen. Waterstof opgewekt uit duurzame elektriciteit heeft in Nederland een beperkt productiepotentieel. De ambitie is om in 2030 250-350 kton aan waterstof te produceren. Dit is 30-40% van de hoeveelheid fossiele waterstof die nu in Nederland wordt opgewekt voor gebruik in de industrie. De Rijksoverheid (Ministerie van EZK, 2020), maar ook natuurorganisatie

15

200326 - Feitennotitie – November 2021

Natuur en Milieu10 hebben aangegeven waar waterstof het meest zinvol kan worden ingezet. Dit is allereerst in de industrie en voor het zwaar transport omdat hiervoor geen goede alternatieven voorhanden zijn. Het is mogelijk om waterstofgas bij te mengen bij (groen)gas. Op dat moment is deze optie technisch gelijk aan de optie groengas die hierboven bestaat. Hybride warmtepomp De hybride warmtepomp combineert een elektrische warmtepomp met de hr-ketel op gas. De elektrische warmtepomp kan voor ongeveer de helft van de warmtevraag zorgen. Dit gaat zeer efficiënt, omdat de warmtepomp energie haalt uit de buitenlucht of ventilatielucht. De energie wordt gebruikt voor ruimteverwarming en/of warmtapwaterbereiding. Ongeveer een vijfde van de tijd springt de hr-ketel bij op momenten dat de warmtepomp niet voldoende warmte kan leveren, bijvoorbeeld wanneer het buiten koud is en/of er (veel) warmtapwater nodig is. Hoe hoger het isolatieniveau van de woning, hoe minder vaak de hr-ketel hoeft bij te springen, en hoe groter de vermindering van het (aard)gasverbruik. Momenteel is het niet zinvol om een hybride warmtepomp te plaatsen in een slecht geïsoleerd gebouw (Milieucentraal, 2020). In zo’n gebouw zal de warmtepomp minder vaak de warmte leveren: de hr-ketel moet vaak bijspringen om het gebouw voldoende warm te krijgen.

In een matig geïsoleerd gebouw (dubbel glas, spouwmuurisolatie en 5-7 cm vloerisolatie en dakisolatie) levert een hybride warmtepomp zowel besparing op de energierekening als CO2-reductie op (Milieu Centraal, lopend). Bij een goed tot zeer goed geïsoleerd gebouw (vanaf een isolatieniveau van 50 kWh/m 2) is het verstandiger om direct op een volledig elektrische warmtepomp over te stappen. Bio-pelletketel Een pelletketel is een individuele warmtetechniek. De pelletketel kan de gasketel vervangen. De pelletketel wordt gestookt met houtpellets. Het nadeel van deze warmtetechniek is dat fijnstof vrijkomt bij het verstoken van pellets, wat niet ten goede komt aan de plaatselijke luchtkwaliteit. De pelletketel wordt (in stedelijk gebied) dan ook ontmoedigd. Ook moet het hout waaruit de pellets gemaakt worden, komen uit duurzame bosbouw of afvalstromen. In de meeste situaties is de pelletketel door de uitstoot van fijnstof een onwenselijke warmteoptie. Daarnaast is het de vraag hoe betaalbaar houtpellets op de langere termijn zullen zijn.

4.2

Warmtebronnen voor collectieve warmte In deze paragraaf gaan we in op de beschikbare warmtebronnen in en rondom Aalsmeer die potentiële warmtenetten van duurzame warmte en eventueel koude kunnen voorzien. In Paragraaf 4.1.2 zagen we dat het temperatuurniveau van de warmtebron van belang is. Onder hoge temperatuur (> 75°C) en middentemperatuur (55-75°C) warmtebronnen vallen ________________________________ 10

16

Natuur & Milieu: Waterstof : De Waterstofladder

200326 - Feitennotitie – November 2021

onder andere HT-restwarmtebronnen, geothermie en warmte afkomstig van een biomassacentrale of bio-wkk. Onder lage temperatuur (< 55°C) warmtebronnen vallen onder andere restwarmte van datacenters, aquathermie en wko-systemen. De potentie van warmtebronnen wordt vaak uitgedrukt in GJ. Om een gemiddeld huishouden in Nederland te verwarmen is ca. 40 GJ nodig (NPRS, 2020). 1.000 GJ staat gelijk aan 1 TJ. Met 1 TJ kunnen dus zo’n 25 woningen worden verwarmd.

4.2.1 Warmtebronnen met een hoge- of middentemperatuur Diemercentrale De Regionale Structuur Warmte (RSW) 11 noemt een aantal warmtebronnen (RES-regio NoordHolland-Zuid, 2021). Aalsmeer behoort tot de deelregio Amstelland, dat weer deel uitmaakt van de RES-regio Noord-Holland-Zuid. De gasgestookte elektriciteitscentrale van de Diemercentrale produceert ook warmte. Deze HT-warmte wordt geleverd aan meerdere warmtenetten, waaronder het warmtenet in Amstelveen. De warmte wordt echter nog niet volledig benut en kan van betekenis zijn voor de deelregio Amstelland. De Diemercentrale wordt nog gevoed met fossiele energie, maar de Diemercentrale kan worden gezien als transitiebron die de aanleg van warmtenetten mogelijk maakt en waarbij in de toekomst duurzame bronnen kunnen worden aangesloten (RES-regio Noord-Holland-Zuid, 2021). Hemelsbreed is de afstand tussen de Diemercentrale en het centrum van Aalsmeer ongeveer 20 kilometer. De afstand is daarmee groot, waardoor transport van warmte vanuit deze centrale naar Aalsmeer geen logische stap lijkt. In de conceptversie van de RES 1.0 staat dat de mogelijkheden van de potentie van de Diemercentrale eerst wordt onderzocht voor de gemeenten Amsterdam, Almere, Diemen en Ouder-Amstel.

Geothermie Geothermie is meestal een MT-bron. Over geothermie is momenteel nog weinig bekend in dit gebied, enkel ten zuiden van de gemeente (zie Figuur 4). Om de potentie van geothermie vast te stellen, wordt momenteel onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van geschikte aardlagen in een grootschalige landelijk onderzoek (SCAN-onderzoek). De resultaten hiervan zijn naar verwachting eind 2021/begin 2022 bekend (RES-regio NoordHolland-Zuid, 2021). Daarnaast loopt er in Zuid-Holland een onderzoek van o.a. Shell naar de potentie van geothermie, en zijn er gesprekken met Greenport Aalsmeer over de mogelijkheid om geothermie in te zetten voor de glastuinbouw. De gebouwde omgeving in Aalsmeer zou dan mogelijk gebruik kunnen maken van dezelfde geothermiebron. Er zijn al opsporingsvergunningen aangevraagd, zoals Westeinder-1.

________________________________ 11

17

De RSW is het deel van de Regionale Energie Strategie (RES) dat gaat over warmte.

200326 - Feitennotitie – November 2021

Figuur 4 - Technische potentie geothermie

Bron: Thermogis.

Bio-wkk afvalverwerkingsbedrijf Meerlanden Net buiten de gemeente Aalsmeer, in Rijssenhout, staat een bio-warmtekrachtcentrale (biowkk) bij afvalverwerkingsbedrijf Meerlanden.12 Dit afvalverwerkingsbedrijf verwerkt gftafval op een duurzame manier in verschillende producten, waaronder biogas en (rest)warmte. In 2019 produceerde het afvalverwerkingsbedrijf ongeveer 36.000 GJ warmte. Een derde deel van deze warmte (ongeveer 12.000 GJ) wordt geleverd aan de glastuinbouw. Het resterende potentieel bedraagt ongeveer 24.000 GJ.13 Een bio-wkk is een HT-warmtebron. Aangezien de locatie dicht bij het centrum van Aalsmeer ligt, zou dit een potentiële restwarmtebron zijn buiten de gemeente. Tekstkader 1 - Warmtenetten voor verduurzaming van de glastuinbouw In 2019 is er een verkennende studie gedaan naar de mogelijkheden van een warmtenet rondom Schiphol Zuid (BLOC, 2019). Deze studie gaat in op verschillende projecten, waaronder de eerder genoemde bio-wkk Meerlanden, een project over koudelevering door Waternet, warmtelevering door datacenters en een regionaal warmtenet met meerdere bronnen. Deze studie richt zich voornamelijk op de mogelijkheden voor het verduurzamen van de glastuinbouw. De potentie van dit warmtenet voor de gebouwde omgeving is nog niet onderzocht.

Enkel gekeken naar de tuinders komt de businesscase voor zo’n regionaal warmtenet er nog niet gunstig uit, vooral omdat de prijs van deze warmte 3-4 keer hoger ligt dan de gasprijs. Aansluiting van de gebouwde omgeving zou de businesscase positiever maken, maar het precieze effect daarvan is nog niet onderzocht. Daarnaast is er ook nog geen rekening gehouden met de potentie van aquathermie uit de Westeinderplas, hiervan wordt gesteld dat het wenselijk is om dit in een vervolgstudie ook mee te nemen. Ook uit de Energie-inventarisatie van Greenport Aalsmeer (Greenport Aalsmeer, 2021) blijkt dat warmtenetten een mogelijke oplossingsrichting zijn voor de verduurzaming van de glastuinbouw. Voor de glastuinbouwgebieden PrimA4a en de Kwakel wordt tevens gekeken naar geothermie.

________________________________ 12 13

18

Meerlanden : Groene Energiefabriek De Groene Energiefabriek van Meerlanden : Opbrengsten uit GFT in 2019

200326 - Feitennotitie – November 2021

4.2.2 Warmtebronnen met een lage temperatuur Aquathermie Aquathermie is het gebruik van warmte en koude uit water. Hieronder kunnen oppervlaktewater (rivieren, kanalen en meren), afvalwater (influent en effluent) en drinkwater vallen. Figuur 5 laat de potentie voor aquathermie in de regio Amstelland zien. Ook Syntraal heeft een kaart opgesteld van de potentie voor TEO en TEA, zie hier. TEO De Westeinderplassen zijn een behoorlijke potentiële bron voor thermische energie uit oppervlaktewater (TEO). De kaart Omgevingswarmte Provincie Noord-Holland van Syntraal geeft een potentiële energie van ruim 10 miljoen GJ/jaar. Ook de Ringvaart van de Haarlemmermeer en sloten, plassen en kanalen zijn potentiële warmtebronnen (Provincie Noord-Holland). Of deze bronnen ook economisch aantrekkelijk zijn om te benutten voor een LT-warmtenet, is niet duidelijk. TEA Thermische energie uit afvalwater (TEA) kan gewonnen worden bij gemalen, alsook uit influent- en effluentleidingen van RWZI’s. In de gemeente Aalsmeer zijn drie gemalen die benut kunnen worden voor restwarmte. Deze leveren warmte op zeerlagetemperatuur, namelijk 15°C. TED Thermische energie uit drinkwater (TED) kan benut worden uit drinkwaterleidingen. Door de gemeente Aalsmeer loopt een WRK-leiding van Waternet. Waternet heeft de potentie van deze WRK-leiding voor de levering van thermische energie onderzocht (Waternet, 2018).

De studie laat zien dat met name aan de zuidkant van Schiphol kansen liggen langs het WRK-tracé ter hoogte van de gemeenten Aalsmeer en Haarlemmermeer. Deze WRK-leiding ten zuiden van de Schiphol kan bijvoorbeeld warmte leveren aan woningen en glastuinbouw. De WRK-leiding is ook geschikt om koude te leveren. Figuur 5 geeft de ligging van de WRK-leidingen in de regio Amstelland weer.

19

200326 - Feitennotitie – November 2021

Figuur 5 – Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) en drinkwater (TED) in de RESdeelregio Amstelland

Bron: (Noord-Hollandse Energie Regio, 2019).

Restwarmte van datacenters In de RES 1.0 staat dat restwarmte uit datacenters voor de deelregio Amstelland een kansrijke en mogelijke bovengemeentelijke warmtebron is, met name het datacentercluster aan de oostkant van Haarlemmermeer is een potentiële warmtebron voor Aalsmeer. Figuur 6 geeft de ligging van de datacenters in (de omgeving) Aalsmeer weer. De reële potentie van deze warmtebron is echter nog onvoldoende in beeld. Wel blijkt dat de realistische en economische potentie van datacenters als restwarmtebron in de praktijk kleiner is dan de theoretische potentie. De gemeenten Amsterdam, Amstelveen, Aalsmeer, Almere, Haarlem en Haarlemmermeer werken aan een (gemeenschappelijk) beleid ten aanzien van de vestiging en het gebruik van restwarmte uit datacenters. Ook in de MRA wordt gewerkt aan een strategie voor datacenters (RES-regio Noord-Holland-Zuid, 2021). In de gemeente Aalsmeer is één datacenter aanwezig. Restwarmte van dit datacenter wordt gebruikt voor het lokale warmtenet dat bekend staat onder de naam Energy Hub Aalsmeer. Het beschikbare vermogen is 1,3 MW. Momenteel wordt ongeveer 25-30% van de koelbehoefte van het datacenter benut. Er zouden dus nog meer gebouwen op het dit net aangesloten kunnen worden. Dan moeten er wel nieuwe leidingen worden aangelegd. Op het bestaande leidingnet is momenteel ruimte voor 50-200 woningen (afhankelijk van de warmtevraag).

Aan de zijde van het kindcentrum Triade en Sportcentrum De Waterlelie zijn hiervoor al T-stukken aangelegd in de bestaande leidingen.

20

200326 - Feitennotitie – November 2021

Figuur 6 – Ligging van datacenters in en rondom de gemeente Aalsmeer (Provincie Noord-Holland)

21

200326 - Feitennotitie – November 2021

5 Nationale kosten van aardgasvrije warmtetechnieken 5.1

Inleiding De nationale kosten zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om ergens (bijvoorbeeld in een buurt) over te stappen op een aardgasvrije warmtetechniek, ongeacht wie die kosten betaalt. Besparingen op de energierekening worden hierin ook meegenomen. Aangezien studies naar nationale kosten niet kijken naar wie de kosten betaalt, wordt er in deze studies geen rekening gehouden met belastingen, heffingen en subsidies, en ook niet hoe kosten van een partij, bijvoorbeeld een eigenaar van een warmtenet, worden doorbelast aan de consument. De reden om nationale kosten te hanteren, is dat deze kosten een objectief beeld geven van de totale kosten van de energietransitie, zonder vooraf de belangen van één partij (bijvoorbeeld een netbeheerder of woningeigenaar) voorop te stellen. De nationale kosten geven echter geen inzicht in de mate waarin de kosten door de investerende partij op te brengen zijn en er een haalbare businesscase te vormen is. Er zijn verschillende modellen in omloop die de nationale kosten berekenen. Voorbeelden zijn het Vesta MAIS-model, ingezet in de Startanalyse, Caldomus en het CEGOIA-model. In Bijlage A geven we de uitkomsten van twee bestaande studies met deze modellen: de Startanalyse en het Stedin Openingsbod Warmtetransitie. Deze studies gaan uit van de CBSbuurtindeling.

De uitkomsten van de bestaande studies geven geen eenduidig beeld. Zoals beschreven in Hoofdstuk 2, is de bebouwing in Aalsmeer binnen de buurten erg divers en daarom hebben we een alternatieve indeling ontwikkeld van logische warmtebuurten. We benadrukken overigens dat niet alle gebouwen in een buurt met dezelfde warmtetechniek zullen worden verwarmd. Ook met de nieuwe buurtindeling kan het voorkomen dat een gebouw sterk afwijkt van de bebouwing in de rest van de buurt, waardoor een andere warmtetechniek misschien meer voor hand ligt. We hebben nieuwe berekeningen van de nationale kosten uitgevoerd, waarbij we zijn uitgegaan van deze logische warmtebuurten. Hierbij hebben we gebruik gemaakt van het CEGOIA-model.

5.2

CEGOIA-model CEGOIA berekent op buurtniveau alle kosten over de gehele keten van verschillende warmteopties voor gebouwen. De verschillende kostenonderdelen zijn: — distributie: gas- of warmtenet en (eventueel verzwaard) elektriciteitsnet; — productie: aardgas, groengas, warmte, vaste biomassa en elektriciteit; — installatie: verwarmingsinstallatie (hr-ketel, warmtepomp, uitkoppeling warmtebron, etc.) en afgiftesysteem; — gebouw: isolatiemaatregelen (inclusief ventilatiesysteem en koelinstallatie).

22

200326 - Feitennotitie – November 2021

Per buurt wordt gekeken naar de beschikbare warmtetechnieken en mogelijke isolatiestappen. Van deze warmteopties worden de ketenkosten berekend voor de woningen en utiliteit. Het gaat om kapitaallasten en operationele lasten. Hierbij worden alle investeringen omgerekend naar jaarlijkse kapitaalkosten (capex). Dit gebeurt op basis van specifieke afschrijftermijnen en discontovoeten. Hiermee wordt impliciet dus rekening gehouden met het doen van vervangingsinvesteringen. De jaarlijkse operationele lasten (opex) zijn onder andere de energiekosten en onderhoudskosten. Zie de parameterbijlage voor een overzicht van de belangrijkste parameters.

5.2.1 Nationale kosten en eindgebruikerskosten De berekende kosten zijn de totale ketenkosten, deze noemen we de nationale kosten. Er wordt niet gekeken naar wie de kosten draagt. Er is gekozen voor deze aanpak omdat vanuit het Klimaatakkoord wordt gestuurd op de oplossing met de laagste nationale kosten. Hierin zijn belastingen en subsidies niet meegenomen, omdat deze op nationaal niveau geen invloed hebben op de kosten. Het is slechts een verplaatsing van kosten. Deze nationale kosten wijken af van de kosten die de verschillende partijen in de keten dragen. De verschillende partijen hebben te maken met tarieven, in plaats van daadwerkelijke kosten. Gebruikerskosten zijn de kosten die iedereen dagelijks ervaart en die mensen en bedrijven elkaar betalen, dus kosten inclusief winstopslagen, belastingen (btw en andere belastingen) en heffingen (zoals accijns op benzine), etc. Ter illustratie, een bewoner draagt slechts een deel van de kosten en heeft daar tegenover baten staan, zoals energiebesparing of subsidies. Hierdoor kan er een ander beeld ontstaan wanneer wordt gekeken naar één partij in de keten dan wanneer gekeken wordt naar de totale ketenkosten.

5.2.2 Isolatiemaatregelen Isolatie zorgt ervoor dat de warmtevraag van panden daalt. In deze studie wordt de afweging om te investeren gedaan op basis van minimalisatie van totale nationale kosten. Investeren in verregaande isolatie is mogelijk niet rendabel. Vanuit een ketenbenadering kan het aantrekkelijker zijn om te investeren in infrastructuur. De bewoner maakt een andere afweging. Ook wanneer vanuit een ketenbenadering wordt berekend dat isolatie niet rendabel is, kan isolatie voor bewoners aantrekkelijk zijn. De energierekening daalt (gebruikskosten, btw en energiebelasting), mogelijk is er subsidie beschikbaar en de woning wordt comfortabeler.

5.2.3 Warmtetechnieken De berekende technieken staan weergegeven in Tabel 4. De technieken staan geordend naar energiedrager van de warmtetechniek. Niet alle warmtetechnieken zijn altijd mogelijk door beperkte beschikbaarheid van de energiedragers. Zo beschrijft Paragraaf 4.1.3 dat groengas voorlopig geen reëel alternatief is voor verwarmen met aardgas, en dat de toekomstige prijs van groengas nog onzeker is. Ditzelfde geldt voor waterstof. Ook is de warmte beschikbaar uit warmtebronnen beperkt. In Paragraaf 4.2 staat dat er in Aalsmeer geen HT-warmtebronnen zijn. De bio-wkk van het afvalverwerkingsbedrijf Meerlanden is de enige nabijgelegen HT-warmtebron. Om toch de kosten van HT-warmtenetten weer te kunnen geven, hebben we gerekend met een nieuw te ontwikkelen biomassacentrale.

23

200326 - Feitennotitie – November 2021

In en om de gemeente zijn voornamelijk datacenters beschikbaar als LT-restwarmtebron voor MT-warmtenetten. Deze LT-warmte is niet voor alle buurten een optie, gezien de ligging van de datacenters. In de andere buurten die uitkomen op een MT-warmtenet, kan de gemeente op zoek gaan naar een geschikte warmtebron, bijvoorbeeld aquathermie. Tabel 4 – Berekende warmtetechnieken

5.3

Energiedrager van de warmtetechniek

Warmtetechnieken

Elektriciteit

Elektrische warmtepomp op buitenlucht Elektrische warmtepomp met bodemwarmtewisselaar

Groengas

Hr-ketel Hybride warmtepomp op buitenlucht Hybride warmtepomp op ventilatielucht

Waterstof

Hr-ketel Hybride warmtepomp op buitenlucht Hybride warmtepomp op ventilatielucht

Hogetemperatuurwarmte

Warmtenet-HT op wkk op hernieuwbaar gas Warmtenet-HT op biomassacentrale

Middentemperatuurwarmte

Warmtenet-MT op LT-restwarmte (collectief opgewaardeerd)

Lagetemperatuurwarmte

Warmtenet-LT op LT-restwarmte Warmtenet-LT op LT-restwarmte met individuele warmtepompen Warmtenet-LT op aquathermie (TEO) Warmtenet-ZLT op aquathermie (TEO) met individuele warmtepompen

Resultaten berekeningen nationale kosten Tabel 5 geeft de nationale kosten per woningequivalent van de verschillende warmtetechnieken in de warmtebuurten zoals berekend met het CEGOIA-model. Alleen de goedkoopste variant per energiedrager staat in de tabel. Tekstkader 2 - Interpretatie van modelresultaten Het is belangrijk om bij de vergelijking tussen de kosten rekening te houden met het feit dat de gepresenteerde kosten een resultaat zijn van modelberekeningen. In iedere modelberekening zit een vorm van onzekerheid. De resultaten zijn dus geen absolute waarheid, maar een schatting op basis van de best beschikbare informatie. In de praktijk betekent dit dat modelresultaten nuttig zijn om mee te nemen in de afweging tussen aardgasvrije technieken, maar dat dit geen absolute zekerheid biedt. Het is dus van belang om met die bril de resultaten te interpreteren.

De tabel geeft voor een aantal buurten geen kosten voor het MT-warmtenet. Het CEGOIAmodel heeft hier geen kosten berekend omdat er in deze buurten is geen warmtebron aanwezig die het warmtenet kan voeden. Een MT-warmtenet is technisch wel mogelijk in deze buurten. De gemeente kan op zoek gaan naar een geschikte warmtebron. Dit kan bijvoorbeeld geothermie of aquathermie opgewaardeerd tot MT zijn. De kosten zullen dan afhangen van de gekozen warmtebron. Vervolgens vergelijken we de technieken op basis van deze kosten en wijzen we aan elke warmtebuurt een techniek met de laagste kosten toe. Tabel 5 laat deze resultaten zien.

24

200326 - Feitennotitie – November 2021

Het valt op dat de warmtetechnieken op groengas en waterstof veelal de laagste nationale kosten heeft. Voor deze variant zijn geen verregaande isolatiemaatregelen noodzakelijk. Daarom laten we ook de gasvrije technieken zien met de laagste nationale kosten. Naast groengas zijn voornamelijk de elektrische warmtepomp of het MT-warmtenet de technieken met de laagste nationale kosten. LT-warmtenetten hebben nooit de laagste kosten. Tabel 5 – Nationale kosten per woningequivalent van de verschillende warmtetechnieken in de warmtebuurten Warmtebuurt

Groengas

Waterstof

Elektrische warmtepomp

Warmtenet HT

Warmtenet MT

Warmtenet LT

Stommeer labels E, F, G

€

3.308

€

3.790

€

3.378

€

3.344

€

3.504

€

4.303

Stommeer label B en C

€

3.200

€

3.628

€

3.350

€

3.301

€

3.187

€

4.222

Hornmeer

€

3.438

€

3.884

€

3.833

€

3.667

€

3.931

€

4.738

Lintbebouwing Aalsmeer

€

3.907

€

4.501

€

3.868

€

3.840

€

4.059

€

4.788

Kudelstaart centrum

€

4.897

€

5.234

€

4.706

€

5.790

€

-

€

6.040

Lintbebouwing Kudelstaart

€

6.132

€

6.918

€

5.459

€

5.837

€

-

€

7.152

Kudelstaart label C en corporatiebezit

€

3.665

€

4.140

€

3.854

€

3.741

€

-

€

5.057

Centrum oud

€

3.422

€

3.865

€

3.469

€

3.505

€

3.587

€

4.128

Centrum nieuw

€

2.310

€

2.631

€

2.403

€

2.428

€

2.284

€

3.017

Oosteinde-Oost

€

3.357

€

3.702

€

2.853

€

3.704

€

-

€

4.078

Kudelstaart nieuw

€

3.197

€

3.563

€

3.303

€

3.430

€

-

€

4.460

Oosteinde-West

€

3.430

€

3.862

€

3.547

€

3.580

€

-

€

4.735

Lintbebouwing bedrijventerrein

€

5.332

€

6.050

€

4.868

€

5.057

€

5.091

€

6.142

Bedrijventerrein14

€

-

€

-

€

-

€

-

€

-

€

-

Tabel 6 – De techniek met de laagste nationale kosten voor de verschillende warmtebuurten Naam warmtebuurt

Techniek met de laagste nationale kosten

Gasvrije techniek met de laagste nationale kosten

Stommeer labels E, F, G

Groengas

Warmtenet HT

Stommeer label B en C

Warmtenet MT

Warmtenet MT

Hornmeer

Groengas

Warmtenet HT

Lintbebouwing Aalsmeer

Warmtenet HT

Warmtenet HT

Kudelstaart centrum

Elektrische warmtepomp

Elektrische warmtepomp

Lintbebouwing Kudelstaart

Elektrische warmtepomp

Elektrische warmtepomp

Kudelstaart label C en corporatiebezit

Groengas

Warmtenet HT

Centrum oud

Groengas

Elektrische warmtepomp

Centrum nieuw

Warmtenet MT

Warmtenet MT

Oosteinde-Oost

Elektrische warmtepomp

Elektrische warmtepomp

Kudelstaart nieuw

Groengas

Elektrische warmtepomp

Oosteinde-West

Groengas

Elektrische warmtepomp

Lintbebouwing bedrijventerrein

Elektrische warmtepomp

Elektrische warmtepomp

Bedrijventerrein

Groengas

Elektrische warmtepomp

________________________________ 14

Het bedrijventerrein bevat veelal (grote) bedrijfspanden met een industriële functie. De warmtevisie richt zich op woningen en utiliteiten en laat de industrie en agrarische sector buiten beschouwing. De kosten van warmtetechnieken hangen in deze buurt sterk af van de keuzes van de industriële panden. Daarom doen we geen inschatting van de nationale kosten in deze warmtebuurt.

25

200326 - Feitennotitie – November 2021

5.3.1 Scores van warmtetechnieken Om de lezer te helpen bij het interpreteren van de resultaten, scoren we de warmtetechnieken op basis van de nationale kosten. De scores gebruiken we, gecombineerd met de scores voor de eindgebruikerskosten en de beschikbaarheid van energiedragers en warmtebronnen om een voorkeurstechniek per buurt te bepalen. Deze scores berekenen we per warmtebuurt op basis van de kostenverschillen tussen de technieken. Hierbij gaan we uit van de techniek met de laagste nationale kosten als referentie en berekenen de relatieve meerkosten. De technieken krijgen vervolgens een score tussen de 1 en 5, zoals te zien in Tabel 7. Dezelfde scoringsmethodiek gebruiken we voor de eindgebruikerskosten. Tabel 7 – Scoringsmethodiek nationale kosten en eindgebruikerskosten Relatieve kostenafstand

Score

0–5%

5

5–15%

4

15–30%

3

30–50%

2

Meer dan 50%

1

De scores op basis van nationale kosten staan in Tabel 8. In deze buurten liggen de nationale kosten van verschillende opties dichtbij elkaar. In deze buurten scoren dus meerdere opties hoog. Op basis van nationale kosten is er dan dus geen sterke voorkeur voor een warmtetechniek. Tabel 8 – Scores warmtetechnieken op basis van nationale kosten

Groengas

Waterstof

Elektriciteit

Warmtenet HT

Warmtenet MT

Warmtenet LT

Buurtnaam

Stommeer labels E, F, G

5

4

5

5

4

2

Stommeer label B en C

5

4

4

5

5

2

Hornmeer

5

4

4

4

4

2

Lintbebouwing Aalsmeer

5

3

5

5

4

3

Kudelstaart centrum

5

4

5

3

N.v.t.

3

Lintbebouwing Kudelstaart

4

3

5

4

N.v.t.

2

Kudelstaart label C en corporatiebezit

5

4

4

5

N.v.t.

2

Centrum oud

5

4

5

5

5

3

Centrum nieuw

5

3

4

4

5

2

Oosteinde-Oost

3

3

5

3

N.v.t.

2

Kudelstaart nieuw

5

4

5

4

N.v.t.

2

Oosteinde-West

5

4

5

5

N.v.t.

2

Lintbebouwing bedrijventerrein Bedrijventerrein

26

200326 - Feitennotitie – November 2021

4

3

5

5

5

3

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

6 Eindgebruikerskosten van aardgasvrije warmtetechnieken 6.1

Inleiding De eindgebruikerskosten zijn alle kosten die een eindgebruiker (bewoner van een woning) betaalt voor de omschakeling naar aardgasvrij verwarmen. Dat zijn kosten voor energie en voor het gebruik van installaties en isolatie; daarin zijn alle subsidies en belastingen verwerkt. De jaarlijkse kosten die gepaard gaan met investeringen in isolatie en installaties (zoals afschrijvings- en rentekosten) worden berekend op basis van de marktrente die voor particulieren van toepassing is. De eindgebruikerskosten bestaan grofweg uit twee categorieën: investeringskosten en doorlopende kosten. De investeringskosten bestaan onder andere uit de aanschaf van installaties en isolatie. Onder de doorlopende kosten vallen de kosten voor energie en onderhoud. Daarnaast zijn er subsidies en belastingen. Om de technieken onderling te kunnen vergelijken, rekenen we de totale kosten om naar jaarlijkse kosten. De jaarlijkse kosten van investeringen worden berekend op basis van de marktrente die voor de eindgebruiker van toepassing is. De eindgebruikerskosten geven inzicht in de rekening die de eindgebruiker uiteindelijk betaalt bij verschillende warmtetechnieken Op basis van eindgebruikerskosten kan een discussie worden gevoerd over de betaalbaarheid van de energietransitie voor de inwoners van Aalsmeer.

6.2

Methode Om de eindgebruikerskosten van de verschillende aardgasvrije warmtetechnieken te berekenen, hebben we het eindgebruikerskostenmodel van CE Delft gebruikt. Grofweg ziet de berekening er als volgt uit: — Elke buurt bestaat uit een verzameling van verschillende typen woningen, uit verschillende bouwjaren, en met een verschillend isolatieniveau. Daarnaast bestaan er ook verschillende vormen van eigenaarschap: koopwoningen, particuliere huurwoningen en sociale huurwoningen. Voor elke woning (type, bouwjaar, label en eigenaarschap) is berekend wat de eindgebruikerskosten zijn voor een specifieke warmtetechniek. — Vervolgens hebben we deze kosten bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal woningen in een buurt. Het eindresultaat geeft de gemiddelde eindgebruikerskosten van een warmtetechniek in de buurt weer. Figuur 7 geeft een overzicht van de verschillende kostencomponenten die zijn meegenomen.

27

200326 - Feitennotitie – November 2021

Figuur 7 – Overzicht van de kostencomponenten van de eindgebruikerskosten

De eindgebruikerskosten vormen net als de nationale kosten input voor de voorkeurstechniek voor een buurt. We berekenen de eindgebruikerskosten voor verschillende technieken, deze zijn weergegeven in Tabel 9. Voor de eindgebruikerskosten maken we voor warmtenetten geen onderscheid tussen verschillende bronnen, we nemen aan dat er standaard tarieven voor warmte gelden voor de eindgebruikers. Tabel 9 – Berekende technieken eindgebruikerskosten

6.3

Energiedrager van de warmtetechniek

Warmtetechnieken

Elektriciteit

Elektrische warmtepomp op buitenlucht Elektrische warmtepomp met bodemwarmtewisselaar

Groengas

Hr-ketel Hybride warmtepomp op buitenlucht

Hogetemperatuurwarmte

Warmtenet-HT

Middentemperatuurwarmte

Warmtenet-MT

Lagetemperatuurwarmte

Warmtenet-LT

Resultaten Tabel 10 laat de gemiddelde jaarlijkse eindgebruikerskosten voor verschillende technieken per warmtebuurt zien. In alle gevallen is de gasketel op aardgas de goedkoopste optie. In de toekomst zal aardgas steeds minder beschikbaar zijn en zal de prijs stijgen, daarom kijken we per warmtebuurt welke gasvrije techniek (dus een techniek die geen gebruik maakt van aardgas, waterstof of groengas) zorgt voor de laagste jaarlijkse kosten voor de eindgebruiker. Tabel 11 laat de twee gasvrije technieken met de laagste jaarlijkse kosten per warmtebuurt zien. Tekstkader 3 - Interpretatie van modelresultaten Het is belangrijk om bij de vergelijking tussen de kosten rekening te houden met het feit dat de gepresenteerde kosten een resultaat zijn van modelberekeningen. In iedere modelberekening zit een vorm van onzekerheid. De resultaten zijn dus geen absolute waarheid, maar een schatting op basis van de best beschikbare informatie. In de praktijk betekent dit dat modelresultaten nuttig zijn om mee te nemen in de afweging tussen aardgasvrije technieken, maar dat dit geen absolute zekerheid biedt. Het is dus van belang om met die bril de resultaten te interpreteren.

In vijf warmtebuurten (Stommeer label B en C, Kudelstaart centrum, Centrum nieuw, Oosteinde-Oost en Kudelstaart nieuw) is een elektrische warmtepomp de goedkoopste gasvrije optie. Deze warmtebuurten bevatten allemaal relatief nieuwe woningen (gebouwd na 1992) met een hoge isolatiegraad. In Tabel 10 zien we dat de jaarlijkse kosten voor de elektrische warmtepomp niet veel hoger zijn dan de gasketel op aardgas, het scheelt 100300 euro op jaarbasis. Voor de andere warmtebuurten is een warmtenet de goedkoopste gasvrije optie. In alle gevallen zorgt het HT-warmtenet voor de laagste jaarlijkse kosten (echter is de beschikbaarheid van HT-warmte in Aalsmeer zeer beperkt), gevolgd door het MT-warmtenet. Voor een MT-warmtenet is vaak isolatie vereist. In de warmtebuurten met een redelijk goede isolatiegraad, zoals Oosteinde-West, is het verschil in kosten tussen en HT-warmtenet en een MT-warmtenet minimaal. In de warmtebuurten met een lagere isolatiegraad, zoals Stommeer label E, F, G, is het verschil in kosten tussen een HT-warmtenet en een MTwarmtenet groter.

29

200326 - Feitennotitie – November 2021

Voor alle buurten is het LT-warmtenet de optie met de hoogste eindgebruikerskosten. Voor deze optie is verregaande isolatie nodig (net als voor de elektrische warmtepomp), en deze optie heeft relatief hoge energiekosten. Tabel 10 – De gemiddelde jaarlijkse eindgebruikerskosten voor verschillende technieken per warmtebuurt Warmtebuurt

Aardgas

Elektrische warmtepomp

Warmtenet HT

Warmtenet MT

Warmtenet LT

Stommeer labels E, F, G

€

2.163

€

3.321

€

2.724

€

3.267

€

4.204

Stommeer label B en C

€

1.696

€

2.325

€

2.343

€

2.350

€

3.239

Hornmeer

€

2.077

€

3.314

€

2.639

€

2.892

€

4.212

Lintbebouwing Aalsmeer

€

2.491

€

3.966

€

3.100

€

3.737

€

4.922

Kudelstaart centrum

€

1.323

€

1.638

€

1.935

€

1.930

€

2.496

Lintbebouwing Kudelstaart

€

2.440

€

3.633

€

3.028

€

3.475

€

4.606

Kudelstaart label C en corporatiebezit

€

1.758

€

3.035

€

2.481

€

2.522

€

3.929

Centrum oud

€

2.042

€

3.109

€

2.613

€

3.031

€

4.008

Centrum nieuw

€

1.608

€

1.984

€

2.210

€

2.221

€

2.879

Oosteinde-Oost

€

1.687

€

1.910

€

2.263

€

2.259

€

2.797

Kudelstaart nieuw

€

1.707

€

1.909

€

2.286

€

2.281

€

2.822

Oosteinde-West

€

1.917

€

2.593

€

2.480

€

2.574

€

3.505

Lintbebouwing bedrijventerrein

€

2.598

€

4.075

€

3.215

€

3.814

€

5.053

Bedrijventerrein

€

2.389

€

3.806

€

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=cbbd6d56-b828-447f-9a34-51c5044c3bbe