Bijlage 22 Waterhuishoudkundigplan.pdf
Tekst van het document
Opdrachtgever: Projectnr: Datum:
Rotij Grondontwikkeling Oost RSD002 30 november 2022
Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:
Rotij Grondontwikkeling Oost RSD002 1 Definitief 30 november 2022
Opsteller: CMA
T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl
-+C0CMA+-
Verificatie: NSV
-+R0NSV+-
Validatie: PKAA
© 2019 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.
-+V0PKAA+-
INHOUDSOPGAVE 1.1 1.2 1.3
Aanleiding ................................................................................................................................................................ 7 Doel ........................................................................................................................................................................ 7 Leeswijzer ................................................................................................................................................................ 7
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Locatie..................................................................................................................................................................... 9 Hoogte .................................................................................................................................................................... 9 Bodem................................................................................................................................................................... 10 Grondwater............................................................................................................................................................. 11 Oppervlaktewater..................................................................................................................................................... 13
3.1 3.2 3.3 3.4
Rijksbeleid .............................................................................................................................................................. 15 Beleid Provincie Noord-Holland.................................................................................................................................... 16 Beleid Hoogheemraadschap Rijnland ............................................................................................................................ 16 Beleid gemeente Aalsmeer ......................................................................................................................................... 17
4.1 4.2 4.3 4.4
Toekomstig afvoerend oppervlak ................................................................................................................................. 19 Wateropgave .......................................................................................................................................................... 19 Regenwaterafvoer .................................................................................................................................................... 19 Droogweerafvoer ..................................................................................................................................................... 20
5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3
Waterberging .......................................................................................................................................................... 21 Afvoer hemelwater ................................................................................................................................................... 23 Deelgebied 1 .......................................................................................................................................................... 23 Deelgebied 2 .......................................................................................................................................................... 24 Deelgebied 3 .......................................................................................................................................................... 24
BIJLAGEN
TABELLEN Tabel 1: Oppervlakken in nieuwe situatie .................................................................................................................................................................. 19 Tabel 2: Wateropgave ........................................................................................................................................................................................... 19
AFBEELDINGEN Afbeelding 1: Locatie projectgebied ............................................................................................................................................................................ 9
5
Afbeelding 2: Hoogteligging deelgebied 1 ................................................................................................................................................................. 10 Afbeelding 3: Doorsnede REGIS II v2.2 model............................................................................................................................................................ 11 Afbeelding 4: Locatie openbare peilbuizen Dinoloket ................................................................................................................................................... 12 Afbeelding 5: Grondwaterstand in de omgeving van het projectgebied ............................................................................................................................ 12 Afbeelding 6: Watergangen in het plangebied ............................................................................................................................................................ 13 Afbeelding 7: Locaties met kansen op flauwe taluds ...................................................................................................................................................
22 Afbeelding 8: Drooglegging bij peilstijgingen T=10 en T=100 ....................................................................................................................................... 22 Afbeelding 9: Deelgebieden afwatering..................................................................................................................................................................... 23
6
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding Het voornemen bestaat om ter hoogte van de Oosteindedriehoek in Aalsmeer een nieuwe woonwijk te realiseren. De realisatie van de eerste fase wordt voorbereid. Sinds 2003 is de watertoets verplicht. In de watertoets vinden ontwikkelaar, waterschap en gemeente overeenstemming over de waterhuishoudkundige invulling van het toekomstige plangebied. Dit resultaat wordt vastgelegd in de beknopt beschreven waterparagraaf van het bestemmingsplan. In de stedenbouwkundige visie is al rekening gehouden met het principe om water in het plangebied vast te houden. Deze rapportage is opgesteld voor Grotij Grondontwikkeling Oost om de uiteindelijke keuzes over stedelijk waterbeheer in het plangebied te onderbouwen en vast te leggen.
1.2
Doel Voordat realisatie van het plangebied kan plaatsvinden moeten gemeente en hoogheemraadschap instemmen met de wijze waarop met water in het plan wordt omgegaan. In opdracht van Grotij Grondontwikkeling Oost is het voorliggende waterhuishoudkundige plan opgesteld. Deze rapportage is de basis voor verdere planvorming, zoals het basisrioleringsplan en uitwerking van voorontwerp naar definitief ontwerp.
1.3
Leeswijzer In het eerste hoofdstuk wordt de aanleiding en het doel van dit waterhuishoudkundig plan beschreven. Hierna wordt in hoofdstuk twee algemene informatie over het projectgebied toegelicht. In het volgende hoofdstuk wordt het beleid van de overheid, gemeente en het Hoogheemraadschap omtrent water beschreven. In hoofdstuk vier wordt de wateropgave welke ontstaat door de ontwikkeling toegelicht. Aanvullend wordt in het volgende hoofdstuk toegelicht hoe er invulling wordt gegeven aan deze wateropgave. Als laatste is in hoofdstuk zes de waterparagraaf beschreven, waarin het waterhuishoudkundig plan is samengevat.
7
2
PLANGEBIED
2.1
Locatie Het projectgebied betreft de Oosteindedriehoek, aan de oostzijde van de gemeente Aalsmeer (Blauw gebied Afbeelding 1). Dit Waterhuishoudkundig plan gaat over Deelgebied 1 van de ontwikkeling Oosteinderdriehoek (rood gebied Afbeelding 1).
Afbeelding 1: Locatie projectgebied
2.2
Hoogte Het maaiveld van deelgebied 1 ligt vrijwel vlak (AHN). Er is een enkele verhoging in het plangebied te zien. Dit zijn de randen van hemelwaterbassins van kassen die er in de huidige situatie liggen. Het maaiveld van deelgebied 1 bevindt zich rond de NAP -4,20 m (Afbeelding 2).
9
Afbeelding 2: Hoogteligging deelgebied 1
2.3
Bodem Met behulp van de Bodematlas is het bodemtype van de ondiepe bodem in beeld gebracht. Het volledige gebied is gekarteerd als “Warmoezerijgronden”. Dit betekend dat de bovenste laag van de bodem voornamelijk beïnvloed is door glastuinbouw, waarbij de bovenste laag van de bodem is verrijkt met humeus materiaal. Via dinoloket is er ook gekeken naar boringen in de omgeving. Deze boringen beschrijven de opbouw van de bodem over een grotere diepte dan de Bodematlas. Uit de boringen in het projectgebied valt op te maken dat circa de bovenste 6 meter van de bodem bestaat uit klei. Klei is over het algemeen slecht waterdoorlatend. Hierdoor kan er vanuit gegaan worden dat er binnen het projectgebied geen infiltratie van hemelwater kan plaatsvinden. Aan de hand van het geohydrologische REGIS II v.2.2 model is er inzicht verkregen in de diepere lagen in de bodem. Een doorsnede van dit model is opgenomen in Afbeelding 3. De bovenste 8 m bestaan uit de holocene afzettingen, welke bestaan uit verschillende bodemsoorten. Aan de hand van de boringen van dinoloket blijkt dus dat deze laag uit klei bestaat. Onder de holocene afzettingen bevindt zich de zandige Formatie van Boxtel, welke een dikte heeft van circa 6 m. De Formatie van Boxtel vormt samen met de Formatie van Drente, welke een dikte heeft van 6 m, het eerste watervoerende pakket.
10
Afbeelding 3: Doorsnede REGIS II v2.2 model Een infiltratieonderzoek dient nog uitgevoerd te worden in het gebied. Zodra dit onderzoek is uitgevoerd, worden de resultaten hiervan verwerkt en toegevoegd aan dit document.
2.4
Grondwater In het projectgebied zelf zijn geen peilbuizen aanwezig om de grondwaterstand te bemeten. Hierom wordt er parallel aan dit rapport een grondwatermonitoring uitgevoerd. Hierbij worden er 6 peilbuizen in het gebied geplaatst, welke 2 keer per dag de grondwaterstand meten. Aan de hand van dit onderzoek kan een analyse gemaakt worden van de grondwaterstand in het projectgebied. Om toch al globaal iets te kunnen zeggen over de grondwaterstand in het projectgebied zijn openbare peilbuizen van Dinoloket geraadpleegd. De locatie van deze peilbuizen is weergegeven in Afbeelding 4. Aan de hand van de data van de peilbuizen is een grafiek opgesteld om de diepte van het grondwater in de omgeving van het projectgebied te bepalen (Afbeelding 5). Uit de grafiek valt op te maken dat de grondwaterstand van bijna alle peilbuizen tussen de NAP -4 m en NAP -5 m fluctueert. Alleen peilbuis B25D3496 heeft waarden welke tussen de NAP 0 m en NAP -1 m liggen. Dit is de peilbuis welke in het noorden van Afbeelding 4 ligt. Deze peilbuis ligt in een verhoging in het maaiveld, bij de Oosteinderweg. Naast de Oosteinderweg is een watergang gelegen welke ook een hoog peil heeft, en waarschijnlijk dient als boezemkanaal. Hierom is dit meetpunt niet representatief voor het projectgebied.
Aan de hand van de overige peilbuizen wordt de grondwaterspiegel in het projectgebied ondiep verwacht, rond NAP -4,50 m. Verder dient ook vermeld te worden dat het projectgebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied of in een grondwaterwingebied ligt.
11
Afbeelding 4: Locatie openbare peilbuizen Dinoloket
Afbeelding 5: Grondwaterstand in de omgeving van het projectgebied
12
2.5
Oppervlaktewater In het projectgebied zijn een aantal watergangen gelegen (Afbeelding 6), waaronder één primaire (donkerblauw) en meerdere overige (lichtblauw) watergangen. De primaire watergang wordt onderhouden door Hoogheemraadschap van Rijnland, de overige watergangen worden door de perceeleigenaren en de gemeente onderhouden. De primaire watergang die door het gebied heen loopt is de Middentocht. Het streefpeil in de watergangen in de zomer is NAP – 5,02 m en in de winter NAP – 5,12 m.
Afbeelding 6: Watergangen in het plangebied
13
3
BELEID
3.1
Rijksbeleid Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op duurzaam waterbeheer. Het Rijk heeft het advies van de Commissie Waterbeheer 21ste eeuw onderschreven en heeft afspraken over de uitvoering hiervan in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) vastgelegd. Het waterbeheer verandert om Nederland in de toekomst, veilig, leefbaar en aantrekkelijk te houden. Belangrijk in de nieuwe aanpak is het realiseren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen. Dit wordt bereikt door knelpunten niet af te wentelen in tijd of plaats, het toepassen van de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren' en dus het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave. Dit heeft er toe geleid dat sinds 2003 in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de watertoets als verplichting is opgenomen voor elke wijziging van een bestemmingsplan. Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De KRW stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en grondwater in 2015. De EU stelt de normen voor prioritaire stoffen. De ecologische doelstellingen mogen de lidstaten en regio's zelf vaststellen. Voor grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen.
Ook moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand. In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken het beleid van WB21 en de KRW uit te voeren. Het NBW houdt simpel gezegd in dat de watersystemen in 2015 op orde moeten zijn wat betreft waterkwantiteit (WB21) en kwaliteit en ecologie (KRW). Wet gemeentelijke watertaken (sinds 2009 onderdeel van de Waterwet) Naast bovenstaande regelgeving voor duurzaam waterbeheer is in 2007 de Wet gemeentelijke watertaken van kracht geworden. Deze is inmiddels opgegaan in de waterwet. Met de Wet gemeentelijke watertaken zijn de zorgplichten van gemeenten geregeld. Dit zijn: Afvalwaterzorgplicht: Het artikel 10.33 van de Wet milieubeheer omschrijft de afvalwaterzorgplicht. De gemeente moet al het afvalwater dat vrij komt van percelen binnen het grondgebied van de gemeente inzamelen en transporteren door middel van een openbare riolering naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De gemeente mag er ook voor kiezen om een andere voorziening te gebruiken, die het afvalwater inzamelt en zuivert. Hemelwaterzorgplicht: Het artikel 3.5 van de Waterwet regelt de hemelwaterzorgplicht. De gemeente moet regenwater inzamelen. Dit hoeft alleen als de inzameling van het regenwater doelmatig is.
En dit hoeft alleen maar met regenwater dat niet op eigen terrein kan worden verwerkt. De gemeente moet er ook voor zorgen dat het ingezamelde regenwater op een doelmatige manier wordt verwerkt. Dit kan inhouden dat de gemeente het regenwater verwerkt door het te transporteren naar een vijver of door het infiltreren van het regenwater in de bodem. Grondwaterzorgplicht: Het artikel 3.6 van de Waterwet omschrijft de grondwaterzorgplicht. De tekst in dit artikel is nauwelijks te vertalen, daarom volgt hier een letterlijke weergave van de wetstekst: De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van het waterschap of de provincie behoort. Bouwbesluit In het Bouwbesluit 2012 is de aansluitplicht verdwenen. Maar om het functioneren van het openbare riool zeker te stellen, kunnen gemeenten nu makkelijker eisen stellen aan gebouweigenaren. Enkele mogelijkheden die het Bouwbesluit 2012 biedt, bleken echter niet helemaal duidelijk. Bijvoorbeeld het niet accepteren van hemelwater
15
bij nieuwbouw. Daarom hebben Stichting RIONED, het ministerie van BZK, NEN, Uneto-Vni en het ISSO gezamenlijk een toelichting op de mogelijkheden geschreven. Deze toelichting is opgenomen in bijlage B1.
3.2
Beleid Provincie Noord-Holland Onvoldoende bergings- en afvoercapaciteit van regionale watersystemen kan leiden tot tijdelijk wateroverlast door hevige neerslag als gevolg waarvan gebieden overstromen vanuit sloten, vaarten en kanalen. Door klimaatverandering zal de kans op wateroverlast en de schadelijke effecten verder toenemen. Sinds het Nationaal Bestuursakkoord Water in 2003 is provincie Noord-Holland samen met gemeente en waterschappen bezig om het watersysteem op orde te krijgen. Door middel van aanpassingen in de waterhuishoudkundige inrichting van een gebied wordt gestreefd naar een maatschappelijk aanvaardbaar beschermingsniveau tegen wateroverlast. De uitvoering hiervan wordt opgepakt door de waterschappen, waarbij aandacht is voor het koppelen van wateropgaven aan andere beleidsopgaven en het realiseren van gebiedsgericht maatwerk. Verwacht wordt dat door een combinatie van technische en ruimtelijke maatregelen de waterhuishouding verbetert en rekening wordt gehouden met de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. In het Nationaal Bestuursakkoord Water is afgesproken dat vanaf 2012 het watersysteem periodiek wordt getoetst om dit in kaart te brengen, zodat tijdig op veranderingen van het klimaat kan worden ingespeeld. Het Nationaal Bestuursakkoord Water uit 2003 heeft tot doel om het watersysteem vanaf 2015 op orde te hebben en daarna te houden.
Met het principe van vasthouden, bergen en afvoeren moeten de waterschappen maatregelen treffen waarmee voldaan zou worden aan de gebiedsnormen die in de gebiedsprocessen tussen gemeenten, provincie en waterschappen tot stand zijn gekomen. Met de Omgevingswet gaat het hierbij om de omgevingswaarden die in artikel 5.8 en 5.9 van de omgevingsverordening zijn opgenomen. Afgesproken is dat gemeenten en waterschappen een inspanningsverplichting hebben om de maatregelen tegen wateroverlast conform afspraak te realiseren. Onacceptabele wateroverlast in bestaand stedelijk gebied, inclusief de rioleringsopgave, moest uiterlijk in 2015 door gemeenten en waterschappen zijn aangepakt. Waar in het gebied geen urgente opgave bestond, is afgesproken dat deze opgave in de periode tot en met 2027 door gemeenten en waterschappen wordt uitgevoerd. Voor het landelijk gebied geldt eveneens dat de maatregelen tegen wateroverlast in 2015 moesten zijn uitgevoerd. Provincie, gemeenten en waterschappen hebben echter de mogelijkheid om hiervan af te wijken als de maatregelen veel goedkoper kunnen worden uitgevoerd door ze op een later tijdstip uit te voeren. De uitvoering daarvan vindt dan uiterlijk in 2027 plaats.
In het licht van het voorgaande is daarom in de omgevingsverordening opgenomen dat uiterlijk 1 januari 2028 moet zijn voldaan aan de omgevingswaarden die gelden voor de gemiddelde kans op overstromingen met het oog op de bergingsen afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht.
3.3
Beleid Hoogheemraadschap Rijnland Het beleid van Hoogheemraadschap Rijnland is beschreven in de keur. Sinds 1 juli 2020 heeft Hoogheemraadschap Rijnland een nieuwe Keur. Bij het opstellen van deze Keur heeft Rijnland een andere aanpak gebruikt dan voorheen. Er gelden minder regels, waardoor het aantal vergunningen en meldingen ongeveer is gehalveerd. De Keur van Hoogheemraadschap Rijnland zorgt voor een veilig en gezond watersysteem voor het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Voor dit project dient er voornamelijk gekeken te worden naar regels over het dempen van watergangen, aanleg van watergangen, kunstwerken en de aanleg van nieuwe verharding. Om overlast te voorkomen heeft het Hoogheemraadschap regels opgelegd voor deze werkzaamheden. De belangrijkste regels zijn onderstaand opgesomd. Voor elke demping dient het verlies aan bergend vermogen gecompenseerd te worden. Dit kan gedaan worden door een oppervlak aan water aan te leggen dat minimaal even groot is als het oppervlak van de demping Het nieuw te graven water dient in open verbinding te staan met de rest van het watersysteem
16
3.4
Wanneer een deel van het poldersysteem wordt gedempt, dan moet de compensatie gebeuren binnen het peilvak waarin de demping plaatsvindt. De aan- en afvoer van water door een nieuwe hoofdwatergang moet voldoende zijn geborgd. De nieuw te graven hoofdwatergangen dienen minimaal een aanlegdiepte van 1,10 m, breedte waterbodem van 0,4 m en breedte watergang op waterspiegel bij winterpeil van 7 m te hebben. De nieuw te graven overige watergangen dienen minimaal een aanlegdiepte van 0,6 cm, breedte waterbodem van 0,4 cm en breedte watergang op waterspiegel bij winterpeil van 2,50 m te hebben. Het onderwatertalud van een watergang dient 1:3 te zijn Wanneer er nieuw verhard oppervlak wordt aangelegd dient hiervoor compensatie aangelegd te worden voor de opvang van water. Het oppervlak van het aan te leggen water bedraagt 15 procent van het oppervlak van de toegenomen verharding. Een voor compensatie nieuw aan te leggen water moet eerder of gelijktijdig met het aanleggen van de verharding worden gerealiseerd. Bij versnelde afvoer van neerslag naar een deel van een poldersysteem, mag gecompenseerd worden binnen het peilvak waarin de neerslag wordt gebracht. Een duiker mag maximaal 10 m lang zijn. Wanneer er een belangrijke functie aanwezig is, kan met er met een maatwerkvoorschrift afgeweken worden.
Bij een watergang tot 4 m breed dient een duiker een minimale diameter van 600 mm te hebben. Bij een watergang tussen 4 en 6 m breed dient een duiker een minimale diameter van 800 mm te hebben. Bij een watergang tussen 6 en 8 m breed dient een duiker een minimale diameter van 1000 mm te hebben.
Beleid gemeente Aalsmeer In maart 2021 is door de gemeente de Agenda en Actieplan Klimaatadaptatie Aalsmeer 2021-2026 vastgesteld. Het actieplan geeft invulling aan de thema’s die zijn benoemd in het Deltaplan Klimaatadaptatie en sluiten op hoofdlijnen aan bij de normen die zijn opgesteld van de metropoolregio Amsterdam (MRA). In de gemeentelijke agenda en actieplan worden naast beleid en maatregelen in de bestaande buitenruimte ook kaders en randvoorwaarden gegeven voor nieuwe ontwikkelingen. De thema’s waar het stedelijk gebied van Aalsmeer aan moet voldoen zijn: A. Wateroverlast: inrichting voor verwerking van extreme buien en bestrijding van extreme grondwaterstanden B. Hitte: beperking van de impact; C. Droogte: vergroten sponswerking; D. Waterveiligheid: regionaal samenwerken aan gevolgbeperking. In onderstaand overzicht is op hoofdlijnen per thema aangegeven waar bij de planontwikkeling rekening mee moet worden gehouden. Verdere achtergrond en eisen zijn terug te vinden in de Agenda en Actieplan Klimaatadaptatie Aalsmeer. A. Wateroverlast: inrichting voor extreme buien; Ambitie: Bij een bui van 70 mm in één uur (die gemiddeld 1x per 100 jaar voorkomt) stroomt er vanuit de openbare ruimte geen water gebouwen in; daarnaast blijven nutsvoorzieningen en vitale objecten functioneren bij een bui van 90 mm in één uur.
Op openbaar en privaat terrein streeft de gemeente ernaar dat regenwater als waardevol product wordt gezien. De gemeente streeft ernaar dat regenwater zoveel mogelijk opgevangen wordt waar het valt, hergebruikt wordt (groen, grondwater, toilet) of vertraagd wordt afgevoerd (invulling van de drietrapsstrategie Vasthouden-Bergen-Afvoeren) Nieuwbouw:
17
Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt een waterbergingseis van 70 mm voor het te ontwikkelen gebied. Deze waterberging moet primair een plaats vinden in oppervlaktewater (minimaal 10% van het plangebied). De openbare ruimte en privaat terrein moeten zo zijn ontworpen en ingericht dat de resterende berging hier plaatsvindt en het water zonder schade kan worden vastgehouden, geborgen en afgevoerd. Dit moet worden aangetoond in het ontwerp. B. Hitte, beperken van de impact Ambitie: De hitte-impact is in 2050 niet erger dan in 2020; knelpunten van kwetsbare groepen uit de stresstest zijn onderzocht en waar nodig maatregelen getroffen. De negatieve gezondheidsimpact op kwetsbare groepen wordt verkleind; de openbare ruimte, gebouwen, nutsvoorzieningen en vitale functies worden hittebestendiger ingericht. Nieuwbouw: Bij nieuwbouwontwikkeling streeft de gemeente naar een zodanige inrichting van het gebied dat de gevoelstemperatuur binnen aanvaardbare normen blijft. Koele verblijfsplekken van minimaal 200 m2 zijn aanwezig op maximaal 300 m loopafstand om (de gevolgen van) hitte voor mens en natuur te beperken. Verblijfsplekken worden met minimaal 50% groen en 30% schaduw ingericht (bomen tellen voor beide). Daarbij is het van belang dat er rekening wordt gehouden met de bestaande Flora en Fauna en voor nieuwe beplanting keuzes worden gemaakt voor gebiedseigen Flora en Fauna. C.
Droogte: vergroten sponswerking; Ambitie: Droogte leidt niet tot onomkeerbare schade aan gebouwen, infrastructuur en natuur. Nieuwbouw: Een gebied bij een nieuwbouwontwikkeling wordt neerslagbergend en afvoervertragend ingericht. Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water worden voorzien. Daarom wordt het principe van de verdringingsreeks gehanteerd: vasthouden, bergen en afvoeren. Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 30 jaar worden in het ontwerp opgenomen, zoals langdurige voorbelasting om restzetting te beperken. D. Waterveiligheid: regionaal samenwerken aan gevolgbeperking. Ambitie: Om de waterveiligheid blijvend te borgen draagt de gemeente actief bij aan de regionale samenwerking. Het waterschap is leidend bij dijkversterkingen en de Veiligheidsregio bij gevolgbeperking van overstromingen. Nieuwbouw: Inpassing van waterkeringen en gevolgbeperking van overstromingen zijn onderdeel van het ontwerpproces van de gebouwen en nieuwe inrichting. De gemeente heeft ervoor gekozen om de uitwerking van klimaatadaptieve eisen met de programmering van reconstructies en herinrichtingen en de SO-projecten mee te nemen (“meekoppelkansen benutten”).
18
4
WATEROPGAVE
4.1
Toekomstig afvoerend oppervlak Het toekomstig afvoerend oppervlak is bepalend voor de wateropgave. Dit oppervlak is bepaald op basis van de tekening van het stedenbouwkundigplan d.d. 4 november 2021 (bijlage B2). De volgende oppervlakken zijn vastgesteld: Tabel 1: Oppervlakken in nieuwe situatie
4.2
Type oppervlak
oppervlak [m2]
Verharding
57.117
Water
22.426
Uitgeefbaar woonterrein
122.815
Groen
61.443
Wadi’s / Greppels
2.478
Totaal
266.279
Wateropgave De wateropgave wordt bepaald aan de hand van de criteria die in paragraaf 3.3 zijn genoemd. Hierbij is het ook afhankelijk welke oppervlakken er in de huidige en in de toekomstige situatie komen te liggen. Een overzicht van de wateropgave is in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 2: Wateropgave Type oppervlak
Oppervlak [m2]
Factor
Oppervlak [m2]
Huidig water
8.610
1*
8.610
Huidige verharding
71.058
- 0,15**
- 10.659
Nieuwe verharding
57.117
0,15
8.568
Uitgeefbaar woonterrein
85.971***
0,15
12.896
Totaal
19.415
* Bestaand water dient 1 op 1 terug te komen. ** De wateropgave gaat over de toename van verhard oppervlak, dus de benodigde berging voor het huidig verhard oppervlak mag in mindering gebracht worden. *** Bij het uitgeefbaar terrein mag er vanuit gegaan worden dat 70 % verhard wordt: 70 % x 122.815 m2 = 85.971 m2
4.3
Regenwaterafvoer Voor de afvoer van hemelwater kan gebruik gemaakt worden van een HWA-stelsel. Waar mogelijk mag er ook oppervlakkige afwatering plaats vinden in de richting van bermen en sloten. Hierbij moet gezorgd worden dat bij extreme buien van 70 mm in 1 uur of 90 mm in 1 uur bij vitale objecten geen overlast plaats vind. Dit dient
19
aangetoond te worden met hydraulische berekeningen, waarbij ook het maaiveld beschouwd wordt (1D – 2D modelering). In het later op te stellen afwateringsplan (vergelijkbaar met rioleringsplan) worden deze berekeningen uitgevoerd en wordt de afwatering per straat nader gedimensioneerd. Hieruit volgen de leidingdiameters, diepteliggingen van de leidingen en het benodigde verhang van het maaiveld op knelpunten. In verband met het beheer en onderhoud, dient als minimale diameter 300 mm aangehouden te worden. Locaties waar het water van richting verandert of vanuit verschillende richtingen samenkomt verdienen extra aandacht in het afwateringsplan.
4.4
Droogweerafvoer Het huishoudelijk afvalwater dient via droogweerafvoerriolering (DWA-riolering) te worden aangesloten op de bestaande riolering in de Aalsmeerderweg, ten noordwesten van het plangebied. Voor de afvoer van het DWA moet gezamenlijk met de rioolbeheerder worden gekeken hoe het eerste deelplan maar ook de andere deelplannen moeten worden aangesloten op de persleiding bij de Aalsmeerderweg. De gemeente heeft de wens om het volledige projectgebied, dus inclusief fase 2, 3 en onder vrij verval aan te sluiten op bij voorkeur 1 gemaal.
20
5
INVULLING WATEROPGAVE Voor de invulling van de wateropgave kan er gebruik gemaakt worden van verschillende methoden om het hemelwater te verwerken. Bij de keuze van toepasbare methoden gelden de volgende overwegingen: In de stedenbouwkundige visie zijn verschillende waterbergende wateren voorzien. Het streven is om zoveel mogelijk water binnen de woonwijk vast te houden. De bodem van het plangebied bestaat voor de bovenste 6 m uit klei, waarvan wordt ingeschat dat de infiltratiecapaciteit laag is. De ledigingstijd is dermate lang dat kunstmatige ingrepen nodig zijn om leegloop door infiltratie te laten werken. Het verhogen van de doorlatendheid (zoals een grondverbetering) is financieel niet haalbaar door de grote dikte van de slecht doorlatende deklaag. Toepassing van diepinfiltratie geeft risico’s voor de beheersbaarheid van de voorzieningen en het milieu. Hierom is er voor gekozen om water op te vangen in het gebied en vertraagd via de watergangen af te voeren. Het benutten van regenwater met regentonnen of soortgelijke varianten heeft over het algemeen nauwelijks effect op de wateropgave. Een regenton heeft een beperkte inhoud (circa 200 l). Bij een dakoppervlak van bijvoorbeeld 80 m2 is dit slechts 2,5 mm. Hier komt ook bij dat de ledigingstijd niet controleerbaar is.
Hierom wordt op voorhand er niet vanuit gegaan dat deze voorzieningen in het gebied worden toegepast. Particuliere initiatieven worden desondanks wel gewaardeerd en dragen bij, bij het voorkomen van wateroverlast. Op basis van bovenstaande overwegingen wordt centrale berging in watergangen als een robuuste en haalbare optie aangemerkt. In de berekeningen van de hoeveelheid toe te passen berging wordt geen reductie toegepast voor infiltratie omdat de infiltratiewaarde laag is. Met behulp van hydraulische berekeningen moet aangetoond worden dat er geen water vanuit de openbare ruimte gebouwen in stroomt bij een bui van 70 mm in één uur. Daarnaast moeten nutsvoorzieningen en vitale objecten blijven functioneren bij een bui van 90 mm in één uur.
5.1
Waterberging In paragraaf 4.2 is de wateropgave voor het projectgebied bepaald. Hieruit kwam naar voren dat er in fase 1 van het projectgebied 19.415 m2 watergang moet worden aangelegd als compensatie voor de ontwikkeling in het gebied. In de tekening van de stedenbouwkundige visie (d.d 4 november 2021, bijlage B2) is rekening gehouden met waterpartijen in het gebied. In totaal is er in de stedenbouwkundige visie 22.426 m2 water voorzien. Hiermee wordt dus voldaan aan de wateropgave van de ontwikkeling. Het streven is om watergangen zo te dimensioneren dat de stroming niet zo hoog wordt dat erosie optreedt. De watergangen worden waar mogelijk uitgevoerd met een onderwatertalud van minimaal 1:3. Bij de smalle watergangen in het de kern van deelgebied 1 is dit niet mogelijk en hier wordt beschoeiing toegepast. Een aantal van de watergangen hebben veel ruimte aan minimaal 1 zijde van de watergang (oranje omlijnde gebieden Afbeelding 7). Hier is het mogelijk om met flauwere taluds te werken en deze taluds ook in te richten als natuurvriendelijke oevers, wat de voorkeur van Hoogheemraadschap Rijnland heeft. Wanneer de stroomsnelheid in een watergang te hoog wordt dient er beschoeiing te worden toegepast. Dit is ook het geval als de watergang een flauw talud heeft.
21
Afbeelding 7: Locaties met kansen op flauwe taluds Het voordeel van de flauwere taluds is ook dat er meer water geborgen kan worden in de watergang. Hierdoor stijgt het waterpeil bij neerslag in het peilgebied minder snel. De maximale peilstijging ten bate van watercompensatie mag bij T=10 NAP – 4,59 m en bij T=100 NAP – 4,39 m zijn (bijlage B3, Toelichting peilbesluit Hoogheemraadschap Rijnland 2018). Aangezien het minimale maaiveldniveau van de toekomstige ontwikkeling 1 meter boven zomerpeil moet liggen is het toekomstig maaiveld peil minimaal NAP – 4,02 m. Dit betekent dat bij een T=100 gebeurtenis er een drooglegging van 37 cm (Afbeelding 8) is. Voor meer veiligheid hanteert Hoogheemraadschap Rijnland een verschil van 1,20 m tussen het zomerpeil en het maaiveldniveau. De wegas dient volgens de richtlijn van de gemeente Aalsmeer minimaal 1,30 m boven zomerpeil te liggen. Dit houdt in dat de as van de weg minimaal op NAP – 3,72 m moet liggen.
Afbeelding 8: Drooglegging bij peilstijgingen T=10 en T=100
22
5.2
Afvoer hemelwater Vanuit de straten en de woningen moet het water richting de watergangen worden getransporteerd. Dit gebeurt bij normale omstandigheden met een HWA-stelsel, maar bij extreme situaties wordt het water oppervlakkig afgevoerd. Onderstaand wordt per deelgebied (Afbeelding 9) aangegeven hoe de afwatering dient te verlopen.
Afbeelding 9: Deelgebieden afwatering
5.2.1
Deelgebied 1 Door het midden van deelgebied 1 lopen twee watergangen van zuid naar noord. Door de aanwezigheid van deze watergangen is het voor een groot deel mogelijk om deelgebied 1 oppervlakkig af te laten stromen richting het oppervlaktewater. De maximale afstand van een locatie naar een watergang is ongeveer 130 meter. Voor een oppervlakkige afwatering is minimaal een verhang van de goten van 4 ‰ benodigd. Dit betekent dat het hoogste punt van het gebied circa 0,5 m moet zijn. Het lijkt niet haalbaar om dit hoogteverschil in het projectgebied te realiseren. Hierom dient het water van een deel van het projectgebied ondergronds afgevoerd te worden. De diameter van de leidingen wordt in het rioolplan bepaald aan de hand van modelberekeningen. De leidingen dienen op verschillende locaties te worden aangesloten op de watergangen, zodat het hemelwater wordt verdeeld over het watersysteem. Voor de extreme situaties dient met behulp van hydraulische berekeningen aangetoond te worden dat geen schade aan panden of nutsvoorzieningen ontstaat. Met behulp van een 1D – 2D modelering dient dit aangetoond te worden in het afwateringsplan.
23
5.2.2
Deelgebied 2 Het hemelwater uit deelgebied 2 wordt volledig ondergronds afgevoerd. De positionering van de woningen en wegen ten opzichte van het oppervlaktewater is ongunstig om het water oppervlakkig af te voeren. Om het water in deze watergangen te krijgen dient er ondergronds een leidingstelsel aangelegd te worden. De overstorten van deze hemelwaterleiding worden op verschillende locaties aangelegd om zo het water te verdelen over de watergangen rondom deelgebied 2. De exacte diameters van de leidingen en de locaties van de overstorten worden bepaald bij het opstellen van het rioleringsplan. Aangezien de watergangen hier verder weg liggen van de bebouwing is het ook een grotere opgave om de piekbuien van 70 mm in één uur en 90 mm in één uur te verwerken. Met behulp van hydraulische berekeningen dient aangetoond te worden dat geen schade ontstaat aan gebouwen, nutsvoorzieningen en vitale objecten.
5.2.3
Deelgebied 3 Het Hemelwater uit deelgebied 3 dient volledig ondergronds te worden afgevoerd. Door de wijk lopen geen watergangen, waardoor het hemelwater alleen kan worden afgevoerd naar de watergangen die om de wijk heen liggen. Om het water in deze watergangen te krijgen dient er ondergronds een leidingstelsel aangelegd te worden. De overstorten van deze hemelwaterleiding worden op verschillende locaties aangelegd om zo het water te verdelen over de watergangen rondom deelgebied 3. De exacte diameters van de leidingen en de locaties van de overstorten worden bepaald bij het opstellen van het rioleringsplan. Aangezien de watergangen hier verder weg liggen van de bebouwing is het ook een grotere opgave om de piekbuien van 70 mm in één uur en 90 mm in één uur te verwerken. Met behulp van hydraulische berekeningen dient aangetoond te worden dat geen schade ontstaat aan gebouwen, nutsvoorzieningen en vitale objecten.
24
6
WATERPARAGRAAF Hoogheemraadschap Rijnland heeft in het beleid staan dat er compensatie moet worden aangebracht voor nieuw verhard oppervlak of het dempen van watergangen. Deze compensatie is de wateropgave van het project. Voor deelgebied 1A van het project OED Aalsmeer bedraagt de wateropgave 21.257 m2. Dit houdt in dat er binnen het plan 21.257 m2 aan waterpartijen moet worden opgenomen om de extra verharding, het uitgeefbaar terrein en de hoeveelheid gedempt water op te vangen. In het stedenbouwkundig plan zijn verschillende waterpartijen opgenomen die een waterbergende functie hebben. In totaal is er voor 22.426 m2 aan waterpartijen opgenomen. Dit betekent dat er een overschot van 1.169 m2 aan waterberging in het plan is opgenomen. Met het oog op de klimaatverandering is extra berging nooit verkeerd. Voor de toetsing van het gemeentelijke beleid dienen hydraulische berekeningen te worden uitgevoerd. Hierbij mag geen instromend water zijn in panden bij een 70 mm neerslag in één uur. Nutsvoorzieningen en vitale objecten mogen geen schade oplopen bij een extreme bui van 90 mm neerslag in één uur. Met behulp van een 1d – 2d hydraulische berekening dient dit aangetoond te worden in het afwateringsplan. Er is getracht om een zo groot mogelijk deel van het te ontwikkelen gebied oppervlakkig af te laten voeren richting de waterpartijen.
Doordat er voor oppervlakkige afvoer echter een minimaal verhang van 4 ‰ benodigd is, is dit voor een groot deel van het plan niet mogelijk. Voor dit deel dient het hemelwater afgevoerd te worden met een leidingstelsel. Dit leidingstelsel loost het hemelwater door middel van verschillende uitstroompunten rechtstreeks op de waterpartijen. Door gebruik te maken van verschillende uitstroompunten, wordt het hemelwater verdeeld over het gebied. Ook kunnen lokaal op knelpunten groenstroken, maaiveldverlagingen of waterpartijen aangelegd worden om hemelwater lokaal vast te houden en te bergen. De droogweerafvoer dient aangesloten te worden op de bestaande riolering in de Aalsmeerderweg, ten noordwesten van het gebied. Voor de afvoer van het DWA moet gezamenlijk met de rioolbeheerder worden gekeken hoe het eerste deelplan maar ook de andere deelplannen moeten worden aangesloten op de persleiding bij de Aalsmeerderweg. De gemeente heeft de wens om het volledige projectgebied, dus inclusief fase 2, 3 en onder vrij verval aan te sluiten op bij voorkeur 1 gemaal.
25
BIJLAGEN
B1 TOELICHTING BOUWBESLUIT
B1-1
B2 TEKENING STEDENBOUWKUNDIG PLAN
B2-1
Aalsmeerderweg
S
Delen
S
30 app.
S
36 app.
S
S
S
Delen
kiss&ride
S
26
Reservering school
S
plot: 3470m²
5L
e
m eg
L
S
k
j i d er
26 5L
Delen
32 25
6L
32
S
18 5L
38
sh
ar
M
7L
el
ng
lsi
al
PARKEREN buurt 1 Behoefte Sociaal
L
eg
Aantal Norm
Totaal
BEBO
8
1,5
12
Rij 4,20
14
1,5
Rij 4,80
10
1,5
Rij 5,10
10
Rij 6,30
7
Middeld. Appartement klein
Behoefte
Aantal Norm
Totaal
35
1
35
21
Appartement mid
10
1,2
12
15
Appartement groot
18
1,5
27
1,7
17
Middeld. Appartement klein
33
1,3
1,5
10,5
Appartement mid
33
1,5
7
1,3
9,1
Appartement groot
16
1,9
Appartement mid
10
1,5
15
50
2,2
Appartement groot
13
1,9
24,7
BEBO
14
1,3
18,2
Rij 4,20
0
1,9
0
Getekend Haaks (Openbaar)
27
1
Rij 6,30
13
1,9
24,7
Langs (Openbaar)
0
Middeld. Rij 5,40
75
1,9
142,5
Enkel
Tweekapper 6,0
40
2,2
88
Vrijstaand 6,3
40
2,2
88
ijk
261
Sociaal
PARKEREN buurt 3
Appartement klein
erd
me
PARKEREN buurt 2
Appartement klein
28
Appartement mid
8
1,2
9,6
Appartment groot
16
1,5
24
42,9
Rij 4,20
37
1,5
55,5
49,5
Rij 4,80
12
1,5
18
30,4
Rij 5,10
6
1,7
10,2
110
Middeld. Appartement klein
8
1,3
10,4
306,8
Appartement mid
14
1,5
21
Appartement groot
14
1,9
26,6
27
BEBO
10
1,3
13
1
0
Poortwoning
20
1,9
38
280
1
280
Rij 4,20
50
1,9
95
Twee achter elkaar
0
1,3
0
Vrije sec. Rij 5,1
16
1,9
Twee naast elkaar
0
1,8
0
Rij 5,4
139
Deelmobiliteit
2
10
20
Tweekapper 6,0
327
Vrijstaand 6,3
Getekend Haaks (Openbaar)
269
1
269
Langs (Openbaar)
27
1
27
Enkel
38
1
38
Getekend Haaks (Openbaar)
Twee achter elkaar
24
1,3
31,2
Twee naast elkaar
56
1,8
100,8
Deelmobiliteit
2
10
20 486
Saldo
Oppervlak
Factor Watervraag 1
8610 m²
Onderdeel
Huidige verharding
71058 m²
-0,15
-10659 m²
Uitgeefbaar
122815 m²
46,1%
30,4
Nieuwe verharding
57117 m²
0,15
8568 m²
Groen
61443 m²
23,1%
1,9
264,1
Nieuw uitgeefbaar gebied
122815 m²
0,12
14738 m²
Verharding
57117 m²
21,5%
16
2,2
35,2
* 80% verhard van kavels
21257 m²
Water
22426 m²
8,4%
5
2,2
11
Wadi's / greppels
2478 m²
0,9%
Plangebied
266279 m²
100,0%
690
395
1
395
Langs (Openbaar)
85
1
85
Enkel
115
1
115
Twee achter elkaar
9
1,3
11,7
Twee naast elkaar
56
1,8
100,8
Deelmobiliteit
2
10
20 727,5
Saldo
RUIMTEGEBRUIK 8610 m²
20,2
0,3
WATERBALANS Huidig water
399 Saldo
Totaal
1
195
Sociaal
Aantal Norm 28
Middeld. Rij 5,40
485,7
Behoefte
37,5
Nieuw water in gebied
22426 m²
Verschil
1170 m²
Aandeel
Oosteindedriehoek Aalsmeer onderdeel:
Verkavelingsplan projectnummer: schaal: formaat: datum:
3431 1:1000 A0 04-10-2021
S
30 app.
Delen
S S
36 app.
S
S
S
Delen
kiss&ride
S
26
Reservering school
S
plot: 3470m²
5L
S
26 5L
Delen
32 25
6L
32
S
18 5L
38 7L
WONINGTYPOLOGIE Sociaal
Buurt 1
Buurt 2
Buurt 3
49
63
107
App. klein
0
35
28
App. middel
0
10
8
App. groot
0
18
16
BEBO
8
0
0
Rij 4,20
14
0
37
Rij 4,80
10
0
12
Rij 5,10
10
0
6
Rij 6,30
7
0
0
57
82
116
App. klein
7
33
8
App. middel
10
33
14
App. groot
13
16
14
BEBO/poort
14
0
30
Rij 4,20
0
0
50
Rij 6,30
13
0
0
Middelduur
Vrije sector
155
50
176
Rij 5,10
0
0
16
Rij 5,40
75
50
139
TOEK 6,0
40
0
16
Vrijstaand
40
0
5
261
195
399
Oosteindedriehoek Aalsmeer onderdeel:
Woningtypologie projectnummer: schaal: formaat: datum:
855
3431 1:1000 A0 04-10-2021
S
30 app.
Delen
S S
36 app.
S
S
S
Delen
kiss&ride
S
26
Reservering school
S
plot: 3470m²
5L
S
26 5L
Delen
32 25
6L
32
S
18 5L
38 7L
WONINGTYPOLOGIE Sociaal
Buurt 1
Buurt 2
Buurt 3
49
63
107
App. klein
0
35
28
App. middel
0
10
8
App. groot
0
18
16
BEBO
8
0
0
Rij 4,20
14
0
37
Rij 4,80
10
0
12
Rij 5,10
10
0
6
Rij 6,30
7
0
0
57
82
116
App. klein
7
33
8
App. middel
10
33
14
App. groot
13
16
14
BEBO/poort
14
0
30
Rij 4,20
0
0
50
Rij 6,30
13
0
0
Middelduur
Vrije sector
155
50
176
Rij 5,10
0
0
16
Rij 5,40
75
50
139
TOEK 6,0
40
0
16
Vrijstaand
40
0
5
261
195
399
Oosteindedriehoek Aalsmeer onderdeel:
Woningcategorie projectnummer: schaal: formaat: datum:
855
3431 1:1000 A0 04-10-2021
B3 UITGANGSPUNTEN NOTITIE WATERHUISHOUDING
B3-1
HaskoningDHV Nederland B.V. Transport & Planning
Memo Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie:
Van Wanrooij Projectontwikkeling Hilde van Daal en Henny van Dijk (Royal HaskoningDHV) 8 oktober 2020 BH2969_T&P_NT_2010020852 Projectgerelateerd
Onderwerp:
Uitgangspunten waterhuishouding GREX Oosteindedriehoek Aalsmeer
1
Inleiding
Ten behoeve van de ontwikkeling Oosteindedriehoek in Aalsmeer heeft Van Wanrooij Projectontwikkeling Royal HaskoningDHV opdracht gegeven om een civieltechnische raming op te stellen ten behoeve van de grondexploitatie (GREX). Deze raming wordt op basis van de ruimtelijke visie van SVP inclusief de bijbehorende tekeningen (d.d. 31 maart 2020) opgesteld. In figuur 1 is een overzicht gegeven van deze ruimtelijke visie. Het plangebied is begrensd door de Aalsmeerderweg aan de noordzijde en door de Legmeerdijk (N231) aan de zuidzijde; in de zuidwesthoek is de rotonde gelegen N231/Snoekbaarsstraat. Het plangebied is in vier fasen onderverdeeld waarbij in totaal ca. 1.753 woningen worden gebouwd met een mogelijke uitbreiding naar 2.000 woningen.
Aalsmeerderweg
Figuur 1: Overzicht ruimtelijke visie SVP (d.d. 31 maart 2020) ontwikkeling Oosteindedriehoek in Aalsmeer
8 oktober 2020
BH2969_T&P_NT_2010020852
1/8
Een onderdeel van de GREX-raming is een globale uitwerking van de toekomstige waterhuishouding van de ontwikkeling. In deze notitie zijn in het kort de uitgangspunten per onderdeel (vuilwaterafvoer, hemelwaterafvoer en oppervlaktewater) opgenomen die gebruikt zijn voor deze raming. Als leidraad zijn hierbij de volgende documenten gehanteerd: - Handreiking watertoets, Hoogheemraadschap van Rijnland, versie december 2011; - De keur 2020 en toelichting keur 2020; - Uitvoeringsregels keur 2020; Aangezien vooralsnog beperkt contact is geweest met waterschap Rijnland, zijn onderstaande uitgangspunten op 8 juli jl. met de gemeente Aalsmeer afgestemd. Verder is in deze notitie opgenomen een eerste principe voorstel voor de afvoer van het vuil- en hemelwaterafvoer en de benodigde waterberging.
2
Uitgangspunten
2.1
Uitgangspunten vuilwaterafvoer
In tabel 1 zijn de ontwerpnormen ten behoeve van de vuilwaterafvoer in het plangebied opgenomen. Tabel 1: Ontwerpnormen vuilwaterafvoer Aspect
Ontwerpnorm
Opmerkingen
Bestaande maaiveldhoogte
Gemiddeld NAP -4,18m
Berekend voor Fase 1
Toekomstig maaiveld
Minimale hoogte NAP -4,02m. Uitgangspunt gesloten grondbalans
O.b.v. minimale ontwateringsdiepte rijbanen van 1m boven zomerpeil (NAP -5,02m)
Stelseltype
Gescheiden stelsel
Bij nieuwbouwwijken
Afvoer
Voorkeur onder vrij verval op stelsel gemeente
Doordat leidingen waterpartijen moeten kruisen, is geheel onder vrijval leggen van dwa i.v.m. diepteligging niet mogelijk. Voorstel is om meerdere pompgemalen aan te brengen met persleiding naar stelsel gemeente. Gemeente gaat met voorstel akkoord.
Aansluitpunt op bestaande riolering
Op stelsel in Aalsmeerderweg ten noordwesten van plangebied
Gemeente stemt dit intern nog af waarbij ook de benodigde capaciteit wordt meegenomen. Gehele ontwikkeling aansluiten op Nieuw Oostzijde is qua capaciteit niet mogelijk. Focus op ca. 1400 woningen van fase 1 en 2. Planning ontwikkeling overige fasen na 2030
Waterverbruik
12 l/u per inwoner gedurende 10 uur per dag. Gemiddeld 3 inwoners per woning
Op aangeven van de gemeente is het gemiddelde aantal inwoners per woning vergroot van 2,5 naar 3 inwoners
Aantal woningen
Fase 1: 1.022 stuks Fase 2: 346 stuks Fase 3: 246 stuks Fase 4: 139 stuks Totaal 1.753 stuks woningen
Aantallen kunnen nog aangepast worden naar ca. 2.000 stuks woningen
Verhang
-
Minimale dekking
1,2 m
8 oktober 2020
Eerste 150m → min. 1:250 Volgende 150m → 1:333 Verzamelstrengen → min 1:500
In overleg met gemeente is verhang bij nadere uitwerking bespreekbaar.
CHECK LIOR: gemeente deelt deze
BH2969_T&P_NT_2010020852
2/8
Aspect
Ontwerpnorm
Opmerkingen Minimale dekking op de leiding onder watergang zie uitgangspunten oppervlaktewater
Minimale leidingdiameter
Ø250mm
I.v.m. beheer en onderhoud is in de GREX-raming uitgegaan van een diameter van 315mm
Materiaal vrijvervalleidingen
PVC
Maximale strenglengte
80m
Gemeente heeft aangegeven dat eis maximale strenglengte van 50m bespreekbaar is. Gemeente gaat akkoord met 80m
Locatie pompgemaal
Op parkeerplaats
Voorkeur gemeente: niet in groenvoorziening
Voor de GREX-raming is ervan uitgegaan dat in alle rijbanen een vuilwaterleiding wordt aangebracht (worst case). Alle woningen kunnen aan de voorzijde aangesloten worden. Doordat de leidingen de waterpartijen moeten kruisen, is het geheel onder vrij verval aanleggen van de vuilwaterafvoer niet mogelijk in verband met de diepteligging. Voorstel is om meerdere pompgemalen aan te brengen met een centrale afvoer middels een persleiding naar het gemeentelijke stelsel. In figuur 2 is het principevoorstel van de vuilwaterafvoer weergegeven.
Fase 1 Aansluiting op bestaand stelsel,
Fase 2
Fase 3
Fase 4
Pompgebied Pompgemaal Persleiding In alle rijbanen wordt vrijverval vuilwaterriolering aangebracht zodat woningen aan voorzijde aangesloten kunnen worden op vuilwaterafvoer (ø250mm) Fase 1: 5.480 m Fase 2: 2.030 m Fase 3: 1.350 m Fase 4: 270 m
Figuur 2: Principevoorstel vuilwaterafvoer Oosteindedriehoek te Aalsmeer
8 oktober 2020
BH2969_T&P_NT_2010020852
3/8
2.2
Uitgangspunten hemelwaterafvoer
In tabel 2 zijn de ontwerpnormen ten behoeve van de hemelwaterafvoer in het plangebied opgenomen. Tabel 2: Ontwerpnormen hemelwaterafvoer Aspect
Ontwerpnorm
Opmerkingen
Stelseltype
Gescheiden stelsel
Bij nieuwbouwwijken
Afvoer
Voorkeur gemeente bovengronds op maaiveldniveau (kolkenloos) → geen harde eis
Gezien de afstand van de woningen naar het oppervlaktewater is een geheel bovengrondse afvoer niet mogelijk. Woningen en rijbanen direct gelegen aan het oppervlaktewater, zouden wel bovengronds kunnen afwateren.
Afvoer woningen
Voorkeur ondergronds met overstort op openbaar profiel
Middels omgekeerde kolk op erfgrens. Minimaal helft van daken afkoppelen
Benodigde capaciteit
90mm/uur zonder overlast in woningen (20mm in stelsel, 70mm in inrichting)
Water-op-straat en water in tuinen is bij deze bui geaccepteerd; geen water in de woningen
Uitstroom hemelwaterafvoer
Op oppervlaktewater
Uitstroomvoorziening in afstemming met talud en dient bestand te zijn tegen onderhoudsregime; duurzame oplossing welke goed te onderhouden is. Voorkomen wegspoelen zand
Minimale dekking
1,2 m
Minimale dekking op de leiding onder watergang zie uitgangspunten oppervlaktewater
Minimale leidingdiameter
Ø250mm
Maximale strenglengte
80m
Gemeente heeft aangegeven dat eis maximale strenglengte van 60m bespreekbaar is. Gemeente gaat akkoord met 80m
Diameter afvoer t.b.v. raming
O.b.v. 90 l/s/ha, handmatig berekend met formule van Colebrook, volledig gevulde buizen.
Gemeente volgt beleid MRA (Metropool Regio Amsterdam). De consequenties voor de raming moeten nog worden uitgezocht en verwerkt. Aantal overstorten per fase conform voorstel (zie figuur 3) zijn hierbij meegenomen. Inschatting percentage diameters: Max. diameter: 40% 1 maat kleiner: 30% 2 maten kleiner: 30%
Voor de GREX-raming is ervan uitgegaan dat in alle rijbanen een hemelwaterleiding wordt aangebracht (worst case). Gezien de afstand van de woningen naar het oppervlaktewater is een geheel bovengrondse afvoer niet mogelijk. Woningen en rijbanen direct gelegen aan het oppervlaktewater, zouden wel bovengronds kunnen afwateren. Voor de raming is daar in eerste instantie niet vanuit gegaan. Om de diameter van de hemelwaterleiding te beperken is uitgegaan van meerdere hemelwateruitlaten op het oppervlaktewater per fase. In figuur 3 is het principevoorstel van de hemelwaterafvoer weergegeven.
8 oktober 2020
BH2969_T&P_NT_2010020852
4/8
Hemelwaterafvoer woningen wordt ondergronds aangesloten op hemelwaterleidingen in rijbaan. Afvoer onder vrijverval met uitstroom op Woningen worden aan voorzijde aangesloten Fase 1: 5.480 m Fase 2: 2.030 m Fase 3: 1.350 m Fase 4: 270 m Hwa-uitlaat op oppervlaktewater Figuur 3: Principevoorstel hemelwaterafvoer Oosteindedriehoek te Aalsmeer
2.3
Uitgangspunten oppervlaktewater
In tabel 3 zijn de ontwerpnormen ten behoeve van het oppervlaktewater in het plangebied opgenomen. In het toekomstige plan worden de bestaande zomer- en winterpeilen gehandhaafd. Er wordt vanuit gegaan dat 30cm peilstijging boven het zomerpeil mogelijk is ten behoeve van watercompensatie aanleg extra verhard oppervlak. Tabel 3: Ontwerpnormen oppervlaktewater Aspect
Ontwerpnorm
Opmerkingen
Huidig streefpeil in plangebied
Zomerpeil (ZP) NAP -5,02m Winterpeil (WP) NAP -5,12m
Opgave Hoogheemraadschap van Rijnland
Grondwater
Nog nader te bepalen
Gemeente heeft grondwatermeetnet → gemeente zoekt uit
Dempingen bestaande watergangen
-
Niet toegestaan bij primaire watergangen 100% compenseren in plangebied
Benodigd watercompensatie t.b.v. aanleg extra verhard oppervlak
Wateroppervlak op streefpeil minimaal 15% van aan te leggen extra verhard oppervlak
Aandachtspunt vanuit Rijnland: Rondom plangebied (westzijde Aalsmeerderweg) is veel verharding aanwezig en afvoer vanuit gebied is beperkt. Meer compenseren i.v.m. klimaatadaptatie → bijv laag speelveld inrichten als waterberging
Percentage verhard oppervlak t.b.v. ontwerpnorm watercompensatie
Uitgeefbaar terrein: 70% Openbare verharding: 100% Water: 100%
Opmerkingen HS Rijnland nog niet ontvangen
8 oktober 2020
BH2969_T&P_NT_2010020852
5/8
Aspect
Ontwerpnorm
Opmerkingen
Maximale peilstijging t.b.v. watercompensatie
T=10: NAP -4,59m (0,43m t.o.v. ZP) T=100: NAP -4,39m (0,63m t.o.v. ZP)
Zie figuur 4 voor overzicht streefpeilen en maximale peilstijgingen in plangebied
Taluds
Minimaal 1:3
Soms beschoeiing wenselijk Voorkeur Hoogheemraadschap voor natuurvriendelijke oevers Advies: per locatie uitwerken en gemeente en Hoogheemraadschap mee laten kijken
Duikers (1)
Lengte maximaal 10 tot 15m
Beperkte lengte; uitzondering bij ontsluitingswegen? Opmerkingen HS Rijnland nog niet ontvangen
Duikers (2)
Indien oppervlaktewater: < 4m breed → min. ø600mm; b.o.b. 0,4m-WP Tussen 4 en 6m breed → min. ø800mm; b.o.b. 0,5m-WP Tussen 6 en 8m breed→ min. ø1000mm; b.o.b. 0,65m-WP
Breedte oppervlaktewater op waterlijn. B.o.b. duiker max. 10cm boven onderwaterbodem. Minimaal 20cm lucht in duikers.
Diepteligging K&L onder oppervlaktewater
Minimaal zonder bescherming: Primaire watergang: 2m Overige watergangen: 1,3m Minimaal met bescherming: Primaire watergang: 0,5m Overige watergangen: 0,5m
Diepteligging t.o.v. ingreepmaat. Minimale gronddekking 0,5m
Aanlegsteigers
Bij breedte watergang: >=3m en <10m → max. opp. 2,5m2 → max. br. 0,5m >=10m en <20m → max. opp. 5m2 → max. br. 1m >=20m en <50m → max. opp. 7,5m2 → max. br. 1,5m >=50m → max. opp. 10m2 → max. br. 1,5m
Afstand tussen 2 aanlegsteigers minimaal 2,5m
Onderhoud watergangen (1)
In principe vanaf de kant: Primaire watergangen → strook van 5m vrijhouden Overige watergangen → strook van 2m vrijhouden Openstaande vraag HS Rijnland → breder dan 6m varend onderhoud?
Strook gemeten vanaf insteek tot een hoogte van min. 4m t.o.v. maaiveld. Bij onderhoud vanaf water: Min. breedte op waterlijn: 6m Min. diepte op WP: 0,75m Min. doorvaarhoogte t.o.v. ZP: 1,25m Min. lengte: 250m Voldoende bootinlaatplaatsen aanbrengen
Onderhoud watergangen (2)
Primaire watergangen → Hoogheemraadschap Secundaire watergangen → Gemeente Overige watergangen → Particulier
8 oktober 2020
BH2969_T&P_NT_2010020852
6/8
Maaiveld NAP -3,82m (richtlijn Rijnland)
Minimale maaiveld NAP -4,02m Drooglegging richtlijn Rijnland 1,2m
Minimale drooglegging 1m
Peilstijging T100 NAP -4,39m
0,63m beschikbare bergingsschijf T=100
Peilstijging T10 NAP -4,59m ZP: NAP -5,02m WP: NAP -5,12m
Figuur 4: Overzicht streefpeilen en maximale peilstijgingen in plangebied
3
Fasering
Het plangebied is vooralsnog opgedeeld in vier fasen (zie figuur 1) waarbij de fasen gefaseerd ontwikkeld gaan worden. In eerste instantie zal alleen fase 1 en 2 uitgevoerd worden; fase 3 en 4 worden later aangebracht. In de tussentijdse situatie zal niet de gehele waterstructuur van watergangen worden aangebracht. Wel zal er een dusdanig watersysteem aangebracht worden, dat voldoet aan de volgende uitgangspunten: - Hemelwater afkomstig van fase 1 en 2 wordt goed afgevoerd; - Er is conform de eisen van HDR voldoende waterberging voor fase 1 en 2 aanwezig; - De tijdelijke waterstructuur zorgt niet voor overlast in omliggende peilgebieden en aangrenzende percelen.
4
Waterberging (Nog aanpassen na input HS Rijnland)
In tabel 4 en 5 zijn op basis van bovenstaande uitgangspunten de benodigde- en de beschikbare waterberging aangegeven met als resultaat het berekende overschot aan waterberging. De beschikbare waterberging is overgenomen uit de tekening van SVP d.d. 31 maart 2020. Betreffende getallen moeten na overleg met de gemeente en HSR nog worden gecontroleerd. Tabel 4: Overzicht berekening benodigde watercompensatie Bestaand verhard *
Toekomstig verhard **
Toename
Benodigde waterberging ***
Bergingsschijf
Benodigde waterberging
[m2]
[m2]
[m2]
[m2]
[m]
[m3]
Fase 1
85.160
165.315
80.155
12.023
0,3
3.607
Fase 2
46.286
59.052
12.766
1.915
0,3
574
Fase 3
35.365
45.535
10.170
1.526
0,3
458
Fase 4
18.182
16.807
-1.375
-206
0,3
-62
Totaal
184.993
286.709
101.716
15.257
4.577
*Bestaand wateroppervlak 100% meegenomen als verhard oppervlak **Gerekend met percentage verhard: - Uitgeefbaar terrein 70% - Openbare verharding 100% - Wateroppervlak 100% ***Benodigde waterging: 15% van aan te leggen extra verhard oppervlak
8 oktober 2020
BH2969_T&P_NT_2010020852
7/8
Tabel 5: Overzicht benodigde- en beschikbare waterberging Benodigde waterberging
Beschikbare waterberging *
Overschot
[m2]
[m2]
[m2]
Fase 1
12.023
18.522
6.499
Fase 2
1.915
8.030
6.115
Fase 3
1.526
9.063
7.538
Fase 4
-206
2.951
3.157
Totaal
15.257
38.566
23.309
*O.b.v. tekening SVP d.d. 31 maart 2020. Te controleren: Wateroppervlak op streefpeil gehanteerd??
8 oktober 2020
BH2969_T&P_NT_2010020852
8/8