Bijlage 2 regels TAM - omgevingsplan hoofdstuk 22d bodem aalsmeer
Tekst van het document
REGELS TAM OMGEVINGSPLAN BODEM AALSMEER Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het verwerken van de regels opgenomen in het TAM voorbereidingsbesluit bodem Aalsmeer en het TAM voorbereidingsbesluit staalslakken en grondstabilisatie Aalsmeer en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22d]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Aalsmeer. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22d] van het omgevingsplan van de gemeente Aalsmeer. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22d]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22d]’ gelezen worden.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
1
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen 4 Artikel 1 Begripsbepalingen 5 Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen 6 Artikel 3 Toepassingsbereik 8 HOOFDSTUK 2 Bodem 9 Afdeling 1.1 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie 10 Artikel 4 Uitbreiding begrip sanerende of andere beschermende maatregel 11 Artikel 5 Afwijkende en aanvullende beoordelingsregels met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie 12 Artikel 6 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering 13 Artikel 7 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: informatieplicht uitvoering sanering 14 Artikel 8 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: geschikt maken van de bodem 15 Artikel 9 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie 16 Afdeling 1.2 Graven 17 Paragraaf 1.2.1 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit 18 Artikel 10 Toepassingsbereik 19 Artikel 11 Voorafgaand bodemonderzoek 20 Artikel 12 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 21 Artikel 13 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur 22 Artikel 14 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op
locatie 23 Artikel 15 Grond gescheiden houden 24 Artikel 16 Tijdelijk uitnemen van grond 25 Artikel 17 Geen grond met PFAS terugplaatsen 26 Artikel 18 Tijdelijke opslag van vrijkomende grond 27 Paragraaf 1.2.2 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit 28 Artikel 19 Toepassingsbereik 29 Artikel 20 Voorafgaand bodemonderzoek 30 Artikel 21 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 31 Artikel 22 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur 32 Artikel 23 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie 33 Artikel 24 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk) 34 Artikel 25 Grond gescheiden houden 35 Artikel 26 Tijdelijk uitnemen en tijdelijke opslag van grond 36 Artikel 27 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen 37 Artikel 28 Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven bij dieper graven dan afdeklaag 38 Paragraaf 1.2.3 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven 39 Artikel 29 Toepassingsbereik 40 Artikel 30 Voorafgaand bodemonderzoek 41 Artikel 31 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 42 Artikel 32 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie 43 Artikel 33 Grondsoorten gescheiden houden 44 Artikel 34 Geen grond met PFAS terugplaatsen 45 Paragraaf 1.2.4
Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven 46 Artikel 35 Toepassingsbereik 47 TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
2
Artikel 36 Voorafgaand bodemonderzoek 48 Artikel 37 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit 49 Artikel 38 Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie 50 Artikel 39 Actuele risico’s 51 Artikel 40 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk) 52 Artikel 41 Grondsoorten gescheiden houden 53 Artikel 42 Geen grond met mobiele verontreiniging terugplaatsen 54 Afdeling 1.3 Saneren 55 Artikel 43 Toepassingsbereik 56 Artikel 44 Verwijderen verontreiniging met vluchtige stoffen 57 Artikel 45 Geen mobiele verontreiniging herschikken 58 Artikel 46 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond 59 Afdeling 1.4 Maatwerk 60 Artikel 47 Maatwerk 61 HOOFDSTUK 3 Toepassen van bouwstoffen op of in de bodem: Staalslakken en grondstabilisatie 62 Artikel 48 Toepassingsbereik 63 Artikel 49 Melding toepassen staalslakken 64 Artikel 50 Melding grondstabilisatie 65
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
3
HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
4
Artikel 1
Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22d.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
5
Artikel 2
Aanvullende begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk 22d gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen: 2.1 zone van de Bodemkwaliteitskaart gebied dat is ingedeeld in een zone op de zonekaart in bijlage I bij dit hoofdstuk 22d; 2.2 niet-gezoneerd gebied op de Bodemkwaliteitskaart gebied dat niet is ingedeeld in een zone op de zonekaart in bijlage I bij dit hoofdstuk 22d omdat er te weinig gegevens beschikbaar zijn over de bodemkwaliteit in dit gebied; 2.3 interventiewaarden bodemkwaliteit de waarden, opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving; 2.4 grond grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; 2.5 partij hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt; 2.6 locatie die is beschikt als ernst, geen spoed locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; 2.7 leeflaag een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van minimaal
1,0 m met dezelfde kwaliteitseisen die gelden voor het toepassen van grond of baggerspecie; 2.8 baggerspecie baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; 2.9 waarde toelaatbare kwaliteit bodem de waarde, bedoeld in artikel 22.30 van dit omgevingsplan, in samenhang met artikel 5, derde en vierde lid, van dit hoofdstuk 22d; 2.10 gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie lokale maximale waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie, opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder b, van de Omgevingswet; 2.11 bouwstof bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; 2.12 bindmiddelen niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips; 2.13 grondstabilisatie het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat als gevolg van de toevoeging van bindmiddelen aan de bodem; 2.14 staalslak TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
6
hoogovenslak of LD-staalslak; 2.15 hoogovenslak slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer in een hoogoven; 2.16 LD - staalslak slak die vrijkomt bij de bereiding van staal volgens de methode van Linz-Donawitz; 2.17 afdeklaag een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming; 2.18 locatie die is beschikt als ernst, geen spoed locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
7
Artikel 3
Toepassingsbereik
Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer, heeft betrekking op de geometrische bepaalde planobjecten die zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO met identificatienummer NL.IMRO.0358.TAMOP22d-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
8
HOOFDSTUK 2 Bodem
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
9
Afdeling 1.1 Bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
10
Artikel 4 Uitbreiding begrip sanerende of andere beschermende maatregel Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een sanerende of andere beschermende maatregel verstaan: 1. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of afdeling 1.3 van dit hoofdstuk 22d; of 2. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van lid 1.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
11
Artikel 5 Afwijkende en aanvullende beoordelingsregels met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie 1. In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, onder c, onder 2°, van het omgevingsplan geldt dat bij overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt genomen. 2. In aanvulling op artikel 22.29, eerste lid van het omgevingsplan wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie alleen verleend als: a. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of b. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld in het eerste lid, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel. 3.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in artikel 22.30, tweede lid, van het omgevingsplan is niet van toepassing voor zover het gaat om de aanwezigheid van lood ter plaatse van de tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf en school. 4. In afwijking van en in aanvulling op artikel 22.30, eerste lid, van het omgevingsplan zijn voor de stoffen lood en PFAS de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor verschillende bodemgevoelige gebruiksfuncties opgenomen in tabel 1.2, waarbij het gaat om de gemeten waarden zonder bodemtypecorrectie: Tabel 1.2 Waarden PFOA en Waarden PFOS Waarden lood (in Bodemgevoelige gebruiksfunctie som-waarden en overige PFAS mg/kg ds) PFAS-mengsels (in µg /kg ds) (in µg /kg ds) Ter plaatse van de tuin of andere buitenruimte: <0000> Woning <0000> Kinderdagverblijf <0000> School
370
60
59
Ter plaatse van het gebouw: <0000> Woning <0000> Kinderdagverblijf (geen wijziging: <0000> School Interventiewaarde Ter plaatse van het gebouw inclusief conform bijlage IIA 60 eventuele tuin of andere bij het Besluit buitenruimte: activiteiten <0000> Overige bodemgevoelige leefomgeving) gebouwen zoals winkel, kantoor
59
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
12
Artikel 6 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikelen 22.29 van het omgevingsplan en artikel 5, eerste lid van dit hoofdstuk 22d, wordt ook het voorschrift verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, een sanerende of beschermende maatregel is uitgevoerd.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
13
Artikel 7 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: informatieplicht uitvoering sanering Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikelen 22.29 van het omgevingsplan en artikel 5, eerste lid van dit hoofdstuk 22d, wordt ook het voorschrift verbonden dat het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het bevoegd gezag ten minste een week van te voren is geïnformeerd over de wijze waarop een sanerende of andere beschermende maatregel is genomen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
14
Artikel 8 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: geschikt maken van de bodem 1. Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikelen 22.29 van het omgevingsplan en artikel 5, tweede lid, onder b van dit hoofdstuk 22d, kan het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven. 2. Als aan een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het bodemgevoelige gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen zijn genomen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
15
Artikel 9 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie 1. in afwijking van artikel 22.35, onder j, van het omgevingsplan worden, als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.30, tweede lid, van het omgevingsplan of artikel 5, derde en vierde lid van dit hoofdstuk 22d, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt genomen. 2. In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal. 3.
In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, wordt op een locatie in zone 3 of 1A van de Bodemkwaliteitskaart een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 4. Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen. 5. De resultaten van een bodemonderzoek voldoen aan de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage II van dit hoofdstuk 22d en worden verstrekt in: a. PDF-formaat, en: b. ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
16
Afdeling 1.2 Graven
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
17
Paragraaf 1.2.1 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
18
Artikel 10
Toepassingsbereik
1. Deze paragraaf geldt voor het kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, als het bodemvolume waarin wordt gegraven 25 m3 of minder is. 2. Het kleinschalig graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het graven in de waterbodem; b. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of c. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
19
Artikel 11
Voorafgaand bodemonderzoek
1. Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Als het gaat om het kleinschalig graven in de bodem op een locatie in de openbare weg, wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 3. Het tweede lid geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. 4. In afwijking van het tweede lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van paragraaf 22.3.7.2 van het omgevingsplan of paragraaf 1.2.2 van dit hoofdstuk 22d. 5. Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
20
Artikel 12 activiteit
Gegevens en bescheiden: voor het begin van de
1. Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt. 2. Het verkennend bodemonderzoek voldoet aan de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage II bij dit hoofdstuk 22d en wordt verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen. 3. Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
21
Artikel 13 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op een locatie in de openbare weg of op een locatie die is beschikt als ernst, geen spoed worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag, onverwijld na beëindiging van de spoedreparatie gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
22
Artikel 14
Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
De onderzoeken, bedoeld in artikel 12 van dit hoofdstuk 22d, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
23
Artikel 15
Grond gescheiden houden
1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het kleinschalig graven, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en civieltechnisch scheidbare grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden. 2. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
24
Artikel 16
Tijdelijk uitnemen van grond
1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond op of nabij het ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem. 2. In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
25
Artikel 17
Geen grond met PFAS terugplaatsen
In afwijking van artikel 16 eerste lid, van dit hoofdstuk 22d, wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
26
Artikel 18
Tijdelijke opslag van vrijkomende grond
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
27
Paragraaf 1.2.2 Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
28
Artikel 19
Toepassingsbereik
1. Deze paragraaf geldt voor het kleinschalig graven in de bodem, bedoeld in artikel 22.127 van het omgevingsplan. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het tijdelijk uitnemen bij graafwerkzaamheden in een tuin bij een woning, als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst in die tuin; of b. het tijdelijk uitnemen in een bodemvolume tot 1 m3 in overige situaties, als de uitgenomen grond wordt teruggeplaatst op of nabij het ontgravingsprofiel.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
29
Artikel 20
Voorafgaand bodemonderzoek
1. Voordat kleinschalig in de bodem gegraven wordt, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Als het gaat om het kleinschalig graven in de bodem op een locatie in de openbare weg, wordt een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 3. Het tweede lid geldt niet voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt. 4. In afwijking van het tweede lid kan worden afgezien van het verrichten van een verkennend onderzoek. In dat geval gelden de regels van paragraaf 22.3.7.2 van het omgevingsplan en paragraaf 1.2.2 van dit hoofdstuk 22d. 5. Dit artikel geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
30
Artikel 21 activiteit
Gegevens en bescheiden: voor het begin van de
1. Artikel 22.128, derde lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, is niet van toepassing als het gaat om kleinschalig graven op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. 2. Als het gaat om kleinschalig graven op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag, worden ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven ook gegevens en bescheiden verstrekt over de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 22.130 van het omgevingsplan, gaan verrichten. Dit geldt niet bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. 3. Onverwijld na het wijzigen van de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag. 4. Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven volgens de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage II bij dit hoofdstuk 22d aan het bevoegd gezag verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
31
Artikel 22 Gegevens en bescheiden: na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur op een locatie in de openbare weg of op een locatie die is beschikt als ernst, geen spoed worden, als sprake is van afvoer van grond, aan het bevoegd gezag, onverwijld na beëindiging van de activiteit gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de data waarop de activiteit is verricht; en c. de aanleiding en het doel van de activiteit.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
32
Artikel 23
Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 22.128 van het omgevingsplan of artikel 21 van dit hoofdstuk 22d, zijn beschikbaar op de locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
33
Artikel 24 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk) Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
34
Artikel 25
Grond gescheiden houden
1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen worden bij het kleinschalig graven, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en civieltechnisch scheidbare grondsoorten, zoveel mogelijk gescheiden gehouden. 2. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
35
Artikel 26
Tijdelijk uitnemen en tijdelijke opslag van grond
1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt na het tijdelijk uitnemen van grond, die grond in hetzelfde ontgravingsprofiel teruggebracht in de bodem. 2. In afwijking van het eerste lid wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. 3. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
36
Artikel 27 terugplaatsen
Geen grond met mobiele verontreiniging
1. In afwijking van artikel 26, eerste lid van dit hoofdstuk 22d, wordt grond na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in tabel 27 opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2. Het eerste lid, aanhef en onder a geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden. Tabel 27 Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b. Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c.
Overige stoffen: Minerale olie
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
37
Artikel 28 Kwaliteitsborging uitvoeren kleinschalig graven bij dieper graven dan afdeklaag 1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt het kleinschalig graven uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000, als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag. 2. Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
38
Paragraaf 1.2.3 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
39
Artikel 29
Toepassingsbereik
1. Deze paragraaf is van toepassing op het graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 3.48d van het Besluit activiteiten leefomgeving.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
40
Artikel 30
Voorafgaand bodemonderzoek
1. in aanvulling op artikel 4.1221 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt, als het gaat om het graven in de bodem op een locatie in de openbare weg, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
41
Artikel 31 activiteit
Gegevens en bescheiden: voor het begin van de
1. In aanvulling op artikel 4.1220 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aan het bevoegd gezag ten minste een week voor het begin van het graven de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 30 van dit hoofdstuk 22d, verstrekt. 2. Het eerste lid geldt niet als alleen sprake is van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3. De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage II bij dit hoofdstuk 22d en worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
42
Artikel 32
Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1220, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 30 van dit hoofdstuk 22d, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
43
Artikel 33
Grondsoorten gescheiden houden
1. in aanvulling op artikel 4.1222 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden, met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen, civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden. 2. Gescheiden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
44
Artikel 34
Geen grond met PFAS terugplaatsen
In afwijking van artikel 4.1222a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond met verontreiniging met PFAS na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: a. 59 µg/kg ds bij PFOS; b. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of c. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
45
Paragraaf 1.2.4 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, anders dan kleinschalig graven
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
46
Artikel 35
Toepassingsbereik
1. Deze paragraaf geldt voor het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
47
Artikel 36
Voorafgaand bodemonderzoek
1. In aanvulling op artikel 4.1229 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt, als het gaat om het graven in de bodem op een locatie in de openbare weg, een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving verricht, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem. 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het bevoegd gezag al over voldoende onderzoeksresultaten beschikt.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
48
Artikel 37 activiteit
Gegevens en bescheiden: voor het begin van de
1. In aanvulling op artikel 4.1226 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt aan het bevoegd gezag ten minste vier weken voor het begin van het graven het verkennend bodemonderzoek, bedoeld in artikel 36 van dit hoofdstuk 22d, verstrekt. 2. De onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 36 van dit hoofdstuk 22d, voldoen aan de eisen voor aanlevering zoals opgenomen in bijlage II bij dit hoofdstuk 22d en worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
49
Artikel 38
Gegevens en bescheiden: beschikbaar op locatie
De gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1225, tweede lid, artikel 4.1226, eerste en tweede lid, en artikel 4.1227, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, en artikel 36 van dit hoofdstuk 22d, zijn beschikbaar op locatie tijdens het uitvoeren van de activiteit.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
50
Artikel 39
Actuele risico’s
Als bij het graven sprake is van actuele risico’s door het onverwacht aantreffen van asbest, asbestverdacht materiaal of een andere verontreiniging wordt het bevoegd gezag hierover direct geïnformeerd.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
51
Artikel 40 Afzetten ontgravingslocatie en tijdelijke opslag van grond (hekwerk) Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt om de ontgravingslocatie inclusief de opgeslagen partijen grond een hekwerk geplaatst of op een andere manier geborgd dat de locatie niet toegankelijk is voor derden.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
52
Artikel 41
Grondsoorten gescheiden houden
1. In aanvulling op artikel 4.1230, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden, met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden, civieltechnisch scheidbare grondsoorten gescheiden gehouden, ook als het licht verontreinigde grond betreft. 2. Gescheiden gehouden partijen grond als bedoeld in het eerste lid worden gescheiden opgeslagen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
53
Artikel 42 terugplaatsen
Geen grond met mobiele verontreiniging
1. In afwijking van artikel 4.1230a, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt grond na het tijdelijk uitnemen, niet teruggebracht in de bodem als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in tabel 42 opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1°. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2. Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is uitgevoerd volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor de mobiele stoffen niet worden overschreden. Tabel 42 Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b.
Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen: Minerale olie
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
54
Afdeling 1.3 Saneren
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
55
Artikel 43
Toepassingsbereik
1. Deze afdeling is van toepassing op het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
56
Artikel 44 stoffen
Verwijderen verontreiniging met vluchtige
1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem vindt, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, het saneren van de bodem alleen plaats met de saneringsaanpak verwijderen van verontreiniging, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het gaat om de aanwezigheid van verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem op de plek van het gebouw. 2. Onder vluchtige stoffen wordt verstaan de in tabel 44 opgenomen vluchtige stoffen. 3. De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 47 van dit hoofdstuk 22d houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan toestaan dat de verontreiniging met vluchtige stoffen, bedoeld in het eerste lid, niet volledig wordt verwijderd, als volledige verwijdering van de verontreiniging redelijkerwijs niet kan worden gevraagd door: a. fysieke belemmeringen in de bodem; of b. de grote diepte van de verontreiniging. Tabel 44 Vluchtige stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b.
Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
57
Artikel 45
Geen mobiele verontreiniging herschikken
1. Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt, in afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, grond niet herschikt onder een afdeklaag als: a. een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, worden overschreden voor de in tabel 45 opgenomen mobiele stoffen; of b. bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1° 59 µg/kg ds bij PFOS; 2° 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3° 59 µg/kg ds bij overige PFAS. 2. Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755 blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor deze mobiele stoffen. Tabel 45 Mobiele stoffen a. Aromatische verbindingen: Benzeen Ethylbenzeen Tolueen Xylenen (som) b.
Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen: monochlooretheen (vinylchloride) dichloormethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen 1,2-dichlooretheen (som) dichloorpropanen (som) trichloormethaan (chloroform) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) tetrachloormethaan (tetra) tetrachlooretheen (per) c. Overige stoffen Minerale olie
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
58
Artikel 46 Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond Als op de locatie waar de sanering plaatsvindt een gebiedsspecifieke waarde voor het toepassen van grond of baggerspecie geldt wordt in afwijking van artikel 4.1242, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, verontreiniging van de bodem verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof niet meer voorkomt in een concentratie die hoger is dan die gebiedsspecifieke waarde.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
59
Afdeling 1.4 Maatwerk
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
60
Artikel 47
Maatwerk
1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de afdelingen 1.2 en 1.3 van dit hoofdstuk 22d. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de afdelingen 1.2 en 1.3 van dit hoofdstuk 22d. 3. Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; of c. het doelmatig beheer van afvalstoffen. 4. Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de beoordelingsregels in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
61
HOOFDSTUK 3 Toepassen van bouwstoffen op of in de bodem: Staalslakken en grondstabilisatie
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
62
Artikel 48
Toepassingsbereik
1. Deze paragraaf is, in aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing op het toepassen van bouwstoffen als bedoeld in artikel 3.48m van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: a. het toepassen van staalslakken; en b. grondstabilisatie.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
63
Artikel 49
Melding toepassen staalslakken
1. Het is verboden om staalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit staalslakken bestaan toe te passen als bouwstof zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. De melding bevat: a. de verwachte datum waarop de staalslakken in het werk worden toegepast; b. de verwachte datum waarop het werk waarin de staalslakken worden toegepast zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen staalslakken; d. de herkomst van de staalslakken; e. de hoeveelheid van de staalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zullen worden toegepast; f. de dimensionering van het werk in het kader waarvan de staalslakken worden toegepast; g. de onderbouwing van de functionaliteit van het werk; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast. 3.
Het tweede lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan. 4. Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
64
Artikel 50
Melding grondstabilisatie
1. Grondstabilisatie is verboden, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Het eerste lid geldt niet voor toepassingen op een oppervlakte van minder dan 1000 m2. 3. De melding bevat: a. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie plaatsvindt; b. de verwachte datum waarop de grondstabilisatie zal zijn voltooid; c. een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op het stabilisaat; d. de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen; e. de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast; f. de dimensionering van de stabilisatie; g. de onderbouwing van de functionaliteit van de stabilisatie; h. de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en i. een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast. 4. Het derde lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan. 5.
Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
65
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
66