Bijlage 2 CE_Delft_200326_Feitennotitie TVW Aalsmeer_Concepteindrapport.pdf
Tekst van het document
Kudelstaart nieuw
€ 1.707
€ 1.909
€ 2.286
€ 2.281
€ 2.822
Oosteinde-West
€ 1.917
€ 2.593
€ 2.480
€ 2.574
€ 3.505
Lintbebouwing bedrijventerrein
€ 2.598
€ 4.075
€ 3.215
€ 3.814
€ 5.053
Bedrijventerrein
€ 2.389
€ 3.806
€ 2.970
€ 3.535
€ 4.740
Tabel 11 – De warmtetechniek met de laagste gemiddelde jaarlijkse eindgebruikerskosten per buurt Warmtebuurt
Gasvrije techniek met laagste jaarlijkse kosten
Tweede gasvrije techniek
Stommeer labels E, F, G
Warmtenet HT
Warmtenet MT
Stommeer label B en C
Elektrische warmtepomp-bodem
Warmtenet HT
Hornmeer
Warmtenet HT
Warmtenet MT
Lintbebouwing Aalsmeer
Warmtenet HT
Warmtenet MT
Kudelstaart centrum
Elektrische warmtepomp-bodem
Elektrische warmtepomp-lucht
Lintbebouwing Kudelstaart
Warmtenet HT
Warmtenet MT
Kudelstaart label C en corporatiebezit
Warmtenet HT
Warmtenet MT
Centrum oud
Warmtenet HT
Warmtenet MT
Centrum nieuw
Elektrische warmtepomp-bodem
Elektrische warmtepomp-lucht
Oosteinde-Oost
Elektrische warmtepomp-bodem
Elektrische warmtepomp-lucht
Kudelstaart nieuw
Elektrische warmtepomp-bodem
Elektrische warmtepomp-lucht
Oosteinde-West
Warmtenet HT
Warmtenet MT
Lintbebouwing bedrijventerrein
Warmtenet HT
Warmtenet MT
Bedrijventerrein
Warmtenet HT
Warmtenet MT
6.3.1 Scores van warmtetechnieken Om de lezer te helpen bij het interpreteren van de resultaten, scoren we de warmtetechnieken op basis van de eindgebruikerskosten. De scores gebruiken we, gecombineerd met de scores voor de nationale kosten en de beschikbaarheid van energiedragers en warmtebronnen om een voorkeurstechniek per buurt te bepalen. Deze scores berekenen we per warmtebuurt op basis van de kostenverschillen tussen de technieken. Hierbij gaan we uit van de techniek met de laagste eindgebruikerskosten als
30
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
referentie en berekenen de relatieve meerkosten. De technieken krijgen vervolgens een score tussen de 1 en 5, zoals te zien in Tabel 12. Dit is dezelfde scoringsmethodiek als voor nationale kosten. Tabel 12 – Scoringsmethodiek nationale kosten en eindgebruikerskosten Relatieve kostenafstand 0–5% 5–15% 15–30% 30–50% Meer dan 50%
Score 5 4 3 2 1
Tabel 13 geeft de scores voor de verschillende warmtetechnieken per warmtebuurt weer. Omdat de jaarlijkse kosten van de gasvrije technieken wordt vergeleken met technieken op aardgas zijn de verschillen groter dan bij nationale kosten. Dit resulteert in lagere scores dan bij nationale kosten. Het is duidelijk te zien dat in sommige warmtebuurten een elektrische warmtepomp erg duur is vanwege de benodigde isolatie. In deze warmtebuurten krijgt de warmtepomp een score van 1. Een HT- of MT-warmtenet is in deze buurten een betere optie, deze krijgen een score van 2 of 3. Voor Centrum nieuw en Oosteinde-Oost scoren de elektrische warmtepomp en het HT- of MT-net gelijk. In beide warmtebuurten is de elektrische warmtepomp de goedkoopste optie, maar verschilt het weinig met een warmtenet. In Kudelstaart centrum en Kudelstaart nieuw scoort de elektrische warmtepomp goed, deze krijgt een score van 4. Tabel 13 – Scores warmtetechniek op basis van eindgebruikerskosten
31
Aardgas
Elektrische warmtepomp
Warmtenet HT
Warmtenet MT
Warmtenet LT
Stommeer labels E, F, G
5
1
3
1
1
Stommeer label B en C
5
2
2
2
1
Hornmeer
5
1
3
2
1
Lintbebouwing Aalsmeer
5
1
3
2
1
Kudelstaart centrum
5
3
2
2
1
Lintbebouwing Kudelstaart
5
2
3
2
1
Kudelstaart label C en corporatiebezit
5
1
2
2
1
Centrum oud
5
1
3
2
1
Centrum nieuw
5
3
2
2
1
Oosteinde-Oost
5
4
2
2
1
Kudelstaart nieuw
5
4
3
3
1
Oosteinde-West
5
2
3
3
1
Lintbebouwing bedrijventerrein
5
1
3
2
1
Bedrijventerrein
5
1
3
2
1
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
7 Techniekkeuze per warmtebuurt Hieronder geven we een beschouwing van de warmtebronnen, nationale kosten en eindgebruikerskosten per buurt. Op basis hiervan geven we een eerste advies over een voorkeurstechniek per buurt. Dit is een voorlopig advies op basis van technisch-economische criteria. Andere overwegingen kunnen ook een rol spelen bij het tot stand komen van een voorkeurswarmtetechniek. De uiteindelijke techniekkeuze per buurt ligt dan ook nog niet vast en moet nog verder onderzocht worden in de wijkuitvoeringsplannen op voorkeuren van de stakeholders in de buurt, haalbaarheid en betaalbaarheid. We benadrukken overigens dat niet alle gebouwen in een buurt geschikt zullen zijn voor dezelfde warmtetechniek. Ook met de nieuwe buurtindeling in warmtebuurten kan het voorkomen dat een gebouw sterk afwijkt van de bebouwing in de rest van de buurt, waardoor een andere warmtetechniek misschien meer voor hand ligt.
7.1
Bedrijventerrein Deze buurt is niet doorgerekend op NK, omdat het veelal industriële panden betreft. De voorkeur van de eigenaren van de industriële panden moet daarom meegenomen worden in de keuze voor een warmtetechniek. Daarom kunnen we eigenlijk ook niet afgaan op de berekende eindgebruikerskosten, omdat deze alleen de kostenafweging voor woningeigenaren laten zien. Ons advies is om in gesprek te gaan met industriële partijen over verduurzaming en de warmtetransitie en hun voorkeuren en toekomstplannen. Als ze komen tot een collectieve oplossing, onderzoek dan in het wijkuitvoeringsplan of de woningen en utiliteiten daarop kunnen aansluiten. Maar gezien het grote oppervlak van de buurt en de verspreide ligging van woningen, ligt een individuele oplossing meer voor de hand. Dus voor nu inzetten op isolatie, en mogelijk overschakelen naar hybride warmtepomp en op langere termijn waarschijnlijk elektrische warmtepomp.
7.2
Centrum nieuw De gasvrije warmtetechnieken zijn op dit moment nog niet aantrekkelijk voor de woningen in deze warmtebuurt. De eindgebruikerskosten van de gasvrije warmtetechnieken liggen dichtbij elkaar, er is een voorkeur voor een elektrische warmtepomp. De nationale kosten van een warmtenet-MT zijn het laagst. Er zijn geen restwarmtebronnen in het warmtecluster die een warmtenet kunnen voeden. Maar de buurt ligt nabij de Westeinderplas en datacenters in Schiphol. De woningen zijn veelal rijwoningen of appartementen en hebben een goed isolatieniveau (energielabel B of C). De buurt heeft aardig wat corporatiebezit. Als het oude centrum overschakelt op een warmtenet, dan kan deze warmtebuurt meegaan. De buurten grenzen aan elkaar en lopen deels door elkaar heen. Als het oude centrum geen warmtenet krijgt, dan ligt een elektrische warmtepomp het meest voor de hand. Het temperatuurniveau van het warmtenet kan direct op MT, gezien het isolatieniveau van de woningen. Maar ook hierbij geldt dat het waarschijnlijk schaalvoordeel oplevert om mee te gaan met het temperatuurniveau van het warmtenet van het oude deel van het centrum.
32
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
7.3
Centrum oud De nationale kosten van de warmtetechnieken groengas, elektrische warmtepomp en warmtenetten HT en MT liggen dichtbij elkaar. LT-warmtenetten hebben duidelijk hogere nationale kosten. De eindgebruikerskosten van gasgestookte opties zijn het laagst. Van de gasvrije opties hebben de warmtenetten HT of anders MT de laagste eindgebruikerskosten. Er liggen geen restwarmtebronnen in de warmtebuurt, maar de buurt ligt nabij Westeinderplassen en datacenters in Schiphol en de bio-wkk van afvalverwerkingsbedrijf Meerlanden in Rijssenhout. De bebouwing van het oude centrum is wisselend in bouwjaar en isolatieniveau. Gemiddeld is het isolatieniveau laag. De gebouwen zijn redelijk dicht op elkaar gebouwd, maar er is weinig hoogbouw. Op basis van de eindgebruikerskosten is de voorkeurstechniek een warmtenet. Met de huidige bronnen zou dit een MT-warmtenet gevoed met opgewaardeerde LT-warmte kunnen zijn. Hiervoor moeten de panden wel geïsoleerd worden. Overweeg om de pandeneigenaren aan te sporen om te gaan isoleren. Een warmtenet kan in eerste instantie met een tijdelijke warmtecentrale op HT gevoed worden. Dat geeft de pandeneigenaren tijd om te isoleren. Na enkele jaren vervangt een duurzamere bron dan de tijdelijke warmtebron en gaat temperatuurniveau van de warmtelevering omlaag.
7.4
Hornmeer In deze buurt zien we veel gebouwen met energielabel E en drie clusters van corporatiewoningen. Vanuit het oogpunt van de nationale en eindgebruikerskosten scoort een warmtetechniek op gas beter dan de andere technieken. De toekomstige beschikbaarheid en prijs van hernieuwbaar gas is echter nog heel onzeker. Een LT-warmtenet lijkt in ieder geval geen logische optie in deze buurt. Vanwege het lage gemiddelde isolatieniveau in deze buurt, zijn de kosten om gebouwen geschikt te maken voor LT-verwarming hoog. Daarom scoren de LT-warmtetechnieken (elektrische warmtepomp en LT-warmtenet) niet goed op de eindgebruikerskosten. Een HT- of MT-warmtenet lijkt meer voor de hand te liggen. Echter zijn er geen HT- of MT-warmtebronnen in de gemeente. Mogelijk kan aquathermie benut worden uit de Westeinderplas en naar MT-niveau worden gebracht met een collectieve elektrische warmtepomp. In Hornmeer ligt nu al een lokaal warmtenet dat wordt gevoed met restwarmte van een datacenter (Energy Hub). Er is nog capaciteit voor uitbreiding van dit net naar overige gebouwen in de buurt. Dit lijkt nu echt nog geen kansrijke oplossing omdat de gebouwen in de buurt (nog) niet goed geïsoleerd zijn.
7.5
Kudelstaart centrum In de buurt Kudelstaart centrum scoren de opties groengas en elektrische warmtepomp het best op de nationale kosten. Wat betreft de eindgebruikerskosten scoort de elektrische warmtepomp net wat minder goed dan gasgestookte opties, maar beter dan de overige warmtetechnieken. Het gemiddelde isolatieniveau van deze buurt is 50 kWh/m 2. Dit is het isolatieniveau dat nodig is voor LT-verwarming. In deze buurt is verwarmen met een elektrische warmtepomp een goede optie. Doordat in Kudelstaart centrum ook veel utiliteitsgebouwen zijn (met een koudevraag in de zomer), zou een kleinschalig wko-net ook een geschikte optie zijn voor
33
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
deze buurt. De kosten van deze warmtetechniek hebben we niet doorgerekend. Dit is een onderzoeksvraag richting het wijkuitvoeringsplan.
7.6
Kudelstaart label C en corporatiebezit In deze buurt zijn de nationale kosten van de opties groengas en HT-warmtenet het laagst. Wat betreft de eindgebruikerskosten heeft een gasgestookte warmtetechniek duidelijk de voorkeur. Vanwege de onzekerheid over de beschikbaarheid van hernieuwbaar gas, is dit voorlopig geen optie. Een warmtenet zou een alternatief kunnen zijn. In deze buurt zien we veel woningen met energielabel C en E. Onder de label E-woningen is veel corporatiebezit. Mogelijk hebben de corporaties plannen om deze woningen te gaan isoleren, waardoor deze een beter label zullen krijgen. Wellicht dat een MT-warmtenet dan een geschikte optie is voor deze buurt. In de gemeente bevinden zich geen HT- of MTwarmtebronnen, maar de Westeinderplassen zijn een grote potentiële bron voor aquathermie. Deze LT-warmtebron zou met een collectieve warmtepomp naar MT-niveau kunnen worden gebracht om een MT-net van warmte te voorzien. Hiervoor moeten alle panden een minimaal isolatieniveau van 70 kWh/m2 hebben.
7.7
Kudelstaart nieuw Opvallend aan de kostenberekeningen is dat voor deze warmtebuurt de meerkosten voor verwarmen met een elektrische warmtepomp beperkt zijn, ruim 200 euro per jaar. Op nationale kosten hebben elektrische warmtepompen niet de laagste kosten, dat hebben de warmtenet MT en HT. Er zijn geen restwarmtebronnen in de buurt, maar de buurt heeft een gunstige ligging voor aquathermie. De warmtebuurt bestaat uit vier woonwijken met woningen gebouwd na 1992. De vier delen van de warmtebuurt liggen verspreid over Kudelstaart. Om de buurt te verwarmen met een warmtenet zou je dus vier warmtenetten moeten aanleggen, tenzij er één groot warmtenet voor meerdere warmtebuurten in Kudelstaart gerealiseerd wordt. Woonwijk kan met een isolatieslag geschikt gemaakt worden voor verwarming met een elektrische warmtepomp. Als er een warmtenet komt in Kudelstaart, dan kan per gedeelte van de warmtebuurt gekeken worden of de buurt mee gaat.
7.8
Lintbebouwing Aalsmeer In deze buurt hebben de technieken groengas, elektrische warmtepomp en HT-warmtenet de laagste nationale kosten. LT-warmtenet en waterstof scoren minder goed. Bij de eindgebruikerskosten is gas nog steeds de goedkoopste optie, een HT-warmtenet scoort het beste van de gasvrije warmtetechnieken. Het isolatieniveau van de panden in deze buurt varieert, maar in de meeste gebouwen moeten nog veel isolatiemaatregelen plaatsvinden om deze geschikt te maken voor LTverwarming. Doordat de bebouwingsdichtheid in deze buurt niet hoog is, is het aanleggen van een warmtenet mogelijk niet rendabel. Een individuele warmtetechniek ligt dat meer voor de hand. De panden met een isolatieniveau van tenminste 50 kWh/m2 kunnen overstappen op een elektrische warmtepomp, voor andere gebouwen is een hybride warmtepomp een mogelijke (tussen)oplossing. Het is dan wel van belang dat deze gebouwen tenminste enkele isolatiemaatregelen hebben getroffen.
34
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
7.9
Lintbebouwing bedrijventerrein De nationale kosten van de elektrische warmtepomp, warmtenet-MT en warmtenet-HT zijn vergelijkbaar in deze warmtebuurt. Het HT-warmtenet heeft de laagste eindgebruikerskosten van de gasvrije alternatieven. De buurt bestaat uit lintbebouwing tussen bedrijven en kassen. Het energielabel is veelal laag. Mogelijke warmtebronnen voor een warmtenet zijn LT-restwarmte of een mogelijke toekomstige collectieve warmteoplossing van de kassen op het bedrijventerrein. Voor deze buurt is de eerste stap om in gesprek te gaan met de bedrijven en kasseneigenaren over verduurzaming en de warmtetransitie en hun voorkeuren en toekomstplannen. Als zij een collectieve oplossing ondersteunen, dan kan in het wijkuitvoeringsplan onderzocht worden of deel van de woningen en utiliteiten daarop kunnen aansluiten. De panden liggen verspreid, dus een warmtenet voor de hele buurt lijkt uitgesloten. Tot er duidelijkheid is over de verduurzaming van de warmtevoorziening van de kassen, kan de buurt inzetten op isolatie. Wanneer duidelijk is wat de warmteoplossing voor de kassen wordt, kan de keuze worden gemaakt daarbij aan te sluiten of over te schakelen naar een hybride warmtepomp en op langere termijn waarschijnlijk naar een elektrische warmtepomp.
7.10
Lintbebouwing Kudelstaart De nationale kosten van aardgasvrije verwarmen (ongeacht warmtetechniek) liggen veel hoger dan in de andere buurten. De elektrische warmtepomp is de warmtetechniek met de laagste nationale kosten maar heeft na het LT-warmtenet de hoogste eindgebruikerskosten. Wat betreft eindgebruikerskosten lijkt een gasgestookte warmtetechniek de beste optie voor deze buurt. Echter is de beschikbaarheid en prijs van hernieuwbare gassen in de toekomst nog zeer onzeker. In ieder geval lijkt een warmtenet geen logische warmtetechniek, een individuele warmtetechniek ligt meer voor de hand. Doordat de bebouwingsdichtheid in deze buurt niet hoog is, is het aanleggen van een warmtenet mogelijk niet rendabel. Het isolatieniveau van de gebouwen in deze buurt loopt sterk uiteen. De panden met een isolatieniveau van tenminste 50 kWh/m2 kunnen overstappen op een elektrische warmtepomp, voor andere gebouwen is een hybride warmtepomp een mogelijke (tussen)oplossing. Het is dan wel van belang dat deze gebouwen tenminste enkele isolatiemaatregelen hebben getroffen.
7.11
Oosteinde-Oost De gasvrije warmtetechniek met de laagste nationale kosten is de elektrische warmtepomp. Het verschil met het MT-warmtenet en HT-warmtenet is beperkt. Deze warmtetechnieken zijn op het moment nog wel duurder dan stoken op aardgas. Er is geen warmtebron binnen de warmtebuurt. Nabij de buurt liggen kassen op het bedrijventerrein. Dit kan een kans zijn als kassen een collectieve oplossing ontwikkelen. Oosteinde-Oost is een woonwijk van na 2005. De woningen hebben een goed isolatieniveau. Er staat veelal rijwoningen en weinig appartementen. Enkele van de woningen zijn in het bezit van een woningcorporatie. Voor deze buurt ligt verwarming met elektrische warmtepompen voor de hand. De buurt kan op lagetemperatuur verwarmd worden door het hoge isolatieniveau.
35
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
7.12
Oosteinde-West Oosteinde-West is eerder gebouwd dan Oosteinde-Oost en heeft een lager isolatieniveau dan Oost. Dit zien we terug in de eindgebruikerskosten. Na gasgestookte warmtetechnieken, heeft het HT-warmtenet de laagste eindgebruikerskosten. De nationale kosten van warmtenet HT of elektrische warmtepompen zijn het laagst. Er is momenteel geen warmtebron aanwezig in de buurt. Daarom zijn de nationale kosten van een warmtenet MT niet berekend. Om een warmtenet te realiseren, moet er dus eerst een warmtebron gerealiseerd worden, zoals bijvoorbeeld een biomassacentrale, of een koppeling gemaakt worden met een mogelijk toekomstig warmtenet voor de glastuinbouw. Een warmtebron op MT-niveau zou mooi zijn, gezien het redelijk goede isolatieniveau van de buurt. Voor deze buurt zouden zowel een warmtenet (MT of HT) of een elektrische warmtepomp een optie kunnen zijn. De voorkeur van de bewoners en stakeholders in de wijk kan dus zwaarwegend zijn. Een belangrijke stakeholder is de woningcorporatie, want de buurt heeft veel corporatiebezit. Voor een warmtenet is het nog wel noodzakelijk om een warmtebron te realiseren. Op de korte termijn kan er worden ingezet op isolatie, zodat de panden voorbereid zijn op een warmtenet op MT-niveau of elektrische warmtepomp.
7.13
Stommeer label B en C Deze buurt bestaat uit gebouwen met een goed isolatieniveau uit de bouwperiodes 19922005 en na 2005. In deze buurt staat een aantal corporatiewoningen. Doordat de gebouwen in deze buurt een gemiddeld goed isolatieniveau hebben, zijn ze geschikt voor verwarming op lagere temperaturen. Toch komt een HT-/MT-warmtenet of warmtetechniek op groengas wat betreft de nationale kosten beter uit de bus. Een gasgestookte optie heeft de laagste eindgebruikerskosten, het LT-warmtenet scoort het minst goed. Een warmtetechniek op gas vanuit het oogpunt van de kosten een logische optie voor deze buurt. Echter, de beschikbaarheid en prijs van hernieuwbaar gas in de toekomst is nog zeer onzeker. In de buurt bevinden zich ook geen warmtebronnen op HT-niveau. Een eventueel MT-net zou kunnen worden gevoed met een LT-warmtebron dat wordt opgewaardeerd naar MT-niveau, maar de eindgebruikerskosten van een MT-warmtenet zijn nog een stuk hoger dan de eindgebruikerskosten van gasgestookte opties. Ook elektrische warmtepompen zijn te overwegen, gezien het hoge isolatieniveau van de woningen en de eindgebruikerskosten. Al met al komt er in deze buurt niet één duidelijke voorkeurstechniek naar voren.
7.14
Stommeer labels E, F, G In deze warmtebuurt scoren groengas, elektrische warmtepomp en HT-warmtenet het best op de nationale kosten. Wat betreft eindgebruikerskosten is de gasgestookte optie minstens 15% goedkoper dan de overige technieken. De warmtetechniek HT-warmtenet is voor de eindgebruikers de meest betaalbare optie van de gasvrije warmtetechnieken. De LTwarmtetechnieken zijn het meest kostbaar voor de eindgebruiker. Dit komt doordat veel kosten moeten worden gemaakt om de gebouwen naar een isolatieniveau te brengen dat geschikt is voor verwarming op LT-niveau. De woningen in deze buurt komen uit de bouwperiodes 1965-1974, 1946-1965 en vooroorlogse woningen, vandaar dat het isolatieniveau in deze buurt niet goed is. In deze warmtebuurt bevinden zich relatief veel corporatiewoningen.
36
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
Een warmtetechniek op gas vanuit het oogpunt van de kosten een logische optie voor deze buurt. Echter, de beschikbaarheid en prijs van hernieuwbaar gas in de toekomst is nog zeer onzeker. Een HT-warmtenet is, als we kijken naar de kosten, ook een optie. Echter bevinden zich in deze buurt geen HT-warmtebronnen. Al met al komt er in deze buurt niet één duidelijke warmteoplossing naar voren.
37
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
8 Tempo van de verduurzaming Aalsmeer wil in 2040 fossielonafhankelijk zijn. Een fossielonafhankelijke gebouwde omgeving maakt geen gebruik van aardgas. Het Klimaatakkoord vraagt de Nederlandse gemeenten om in 2050 een aardgasvrije gebouwde omgeving te realiseren. In de komende decennia zal de warmtetransitie dus gaan plaatsvinden. Op dit moment hoeft er nog geen precieze planning te worden gemaakt van welke buurten wanneer aardgasvrij worden. In de warmtevisie gaat de aandacht uit naar de eerste buurten waar voor 2030 gestart wordt met de warmtetransitie. Een vraag die daarbij opkomt, is welk tempo nodig is, om de doelstellingen te halen. Oftewel, hoeveel panden gaan er jaarlijks van het gas af? Het tempo kan per jaar verschillen. Momenteel zitten we in de opstartfase en maken we plannen voor het aardgasvrij worden. De komende jaren zullen we veel leren over het aardgasvrij maken van bestaande bouw. Het tempo van verduurzaming ligt in de eerste jaren daarom waarschijnlijk wat lager. Daarna kan er versneld worden als er een werkende aanpak gevonden is. Toch zullen er op het laatst nog panden overblijven die lastig te verduurzamen zijn. Deze vragen om grote inspanning om aardgasvrij te worden. In de laatste jaren zal het tempo daarom waarschijnlijk weer wat lager liggen. Dit verloop van het tempo heeft de vorm van een S-curve.
In dit hoofdstuk bespreken we het tempo door de jaren heen, vanuit verschillende oogpunten.
8.1
Gemiddelde opgave per jaar De eerste vraag die we ons kunnen stellen is wat het gemiddelde tempo is dat gehaald zal moeten worden. De gebouwde omgeving van Aalsmeer bestaat uit ca 13.390 woningen en 12.900 woningequivalenten utiliteitsgebouwen. Tezamen zijn dit ca. 26.000 woningequivalenten. Aalsmeer wil in 2040 fossielonafhankelijk zijn. Om deze doelstelling te halen moeten er gemiddeld 1.380 woningequivalenten per jaar aardgasloos moeten worden. Het Klimaatakkoord heeft als doelstelling een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050. Om deze doelstelling te halen moeten er gemiddeld 905 woningequivalenten per jaar aardgasloos moeten worden. Dit gemiddelde tempo zal in de eerste jaren hoogstwaarschijnlijk niet gehaald worden. Dat betekent dus, dat er in de toekomst een inhaalslag nodig zal zijn, waarbij het tempo dus boven het gemiddelde ligt.
8.2
Doelstelling 2030 Klimaatakkoord Het Klimaatakkoord geeft als doelstelling om voor 2030 1,5 miljoen woningen te verduurzamen. Hierover zegt Programma Aardgasvrije Wijken het volgende: ‘Elke gemeente gaat plannen maken om tot en met 2050 gaandeweg de gehele gebouwde omgeving aardgasvrij te maken. De eerste transitievisie warmte heeft betrekking op een derde van de totale periode. In die periode is er echter sprake van een aanlooptijd waarin Rijk en VNG de wijkgerichte aanpak (verder) uitwerken en er opschaling wordt gerealiseerd. Mede daarom hebben de afspraken in het Klimaatakkoord voor de periode tot en met 2030 betrekking op
38
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
circa een vijfde van de gebouwenvoorraad, oftewel 1,5 miljoen woningen en andere gebouwen’ (Programma Aardgasvrije Wijken, 2021). Als gemeente Aalsmeer hierbij wil aansluiten, zou dus tot 2030 ongeveer een vijfde van de gebouwenvoorraad verduurzaamd moeten worden. Dat gaat dan dus over circa 5.250 woningequivalenten in negen jaar. Hoeveel buurten dat zijn, hangt af van welke buurten gekozen worden.
8.3
Versnelling richting fossielonafhankelijk in 2040 (S-curve) Aalsmeer wil fossielonafhankelijk zijn in 2040. Dit is tien jaar eerder dan de nationale doelstelling. Het tempo van de verduurzaming zal daarom ook wat hoger moeten liggen. In Figuur 8 zijn twee mogelijke tempo’s van de verduurzaming te zien richting fossielonafhankelijk in 2040. De eerste volgens het lineaire traject en de tweede een voorbeeld van een S-curve, zoals hierboven beschreven. Tussen 2030 en 2035 ligt het tempo het hoogst, rond de 2.200 woningen per jaar, zie Figuur 9. Het tempo van de doelstelling van 20% van de panden aardgasvrij(-ready) in 2030 uit het Klimaatakkoord (1,5 miljoen woningen aardgasvrij in 2030) is ligt laag, vergeleken met de voorbeeld curves. Figuur 8 – Voorbeelden van tempo’s van verduurzaming richting fossielonafhankelijk in 2040
Tempo verduurzaming 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2020
2025
2030
2035
Doelstelling Klimaatakkoord 1,5 miljoen in 2030 Versnelling volgens S-curve richting fossielvrij in 2040
Gemiddelde tempo richting doelstelling fossielvrij in 2040
39
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
2040
Figuur 9 – Jaarlijkse aantal verduurzaamde woningequivalenten richting fossielonafhankelijk in 2040 bij het voorbeeldtempo uit Figuur 8
Benodigde jaarlijkse tempo (in woningequivalenten) 2500
aantal weq
2000
1500
1000
500
0 2020
8.4
2025
2030
2035
2040
Versnelling richting aardgasvrij in 2050 (S-curve) In Figuur 8 zijn twee mogelijke tempo’s van de verduurzaming te zien richting aardgasvrij in 2050. De eerste volgens het lineaire traject en de tweede een voorbeeld van een S-curve, zoals hierboven beschreven. Iets na 2035 ligt het tempo het hoogst, rond de 1.400 woningen per jaar, zie Figuur 11. Het tempo van de doelstelling van 20% van de panden aardgasvrij(ready) in 2030 uit het Klimaatakkoord (1,5 miljoen woningen aardgasvrij in 2030) is tussen de twee tempo’s. Figuur 10 – Voorbeelden van tempo’s van verduurzaming richting Aardgasvrij in 2050
Tempo verduurzaming 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2020
2025
2030
2035
2040
2045
Doelstelling Klimaatakkoord 1,5 miljoen in 2030 Versnelling volgens S-curve richting aardgasvrij 2050 Gemiddelde tempo richting doelstelling aardgasvrij in 2050
40
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
2050
Figuur 11 – Jaarlijkse aantal verduurzaamde woningequivalenten richting fossielonafhankelijk in 2040 bij het voorbeeldtempo uit Figuur 10
Benodigde jaarlijkse tempo (in woningequivalenten) 1600 1400
aantal weq
1200 1000 800 600 400 200 0 2020
8.5
2025
2030
2035
2040
2045
Verduurzaming met tussenstappen De route naar volledig aardgasvrij verwarmd pand kan in stappen doorlopen worden. Zo is het goed mogelijk om eerst in te zetten op isolatie, en pas later de stap naar volledig aardgasvrij te maken. Deze laatste stap houdt dan in om de gasketel te vervangen met een aardgasvrije techniek. Deze panden zijn dan ‘aardgasvrij-ready’. In afwachting van een volledig aardgasvrije verwarming kan ook al gekozen worden om een hybride warmtepomp te installeren. De hybride warmtepomp maakt gebruik van gas en elektriciteit voor de verwarming, en realiseert doordat het een hoger rendement heeft dan de hr-ketel een reductie in CO2-uitstoot. Door in te zetten op aardgasvrij-ready, hebben pandeigenaren al direct een handelingsperspectief en kunnen ze op eigen tempo isoleren. De stap naar volledig aardgasvrij is dan kleiner en kan ter zijne tijd sneller genomen worden. Zo is de opgave meer gespreid in de tijd. Uitdaging is dat het benodigde isolatieniveau afhangt van de eindoplossing. Oplossingen op MT-/HT-niveau vragen om minder verregaande isolatie.
8.6
Aantal buurten tot 2030 De doelstelling uit het Klimaatakkoord om 20% van de panden aardgasvrij(-ready) te maken, vertaalt zich in Aalsmeer naar 2-3 warmtebuurten aan te pakken tot 2030. Het precieze aantal hangt af van de grootte van de gekozen buurten.
41
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
9 Conclusie Het doel van deze notitie was antwoord geven op de volgende vragen: — Hoe kunnen we Aalsmeer indelen in logische warmtebuurten? — Wat is de huidige warmtevraag van de gebouwde omgeving in Aalsmeer en hoe wordt deze momenteel ingevuld? — Wat zijn de alternatieven voor aardgas? — Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste nationale kosten? — Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste eindgebruikerskosten? — Wat is, op basis van de kostenberekeningen en gebouwkenmerken, de voorkeurswarmtetechniek voor de verschillende warmtebuurten in Aalsmeer? — In hoeveel buurten moet Aalsmeer tot 2030 aan de slag met de warmtetransitie om de duurzaamheidsdoelstellingen te behalen? In dit hoofdstuk presenteren we onze antwoorden op bovenstaande vragen.
Hoe kunnen we Aalsmeer indelen in logische warmtebuurten? In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in de transitie naar aardgasvrij verwarmen wordt gekozen voor een wijkgerichte aanpak. Dit houdt in dat gemeenten wijk voor wijk (of buurt voor buurt) aan de slag gaan met de warmtetransitie en op wijk-/buurtniveau bepalen wat de beste oplossing is als gebouwen niet langer met de cv-ketel worden verwarmd. Veel studies naar (de kosten van) verwarmen zonder aardgas presenteren de resultaten op CBSbuurtniveau. Uit onze analyse van de studies Startanalyse (PBL, 2020a), Openingsbod Warmtetransitie (Stedin, 2020) en Warmteanalyse Aalsmeer (CE Delft, 2018) (zie Bijlage A) blijkt echter dat de CBS-buurtindeling van Aalsmeer erg grofmazig is; de bebouwing in de CBS-buurten is te divers om hier een warmtetechniek toe te wijzen. Daarom hebben we Aalsmeer ingedeeld in logische warmtebuurten. Dit zijn clusters die wat betreft bouwjaar, type bebouwing (utiliteitsgebouwen, type woningen) en energielabel uniform zijn. De warmtebuurten zijn zoveel mogelijk geografisch samenhangend en de grootte van de clusters is zodanig dat collectieve oplossingen mogelijk blijven. Figuur 1 geeft de indeling van Aalsmeer in veertien warmtebuurten weer.
42
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
Figuur 12 – De logische warmtebuurten van Aalsmeer
Wat is de warmtevraag van de gebouwde omgeving in Aalsmeer en hoe wordt deze momenteel ingevuld? De gebouwde omgeving in Aalsmeer gebruikt jaarlijks 1.264 TJ aan warmte. Twee derde deel van de warmte wordt gebruikt door woningen, een derde deel door utiliteitsgebouwen. De warmtevraag wordt momenteel vrijwel volledig ingevuld met aardgas. Een aantal gebouwen (kindcentrum Triade, Sportcentrum de Waterlelie en exporteur van potplanten Fertiplant) in Aalsmeer zijn al aangesloten op een lokaal warmtenet dat wordt gevoed met restwarmte van een datacenter van NorthC Datacenters (zie Figuur 2). Het project staat bekend als Energy Hub Aalsmeer.
Wat zijn de alternatieven voor aardgas? De warmtetechnieken zijn onder te verdelen in drie categorieën: all electric-technieken, collectieve technieken en technieken die gebruik maken van hernieuwbaar gas 16. Een warmtenet is een collectieve warmtetechniek. Belangrijk hierbij is dat er voldoende warmtebronnen zijn om het warmtenet mee te voeden. We onderscheiden warmtebronnen op hogetemperatuur (> 70°C), middentemperatuur (55-70°C) en lagetemperatuur (< 55°C). ________________________________ 16
De hernieuwbare gassen groengas en waterstof zullen zeker tot 2030 geen significante rol kunnen spelen in de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Ook de toekomstige beschikbaarheid en prijs van deze gassen is zeer onzeker, waardoor waterstof en groengas ook na 2030 voor de gebouwde omgeving naar verwachting alleen een logische optie zijn als er geen andere reële warmtealternatieven voorhanden zijn (MinBZK, 2021).
43
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
Binnen de gemeentegrenzen zijn geen HT-warmtebronnen, maar enkel LT-warmtebronnen aanwezig, namelijk aquathermie (bijvoorbeeld warmte uit oppervlaktewater en gemalen) en restwarmte van een datacenter. In de regio rondom Aalsmeer lijkt de bio-wkk van afvalverwerkingsbedrijf Meerlanden de meest kansrijke HT-warmtebron. Het onderzoek naar het technisch potentieel van geothermie in de regio is nog in ontwikkeling. Verschillende opsporingsvergunningen zijn aangevraagd door marktpartijen. Daarnaast zijn er verkennende studies uitgevoerd naar een mogelijk regionaal warmtenet (o.a. vanuit Schiphol), met name gericht op het verduurzamen van de glastuinbouw. Dit biedt mogelijk ook kansen voor de gebouwde omgeving in Aalsmeer.
Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste nationale kosten? Nationale kosten zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om in een warmtebuurt over te stappen op een aardgasvrije warmtetechniek, ongeacht wie die kosten betaalt. Besparingen op de energierekening worden hierin ook meegenomen. Aangezien studies naar nationale kosten niet kijken naar wie de kosten betaalt, wordt er in deze studies geen rekening gehouden met belastingen, heffingen en subsidies, en ook niet hoe kosten van een partij, bijvoorbeeld een eigenaar van een warmtenet, worden doorbelast aan de consument. In veel warmtebuurten heeft een warmtetechniek op duurzaam gas de laagste nationale kosten. Voor deze variant zijn namelijk geen verregaande isolatiemaatregelen noodzakelijk. De beschikbaarheid van gas in de toekomst is echter beperkt en de prijs onzeker. Naast groengas zijn voornamelijk de elektrische warmtepomp of het HT-/MT-warmtenet de technieken met de laagste nationale kosten. LT-warmtenetten hebben nooit de laagste nationale kosten.
Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste eindgebruikerskosten? De eindgebruikerskosten zijn alle kosten die een eindgebruiker (bewoner van een woning) betaalt voor de omschakeling naar aardgasvrij verwarmen. Eindgebruikerskosten bestaan uit investeringskosten (bijvoorbeeld voor installatie en isolatie) en doorlopende kosten (kosten voor onderhoud en de energierekening). In de eindgebruikerskosten zijn alle subsidies en belastingen verwerkt. Uit onze analyse blijkt dat de gasketel op aardgas in alle warmtebuurten voor de eindgebruikers nog de goedkoopste optie is. In de toekomst zal aardgas echter steeds minder beschikbaar zijn en zal de prijs stijgen. In vier warmtebuurten (Kudelstaart centrum, Centrum nieuw, Oosteinde-Oost17 en Kudelstaart nieuw) is een elektrische warmtepomp de goedkoopste gasvrije optie. Deze warmtebuurten bevatten allemaal relatief nieuwe woningen (gebouwd na 1992) met een hoge isolatiegraad. Voor de andere warmtebuurten is een warmtenet de goedkoopste gasvrije optie. In alle gevallen zorgt het HT-warmtenet voor de laagste jaarlijkse kosten. Echter, in de gemeente Aalsmeer zijn geen HT-warmtebronnen beschikbaar. Een MT-warmtenet is dus een logischer optie. Voor een MT-warmtenet is vaak isolatie vereist. In de warmtebuurten met een ________________________________ 17
In Centrum nieuw en Oosteind-Oost is het verschil in eindgebruikerskosten met een MT-warmtenet echter niet groot.
44
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
redelijk goede isolatiegraad, zoals Stommeer label B en C, is het verschil in kosten tussen en HT-warmtenet en een MT-warmtenet minimaal. Voor alle buurten is het LT-warmtenet de optie met de hoogste eindgebruikerskosten. In een aantal warmtebuurten is een elektrische warmtepomp erg duur vanwege de benodigde isolatie.
Wat is, op basis van de kostenberekeningen en gebouwkenmerken, de voorkeurswarmtetechniek voor de verschillende warmtebuurten in Aalsmeer? Tabel 14 geeft voor de verschillende warmtebuurten ons eerste advies over een voorkeurswarmtetechniek weer. Dit advies is tot stand gekomen op basis van de kostenberekeningen (zowel nationale als eindgebruikerskosten), beschikbare warmtebronnen en de bebouwingskenmerken van de buurt. Dit is een voorlopig advies op basis van technischeconomische criteria. Andere overwegingen kunnen ook een rol spelen bij het tot stand komen van een voorkeurswarmtetechniek. De uiteindelijke techniekkeuze per buurt ligt dan ook nog niet vast. We benadrukken overigens dat niet alle gebouwen in een buurt geschikt zullen zijn voor dezelfde warmtetechniek. Ook met de nieuwe buurtindeling in warmtebuurten kan het voorkomen dat een gebouw sterk afwijkt van de bebouwing in de rest van de buurt, waardoor een andere warmtetechniek misschien meer voor hand ligt. Tabel 14 – Voorkeurswarmtetechniek voor de Aalsmeerse warmtebuurten op basis van kostenberekeningen en gebouwkenmerken
45
Warmtebuurt
Voorkeurstechniek
Bedrijventerrein
Veelal industriële panden in de buurt. Als industriële partijen komen tot een collectieve oplossing, onderzoek dan in het wijkuitvoeringsplan of de woningen en utiliteiten daarop kunnen aansluiten.
Centrum nieuw
Als het oude centrum overschakelt op een warmtenet, dan kan deze warmtebuurt meegaan. Als het oude centrum geen warmtenet krijgt, dan ligt een elektrische warmtepomp het meest voor de hand.
Centrum oud
Op basis van de eindgebruikerskosten is de voorkeurstechniek een warmtenet. Met de huidige bronnen zou dit een MT-warmtenet gevoed met warmte uit de Meerlanden of opgewaardeerde LT-warmte kunnen zijn.
Hornmeer
Een HT- of MT-warmtenet lijkt meer voor de hand te liggen. Mogelijk kan aquathermie benut worden uit de Westeinderplas en naar MT-niveau worden gebracht.
Kudelstaart centrum
In deze buurt is verwarmen met een elektrische warmtepomp een goede optie. Doordat in Kudelstaart centrum ook veel utiliteitsgebouwen zijn (met een koudevraag in de zomer), zou een kleinschalig WKO-net ook een geschikte optie zijn voor deze buurt.
Kudelstaart label C en corporatiebezit
Wellicht dat een MT-warmtenet dan een geschikte optie is voor deze buurt. De Westeinderplassen zijn een grote potentiële bron voor aquathermie.
Kudelstaart nieuw
Woonwijk kan met een isolatieslag geschikt gemaakt worden voor verwarming op LT-niveau. Als er in Kudelstaart een warmtenet komt, kunnen delen van de buurt aansluiten.
Lintbebouwing Aalsmeer
Een individuele warmtetechniek ligt hier voor de hand. De panden met een isolatieniveau van tenminste 50 kWh/m2 kunnen overstappen op een elektrische
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
Warmtebuurt
Voorkeurstechniek warmtepomp, voor andere gebouwen is een hybride warmtepomp een mogelijke (tussen)oplossing.
Lintbebouwing bedrijventerrein
Eerste stap om in gesprek te gaan met de bedrijven en kasseneigenaren over verduurzaming en de mogelijkheden voor een warmtenet. Een deel van de panden kan hier mogelijk op aansluiten. Wanneer duidelijk is wat de warmteoplossing voor de kassen wordt, kan de keuze worden gemaakt daarbij aan te sluiten of over te schakelen naar een hybride warmtepomp en op langere termijn waarschijnlijk naar een elektrische warmtepomp
Lintbebouwing Kudelstaart
De panden met een isolatieniveau van tenminste 50 kWh/m2 kunnen overstappen op een elektrische warmtepomp, voor andere gebouwen is een hybride warmtepomp een mogelijke (tussen)oplossing.
Oosteinde Oost
Voor deze buurt ligt verwarming met elektrische warmtepompen voor de hand.
Oosteinde West
Voor deze buurt zouden zowel een warmtenet (MT of HT) of een elektrische warmtepomp een optie kunnen zijn. Er zijn dus nog verschillende keuzemogelijkheden.
Stommeer label B en C
Een eventueel MT-net zou kunnen worden gevoed met een LT-warmtebron dat wordt opgewaardeerd naar MT-niveau, maar de eindgebruikerskosten van een MT-warmtenet zijn nog een stuk hoger dan de eindgebruikerskosten van gasgestookte opties. Al met al komt er in deze buurt niet één duidelijke voorkeurstechniek naar voren en zijn er nog verschillende keuzemogelijkheden.
Stommeer label E, F en G
Een warmtetechniek op gas vanuit het oogpunt van de kosten een logische optie voor deze buurt. Een HT-warmtenet is, als we kijken naar de kosten, ook een optie. Al met al komt er in deze buurt niet één duidelijke warmteoplossing naar voren.
In hoeveel buurten moet Aalsmeer tot 2030 aan de slag met de warmtetransitie om de duurzaamheidsdoelstellingen te behalen? Aalsmeer wil fossielonafhankelijk zijn in 2040. Dit betekent dat tot 2040 26.000 woningequivalenten van het aardgas moeten worden gehaald. Dit zijn gemiddeld 1.380 woningequivalenten per jaar. Als de gemeente Aalsmeer wil aansluiten bij het tempo dat wordt aangehouden in het Klimaatakkoord, zou tot 2030 ongeveer een vijfde van de gebouwenvoorraad verduurzaamd moeten worden. Dit komt overeen met ca. 5.250 woningequivalenten in negen jaar en komt neer op 2-3 warmtebuurten (afhankelijk van de grootte van de gekozen buurten). De buurten die voorlopig nog niet aardgasvrij worden, kunnen al wel aan de slag met verduurzamen. De pandeigenaren kunnen hun bezit gaan isoleren. Als richtlijn voor het gewenste isolatieniveau hiervoor heeft het Rijk een voorstel voor een Standaard en bijbehorende streefwaarden ontwikkeld. Daarnaast kunnen pandeneigenaren waarvan hun cv-ketel aan vervanging toe is, deze vervangen voor een hybride of elektrische warmtepomp. Of dit een nuttige stap is, hangt af van de uiteindelijke warmtetechniek in de buurt en de termijn waarop deze gerealiseerd zal worden.
Voor buurten die een individuele oplossing krijgen en buurten die over meer dan vijftien jaar aardgasvrij worden en nog tenminste vijftien jaar een gasnetwerk hebben, kan een hybride warmtepomp een mooie tussenoplossing zijn. Goed geïsoleerde woningen in buurten die een individuele oplossing krijgen, kunnen ook direct op een elektrische warmtepomp overstappen.
46
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
Literatuur BLOC, 2019. Warmtenet Schiphol Zuid. Rotterdam, BLOC. CE Delft, 2018. Warmteanalyse Aalsmeer - De mogelijkheden voor een klimaatneutrale warmtevoorziening. Delft, CE Delft. ECN, PBL, CBS & RVO, 2017. Nationale Energieverkenning (NEV) 2017. Petten, ECN. Greenport Aalsmeer, 2021. Energie-inventarisatie Greenport Aalsmeer. Aalsmeer, Greenport Aalsmeer. Merosch, 2020. Isolatiepakketten ten behoeve van het CEGOIA model. Bodegraven, Merosh. Milieu Centraal. lopend. Hybride warmtepomp [Online]. Available: https://www.milieucentraal.nl/energie-besparen/duurzaam-verwarmen-enkoelen/hybride-warmtepomp/ [Accessed 28 januari 2021]. Milieucentraal. 2020. Hybride warmtepomp [Online]. Available: https://www.milieucentraal.nl/energie-besparen/duurzaam-verwarmen-enkoelen/hybride-warmtepomp/ [Accessed 2021]. MinBZK, 2019. Kamerbrief d.d. 18 maart 2021 : Standaard voor woningisolatie. Den Haag, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). MinBZK, 2021. Stand van zaken Klimaatakkoord Gebouwde omgeving 12 januari 2021. Den Haag, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Ministerie van EZK, 2020. Kamerbrief over kabinetsvisie Waterstof. Den Haag, Rijksoverheid. MRA Warmte & Koude programma. lopend. Potentiële warmtebronnen in beeld [Online]. Available: https://warmteiscool.nl/roadmap/ [Accessed 18 maart 2021]. Netbeheer Nederland. 2019.
Basisinformatie over energie-infrastructuur : Opgesteld voor de Regionale Energie Strategieën [Online]. Available: https://www.netbeheernederland.nl/_upload/Files/Basisdocument_over_energieinfrastructuur_143.pdf [Accessed]. Noord-Hollandse Energie Regio, 2019. Foto energie & ruimte deelregio Amstelland. NoordHollandse Energie Regio. NPRS, 2020. Factsheet Warmte: Achtergrondinformatie per warmtebron. Nationaal Programma Regionale Energie Strategie (NPRS). PBL, 2020a. Startanalyse aardgasvrije buurten, versie 2020. PBL, 2020b. Startanalyse aardgasvrije buurten: Gemeenterapport met toelichting bij tabellen met resultaten van de Startanalyse. Den Haag, Planbureau voor de Leefomgeving. Provincie Noord-Holland. Warmtedataregister [Online]. Available: https://maps.noordholland.nl/kaartenportaal/apps/webappviewer/index.html?id=24f82673b82f45aeb54a7f4af9 8732c5 [Accessed 18 maart 2020]. RES-regio Noord-Holland Zuid, 2021. RES 1.0 Noord-Holland Zuid (concept, 11 maart 2021). RES-regio Noord-Holland Zuid. Rijksoverheid, 2019. Klimaatakkoord. Den Haag, Rijksoverheid.
47
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
Rijkswaterstaat. lopend. Klimaatmonitor [Online]. Available: https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/energiegebruik/ [Accessed 16 december 2020]. RVO, 2018. Ontwikkeling van koudevraag van woningen. Utrecht, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Stedin. 2020. Openingsbod warmtetransitie 2020 [Online]. Available: https://www.stedin.net/zakelijk/branches/overheden/het-openingsbod [Accessed 2021]. Stedin. lopend. Methode Openingsbod Warmtetransitie [Online]. Available: https://www.stedin.net/zakelijk/branches/overheden/het-openingsbod/methode [Accessed 5 januari 2021]. Waternet, 2018. WRK-leiding Waternet: Levering van thermische energie. Amsterdam, Waternet.
48
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
A Uitkomsten Warmteanalyse Aalsmeer, Startanalyse en Openingsbod A.1
Warmteanalyse Aalsmeer In de Warmteanalyse Aalsmeer (CE Delft, 2018) zijn de mogelijkheden onderzocht voor een klimaatneutrale warmtevoorziening in de gemeente Aalsmeer. Deze studie laat zien wat de welke warmtevoorziening de laagste totale kosten (de zogenaamde nationale kosten). Dit is de som van de kosten in de woning (installatie en isolatie), de kosten voor distributie (aanleg en onderhoud van warmtenetten, gasnetten en elektriciteitsnet) en de productie van energie. Dit zijn dus niet de kosten voor gebouweigenaren (eindgebruikerskosten). In deze analyse is ervoor gekozen om geen technieken aan de voorkant uit te sluiten, maar om warmteopties een voor een ‘uit te schakelen’. Op deze manier wordt zichtbaar hoe de resultaten veranderen voor Aalsmeer als bepaalde technieken niet meer beschikbaar zijn. De Warmteanalyse maakt gebruik van een afpelscenario, waarin eerst alle opties onbeperkt beschikbaar zijn en daarna per stap een warmteoptie afvalt. Waterstof is niet meegenomen als warmteoptie. Dit heeft de volgende vier scenario’s opgeleverd: — Alles beschikbaar. In dit scenario zijn alle warmtetechnieken beschikbaar. — Groengas niet beschikbaar. In dit scenario zijn technieken die gebruik maken van (groen)gas niet meegenomen, omdat de beschikbaarheid van groengas onzeker is. — Biomassa niet beschikbaar.
In dit scenario zijn naast de technieken die gebruik maken van (groen)gas ook de cv-ketel op vaste biomassa pellets niet meegenomen. — Enkel lokale restwarmte. In dit scenario is er enkel lokale restwarmte aanwezig, wat betekent dat er enkel LT-restwarmte en all electric-opties worden meegenomen. Voor elk van de vier scenario’s zijn met behulp van het CEGOIA-model de nationale kosten berekend van alle warmteopties die mogelijk zijn binnen een scenario. De warmteoptie met de laagste kosten is per scenario weergegeven in Tabel 15. Daarnaast is er ook gekeken wat de laagste kosten zijn voor de glastuinbouw. De glastuinbouw is echter geen onderdeel van de Warmtevisie, omdat de glastuinbouw niet onder de gebouwde omgeving valt. Wel kan het zo zijn dat een oplossing voor de glastuinbouw mogelijk ook kansrijk is voor de gebouwde omgeving en kan het meekoppelen van de gebouwde omgeving de haalbaarheid van een warmtenet voor de glastuinbouw mogelijk verhogen. Tabel 15 - Uitkomsten Warmteanalyse Aalsmeer (CE Delft, 2018) Buurtnaam
Alles beschikbaar
Geen groengas
Geen biomassa
Enkel lokale restwarmte
Centrum
Elektrische WP18
Elektrische WP
Elektrische WP
Elektrische WP
Stommeer
Hybride WP
Elektrische WP
Elektrische WP
Elektrische WP
Hornmeer
Hybride WP
Restwarmte
Restwarmte
LT-warmte met booster
Uiterweg
Hybride WP
Restwarmte
Restwarmte
Elektrische WP
________________________________ 18
49
WP staat voor warmtepomp.
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
A.2
Buurtnaam
Alles beschikbaar
Geen groengas
Geen biomassa
Enkel lokale restwarmte
Kudelstaart
Hybride WP
Elektrische WP
Elektrische WP
Elektrische WP
Bovenlanden
Hybride WP
Restwarmte
Restwarmte
LT-warmte met booster
Greenpark
Hybride WP
Restwarmte
Restwarmte
Geothermie
Oosteinde
Elektrische WP
Elektrische WP
Elektrische WP
Elektrische WP
Schinkelpolder
Hybride WP
Cv-ketel (vaste biomassa)
Elektrische WP
Elektrische WP
Startanalyse 2020 De Startanalyse van het PBL is een technisch-economische doorrekening die inzicht geeft in de nationale kosten van verschillende aardgasvrije warmteopties. Tabel 16 laat op buurtniveau zien welke aardgasvrije warmtetechniek volgens de Startanalyse de laagste totale nationale kosten heeft. Figuur 13 geeft de uitkomsten weer op een kaart. Een aantal buurten komen uit op een MT-warmtenet gevoed door een LT-bron. Hierbij benadrukken we dat deze buurten niet volledig overstappen op dit warmtenet. Tabel 16 geeft aan voor welke percentage van de buurt het warmtenet de meest gunstige optie is, en welk percentage overstap op een individuele elektrische warmtepomp. Tabel 16 - Uitkomsten Startanalyse Buurtnaam
Strategie met de laagste nationale kosten 19
Centrum
42% warmtenet met LT-bron-TEO+wko, aanlevering 70°C 58% individuele elektrische warmtepomp
Stommeer
100% individuele elektrische warmtepomp-luchtwarmtepomp
Hornmeer
100% individuele elektrische warmtepomp-luchtwarmtepomp
Uiterweg
100% groengas met hybride warmtepomp
Kudelstaart
100% individuele elektrische warmtepomp, 0% warmtenet met LT-bron-LT-warmtebron, aanlevering 70°C
Bovenlanden
100% individuele elektrische warmtepomp-luchtwarmtepomp
Greenpark
99% individuele elektrische warmtepomp, 1% Warmtenet met LT-bron-TEO+wko, aanlevering 70°C
Oosteinde
100% individuele elektrische warmtepomp-luchtwarmtepomp
Schinkelpolder
92% individuele elektrische warmtepomp, 8% Warmtenet met LT-bron-TEO+wko, aanlevering 70°C
________________________________ 19
Als de strategie met de laagste nationale kosten een warmtenet met een LT-bron is, dan kijkt de Startanalyse voor welk deel van de buurt (% woningequivalenten) zo’n warmtenet met LT-bron de laagste meerkosten heeft, en voor welk deel van de buurt dat geldt voor individuele elektrische warmtepompen. Als deze situatie zich voordoet, wordt in de tabel de verdeling van deze twee oplossingen weergegeven.
50
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
A.3
Openingsbod Warmtetransitie 2020 Het Openingsbod Warmtetransitie is een hulpmiddel van Stedin (2020) om besluitvorming over de warmtetransitie te versnellen. Het vergelijkt uitkomsten van verschillende modellen voor verschillende scenario’s en komt hiermee tot een warmtetechniek per buurt. Het Openingsbod geeft hierbij aan hoe zeker de uitkomst is. Wanneer een buurt in verschillende modellen en scenario’s op dezelfde warmtetechniek met de laagste nationale kosten uitkomt, is de uitkomst zeker. In sommige buurten is de warmtetechniek redelijk zeker, dit zijn de zogenoemde ‘indicatieve’ buurten. In Aalsmeer bevinden zich geen zeker en/of indicatieve buurten. Dit betekent dat het Openingsbod nog niet met zekerheid een uitspraak doet over de warmtetechnieken in Aalsmeer. We hebben gekeken naar de uitkomsten van 2020 (begin 2021 komt een nieuwe editie van het Openingsbod Warmtetransitie uit). Figuur 13 laat zien welke warmteoptie in de buurten van Aalsmeer de voorkeur heeft in verschillende scenario’s, oftewel ‘energietoekomsten’ (Stedin, lopend): — Energietoekomst Ruime Warmte & Ruim Gas: in de toekomst is duurzaam gas (groengas of waterstof) ruim beschikbaar voor gebouwen en woningen. Voor warmtenetten zijn aardwarmte en restwarmte ruim beschikbaar. — Energietoekomst Ruime Warmte & Beperkt Gas: in deze toekomst is duurzaam gas beperkt beschikbaar voor gebouwen en woningen.
Voor warmtenetten zijn aardwarmte en restwarmte ruim beschikbaar. — Energietoekomst Beperkte Warmte & Beperkt Gas: in deze toekomst is duurzaam gas beperkt beschikbaar voor gebouwen en woningen. Voor warmtenetten zijn aardwarmte en restwarmte beperkt beschikbaar.
Figuur 13 – Uitkomsten Openingsbod Warmtetransitie voor Aalsmeer
Figuur 13 laat zien dat beschikbaarheid van duurzaam gas een belangrijk thema is in de gemeente Aalsmeer bij het opstellen van de Warmtevisie. De beschikbaarheid van duurzaam gas is in belangrijke mate bepalend voor het aantal buurten met een voorkeur voor duurzaam gas. Paragraaf 4.1.3 laat echter zien dat hernieuwbare gassen voorlopig (in ieder geval tot 2030) geen reële optie zijn voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Als in de toekomst maar beperkt duurzaam gas beschikbaar is, zullen steeds meer buurten moeten overstappen op gasvrije opties, zoals warmtenetten of all electric. De energietoekomsten Ruime Warmte & Beperkt Gas en Beperkte Warmte & Beperkt Gas laten hetzelfde beeld zien. Een beperkte beschikbaarheid van warmte heeft dus minder invloed dan een beperkte beschikbaarheid van gas.
51
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
B Impact van energieinfrastructuren op de openbare en ondergrondse ruimte B.1
Impact van het verzwaren van het elektriciteitsnet In de buurten die overstappen op verwarmen met elektrische warmtepompen, groeit de elektriciteitsvraag. De elektrische warmtepomp wordt niet alleen gebruikt als individuele warmtetechniek, maar ook in combinatie met een ZLT-warmtenet. Ook zonnepanelen en elektrische laadpalen vragen extra capaciteit op het elektriciteitsnet. Zonnepanelen en elektrische laadpalen vallen buiten de warmtetransitie, maar de opgaven zijn met elkaar verweven. De hogere capaciteitsvraag vraagt aanpassingen aan de infrastructuur.
Laagspanningsnet Elektrisch verwarmen zorgt voor een groei in de capaciteitsvraag van het elektriciteitsnet op laagspanning (LS) niveau. In de meeste buurten moet het laagspanningsnet daardoor verzwaard worden. Daarvoor moet de straat opengebroken worden. Er kan gekozen worden om de bestaande kabels de vervangen door zwaardere of om extra kabels te leggen. De zwaardere kabels hebben dezelfde reserveringsruimte in de ondergrond, extra kabels vragen om extra ruimte.
Middenspanningsruimtes De hogere capaciteitsvraag op laagspanningsniveau zorgt ook voor een hogere capaciteitsvraag op middenspanning (MS) niveau. Middenspanningsruimtes zetten elektriciteit van een hoog voltage om naar een lager voltage voor gebruik in gebouwen (en andersom, van laag naar hoog, bij opwekken van elektriciteit). Verzwaring van het elektriciteitsnet betekent meestal dat er middenspanningsruimtes moeten worden bijgeplaatst of uitgebreid.
Onderstations in gemeente en regio Mogelijk heeft de groeiende elektriciteitsvraag ook op hoger schaalniveau gevolgen, waardoor er ook een groter onderstation nodig is of bijgeplaatst moet worden. Een onderstation zet hoogspanning om naar middenspanning. Onderstations hebben een grote omvang (van twee tot zes voetbalvelden). Figuur 14 geeft verschillende typen elektriciteitsstations weer, en Tabel 17 het ruimtebeslag van deze verschillende stations.
52
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
Figuur 14 – Typen elektriciteitsstations: onderstations (l) en middenspanningsruimtes (r). In de blokken wordt een indicatie gegeven van het benodigde aantal voor een stad van 100.000 inwoners
Bron: Netbeheer Nederland (2019).
Tabel 17 - Ruimtebeslag en van de verschillende elektriciteitsstations. Type elektriciteitsstation
Ruimtebeslag (m2)
HS/MS station
15.000-40.000
TS/MS station
2.000-10.000
MS station MS/LS station
200-4.000 10-35
Bron: Netbeheer Nederland (2019).
Meer informatie? Netbeheer Nederland heeft veel informatie over de energie-infrastructuur, de kosten en de ruimtelijke impact gebundeld in een handig document. Dit document kunt u hier terugvinden.
53
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
B.2
Impact van de aanleg van warmtenetten Voor het aanleggen van warmtenetten is ruimte nodig in de ondergrond. Dit kan met name een uitdaging zijn in dichtbebouwde historische centra. Voor het aanleggen van de leidingen moet de straat opengebroken worden.
Onderdelen van een warmtenet Figuur 15 laat zien hoe een HT-warmtenet er schematisch uitziet.
Figuur 15 – Opzet van een HT-warmtenet
Figuur 15 toont de volgende onderdelen: — Warmtebron De warmtebron geeft warmte af aan het water in de transportleiding. — Transportleiding De transportleiding transporteert warm water naar het wijk-onderstation. — Wijk-onderstation (wos) Het wijk-onderstation geeft warmte af aan de hoofdleiding. — Hulpwarmteketel (hwk) De hulpwarmteketel (hwk) zorgt ervoor dat er extra warmte wordt geproduceerd bij een piekvraag. Dit gebeurt meestal met gasketels. De hwk geeft ook warmte af aan de hoofdleiding. — Zijleiding De hoofdleiding wordt vertakt in zijleidingen die uitkomen op een os (onderstation). — Onderstation (os) Het onderstation verdeelt per woningblok of straat de warmtenet naar het distributienet. Bij grote appartementencomplexen kan dit onderstation ook onderin het complex zitten. In dat geval is er geen sprake van een distributienet. — Distributienet Vanuit het distributienet wordt de warmte geleverd tot aan de aansluiting in de woning. — Aansluiting Per woning of gebouw wordt met behulp van een afleverset de warmte uit het distributienet gehaald. Het afgekoelde water gaat via de retourleiding weer terug naar het onderstation waar het water opnieuw wordt verwarmd.
54
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
De bronnen die een MT-warmtenet van warmte voorzien, zijn meestal aangesloten ter hoogte van het wos. Een MT-warmtenet is dan ook kleinschaliger dan een HT-warmtenet. Een MT-warmtenet kan worden gevoed met LT-warmtebronnen in combinatie met een collectieve warmtepomp. De warmtepomp zorgt er dan voor dat de temperatuur van het water dat bij de gebouwen aankomt hoger is dan bij een LT-warmtenet. De warmtebronnen die een LT-warmtenet voeden zijn aangesloten ter hoogte van het wos of zelfs het os. Gebouwen die zijn aangesloten op een LT-warmtenet moeten goed geïsoleerd zijn of moeten met behulp van een warmtepomp de temperatuur van het water voor de ruimteverwarming zelf verder verhogen.
Impact van een warmtenet op de ondergrondse ruimte Leidingen Wanneer een warmtenet wordt aangelegd heeft dit een impact op de ondergrond. Er moeten nieuwe leidingen worden getrokken door de straten. In een straat wordt een aanen een afvoerleiding geplaatst. Om te voorkomen dat warmte vanuit deze leidingen het water en elektranet nadelig beïnvloedt, is extra ruimte rondom de leidingen nodig. De gemiddelde totale breedte (de ruimte die nodig is voor de aanvoer- en retourbuis samen, inclusief de tussenruimte) zijn als volgt: — transportleiding ca. 2,5–3,5 m; — hoofdleiding ca. 1,7–2,2 m; — zijleiding ca. 1,3–1,7 m; — distributieleiding ca. 1,0–1,3 m. Figuur 16 geeft de ruimtelijke impact van een warmtenet in een straat weer. Figuur 16 - Schematische weergave van de ruimtelijke impact van een warmtenet
GLWC: gas, licht, water, communicatie.
55
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
De benodigde diameter van de leidingen van een warmtenet hangt samen met het benodigde vermogen en de temperatuur van het water. Hoe meer vermogen, hoe groter de diameter van de leidingen. Daarnaast geldt dat de leidingen van een LT-net een grotere diameter hebben omdat het vermogen van het water in de buiten lager is dan bij een HTnet. Daarentegen is er minder isolatie rondom de buizen nodig, omdat de warmteverliezen kleiner zijn door het geringere temperatuurverschil met de grond eromheen. De totale dikte van de buizen van een HT- en LT-warmtenet verschillen daarom niet zo veel. Een leiding van een warmtenet bestaat uit: stalen mediumvoerende leiding; isolatiemateriaal (PUR); PE-mantelbuis.
Expansielussen Bij een distributienet zijn om de 150 m à 200 m expansielussen nodig om uitzetting van de leidingen op te vangen (zie Figuur 17). Deze ‘loops’ zijn circa 5 m breed (in hoofdnet oplopend tot 8 m). Deze kunnen bijvoorbeeld worden geplaatst op kruispunten van wegen, maar moeten soms ook in de straat worden ingepast. Bij lagere temperatuurnetten zijn er minder van deze expansielussen nodig. Figuur 17 - Expansielussen
56
200326 - Feitennotitie – Mei 2021
Ruimtelijke impact van de warmtebron Naast het distributienet heeft de warmtebron ook een ruimtelijke impact op de omgeving. Hoeveel ruimte nodig is, verschilt per type warmtebron. Over het algemeen is de ruimtelijke impact van een warmtebron beperkt. Voor het gebruik van de meeste vormen van restwarmte is in de buurt van de warmtebron een plek nodig voor een warmtewisselaar. Geothermie vormt hierop een uitzondering. Voor het boren naar aardwarmte is een werkterrein nodig van circa 0,5 tot 1 hectare (ongeveer één voetbalveld) en een tijdelijke toren van circa 50 meter hoog. Een aardwarmteboring neemt enkele maanden in beslag. Na het verwijderen van de boorinstallatie moet er bij de productie- en injectieput een klein gebouw (van circa 100 m2) worden geplaatst waarin de warmtewisselaars voor het warmtenet staan.
Overige aandachtspunten bij het aanleggen van een warmtenet — Een leiding van het warmtenet is niet te combineren met een waterleiding in de nabijheid. Het warmtenet zou dan namelijk het drinkwater kunnen opwarmen tot boven de 25°C, waardoor Legionella kan groeien. De warmteleidingen moeten goed geïsoleerd zijn en voldoende afstand hebben van de waterleidingen om dit te voorkomen. — Een leiding van het warmtenet is doorgaans ook niet te combineren met elektrakabels. Als de tracés parallel aan elkaar liggen zullen elektrakabels opwarmen. Door de opwarming van de elektrakabels neemt de elektrische capaciteit af. — Warmteverliezen in de leidingen zijn afhankelijk van: • lengte van het transport: hoe groter de afstand, hoe groter de verliezen; • temperatuur warmtenet: hoe hoger de temperatuur, hoe groter de verliezen; • isolatie leidingen: hoe meer isolatie, hoe lager de verliezen. — Bomen kunnen het aanleggen van warmtenet bemoeilijken.