Bijlage 2 Bijlagen toelichting bestemmingsplan ‘Hornweg tussen 293 en 309’
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Hornweg tussen 293 en 309
Bestemmingsplan Hornweg tussen 293 en 309
Projectnummer 0485059.100 Revisie 00 Datum 3 oktober 2024
Auteur(s)
Opdrachtgever
datum vrijgave beschrijving revisie vastgesteld
goedkeuring
vrijgave
Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
vastgesteld bestemmingsplan Hornweg tussen 293 en 309 Gemeente Aalsmeer Projectnummer 0485059.100
Inhoudsopgave Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Gemeentelijke beoordeling principeverzoek
5
Bijlage 2
Watertoets
9
Bijlage 3
Stikstofdepositie
39
Bijlage 4
Akoestiek
65
Bijlage 5
Natuurtoets
91
Bijlage 6
Aanmeldnotitie vormvrije-m.e.r. en besluit
125
Bijlage 7
Besluit hogere waarden
143
Bijlagen bij toelichting
blad 3 van 146
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hornweg tussen 293 en 309 Gemeente Aalsmeer Projectnummer 0485059.100
blad 4 van 146
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hornweg tussen 293 en 309 Gemeente Aalsmeer Projectnummer 0485059.100
Bijlage 1
blad 5 van 146
Gemeentelijke beoordeling principeverzoek
Ruimte - Antea Nederland B.V.
vastgesteld bestemmingsplan Hornweg tussen 293 en 309 Gemeente Aalsmeer Projectnummer 0485059.100
Bijlage 2
blad 9 van 146
Watertoets
Ruimte - Antea Nederland B.V.
Watertoets Hornweg Aalsmeer
projectnummer 0485059.100 10 juni 2024
www.anteagroup.nl
Watertoets Hornweg Aalsmeer projectnummer 0485059.100 10 juni 2024
Auteurs M.J. de Boer
Opdrachtgever BNVB Projects B.V. Dorpsstraat 31 1182 JA Amstelveen
Gecontroleerd A. Schuphof
datum 10 juni 2024
beschrijving watertoets
vrijgave Antea Group
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Doel Leeswijzer
4 4 4
2.
Huidige situatie
5
2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.4 2.5 2.5.1 2.5.2 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11 2.12 2.13
Locatie Maaiveldhoogte Bodemopbouw Regionale bodemopbouw op basis van REGIS II Regionale bodemopbouw Holocene deklaag Lokale bodemopbouw Oppervlaktewater en waterkeringen Grondwater Peilbuisgegevens Kwel/Infiltratie Grondwateronttrekkingen Drinkwaterwinning Bodemdaling Kans grondwateroverlast bij de ontwikkeling Wateroverlast Overstromingen Riolering Hittestress
5 5 6 6 7 7 8 10 10 11 12 12 12 13 13 14 15 15
3.
Beleid en wetgeving
16
3.1 3.2 3.3 3.4
Europees en nationaal Provincie Noord-Holland Hoogheemraadschap van Rijnland Gemeente Aalsmeer
16 18 18 20
4.
Toekomstige situatie
22
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Voorgenomen ontwikkeling Waterberging Watersysteem Grondwater Hemelwaterafvoer Vuilwaterafvoer Waterkwaliteit Waterkeringen Klimaatadaptatie Conclusie Juridische borging
22 22 23 24 24 24 24 24 24 25 25
5.
Voorstel waterparagraaf
26
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding BNVB Projects is voornemens om een perceel aan de Hornweg te ontwikkelen. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van drie woningen (nieuwbouw). De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Nieuw Oosteinde” en heeft daarin de bestemming ‘Agrarisch - Tuinbouw’. De beoogde woningbouwontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan, daarom dient het bestemmingsplan te worden herzien. Hierbij wordt rekening gehouden met actuele wet- en regelgeving, het vastgestelde gemeentelijk beleid en de wensen van de gemeente. Hiervoor worden verschillende omgevingsonderzoeken uitgevoerd, waaronder het doorlopen van het Watertoetsproces.
1.2
Doel Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerders (hier: Waterschap Aa en Maas) in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Hierbij wordt gekeken naar de huidige en toekomstige situatie en worden eventuele knelpunten in beeld gebracht en oplossingen aangedragen. Dit leidt tot een voorstel voor de waterparagraaf voor het bestemmingsplan.
1.3
Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de huidige situatie in het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft het vigerende beleid dat geldt voor het plangebied. Vervolgens is in hoofdstuk 4 de toekomstige situatie toegelicht, en in hoofdstuk 5 is de concept waterparagraaf opgenomen.
blad 4 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
2.
Huidige situatie
2.1
Locatie Het plangebied is gelegen tussen de Hornweg 293 en 309 te Aalsmeer. Het plangebied ligt oostelijk van de N201 en westelijk van de N231. In figuur 2-1 is de begrenzing van het plangebied in rood weergegeven. In de huidige situatie is het plangebied geheel onverhard en heeft het een agrarische functie.
Figuur 2-1: De locatie van het plangebied (bron: Luchtfoto NL 2022 © CycloMedia Technologie B.V.)
2.2
Maaiveldhoogte Om de maaiveldhoogtes in het plangebied te analyseren is de AHN4-viewer geraadpleegd. Het plangebied is nagenoeg geheel vlak, het maaiveld varieert tussen NAP -3,9 m en NAP -3,7 m. In figuur 2-2 is een overzicht van de maaiveldhoogtes weergegeven.
blad 5 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
Figuur 2-2: Maaiveldhoogtes rondom het plangebied (wit omlijnd) (bron: AHN-viewer)
2.3
Bodemopbouw
2.3.1
Regionale bodemopbouw op basis van REGIS II De diepere bodemopbouw is in figuur 2-3 weergegeven als hydrogeologisch profiel volgens REGIS II v2.2. In dit profiel zijn de lagen aangeduid als de stratigrafische eenheid waartoe zij behoren en de aard van de afzettingen waaruit zij bestaan. Het plangebied is gelegen tussen punten B en B’.
Figuur 2-3: Geohydrologische bodemopbouw (bron: DINOloket)
In figuur 2-3 is te zien dat de ondergrond ter plaatse van het plangebied tot ca. NAP -11 m uit een Holocene deklaag (HLc) bestaat. De Holocene deklaag bestaat uit afwisselende lagen van zand en klei, deze laag heeft dus wisselende doorlatendheden. Onder de Holocene deklaag liggen zandlagen behorende tot de formaties van Boxtel en Kreftenheye tot een diepte van ca. NAP -28 m. Deze zandlagen hebben een doorlatendheid variërend van 2,5 m/d tot 50 m/d. Vervolgens zijn tot een diepte van NAP -35 m gestuwde afzettingen aanwezig. Daaronder zijn zandlagen behorende tot de formaties van Urk en Sterksel aanwezig tot een diepte van NAP -60 m, met doorlatendheden variërend van 10 m/d tot 50 m/d. Van NAP -60 m tot NAP -65 m is een slecht doorlatende laag behorende tot de formatie van Waalre aanwezig, met een weerstand variërend van 100 tot 1.000 dagen.
blad 6 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
2.3.2
Regionale bodemopbouw Holocene deklaag Uit figuur 2-3 blijkt dat de bovenste laag tot ca. NAP -11 m uit een Holocene deklaag bestaat. BRO GeoTOP v1.5 is geraadpleegd op DINOloket om de bodemopbouw in deze Holocene deklaag te analyseren, deze is weergegeven in figuur 2-4. Het plangebied is gelegen tussen punten B en B’.
Figuur 2-4: Bodemopbouw van de Holocene deklaag (bron: DINOloket)
Uit het figuur blijkt dat de Holocene deklaag ter plaatse van het plangebied tot een diepte van ca. NAP -10,7 m bestaat uit kleiig zand, zandige klei en leem. Daaronder ligt tot ca. NAP -11,2 m een laag veen. De gestuwde afzettingen ter plaatse van het plangebied bestaan uit fijn, midden en grof zand, en kleiig zand, zandige klei en leem.
2.3.3
Lokale bodemopbouw Voor de bodemopbouw zijn in DINOloket verschillende grondboringen geraadpleegd. De locaties van de boringen zijn weergegeven in figuur 2-5, het plangebied is rood omkaderd. Ondiepe boringen (tot ca. NAP -11 m) zijn weergegeven in groen, diepe boringen (tot ca. NAP -140 m) zijn weergegeven in oranje.
Figuur 2-5: Locaties van de grondboringen (bron: DINOloket)
blad 7 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
De bodemprofielen van de grondboringen zijn weergegeven in figuur 2-6, met links de ondiepe boringen en rechts de diepe boringen. In de ondiepe boringen is te zien dat de bovengrond bestaat uit een kleilaag variërend in dikte van 1 tot 5 meter. Bij de twee oostelijke boringen (B25D0728 en B25D1316) ligt boven de kleilaag een veenlaag met een dikte van 2 meter. Onder de kleilaag ligt een zandlaag variërend in dikte van 2 tot 4 meter, bij de meest westelijke boring (B25D0724) is een kleilaag aanwezig tussen de zandlagen. Onder de zandlaag zijn vervolgens een kleilaag, veenlaag en zand aanwezig. In de diepe boringen is te zien dat de diepe ondergrond voornamelijk bestaat uit zand, van wisselende categorie. In de zuidelijke boring (B25D0730) zijn enkele kleilagen aanwezig, zowel in de bovengrond als in de diepere ondergrond.
Figuur 2-6: Bodemprofielen van de lokale boringen (bron: DINOloket)
2.4
Oppervlaktewater en waterkeringen Aan drie zijden van het plangebied zijn oppervlaktewateren gelegen, zie figuur 2-7. In de figuur is het plangebied zwart omkaderd. Ten noorden van het plangebied ligt een primaire watergang, aan de oost- en westzijde van het plangebied liggen overige watergangen.
blad 8 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
Figuur 2-7: Oppervlaktewateren nabij het plangebied (bron: Legger Hoogheemraadschap van Rijnland)
Het plangebied is niet gelegen binnen een primaire of regionale waterkering. Wel is ca. 200 m ten zuidoosten van het plangebied een polderkade aanwezig, zie figuur 2-8. In de figuur is het plangebied zwart omkaderd.
Figuur 2-8: Regionale waterkering nabij het plangebied (bron: Legger Hoogheemraadschap van Rijnland)
Het plangebied is in een peilgebied gelegen. Het peilgebied betreft PBS_GH-170.00 en heeft een zomerpeil van NAP -5,02 m en een winterpeil van NAP -5,12 m. In figuur 2-9 is het peilgebied weergegeven, met daarin zwart omkaderd het plangebied.
blad 9 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
Figuur 2-9: Peilgebied van het plangebied (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland)
2.5
Grondwater
2.5.1
Peilbuisgegevens Via DINOloket en Waternet zijn peilbuisdata in de nabije omgeving geraadpleegd. Binnen het plangebied bevinden zich geen peilbuizen, de dichtstbijzijnde peilbuizen bevinden zich op ca. 500 m tot 1.400 m van het plangebied. In figuur 2-10 zijn de locaties van de peilbuizen weergegeven, het plangebied is zwart omkaderd. Op basis van de peilbuisdata zijn de Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG), Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) en de Gemiddelde Grondwaterstand (GG) berekend, hiervoor is het programma Menyanthes gebruikt.
blad 10 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
Figuur 2-10: Locaties van de peilbuizen nabij het plangebied (bron: DINOloket en Waternet)
De peilbuisgegevens zijn in tabel 2-1 weergegeven. Peilbuizen B25D0580 en B25D3514 zijn gelegen buiten de grens van het waterschap, daarom wordt er vanuit gegaan dat daar andere streefpeilen gelden. De overige peilbuizen liggen in hetzelfde peilgebied als het plangebied en geven daarom een goede indicatie van de grondwaterfluctuaties. Ter plaatse van het plangebied zal het grondwater beïnvloed worden door het omliggende oppervlaktewater, met wat opbolling onder het perceel. De grondwaterstanden fluctueren heel snel. De minimale drooglegging (afstand tussen maaiveld en oppervlaktewaterpeil) bedraagt ca. 1,2 m. Met een opbolling van ca. 30 à 40 cm is de resulterende grondwaterstand ca. 0,8 à 0,9 m -mv. Tabel 2-1: Meetgegevens en grondwaterstatistieken van de peilbuizen (bron: DINOloket en Waternet)
Peilbuis
Maaiveld [m+NAP]
Meetreeks
Filterstelling [m+NAP]
GLG [m+NAP]
GG [m+NAP]
GHG [m+NAP]
B25D3497
-3,64
2016-2020
-4,58 tot -5,58
-4,58
-4,38
-4,17
B25D3498
-3,97
2016-2019
-4,77 tot -5,77
-5,04
-4,96
-4,87
B25D3499
-4,04
2016-2020
-6,11 tot -7,11
-4,96
-4,73
-4,49
B25D3500
-3,97
2016-2018
-4,45 tot -5,45
-4,85
-4,63
-4,43
B25D3501
-3,45
2016-2020
-5,47 tot -6,47
-4,85
-4,51
-4,2
J03001
-3,87
1980-2022
-8,48 tot -9,48
-4,95
-4,74
-4,56
Op de luchtfoto zijn uitstroom pijpen zichtbaar aan de noordzijde van het perceel. Dit duidt op de aanwezigheid van drainage.
2.5.2
Kwel/Infiltratie In de klimaateffectatlas is een kaart beschikbaar van kwel- en infiltratiegebieden, zie figuur 2-11 voor deze kaart van de regio rond Aalsmeer. Hieruit blijkt dat het plangebied in een gebied met enige kwel ligt, met een flux van 0,1 tot 0,5 mm/d.
blad 11 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
Figuur 2-11: Kwel en infiltratie (bron: klimaateffectatlas)
2.6
Grondwateronttrekkingen Op basis van de WKO-tool is in de omgeving van het plangebied één grondwateronttrekking aanwezig, deze bevindt zich ca. 225 m ten oosten van het plangebied. Daarnaast zijn er gesloten bodemenergiesystemen en een open bodemenergiesysteem aanwezig ca. 75 tot 275 m oostelijk van het plangebied. In figuur 2-12 zijn de locaties weergegeven.
Figuur 2-12: Grondwateronttrekkingen nabij het plangebied (bron: WKO-tool)
2.7
Drinkwaterwinning Het plangebied is niet in een grondwaterbeschermings- of waterwingebied gelegen op basis van de grondwaterbeschermingsgebieden kaart van de Atlas Leefomgeving.
2.8
Bodemdaling Op basis van de bodemdalingskaart van de Atlas Leefomgeving bedraagt de bodembeweging in het plangebied 0,5 tot -1 mm/j, er is dus geringe bodemdaling in het plangebied. Dit is weergegeven in figuur 2-13.
blad 12 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
Figuur 2-13: Bodembeweging in de regio nabij Aalsmeer (bron: Atlas Leefomgeving)
2.9
Kans grondwateroverlast bij de ontwikkeling In de klimaateffectatlas van Nederland is een overzicht weergegeven van het risico van grondwateroverlast bij ontwikkelingen. Deze kaart toont de mate waarin de kans op grondwateroverlast voor stedelijke functies (gebouwen, infrastructuur, tuinen en groenvoorziening) toeneemt tussen nu en 2050. De kaart zegt alleen iets over de verandering tot 2050 en niets over het voorkomen van overlast in de huidige situatie. In figuur 2-14 is de kans van voorkomen van grondwateroverlast in de regio nabij het plangebied opgenomen. Hierin is te zien dat ter plaatse van het plangebied een kleine toename van de kans op grondwateroverlast aanwezig is.
Figuur 2-14: Kans toename grondwateroverlast bij ontwikkelingen in 2050 (bron: klimaateffectatlas)
2.10
Wateroverlast Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Wateroverlast is bij deze extreme buien niet te voorkomen. Het is daarom niet de vraag of, maar vooral waar de wateroverlast zal optreden, en welke gevolgen te verwachten zijn. De basiskaart wateroverlast van de klimaateffectatlas geeft inzicht waar
blad 13 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
wateroverlast kan optreden bij hevige neerslag. Deze kaart laat het resultaat zien van een stresstest voor de bebouwde kommen. De kaart maakt inzichtelijk waar wateroverlastlocaties kunnen ontstaan na een extreme bui van 100 millimeter in 2 uur. In de modellering is alleen de stroming over maaiveld meegenomen, afvoer via riolering en open water dus niet. De resultaten geven een indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag. De basiskaart wateroverlast nabij het plangebied is weergegeven in figuur 2-15. Uit deze kaart kan afgeleid worden dat enkel bij de watergangen wateroverlast plaatsvindt. Echter dient opgemerkt te worden dat deze kaart gemaakt is voor het plangebied in de huidige volledig onverharde situatie. In de toekomstige situatie zal een deel van het plangebied verhard zijn, dit zal leiden tot meer wateroverlast.
Figuur 2-15: Wateroverlast nabij het plangebied (bron: klimaateffectatlas Hoogheemraadschap van Rijnland)
2.11
Overstromingen De kans op een overstroming verschilt per gebied en is afhankelijk van de doorbreekkans van de waterkeringen. Of een plek in het achterland nat wordt na een dijkdoorbraak is afhankelijk van de hoogte en inrichting van het gebied. De basiskaarten van overstromingsbeelden van de klimaateffectatlas brengen het overstroombaar gebied in kaart. Daarbij wordt ook een beeld gegeven van de maximale waterdieptes die kunnen optreden. Het overstromingsbeeld als gevolg van een doorbraak van de regionale waterkering is weergegeven in figuur 2-16, met daarin aangegeven waar het plangebied zich bevindt. Ter plaatse van het plangebied moet bij een doorbraak van de regionale waterkering rekening worden gehouden met een overstromingsdiepte van 2 tot 4 meter.
blad 14 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
Figuur 2-16: Overstromingskans bij het plangebied bij een doorbraak van de regionale waterkering (bron: klimaateffectatlas Hoogheemraadschap van Rijnland)
2.12
Riolering Er is niets bekend over de riolering ter plaatse van het plangebied. Aangezien de naastgelegen bebouwing uit de jaren ’30 stamt wordt er van uitgegaan dat er een gemengd rioleringsstelsel aanwezig is in de omgeving.
2.13
Hittestress Klimaatverandering leidt niet alleen tot extremere buien, maar ook tot meer hittegolven. Vanwege het hitte-eiland effect is de hittestress in stedelijk gebied gemiddeld hoger dan in het omliggende landelijk gebied. In Figuur 2-17 is het stedelijk hitte-eiland effect in de regio nabij het plangebied weergegeven. Ter plaatse van het plangebied bedraagt het hitte-eiland effect 0,8 tot 1,2 °C. Bebouwing draagt bij aan het hitte-eiland effect, water en groen verlagen het hitte-eiland effect.
Figuur 2-17: Hitte-eiland effect nabij het plangebied (bron: klimaateffectatlas Hoogheemraadschap van Rijnland)
blad 15 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
3.
Beleid en wetgeving
3.1
Europees en nationaal Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning. De Wet gemeentelijke watertaken is onderdeel van de Waterwet. In deze Wet heeft de gemeente de zorgplicht gekregen voor: • Het doelmatig inzamelen en verwerken van overtollig afvloeiend hemelwater; • Het doelmatig nemen van maatregelen in openbaar gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Wet milieubeheer is de derde zorgplicht voor de gemeente opgenomen. De gemeente dient zorg te dragen voor het inzamelen transporteren van stedelijk afvalwater. Omgevingswet 2024 Op 1 januari 2024 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking.
In de Omgevingswet wordt de leefomgeving op een andere manier benaderd dan voorheen, waarbij wordt ingezet op een duurzame economische structuur met borging van de kwaliteit en veiligheid daarvan. In de Omgevingswet worden de wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu natuur en water gebundeld. Deze wet regelt daarmee het beheer en de ontwikkeling met minder en overzichtelijke regels, meer ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk. Ingezet wordt op integraliteit, vertrouwen en participatie van alle belanghebbenden. De wet krijgt vorm in de omgevingsvisie, waarbij de huidige provinciale plannen komen te vervallen en worden geïntegreerd in deze visie. Wet ruimtelijke ordening en de watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen (waaronder bestemmingsplannen) die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer (bijv. gemeente of projectontwikkelaar) worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant.
In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021. Met de samenvoeging van deze twee plannen wordt geanticipeerd op de Omgevingswet, waarin het programma als een van de instrumenten is opgenomen. Het Nationaal Water Programma bevat: • Een uitwerking van het te voeren beleid (inclusief het nationale ruimtelijke en ecologische beleid) voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer en de bescherming of het behoud van water;
blad 16 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
•
Maatregelen vanwege nationale belangen en om wateropgaven te bereiken en daaraan te blijven voldoen.
Nationaal Bestuursakkoord Water Met het NBW-Actueel (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Een actualisatie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) uit 2003 komt voort uit de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de noodzaak tot de aanscherping van een aantal begrippen en het beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario's. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt perspectief gegeven om grote opgaven aan te pakken, ons land samen mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. In de NOVI wordt een nieuwe aanpak voorgesteld die focust op integrale samenwerking waarin een zorgvuldige afweging van belangen gemaakt wordt en waar ruimte is voor klimaatadaptatie en de energietransitie. De nieuwe aanpak krijgt vorm door het geven van toekomstperspectieven, de nationale belangen en de daaruit voortkomende opgaven. Voor de opgaven is een prioritering opgesteld van: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2.
Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk beleid. Kaderrichtlijn Water (KRW) Door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft Nederland een resultaatsverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit en ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-still principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schets het Rijk de ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Hierbij wordt ingezet op een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig land. Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA) is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Het Deltaplan versnelt en intensiveert de aanpak van wateroverlast, droogte en de gevolgen van overstromingen. In het plan staan concrete acties en doelen voor de verantwoordelijke overheden.
De kern van de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Overheden gaan ervoor zorgen dat schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen zo min mogelijk toeneemt en besteden daar aandacht aan bij de ontwikkelingen als: de aanleg van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen, het opknappen van bestaande bebouwing, vervanging van rioleringen en wegonderhoud. Metropoolregio Amsterdam De Metropoolregio Amsterdam (MRA) is het samenwerkingsverband van de provincies Noord-Holland en Flevoland, 30 gemeenten en de Vervoerregio Amsterdam. De MRA-samenwerking bundelt de overheidskracht binnen de regio en de samenwerking met partijen op gemeentegrens-overstijgende onderwerpen die raken aan de internationale concurrentiepositie en leefkwaliteit van de regio. Daarbij zijn economische ontwikkeling,
blad 17 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
ruimtelijke ordening en mobiliteit voor de hand liggende onderwerpen, net als de met deze onderwerpen verweven thema's als wonen, landschap, energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, toerisme, cultuur en voorzieningen. Klimaatadaptatie stelt hogere eisen aan waterbeheer en vraagt meer ruimte voor waterberging.
3.2
Provincie Noord-Holland Omgevingsvisie NH2050 In de Verkenningen NH2050 zijn acht hoofdthema's van trends en ontwikkelingen, met hun kernopgaven, geformuleerd. Deze hoofdthema’s zijn: Klimaatverandering bedreigt onze leefomgeving; Bodem, water en luchtkwaliteit; Biodiversiteit; Economische transitie; Energietransitie; Mobiliteit; Verstedelijking; en Landschap. Provincie Noord-Holland heeft ten opzichte klimaatverandering de volgende ambities: • Een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland; • Ontwikkeling van een richten stad, land en infrastructuur klimaatbestendig en waterrobuust; • Overal wordt voldaan aan de wettelijke basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plant en dier; • Alle nieuwe ruimtelijke (her)ontwikkelingen doorlopen een klimaatstresstest. Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 werd vastgesteld door Provinciale Staten op 31 januari 2022. Het programma is opgesteld in overleg met gemeenten, waterbeheerders, drinkwaterbedrijven, veiligheidsregio’s en aangrenzende provincies. Met dit programma wordt invulling gegeven aan het waterbeleid in Omgevingsvisie NH 2050 voor zover het uitvoering van Europese richtlijnen over water betreft. Een goede waterkwaliteit, duurzaam voorraadbeheer en bescherming tegen overstroming zijn de centrale elementen van het programma.
Voor de deelprogramma’s oppervlaktewater, grondwater en overstromingsrisico’s is uitgewerkt welke doelen de provincie wil bereiken en hoe hieraan een bijdrage wordt geleverd met een breed pakket aan maatregelen. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan natuurgebieden, drinkwaterwinningen en zwemwateren, die volgens Europese richtlijnen worden beschermd vanwege de specifieke eisen die hier gelden De doelen van de provincie zijn: • Een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater; • Een goede ecologische en chemische toestand; • Voldoende waterkwantiteit en kwaliteit voor de natuur; • Het regionale waterkeringen voldoen uiterlijk 2050 aan de veiligheidsnorm; • Veiligheid door klimaat adaptieve maatregelen. Watervisie 2021 en Uitvoeringsprogramma 2016-2021 In de Watervisie van de Provincie Noord-Holland zijn de ambities uiteengezet betreffende water, en wordt gekeken naar hoe het waterbeleid eruitziet op de lange termijn en waar de prioriteit voor de planperiode 2016-2021 liggen. De uitwerking van deze visie zijn opgesteld in het uitvoeringsprogramma. Dit programma wordt jaarlijks geactualiseerd, en geeft inzicht in de uit te voeren acties. Voor de periode wordt ingezet op innovatie en samenwerking met andere overheden (gemeenten, waterschappen) en ondernemers.
3.3
Hoogheemraadschap van Rijnland Waterbeheerplan 2022-2028 Op 6 oktober 2021 heeft het algemeen bestuur van Rijnland het waterbeheerplan (WBP6) vastgesteld. In het Waterbeheerplan (WBP) geeft het hoogheemraadschap aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op het meebewegen met water in plaats van het strijden tegen water. De zes hoofddoelen zijn waterveiligheid, voldoende water, schoon en gezond water, waterketen, Rijnland duurzaam en circulair, en Rijnland klimaatadaptief. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijke toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te
blad 18 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomst vast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelstijging. Schoon en gezond water is gericht op het verbeteren van de ecologische en chemische waterkwaliteit voor inwoners, bedrijven en natuur. Voor het doel waterketen richt Rijnland zich erop de afvalwaterketen te optimaliseren en het afvalwater te zuiveren door minder energie en grondstoffen te gebruiken. Voor het doel ‘Rijnland duurzaam en circulair’ werkt het hoogheemraadschap om de kringloop van grondstoffen, water en energie te sluiten, energie te besparen, en biodiversiteit te versteken. Voor het doel ‘Rijnland klimaatadaptief’ is water meer sturend in de ruimtelijke ordening. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Keur en Beleidsregels Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer, inclusief de afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) en de waterstaatkundige veiligheid in het beheergebied. Om haar taak uit te kunnen oefenen maakt het hoogheemraadschap onder andere gebruik van de keur. In de keur staan regels ter bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken (zoals stuwen en gemalen).
Zo is in de keur geregeld welke handelingen en activiteiten in en nabij watergangen, waterkeringen en waterbergingsgebieden niet zijn toegestaan zonder vergunning. Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 13 mei 2020 de meest recente Keur en de daarbij behorende uitvoeringsregels vastgesteld. In de keur staat vermeld dat vanaf een toename van verhard oppervlak van 500 m 2 of meer compensatie moet worden toegepast en een meldplicht vereist is. Bij een toename in verharding van 5.000 m2 of meer geldt een vergunningplicht. In principe moet voor elke nieuw aangelegde verharding compenserend oppervlaktewater worden gegraven. Dit moet minimaal 15% van de toename aan verharding zijn. Het plangebied bevindt zich in kwelgevoelig gebied. In dit gebied gelden de volgende voorschriften uit de Uitvoeringsregels: • Conform uitvoeringsregel 10 Objecten in de beschermingszone van watergangen geldt een zorgplicht met erkende maatregel voor het plaatsen van objecten in de beschermingszone van een overige watergang of voor het aanbrengen van straatmeubilair en/of beplanting in de beschermingszone van een primaire watergang. Voor het plaatsen van overige objecten in de beschermingszone van een primaire watergang geldt een vergunningplicht. De beschermingszone van een primaire watergang bedraagt 5 meter, de beschermingszone van overige watergangen bedraagt 2 meter.
• Conform uitvoeringsregel 19 Bouwen geldt de Algemene regel zonder meldplicht voor het plaatsen van heipalen en damwanden in kwelgevoelig gebied. Het uitvoeren van werkzaamheden en het plaatsen van damwanden is toegestaan, wanneer: o Grondverdringende heipalen of damwanden zonder verzwaarde punten door middel van heien, voren, schroeven of trillen in de grond worden gebracht; o De bovenzijde van de damwanden minimaal 0,50 m boven de stijghoogte van het diepere grondwater is gelegen. • Conform Uitvoeringsregel 20 Grondverzet geldt dat bij een ontgraving van meer dan 1,5 m onder het maaiveld of een sleufloze boring van meer dan 2,5 m onder maaiveld dat er moet worden voldaan aan de Algemene regel met maatwerkvoorschrift (artikel 4): o Grondverzet in kwetsbare kwelgebieden is toegestaan, wanneer voorkomen wordt dat kwel en/of verzilting toeneemt: ▪ Er moet bij elk ontgravingsniveau sprake zijn van een verticale bodemstabiliteit, waarbij het opbarstrisico conform NEN-6740 bepaald moet worden en door middel van metingen aangetoond moet worden. ▪ Als niet aan bovenstaande voldaan wordt, moet dit direct aan het hoofd van de afdeling Vergunningverlening en Handhaving gemeld worden. o De maatwerkvoorschriften moeten voorafgaand aan de werkzaamheden met de afdeling Vergunningverlening en Handhaving van het hoogheemraadschap van Rijnland worden afgestemd.
• Conform uitvoeringsregel 27 Alternatieve waterbergingen geldt een vergunningplicht wanneer een nieuwe alternatieve waterberging aangelegd wordt ter compensatie van het aanbrengen van
blad 19 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
verharding. Indien de nieuwe alternatieve waterberging niet ter compensatie van het aanbrengen van verharding aangelegd wordt, geldt een zorgplicht met erkende maatregel.
3.4
Gemeente Aalsmeer Gebiedsvisie 2020 De Gebiedsvisie ‘Aalsmeer Aandacht voor Kwaliteit’ legt tot 2020 de koers voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Gemeente Aalsmeer vast. Deze koers is ontwikkeld in samenwerking met bewoners, bedrijven en instellingen; deze koers is vervolgens op 26 november 2009 vastgesteld door de gemeenteraad. Groen en water vertonen weinig structuur in de gemeente, op zowel gemeentelijk niveau als op wijkniveau hebben groen en water een onsamenhangend karakter. Met name in en rond de woongebieden is relatief weinig gebruiksgroen en water aanwezig voor de inwoners. Bekend is dat groen en water in de woonomgeving belangrijke aspecten vormen voor de kwaliteit van het wonen. Ook het dorpse karakter hangt samen met dit groen / blauwe karakter. Verder blijkt vanuit de inwoners ook de wens dat de waterrecreatie dient aan te sluiten bij de dorpse schaal van Aalsmeer. Een belangrijk aspect is dat open ruimtes, water en groen voor iedereen beleefbaar moeten zijn. Op het gebied van duurzaamheid zijn regionale en lokale afspraken gemaakt. Zo bepaalt Energieneutraal 2040, het klimaatbeleid en het duurzaamheidsbeleid hoe Aalsmeer omgaat met duurzaamheid. De gemeente kiest voor duurzame stedenbouw en duurzaam bouwen.
Belangrijke elementen hierbij zijn: • Hergebruik van reeds aanwezige materialen; • Gebruik van zonne-energie; • Toepassing van zo duurzaam mogelijke bouwmaterialen; • Zo gering mogelijke belasting van het oppervlaktewater; • Inzet van regenwater; • Afbraak van schadelijke stoffen binnen het eigen terrein; • Onnodig gebruik van energie voorkomen; • Efficiënte bedrijfsopzet. Gemeentelijk Rioleringsplan Aalsmeer 2021-2026 Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) legt vast wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/ondernemers ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het GRP vervult vier hoofdfuncties: 1. Kader gemeentelijke watertaken ▪ Overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater 2. Interne afstemming ▪ Met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners 3. Externe afstemming ▪ Met bewoners en ondernemers 4. Continuïteit en voortgangsbewaking ▪ Vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie) De voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren wordt gehanteerd voor de omgang met hemelwater.
Bij voorkeur wordt water vast gehouden, dit kan middels doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, etc. Pas daarna wordt water geborgen in het stedelijk watersysteem. Pas bij volledige benutting van de berging wordt het overtollige hemelwater afgevoerd naar het regionale watersysteem. Nieuwe rioleringssystemen en hemelwaterriolen (afkoppelprojecten) worden ontworpen op een maatgevende bui met een frequentie van eens per vijf jaar (bui 9 uit de kennisbank Riolering). Bij deze ontwerpbelasting mag er geen water-op-straat voorkomen.
blad 20 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
Het bestaande rioleringssysteem wordt getoetst aan de hand van een maatgevende bui met een frequentie van eens per twee jaar (bui 8 uit de kennisbank Riolering). Ook hier mag geen water-op-straat voorkomen. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt een waterbergingseis van 70 mm voor het te ontwikkelen gebied (resultaatsverplichting). deze waterberging moet primair een plaats vinden in het oppervlaktewater (minimaal 10% van de planoppervlakte, dit is een eis van het Hoogheemraadschap van Rijnland).
blad 21 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
4.
Toekomstige situatie In dit hoofdstuk wordt de toekomstige situatie toegelicht en wordt ingegaan op de verschillende aspecten die de voorgenomen ontwikkeling heeft ten aanzien van de waterhuishoudkundige gevolgen.
4.1
Voorgenomen ontwikkeling BNVB Projects is voornemens om een perceel aan de Hornweg te ontwikkelen. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van drie woningen (nieuwbouw). Een globale schets van het voorgenomen plan is weergegeven in figuur 2-1. De oranje vlakken zijn de woningen, de oranje lijnen zijn de scheidingen tussen de kavels, en de grijze lijnen zijn de kadastrale grenzen. Verdere ontwerpen zijn nog niet bekend.
Figuur 4-1: Voorgenomen plan
4.2
Waterberging In het plangebied zullen drie woningen gerealiseerd worden. Elke woning heeft een bouwvlak van 125 m2. Daarnaast zullen er negen parkeerplaatsen komen van elk 6 m2, dit bedraagt in totaal 54 m2. Dit betekent dat in ieder geval 430 m2 van het plangebied verhard is. Het totale plangebied bedraagt 2.660 m2, waarvan 240 m2 water. Het Hoogheemraadschap van Rijnland gaat uit van 25% verharding van het plangebied (557 m2) naast de 430 m2 aan bebouwing en parkeerplaatsen. Dit tezamen komt neer op 987 m2 extra verharding. Hiervan dient 15%, te weten 148 m2, als compensatie van versnelde afvoer als open water uitgevoerd te worden, een en ander conform het beleid van Rijnland in het plangebied of daarbuiten. De hoeveelheid watercompensatie is afhankelijk van de hoeveelheid toegenomen verharding. Er wordt daarom gerekend met drie scenario’s, deze scenario’s betreffen de hoeveelheid verharding naast de woning en parkeerplaatsen. Het is namelijk aannemelijk dat er extra verharding zal komen op de kavels, dit in de vorm van bijvoorbeeld schuurtjes, terrassen of paden. Hiervoor wordt gerekend met een scenario zonder extra verharding, en met een extra verharding ter grootte van 60%, 75% of 90% van de erfverharding (het oppervlak van de kavels minus de huizen). De benodigde watercompensatie voor deze scenario’s is weergegeven in tabel 4-1.
blad 22 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
Tabel 4-1: Benodigde watercompensatie conform beleid Hoogheemraadschap van Rijnland voor drie scenario's Oppervlak in m2
Benodigde compensatie Rijnland in m2
430
64
Woningen + 60% verhard & parkeerplaatsen
1.659
249
Woningen + 75% verhard & parkeerplaatsen
1.967
295
Woningen + 90% verhard & parkeerplaatsen
2.274
341
Scenario Woningen & parkeerplaatsen
Vanuit de gemeente Aalsmeer geldt als waterbergingseis dat 70 mm geborgen moet kunnen worden, primair in het oppervlaktewater. Dit gaat om minimaal 10% van de planoppervlakte (eis van het hoogheemraadschap). Dit komt overeen met 267 m2. De waterbergingseis van het waterschap voor het scenario met 90% toename erf verharding resulteert in een groter benodigd compensatie oppervlak. Omdat de uiteindelijke erf inrichting aan de toekomstige bewoners is wordt geadviseerd om rekening te houden met het worst-case scenario van 90% erfverharding. Deze benodigde compensatie hiervoor bedraagt 341 m2. De waterberging kan gerealiseerd worden door water te graven op de uiteindes van de kavels. Door op het uiteinde van de kavels ca. 7,2 m te vergraven naar water wordt aan de waterbergingseis voldaan, zie figuur 4-2 (blauw gearceerd).
Figuur 4-2: Realisatie van de benodigde watercompensatie
4.3
Watersysteem De ontwikkeling heeft invloed op de watergangen nabij het plangebied. Hemelwater wordt afgevoerd naar de watergangen, wat kan zorgen voor peilstijging. Vanwege de benodigde watercompensatie vanuit de gemeente
blad 23 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
zal er extra water gegraven worden, dit zorgt voor uitbreiding van het bestaande watersysteem. De verwachting is dat dit extra wateroppervlak de afstromende hemelafvoer kan opvangen, dus dat er geen peilstijging plaats zal vinden.
4.4
Grondwater Om het risico op grondwateroverlast te beperken dient de drooglegging voldoende te zijn. De drooglegging is de afstand tussen het oppervlaktewaterpeil en het maaiveld, voor het plangebied is dit ca. 1,2 m. Met een opbolling van ca. 30 à 40 cm resulteert dit in een grondwaterstand van ca. 0,8 tot 0,9 m -mv. Het is onbekend of er kelders of kruipruimtes gerealiseerd gaan worden. Eventuele kelderconstructies zullen te allen tijde grondwaterdicht aangelegd moeten worden. Het advies is om het bouwpeil te relateren aan de drooglegging.
4.5
Hemelwaterafvoer Vanuit de gemeente wordt voor de omgang met hemelwater de voorkeursvolgorde vasthouden-bergenafvoeren gehanteerd. Bij voorkeur wordt water vast gehouden, dit kan middels doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, etc. Pas daarna wordt water geborgen in het stedelijk watersysteem. Pas bij volledige benutting van de berging wordt het overtollige hemelwater afgevoerd naar het regionale watersysteem. Daarom wordt aangeraden om zo veel mogelijk oppervlak van het plangebied onverhard te laten, zodat hemelwater kan infiltreren. Indien infiltratie- of bergingsvoorzieningen aangelegd zullen worden, dienen deze boven de GHG aangelegd te worden.
4.6
Vuilwaterafvoer De nieuwe bebouwing kan worden aangesloten op de bestaande riolering. Voor het aansluiten van de nieuwe bebouwing op de bestaande riolering moet een rioleringsplan worden opgesteld. Hierover dient met de gemeente Aalsmeer te worden afgestemd.
4.7
Waterkwaliteit Bij het verwerken (infiltreren of afvoeren) van afstromend hemelwater dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van het water. Tevens dient gewerkt te worden met niet-uitlogende materialen. Dit beide om te voorkomen dat de waterkwaliteit verslechtert. Bij het graven van de watercompensatie moet de aanleg van de natuurvriendelijke oevers worden overwogen. Een natuurvriendelijke oever komt door de zuiverende werking ten goede aan de waterkwaliteit en bevordert de biodiversiteit.
4.8
Waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op primaire of regionale waterkeringen.
4.9
Klimaatadaptatie Er zijn vanuit de gemeente en het waterschap geen eisen gesteld aan het realiseren van waterberging middels infiltratie of berging in de bodem. Omtrent klimaatadaptatie is dit echter wel aangeraden. Wegens klimaatverandering en toenemende periodes van droogte in de zomer is het waardevol om hemelwater te infiltreren of bergen in de bodem. Dit kan middels specifieke voorzieningen (bijv. groene daken of infiltratiekratten), maar het helpt ook al aanzienlijk om zo weinig mogelijk oppervlak in de tuinen verhard te maken. Tevens neemt de hittestress toe vanwege de toename aan verharding. Om dit te verlichten is het raadzaam om vegetatie aan te leggen in de tuinen. Vegetatie heeft daarnaast ook een positief effect op de biodiversiteit.
blad 24 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
4.10
Conclusie Het plangebied heeft voldoende ruimte om de benodigde watercompensatie in de vorm van extra oppervlaktewater te realiseren. Er zijn vanuit de waterhuishouding beschouwd geen redenen om bezwaren te hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Juridische borging ‘[De primaire watergang wordt op de plankaart aangeduid met de enkelbestemming oppervlaktewater. De overige watergangen worden niet als enkelbestemming op de plankaart opgenomen. Het aanleggen van water en waterhuishoudkundige voorzieningen wordt in de regels mogelijk gemaakt op alle gronden.
blad 25 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
5.
Voorstel waterparagraaf BNVB Projects is voornemens om een perceel aan de Hornweg te ontwikkelen. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van drie woningen (nieuwbouw). De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Nieuw Oosteinde” en heeft daarin de bestemming ‘Agrarisch - Tuinbouw’. De beoogde woningbouwontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan, daarom dient het bestemmingsplan te worden herzien. Hierbij wordt rekening gehouden met nieuwe wet- en regelgeving en het vastgestelde gemeentelijk beleid. Hiervoor worden verschillende omgevingsonderzoeken uitgevoerd, waaronder het doorlopen van het watertoetsproces. Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in Aalsmeer, tussen de Hornweg 293 en 309. Het plangebied ligt oostelijk van de N201 en westelijk van de N231. Het maaiveld varieert van ca. NAP -3,9 m tot ca. NAP -3,7 m. De bodem bestaat conform REGIS en GeoTOP tot ca. NAP -11 m uit een Holocene deklaag (HLc). De Holocene deklaag tot een diepte van ca. NAP -10,75 m uit kleiig zand, zandige klei en leem. Daaronder ligt tot ca. NAP -11,25 m een laag veen. Onder de Holocene deklaag liggen zandlagen behorende tot de formaties van Boxtel en Kreftenheye tot een diepte van ca. NAP -28 m. Deze zandlagen hebben een doorlatendheid variërend van 2,5 m/d tot 50 m/d.
Vervolgens zijn tot een diepte van NAP -35 m gestuwde afzettingen aanwezig, deze bestaan uit fijn, midden en grof zand, en kleiig zand, zandige klei en leem. Daaronder zijn zandlagen behorende tot de formaties van Urk en Sterksel aanwezig tot een diepte van NAP -60 m, met doorlatendheden variërend van 10 m/d tot 50 m/d. Van NAP -60 m tot NAP -65 m is een slecht doorlatende laag behorende tot de formatie van Waalre aanwezig, met een weerstand variërend van 100 tot 1000 dagen. Conform lokale ondiepe boringen bestaat de bovengrond uit een kleilaag variërend in dikte van 1 tot 5 meter. Bij de twee oostelijke boringen ligt boven de kleilaag een veenlaag met een dikte van 2 meter. Onder de kleilaag ligt een zandlaag variërend in dikte van 2 tot 4 meter, bij de meest westelijke boring is een kleilaag aanwezig tussen de zandlagen. Onder de zandlaag zijn vervolgens een kleilaag, veenlaag en zand aanwezig. Conform lokale diepe boringen bestaat de diepe ondergrond voornamelijk uit zand, van wisselende categorie. In de zuidelijke boring zijn enkele kleilagen aanwezig, zowel in de bovengrond als in de diepere ondergrond. De grondwaterstanden worden grotendeels bepaald door de oppervlaktewaterpeilen rondom het plangebied. De grondwaterpeilen fluctueren snel en hebben een bolling onder het perceel. In de huidige situatie is drainage aanwezig.
Toekomstige situatie BNVB Projects is voornemens om een perceel aan de Hornweg te ontwikkelen. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van drie woningen (nieuwbouw). Verdere ontwerpen zijn nog niet bekend. Waterberging In het plangebied zullen drie woningen gerealiseerd worden. Elke woning heeft een bouwvlak van 125 m2. Daarnaast zullen er negen parkeerplaatsen komen van elk 6 m2, dit bedraagt in totaal 54 m2. Dit betekent dat in ieder geval 430 m2 van het plangebied verhard is. Het totale plangebied bedraagt 2.660 m2, waarvan 240 m2 water. Het Hoogheemraadschap van Rijnland gaat uit van 25% verharding van het plangebied (557 m2) naast de 430 m2 aan bebouwing en parkeerplaatsen. Dit tezamen komt neer op 987 m2 extra verharding. Hiervan dient 15%, te weten 148 m2, als compensatie van versnelde afvoer als open water uitgevoerd te worden, een en ander conform het beleid van Rijnland in het plangebied of daarbuiten. De hoeveelheid watercompensatie is afhankelijk van de hoeveelheid toegenomen verharding. Er wordt daarom gerekend met drie scenario’s, deze scenario’s betreffen de hoeveelheid verharding naast de woning en parkeerplaatsen. Het is namelijk aannemelijk dat er extra verharding zal komen op de kavels, dit in de vorm van bijvoorbeeld schuurtjes, terrassen of paden.
Hiervoor wordt gerekend met een scenario zonder extra verharding, en met een extra verharding ter grootte van 60%, 75% of 90% van het oppervlak van de kavels minus de huizen. De benodigde watercompensatie voor deze scenario’s bedraagt 64 m2 tot 341 m2. Vanuit de
blad 26 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
gemeente Aalsmeer geldt als waterbergingseis dat 70 mm geborgen moet kunnen worden, primair in het oppervlaktewater. Dit gaat om minimaal 10% van de planoppervlakte. Dit komt overeen met 267 m2. De waterbergingseis van het waterschap resulteert in een groter benodigd compensatie oppervlak, daarom is deze waterbergingseis maatgevend. Deze compensatie kan gerealiseerd worden door water te graven op de uiteindes van de kavels, met ca. 7,2 m wordt aan de waterbergingseis voldaan. Watersysteem De ontwikkeling heeft invloed op de watergangen nabij het plangebied. Hemelwater wordt afgevoerd naar de watergangen, wat kan zorgen voor peilstijging. Vanwege de benodigde watercompensatie vanuit de gemeente zal er extra water gegraven worden, dit zorgt voor uitbreiding van het bestaande watersysteem. De verwachting is dat dit extra wateroppervlak de afstromende hemelafvoer kan opvangen, dus dat er geen peilstijging plaats zal vinden. Grondwater Om het risico op grondwateroverlast te beperken dient de drooglegging voldoende te zijn. De drooglegging is de afstand tussen het oppervlaktewaterpeil en het maaiveld, voor het plangebied is dit ca. 1,2 m. Met een opbolling van ca. 30 à 40 cm resulteert dit in een grondwaterstand van ca. 0,8 tot 0,9 m -mv. Het is onbekend of er kelders of kruipruimtes gerealiseerd gaan worden.
Eventuele kelderconstructies zullen te allen tijd waterdicht aangelegd moeten worden. Het advies is om het bouwpeil te relateren aan de drooglegging. Hemelwaterafvoer Vanuit de gemeente wordt voor de omgang met hemelwater de voorkeursvolgorde vasthouden-bergenafvoeren gehanteerd. Bij voorkeur wordt water vast gehouden, dit kan middels doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, etc. Pas daarna wordt water geborgen in het stedelijk watersysteem. Pas bij volledige benutting van de berging wordt het overtollige hemelwater afgevoerd naar het regionale watersysteem. Daarom wordt aangeraden om zo veel mogelijk oppervlak van het plangebied onverhard te laten, zodat hemelwater kan infiltreren. Indien infiltratie- of bergingsvoorzieningen aangelegd zullen worden, dienen deze boven de GHG aangelegd te worden. Vuilwaterafvoer De nieuwe bebouwing kan worden aangesloten op de bestaande riolering. Voor het aansluiten van de nieuwe bebouwing op de bestaande riolering moet een rioleringsplan worden opgesteld. Hierover dient met de gemeente Aalsmeer te worden afgestemd. Waterkwaliteit Bij het verwerken (infiltreren of afvoeren) van afstromend hemelwater dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van het water. Tevens dient gewerkt te worden met niet-uitlogende materialen. Dit beide om te voorkomen dat de waterkwaliteit verslechtert.
Bij het graven van de watercompensatie moet de aanleg van de natuurvriendelijke oevers worden overwogen. Een natuurvriendelijke oever komt door de zuiverende werking ten goede aan de waterkwaliteit en bevordert de biodiversiteit. Waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op primaire of regionale waterkeringen. Klimaatadaptatie Er zijn vanuit de gemeente en het waterschap geen eisen gesteld aan het realiseren van waterberging middels infiltratie of berging in de bodem. Omtrent klimaatadaptatie is dit echter wel aangeraden. Wegens klimaatverandering en toenemende periodes van droogte in de zomer is het waardevol om hemelwater te infiltreren of bergen in de bodem. Dit kan middels specifieke voorzieningen (bijv. groene daken of infiltratiekratten), maar het helpt ook al aanzienlijk om zo weinig mogelijk oppervlak in de tuinen verhard te maken. Tevens neemt de hittestress toe vanwege de toename aan verharding. Om dit te verlichten is het
blad 27 van 29
datum 10 juni 2024 projectnummer 0485059.100 betreft Watertoets
raadzaam om vegetatie aan te leggen in de tuinen. Vegetatie heeft daarnaast ook een positief effect op de biodiversiteit. Conclusie Het plangebied heeft voldoende ruimte om de benodigde watercompensatie in de vorm van extra oppervlaktewater te realiseren. Er zijn vanuit de waterhuishouding beschouwd geen redenen om bezwaren te hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling. Juridische boring De primaire watergang wordt op de plankaart aangeduid met de enkelbestemming oppervlaktewater. De overige watergangen worden niet als enkelbestemming op de plankaart opgenomen. Het aanleggen van water en waterhuishoudkundige voorzieningen wordt in de regels mogelijk gemaakt op alle gronden.
blad 28 van 29
Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.
Contactgegevens Zutphenseweg 31D 7418 AH Deventer Postbus 321 7400 AH Deventer T. +31 6 21 18 70 79 E. Maaike.deBoer@AnteaGroup.nl
Copyright © 2024 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct een melding te maken bij security@antegroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.
www.anteagroup.nl
vastgesteld bestemmingsplan Hornweg tussen 293 en 309 Gemeente Aalsmeer Projectnummer 0485059.100
Bijlage 3
blad 39 van 146
Stikstofdepositie
Ruimte - Antea Nederland B.V.
Memo
datum aan van kopie vrijgave projectnummer project betreft bijlage
1.
15 november 2023 BNVB Projects M. Steenkamp, Antea Group R. Michiels, Antea Group J. Schuppen, Antea Group 0485059.100 Woningbouw Hornweg Aalsmeer Stikstofberekeningen Woningbouw Hornweg Aalsmeer AERIUS-pdf (kenmerk: RQRw5thaqyBK & RynceG71Af76)
Inleiding Aanleiding en planvoornemen De ontwikkeling betreft de bouw van drie woningen (nieuwbouw) op het perceel gelegen tussen de Hornweg 293 en 309 te Aalsmeer. De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Nieuw Oosteinde” en heeft daarin de bestemming ‘Agrarisch - Tuinbouw’. De beoogde woningbouwontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan, daarom dient een nieuw bestemmingsplan te worden ingediend. Onderdeel daarvan is een milieuonderzoek naar stikstofdepositie. Het plangebied is hieronder opgenomen. Meer specifiek gaat het om de kadastrale percelen gemeente Aalsmeer sectie B, 6423 en 8784.
Figuur 1 Plangebied aangegeven met de rode lijn
Het plan van de drie woningen wordt binnen de volgende kaders ontworpen zoals aangegeven door de gemeente in de (positieve) reactie op het principeverzoek van 11-1-2023: Goothoogte = 4,5meter; Nokhoogte 9 meter Breedte van de woningen max 50% van de kavel (correspondeert met 8,35 meter breedte) Diepte woning is 15 meter (exclusief vergunningsvrij) Twee parkeerplaatsen eigen terrein
Dit document is vertrouwelijk. Bezoek onze website voor de volledige disclaimer: Algemene voorwaarden en privacyverklaring Antea Nederland B.V. - statutaire zetel Heerenveen - handelsregister 29021830 - BTW nr. NL003662317B01 vestigingen in Heerenveen, Schoonebeek, Deventer, Almere, Capelle aan den IJssel, Goes, Oosterhout en Maastricht
blad 1 van 11
datum projectnummer project betreft
15 november 2023 0485059.100 Woningbouw Hornweg Aalsmeer Stikstofberekening
Figuur 2 Ontwerp woningen
Ligging van natuur De ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden is weergegeven in figuur 3. De ontwikkeling ligt op 7,5 kilometer van het Natura 2000-gebied ‘Botshol’. Het natuurgebied is stikstof overbelast en heeft de status: Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming (Wnb) schrijft voor dat voor alle (nieuwe) activiteiten die significante (negatieve) gevolgen kunnen hebben op de beschermde habitats in de Natura 2000-gebieden een beoordeling uitgevoerd moet worden. Om deze reden is de bijdrage van het voornemen aan de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden in beeld gebracht en beoordeeld.
Figuur 3 Ligging van stikstofgevoelige natuurgebieden ten opzichte van het plangebied (AERIUS, 2023)
Leeswijzer In de voorliggende memo worden achtereenvolgens weergegeven: het wettelijk kader, de uitgangspunten die gehanteerd zijn voor de berekening, de resultaten van de berekening en de conclusie omtrent het stikstofdepositieonderzoek.
blad 2 van 11
datum projectnummer project betreft
2.
15 november 2023 0485059.100 Woningbouw Hornweg Aalsmeer Stikstofberekening
Wettelijk kader Binnen de EU worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze Natura 2000-gebieden moeten samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, die in Nederland zijn doorvertaald in de Wet natuurbescherming (Wnb). Per gebied worden voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Dit kunnen behouds- of uitbreidings-/verbeteringsdoelstellingen zijn. Wet natuurbescherming Het onderdeel gebiedsbescherming binnen de Wet natuurbescherming (Wnb) biedt de juridische basis voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. Het kan daarbij zowel activiteiten binnen als buiten het betreffende Natura 2000-gebied betreffen. Het regime voor Natura 2000 kent een zogenaamde externe werking, waardoor ook moet worden bezien of activiteiten buiten het Natura 2000-gebied, negatieve effecten kunnen hebben op de daarvoor vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. Bij vaststelling van plannen moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden (art. 2.7 lid 1, Wnb).