bijlage 15 Aanmeldnotitie Westeinderhage.pdf
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling PROJECT
Westeinderhage
STATUS
Versie 1
PROJECTNUMMER
20341
DATUM
11 februari 2021
AUTEUR
K.A. van Duijn MSc
CONTROLE
drs. ing. M.L.W. Andela
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
Pagina | 1
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 085 – 744 08 37
Mees Ruimte & Milieu | 19035
Pagina | 2
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 19035
Pagina | 3
Inhoudsopgave
pagina
1
Inleiding .............................................................................................................................. 4 1.1 Aanleiding en voorgenomen ontwikkeling ........................................................................ 4 1.2 Planologische toets ......................................................................................................... 4 1.3 Toetsing aan Besluit milieueffectrapportages ................................................................... 5 1.4 Leeswijzer ....................................................................................................................... 7
2
Kenmerken van het project ................................................................................................. 8 2.1 Inleiding ........................................................................................................................... 8 2.2 Beschrijving en omvang van het project........................................................................... 8 2.3 Overige kenmerken van het project ................................................................................. 9 2.3.1 Cumulatie met andere projecten .................................................................................. 9 2.3.2 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen ............................................................................ 9 2.3.3 Productie van afvalstoffen ............................................................................................ 9 2.3.4 Verontreiniging en hinder ............................................................................................. 9 2.3.5 Risico van ongevallen ................................................................................................ 10
3
Plaats van het project ....................................................................................................... 11 3.1 Inleiding en locatie ......................................................................................................... 11 3.2 Het bestaande grondgebruik en de omgeving ............................................................... 11 3.3 Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu .............................................................. 12 3.3.1 Inleiding ..................................................................................................................... 12 3.3.2 Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn ................................................... 12 3.3.3 Toetsing overige gevoelige gebieden ......................................................................... 13
4
Kenmerken van het potentiële effect ................................................................................. 14 4.1 Inleiding ......................................................................................................................... 14 4.2 Te beoordelen aspecten ................................................................................................ 14 4.3 Verkeer ......................................................................................................................... 15 4.3.1 Huidige situatie .......................................................................................................... 15 4.3.2 Effecten ontwikkeling ................................................................................................. 15 4.4 Geluid............................................................................................................................ 16 4.4.1 Huidige situatie .......................................................................................................... 16 4.4.2 Effect ontwikkeling ..................................................................................................... 16 4.5 Luchtkwaliteit ................................................................................................................
16 4.5.1 Huidige situatie .......................................................................................................... 16 4.5.2 Effecten ontwikkeling ................................................................................................. 17 4.6 Ecologie ........................................................................................................................ 17 4.6.1 Huidige situatie .......................................................................................................... 17 4.6.2 Effecten ontwikkeling ................................................................................................. 18 4.7 Milieuzonering ............................................................................................................... 18 4.7.1 Huidige situatie .......................................................................................................... 18 4.7.2 Effecten ontwikkeling ................................................................................................. 19
5
Conclusie ......................................................................................................................... 20
Bijlagen Geen inhoudsopgavegegevens gevonden.
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en voorgenomen ontwikkeling
Het gebied Westeinderhage is al jarenlang als inbreidingslocatie voor woningbouw in beeld. Deze locatie is ook als ontwikkellocatie opgenomen in de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020. Het gebied is gelegen tussen de Herenweg en de Bilderdammerweg en beslaat een oppervlakte van circa 8,5 hectare. Doel van de ontwikkeling betreft de realisatie van een duurzame woningbouwlocatie van circa 267 woningen om aan de lokale behoefte aan woningen voor toekomstige inwoners van Kudelstaart/Aalsmeer en de directe omgeving te voldoen. De gemeente Aalsmeer stelt een bestemmingsplan op voor de beoogde woningbouwontwikkeling op de locatie Westeinderhage te Kudelstaart.
1.2
Planologische toets
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan Kudelstaart op onderdelen, vastgesteld op 13-06-2013 en het Paraplubestemmingsplan Parkeernormen.Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingen Agrarisch-Tuinbouw, Verkeer, Bedrijf, Wonen, Tuin-1 en Tuin-2. Daarnaast geldt de dubbelbestemming Waarde - Landschap Groene Hart Momenteel ligt voor over het plangebied het ontwerp bestemmingsplan Kudelstaart 2020 ter inzage. Dit bestemmingsplan vervangt het voorgaande bestemmingsplan Kudelstaart 2006 dat op 21-2-2008 is vastgesteld. Kudelstaart 2020 is een overwegend conserverend bestemmingsplan met een aantal kleine wijzigingen/aanpassingen. Voor het plangebied betekent dit dat de bestemming bedrijf is komen te vervallen. Dit geld eveneens voor de bestemming Tuin-2. De bestemming Tuin-1 is vervangen door Tuin-Parkeertuin. De dubbelbestemming Waarde - Landschap Groene Hart is in het ontwerp bestemmingsplan Kudelstaart 2020 niet meer opgenomen. Aangezien deze toelichting voor het bestemmingsplan Westeinderhage later zal worden vastgesteld dat het bestemmingsplan Kudelstaart 2020, wordt aan het ontwerpbestemmingsplan Kudelstaart 2020 getoetst De beoogde ontwikkeling past niet binnen het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Kudelstaart 2006” en het ontwerpbestemmingsplan “Kudelstaart 2020”.
Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt daarom een nieuw bestemmingsplan ter vaststelling aangeboden. Op dergelijke besluiten is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) van toepassing. Deze aanmeldnotitie is de eerste stap in de procedure voor het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, zoals vermeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. onder D 11.2.
Figuur 1. Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
1.3
Toetsing aan Besluit milieueffectrapportages
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een omgevingsvergunningsprocedure. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een plan-m.e.r. plicht geldt indien de grenswaarden worden overschreden in geval van respectievelijk een besluit of een plan. Bij de m.e.r.-boordeling dient te worden beoordeeld in hoeverre er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd in hoeverre belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Figuur 2. Overzicht verschillende m.e.r.-procedures (bron: www.infomil.nl)
Met het op 7 juli 2017 in werking getreden wijziging Besluit m.e.r. dient bij elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie te worden opgesteld. Toetsing aan het Besluit m.e.r. De realisatie van woningen ter plaatse van het plangebied kan worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject, welke is vermeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. onder D 11.2. tabel 1. Relevant onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4 Activiteiten Gevallen Plannen Besluiten D 11.2
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van circa 267 woningen. Het aantal beoogde woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen waarvoor een plan-mer plicht geldt (kolom 2). Voor de ontwikkeling dient daarom een m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Doel m.e.r.-beoordeling Het doel van de m.e.r.-beoordeling is het toetsen of een plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Het bevoegd gezag dient te beoordelen in hoeverre volstaan kan worden met een m.e.r.-beoordeling. Een dergelijk besluit wordt genomen aan de hand van de aanmeldnotitie en vormt een bijlage bij het ruimtelijk besluit (in casu het vaststellingsbesluit van het door de gemeente op te stellen bestemmingsplan voor Westeinderhage). Voorliggende rapportage betreft de aanmeldnotitie waarin de m.e.r.-beoordeling is doorlopen. Op basis hiervan wordt het bevoegd gezag gevraagd een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen. Criteria voor toetsing Voor de m.e.r.-beoordeling voor activiteiten onder de drempelwaarde bestaan de procedurele vereisten benoemd in de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de Wet milieubeheer.
Met betrekking tot de inhoud moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn, zie onderstaande tabel. tabel 2. Criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. 2. Plaats van de projecten Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande grondgebruik, de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: o wetlands o kustgebieden o berg- en bosgebieden o reservaten en natuurparken o gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn) o gebieden waarin de bij
communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; o gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid o landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang 3. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), het grensoverschrijdende karakter van het effect 'de waarschijnlijkheid van het effect, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
Effectbeoordeling Bij de effectbeoordeling wordt ingegaan op de effecten van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.
1.4
Leeswijzer
De aanmeldnotitie volgt de indeling van bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r: Hoofdstuk twee gaat in op de kenmerken van het project; Hoofdstuk drie beschouwt de plaats van het project; Hoofdstuk vier beschrijft de kenmerken van de potentiële effecten van het project; Hoofdstuk vijf geeft de conclusie weer.
2
Kenmerken van het project
2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project besproken. De aard en omvang van het project worden in beeld gebracht. Tevens komen de overige aspecten aan bod, te weten cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.
2.2
Beschrijving en omvang van het project
Het plan kent een mix van verschillende woningtypen, zowel qua vormgeving als qua financieringscategorie. De proefverkaveling voorziet vooralsnog in 267 woningen in totaal, bestaande uit: 70 appartementen, 80 rijwoningen, 62 beneden-bovenwoningen, 46 twee-onder-één-kap woningen en 9 vrijstaande woningen. De appartementen zijn verdeeld over twee plekken. Eén vrijstaand appartementengebouw, centraal in het plangebied, bestaande uit twee delen met een hoogte van 6 en 7 bouwlagen en twee kleinere gebouwen ieder bestaande uit twee delen met een hoogte van 3 en 4 bouwlagen, centraal in het zuidelijk deel van het plangebied met een doorkijk van en naar de Bilderdammerweg. De grondgebonden woningen hebben vooralsnog een hoogte van twee bouwlagen plus een kap. 30 Appartementen zijn bedoeld voor sociale huur of koop. Onderstaande verkaveling geeft een indicatie van de invulling van het plangebied. Figuur 3. Verkaveling nieuwbouw Westeinderhage
2.3 2.3.1
Overige kenmerken van het project Cumulatie met andere projecten
In de nabijheid van de projectlocatie zijn diverse toekomstige ontwikkelingen gepland. Deze projecten kunnen, indien deze doorgang vinden, gezamenlijk met voorliggende ontwikkeling worden beoordeeld op negatieve effecten. Bilderdammerweg 6-30 Woningbouwcooperatie Eigen Haard is voornemens 12 woningen aan de Bilderdammerweg 6-30 te slopen en ter plaatse nieuwbouw te plegen. Bouwkundig onderzoek heeft aangetoond dat sloop onvermijdelijk is. De wens is om circa 17 sociale huurwoningen op deze locatie terug te realiseren. Hoofdweg Zuid Voor de locatie Hoofdweg Zuid (tussen Hoofdweg, Schoutweg en Romeijnstraat) is een initiatief ingediend voor de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk. De gemeente staat positief tegenover het stedenbouwkundig afhechten van de wijk aan de zuidwest zijde van Kudelstaart. Belangrijke voorwaarde voor de haalbaarheid van het project zijn de verbetering van de wegenstructuur en bovenwijkse voorzieningen. Gezondheidscentrum Graaf Willemlaan 24 Langs de Graaf Willemlaan zit de voormalige bibliotheek en een grasveld dat eigendom van de gemeente is. Begin 2018 is er ter plaatse van de bibliotheek en een deel van het naastgelegen grasveld een initiatief ingediend voor een eerstelijns gezondheidscentrum (ca. 1100 m2 bvo). Het initiatief bevat een apotheek, twee huisartsenpraktijken, een fysiotherapeut met fitness en het Paramedisch AdviesCentrum Aalsmeer (PACA).
Tweede supermarkt Kudelstaart De gemeente Aalsmeer doet onderzoek naar de realisatie van een tweede supermarkt in Kudelstaart. De locatie van basisschool de Graankorrel lijkt geschikt voor een tweede supermarkt. Deze locatie zal nader onderzocht moeten worden. Dit in combinatie met een verplaatsing van de basisschool naar de nieuwbouwlocatie Hoofdweg Zuid.
2.3.2
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Voor de realisatie van het project worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal, zoals beton, hout, staal en grond. Een andere locatie zal niet leiden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij de beoogde ontwikkeling is geen sprake van productieprocessen.
2.3.3
Productie van afvalstoffen
Ten behoeve van de ontwikkeling zullen geen sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Het projectgebied is momenteel een braakliggend terrein. Tijdens de bouw zal er wellicht bouwafval ontstaan. Dit bouwafval wordt op de gebruikelijke manier verwerkt conform de geldende wetgeving (Wet milieubeheer en Bouwbesluit). Na de realisatiefase zal er voornamelijk sprake zijn van huishoudelijk afval en afvalwater. Dit sanitaire afvalwater zal worden aangesloten op het vuilwaterriool en geleid naar een gemeentelijke waterzuiveringsinstallatie. Hier wordt het afvalwater gezuiverd alvorens het wordt geloosd op het oppervlaktewater. Hiermee wordt voorkomen dat het oppervlaktewater vervuild raakt met sanitaire afvalstoffen.
2.3.4
Verontreiniging en hinder
Bouwfase
In de bouwfase van het project kan luchthinder-, stof-, geur-, geluid-, trillings-, licht- en bodemhinder ontstaan. Wat betreft deze mogelijke milieuhinder wordt voldaan aan de wettelijke normen dan wel worden maatregelen getroffen om gevolgen/effecten te voorkomen/beperken. Gebruiksfase Ook in de gebruiksfase van het project kan lucht-, stof- ,geur-, geluid- licht- en bodemhinder ontstaan. Luchthinder In paragraaf 4.6 wordt nader ingegaan op het aspect luchtkwaliteit en in paragraaf 4.7 wordt nader op het onderdeel stikstof ingegaan. Stofhinder en geurhinder In de gebruiksfase zal met de ingebruikname van de woningen geen mogelijke stof- en geurhinder plaatsvinden. Het project maakt geen bedrijvigheid mogelijk die kan zorgen voor eventuele stof- en geurhinder. Geluidhinder De geluidhinder in de gebruiksfase zal met name afkomstig zijn van voertuigen van de bewoners (motor en banden). Geluid kan ver reiken maar zal in het dorp, met obstakels (gebouwen) en andere geluidsbronnen, over het algemeen als lokaal worden ervaren. Lichthinder De verlichting in de openbare ruimte en aan de gebouwen wordt zo uitgevoerd dat lichthinder naar de woonbebouwing wordt voorkomen. Bodemhinder Door in de gebouwen geen uitloogbare materialen te gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met hemelwater wordt verontreiniging van de bodem en grondwater voorkomen.
Het bodemrisico is hiermee verwaarloosbaar en eventuele hinder beperkt zich tot de directe omgeving van de activiteit. Conclusie Tijdens de gebruiksfase ontstaat eveneens hinder. Dit betreft, op stikstofdepositie na, over het algemeen hinder die ervaren wordt in de nabijheid van de projectlocatie.
2.3.5
Risico van ongevallen
Onderhavig project vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het project brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee. Daarnaast vormt een bouwveiligheidsplan een onderdeel van de omgevingsvergunningaanvraag ‘bouwen’. Hierdoor wordt de kans op ongelukken tot een minimum beperkt. Er is bij de beoogde ontwikkeling geen sprake van realisatie van risicovolle inrichtingen. Het plangebied is gelegen buiten de invloedsgebieden van buisleidingen, transportroutes en risicovolle inrichtingen. Daarnaast is het plangebied is gelegen buiten zone 3 van het Luchthavenindelingbesluit, de zone waarbinnen met het oog op de externe veiligheid geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan, behoudens bestaand gebruik. Er is geen sprake van een significant negatief effect in het kader van externe veiligheid.
3
Plaats van het project
3.1
Inleiding en locatie
In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden. De projectlocatie is gelegen ter plaatse van de voormalige kassenbouw locatie tussen de Herenweg en de Bilddammerweg in Kudelstaart (zie figuur 4).
3.2
Het bestaande grondgebruik en de omgeving
Al in 2001 is Westeinderhage, voormalig tuinbouwgebied, in de ‘Gebiedsvisie Aalsmeer 2020’ aangemerkt als inbreidingslocatie voor woningbouw. Het gebied is circa 8,5 hectare groot en is globaal begrensd door de Herenweg aan de noordzijde, en de Bilderdammerweg aan de zuidzijde. De locatie wordt ontsloten via de Bilderdammerweg in het verlengde van Geerland. In onderstaande figuur is de locatie weergegeven. Figuur 4. Luchtfoto omgeving en ligging plangebied (bron: QGis, eigen bewerking)
3.3
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
3.3.1
Inleiding
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze m.e.r.-beoordeling is een analyse uitgevoerd naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt onderstaand beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.
3.3.2
Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn
In onderstaande tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Type gebied Wetlands
Juridisch kader Conventie van Ramsar
Kustgebieden Berggebieden en bosgebieden Reservaten en natuurparken: Nationale Landschappen Nationale parken Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
(o.a.) Wet natuurbescherming Nationale Landschappen zijn benoemd in de Nota Ruimte. De Nationale Parken zijn onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) Wet natuurbescherming
Europese milieurichtlijnen (o.a. kaderrichtlijn Luchtkwaliteit en kaderrichtlijn Water)
Relevantie voor voorgenomen ontwikkeling In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig. Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied. Het plangebied is niet gelegen in een bergof bosgebied. Het plangebied is niet in een Nationaal Landschap of Nationaal Park gelegen. Daarnaast is het niet gelegen in NNN-gebied. De projectlocatie is op ca. 9,0 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied “Nieuwkoopse Plassen & De Haeck” gelegen. Onder deze tabel wordt hierop nader ingegaan. De projectlocatie is niet gelegen in een gebied waar o.b.v. communautaire wetgeving reeds normen worden overschreden. Kudelstaart kent over het algemeen een lage bevolkingsdichtheid (conform cijfers CBS).
Natura 2000-gebied Zoals in de tabel reeds is benoemd, is de projectlocatie in de nabijheid van een Natura 2000-gebied gelegen. Natura 2000-gebieden maken onderdeel uit van het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke dier- en plantensoorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. De voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk een effect hebben op de in de nabijheid gelegen Natura 2000-gebieden. Om die reden wordt in het volgende hoofdstuk nader op het aspect ecologie (gebiedsbescherming) ingegaan.
3.3.3
Toetsing overige gevoelige gebieden
Naast de gebieden die specifiek zijn genoemd in Bijlage III van de EU-Richtlijn, wordt eveneens getoetst of de projectlocatie gelegen is in gevoelige gebieden op grond van overige nationale of provinciale wet- en regelgeving. Type gebied Natuurnetwerk Nederland
Juridisch kader Provinciale verordening
Weidevogelleefgebied
Provinciale verordening
Stiltegebied
Provinciale verordening Wet milieubeheer Provinciale verordening
Bodembeschermingsgebied Grondwaterbeschermingsgebied Beschermingszone waterkering
Provinciale verordening
Gebied geschikt voor beschermde soorten
Wet natuurbescherming
Legger en Keur waterschap Amstel, Gooi, Vecht
Relevantie voor voorgenomen ontwikkeling De projectlocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De projectlocatie is niet gelegen in of nabij een weidevogelleefgebied. De projectlocatie is niet gelegen in een stiltegebied. De projectlocatie is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied. De projectlocatie is niet gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied. De projectlocatie is niet in of in een beschermingszone van een waterkering gelegen. De projectlocatie is niet geschikt bevonden voor beschermde soorten.
4
Kenmerken van het potentiële effect
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit, waarbij het gaat om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken (kenmerken van het project en plaats van het project). Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals wordt besproken in de navolgende paragrafen is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie en expert-judgement. Dit is aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van de herontwikkeling.
4.2
Te beoordelen aspecten
Uit hoofdstuk 2 blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van circa 267 woningen. Het projectgebied kent één kwetsbaarheid. Het is namelijk op enige afstand gelegen van een Natura 2000-gebied. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken geldt de verwachting dat de ontwikkeling qua aard en omvang een beperkt heeft op de omgeving. De onderdelen die mogelijk wel een effect met zich mee brengen worden hieronder in kaart gebracht en in de navolgende paragrafen nader uitgewerkt. Dit betreffen de onderdelen: Verkeer (paragraaf 4.3) Het plan heeft een verkeersaantrekkende werking. Bij een mogelijke toename aan verkeer kan eventueel sprake zijn van negatieve (milieu)effecten op het gebied van doorstroming en verkeersveiligheid. Geluid(hinder) (paragraaf 4.4) Door de verkeersaantrekkende werking van het plan, kan een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving bij voorbaat niet worden uitgesloten. Luchtkwaliteit (paragraaf 4.5) Een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van de toename van verkeer is op voorhand niet uitgesloten. Ecologie (paragraaf 4.6) Het project kan mogelijk leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde natuurgebieden en op beschermde flora en fauna-soorten.
Milieuzonering De projectlocatie is te typeren als woongebied. Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor dit type gebied. De herontwikkeling van het projectgebied heeft geen nadelige gevolgen voor bestaande bedrijven in de omgeving en vice versa.
Aspecten waarbij op voorhand geen effecten te verwachten zijn Van de overige (milieu)aspecten wordt op basis van de beoordeling die heeft plaatsgevonden in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Volledigheidshalve worden deze aspecten hieronder kort aangehaald: Bodem De voorgenomen ontwikkeling van woningbouw bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. Derhalve kan op voorhand geconcludeerd worden dat geen sprake is van negatieve effecten op de bodem. Externe veiligheid Het project zorgt niet voor een realisatie van een risicovolle inrichting of nieuwe transportroute gevaarlijke stoffen en levert dus geen negatief effect op de veiligheid op. Het projectgebied is op dermate grote afstand van risicobronnen gesitueerd dat externe veiligheid geen belemmering is voor de ontwikkelingen die binnen dit gebied plaatsvinden. Water Het realiseren van woningen leidt in beginsel niet tot mogelijke negatieve effecten op de (grond)waterkwaliteit. Er worden geen uitlogende materialen gebruikt die voor een vervuiling kunnen zorgen. Het afvalwater zal via het vuilwaterriool afgevoerd worden voor centrale zuivering. Hemelwater wordt daar waar mogelijk afgekoppeld. De realisatie van woningen leidt niet tot een significant negatief effect op het aspect water.
4.3
Verkeer
4.3.1
Huidige situatie
In de huidige situatie is het projectgebied een braakliggend terrein en heeft geen verkeersaantrekkende werking op zichzelf.
4.3.2
Effecten ontwikkeling
Uit onderzoek van Goudappel Coffeng van 14 juni 2018 blijkt dat vanuit het plangebied Westeinderhage een toename van totaal 1.900 mvt/etm zichtbaar is op de Bilderdammerweg. Dit resulteert in een stijging van ca 1.300 mvt/etm aan de noordelijke kant van de Bilderdammerweg en +500 aan de zuidelijke kant. De intensiteit over de Bilderdammerweg is mogelijk niet goed te verwerken. Uit het Verkeersonderzoek Kudelstaart zijn enkele samenhangende maatregelen voorgesteld die moeten zorgen dat met name het toenemende autoverkeer zich veilig in Kudelstaart beweegt.
vrijliggend fietspad Bilderdammerweg-zuid doortrekken langs de Bilderdammerweg-noord en aansluiten op de bestaande fietsstructuur; snelheidsremmende maatregelen Bilderdammerweg; éénrichtingsverkeer Kudelstaartseweg; doortrekken Robend naar de Hoofdweg; verbreden N231 (Legmeerdijk) en aanpassen kruispunten. De eerste twee maatregelen worden genomen voordat sprake kan zijn van woningbouwontwikkeling op de locatie Westeinderhage.
4.4
Geluid
4.4.1 Huidige situatie In de huidige situatie is het projectgebied een braakliggend terrein en is geen geluid producerende functie op zichzelf.
4.4.2 Effect ontwikkeling Geluidshinder op bestaande woningen Als gevolg van de planontwikkeling neemt met name in de Stuurboordstraat het aantal verkeersbewegingen toe. Daarom is de situatie langs deze 30 km/h-weg nader beschouwd. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 49 dB. Ten opzichte van de in gezoneerde situatie geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB neemt de geluidsbelasting met 1 dB toe. Daarmee is geen sprake van een significante geluidstoename. Van een significante geluidstoename (2 dB of meer) is sprake bij een verkeerstoename van 40% of meer. Dergelijke toenames van het aantal verkeersbewegingen worden niet verwacht op de Bilderdammerweg. Daarmee is geen sprake van ‘gevolgen elders’. Geluidshinder voor de te realiseren woningen Het geluidsonderzoek dat verricht is toont aan dat in totaal bij een viertal woningen geluidsbelastingen boven de 48 dB voorkomen. Dit betreffen geluidsbelastingen afkomstig van niet gezoneerde 30 km/h-wegen. Om te zorgen voor een goed woon- en leefklimaat bij deze woningen wordt geadviseerd de gevels van de woningen, waarop geluidsbelastingen van boven de 48 dB voorkomen, zo uit te voeren dat het geluidreducerend vermogen van deze gevels minimaal 29 dB bedraagt. Geluidseffecten tijdens bouw De sloop en bouw van de voorgenomen ontwikkeling vindt in een tijdsperiode van circa 2,5 jaar plaats.
De bouw zal voldoen aan de eisen volgens artikel 8.3 van het Bouwbesluit. Eventuele tijdelijke geluidsproductie door de werkzaamheden in de aanlegfase zal in zeer beperkte mate additionele geluidhinder veroorzaken Geconcludeerd kan worden dat het nemen van een hogere waarde besluit voor de beoogde realisatie van woningbouw ter plaatse van de ontwikkellocatie Westeinderhage niet van toepassing is. Wat betreft het aspect ‘geluid’ is er geen sprake van negatieve milieueffecten.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Huidige situatie
Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn op basis van de NSL-monitoringstool de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5) bestudeerd. Deze kunnen daarna worden gerelateerd aan de wettelijke grenswaarden, aangezien deze een indicatie geven of sprake kan zijn van een slechte bestaande luchtkwaliteit. In de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer) zijn wettelijke grenswaarden genoemd voor de betreffende stoffen; die bedraagt voor de jaargemiddelde immissieconcentraties 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. tabel 3.
Huidige achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied (bron: nsl-monitoring.nl)
Jaar
GCN-achtergrondconcentratie t.p.v. rekenpunt ID 15853220 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3) PM2,5 (µg/m3)
2020
16.653
17.397
10.141
Grenswaarden
40
40
25
De NSL Monitoringstool (geraadpleegd d.d. 10 februari 2021) laat zien dat nabij de projectlocatie de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van stikstofdioxide NO2 16,7 µg/m3, van fijnstof PM10 17,4 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 10,1 µg/m3 zijn en daarmee ver onder de grenswaarden liggen. Daarnaast is het in dit kader relevant om op te nemen dat in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM) luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen. In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3).
Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. In de huidige en voorgestane (planologische) situatie wordt onder deze 3% norm gebleven.
4.5.2 Effecten ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van 267 woningen en bevindt zich ruim onder de grens van projecten die op grond van de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’ als ‘NIBM’ worden beschouwd (de ‘grens’ ligt bij een woonbuurt met één ontsluitingsweg op 1.500 woningen). Dit is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van een betekenisvol negatief milieueffect. Daarnaast is in voorgaande subparagraaf aangegeven dat de huidige achtergrondconcentraties ver onder de grenswaarden liggen, waarmee gesteld kan worden dat aan een goed woon- en leefklimaat voldaan kan worden voor de nieuwbouwwoningen in het kader van het aspect luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat voor wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen sprake is van negatieve milieueffecten.
4.6
Ecologie
4.6.1
Huidige situatie
Het plangebied betreft onbebouwd en grotendeels onverhard terrein. De voorgenomen werkzaamheden betreffen de bouw van de woningen en het aanleggen van infrastructuur.
4.6.2
Effecten ontwikkeling
Door de bouw en toename in verkeersbewegingen, kan de voorgenomen ontwikkeling theoretisch negatieve effecten hebben op de natuur in en rondom het projectgebied. In dat kader is onderzoek gedaan naar de effecten van het plan op de natuur in de vorm van een ecologische quickscan (ATKB, 7 januari 2020) en een nader onderzoek beschermde soorten (ATKB, 26 oktober 2020). Stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden wordt gecoördineerd door de gemeente. Soortenbescherming Uit de onderzoeken van ATKB blijkt dat de waterspitsmuis, kleine marterachtigen, de rugstreeppad, de ringslang, de platte schijhoren en de dreps en de schubvaren niet voorkomen binnen het plangebied. Het plangebied is als niet essentieel foerageergebied voor vleermuizen in gebruikt. Als in de vleermuisactieve periode bij daglicht wordt gewerkt is een tijdelijk effect als gevolg van bouwverlichting uit te sluiten. Wanneer wel bouwverlichting nodig is, moet die van de rand van de bouwplaats naar binnen zijn gericht en niet worden gericht op hoog opgaande groenstructuren (bomen) en watergangen. In de periode november-maart zijn maatregelen niet nodig omdat vleermuizen dan niet actief zijn. Daarnaast wordt het plangebied gebruikt door niet jaarrond beschermde broedvogels. Voor broedvogels geldt dat buiten het broedseizoen (half maart t/m half juli) gewerkt moet worden.
Indien de werkzaamheden in het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden, moet voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen de struiken en bomen gerooid worden. Als de bomen en struiken niet buiten het broedseizoen gerooid kunnen worden, dient men voorafgaand aan het rooien contact op te nemen met een ecoloog. Conclusie van het rapport is dat er geen soorten of leefgebieden zijn aangetroffen waarvoor een ontheffing noodzakelijk is. Indien bovenstaande maatregel m.b.t. vleermuizen en broedvogels in acht genomen wordt, alsmede de volgende maatregelen m.b.t. zorgplicht en pioniersoorten, is een ontheffingsaanvraag niet nodig. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 9.000 meter) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Het is mogelijk dat het project een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/j in Natura 2000gebieden tot gevolg heeft.
Het project kan middels toename van het verkeer als gevolg van het planvoornemen, de inzet van werktuigen tijdens de bouw en mogelijke uitstoot van woningen een toename aan stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden veroorzaken en zodoende het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitats in gevaar brengen. Gezien de relatief grote afstand, lijkt het risico op overschrijding van de kritische drempelwaarde klein. De coördinatie van dit onderzoek ligt bij de gemeente.
4.7
Milieuzonering
4.7.1
Huidige situatie
Autoschadebedrijf Lammers is gelegen aan de Herenweg 51 te Kudelstaart. Ten zuiden van het bedrijf is de woonwijk Westeinderhage gepland. De afstand tussen de schoorsteen van het
autoschadebedrijf en de dichtstbijzijnde geprojecteerde gevel bedraagt circa 20 meter. De gevel van het autoschadebedrijf is op kortere afstand gelegen.
4.7.2
Effecten ontwikkeling
Aan de noordzijde van Westeinderhage bevindt zich een autoschadebedrijf met effecten door geluid, lucht en geur. Peutz heeft onderzoek uitgevoerd op elk van deze aspecten. Voor geluid wordt voldaan aan het maximale geluidsniveau, maar zullen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maatregelen voor het binnengeluid van het autoherstelbedrijf worden genomen. Voor lucht wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in de Wet milieubeheer. Op basis van beschikbare informatie wordt geconcludeerd dat geurhinder niet zonder meer uit te sluiten is. Er bestaat een kans dat woningen binnen 50 meter van het emissiepunt van de spuiterij geurhinder kunnen ondervinden. Voor geluid en geur zijn er aandachtspunten ten aanzien van de woningbouwontwikkeling. Aangezien dit lokale effecten zijn is er nog geen reden tot een M.E.R. plicht. Er zijn geen significante effecten op het milieu te verwachten. En met het nemen van maatregelen kan er ook voor de woningen in de omgeving een goed woon en leefklimaat behaald worden.
5
Conclusie
Uit de effecten die in deze aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling zijn beschreven, kan geconcludeerd worden dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling van 267 woningen geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. De activiteiten / functies die mogelijk worden gemaakt met voorliggende ontwikkeling zijn, gelet op de kenmerken, plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage doorlopen dient te worden. Het voorstel is om het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.