Bijlage 1_Quickscan Wet natuurbescherming Hoofdweg 192 Kudelstaart RKNA2301 Definitief
Tekst van het document
QUICKSCAN HOOFDWEG 192 KUDELSTAART Definitief rapport
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 24-4-2023
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:
Uitvoering: Adres:
Maatschap H.J en R. Kort Dhr. R. Kort Hoofdweg 194 1433 JX Kudelstaart 06 53501157 robertkort@hotmail.nl
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
J.I. Andringa MSc.
Auteur: Kwaliteitscontrole:
S. Breur ing. S. van Lieshout
Projectcode: Status: Datum:
RKNA2301 Definitief 24-4-2023
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2
SAMENVATTING
De initiatiefnemer is voornemens twee nieuwe schuren te realiseren aan de Hoofdweg 192 te Kudelstaart. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. Het projectgebied kan gebruikt worden door de boomvalk, buizerd, huismus, kleine marterachtigen, ransuil en vleermuizen. De boomvalk, buizerd en de ransuil kunnen gebruik maken van het potentieel jaarrond beschermd nest. Het potentieel jaarrond beschermd nest bevindt zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden, derhalve worden er geen effecten verwacht voor de boomvalk, buizerd en de ransuil. De huismus kan het pannendak van het woonhuis en de ruimte onder de zonnepanelen van de loodsen gebruiken als nestlocatie. De groenstructuren rondom het woonhuis kunnen gebruikt worden door de huismus als functioneel leefgebied. Tijdens de werkzaamheden worden er geen effecten verwacht op de huismus, de nestlocaties en het functioneel leefgebied bevinden zich niet binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Derhalve worden er geen effecten verwacht op de huismus tijdens de werkzaamheden De kleine marterachtigen kunnen de dichte struwelen gebruiken als verblijfplaats.
De potentiële verblijfplaatsen van de kleine marterachtigen bevinden zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden, derhalve worden er geen effecten verwacht op de kleine marterachtigen. Vleermuizen kunnen het pannendak en de openingen van de dakrand van het woonhuis en de schuur gebruiken als verblijfplaats. De potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich echter buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden derhalve worden er geen effecten verwacht op de verblijfplaatsen van vleermuizen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatieven groenstructuren en lijnvormige elementen in de directe omgeving van het projectgebied zijn de mogelijke foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen in het projectgebied niet van essentieel belang voor de instandhouding van de lokale populaties vleermuizen. Bij de geplande ontwikkelingen blijven de groenstructuren behouden, derhalve is er geen effect verwachten op het foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Andere beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. Directe effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en de Natura 2000-gebieden worden uitgesloten voor te komen.
Vanwege de kleinschalige aard van de werkzaamheden worden er geen negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden verwacht. Een berekening met behulp van de AERIUS Calculator kan uitsluitsel bieden. Het is aan te bevelen de werkzaamheden zo in te richten dat een overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd met inachtneming van de aanbevolen mitigerende maatregelen, zijn er geen aanvullende inventarisaties of een ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming benodigd. Er wordt aanbevolen geen gebruik te maken van aanvullende nachtelijke verlichting om het verstoren van foeragerende en passerende vleermuizen te voorkomen. Indien aanvullende nachtelijke verlichting niet kan worden vermeden, kan verstoring worden voorkomen door het toepassen van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting en richtarmaturen om strooilicht naar de omgeving te voorkomen. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding............................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ...................................................................................................... 5 1.2.1 Gebiedsbescherming .................................................................................................................. 5 1.2.2 Soortbescherming ...................................................................................................................... 6 1.2.3 Ontheffing en gedragscode ........................................................................................................ 7 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 7 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen .................................................................................................... 8 Projectgebied ................................................................................................................................. 8 Ontwikkelingen............................................................................................................................... 8
3 Soortbescherming .......................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek....................................................................................................................... 10 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................. 10 3.2.1 Vleermuizen.............................................................................................................................. 10 3.2.2 Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................................... 11 3.2.3 Vogels ...................................................................................................................................... 11 3.2.4 Amfibieën.................................................................................................................................. 12 3.2.5 Reptielen .................................................................................................................................. 12 3.2.6 Vissen .......................................................................................................................................
12 3.2.7 Ongewervelden ........................................................................................................................ 12 3.2.8 Vaatplanten .............................................................................................................................. 12 3.2.9 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies .............................................................. 13 3.3 Effecten ........................................................................................................................................ 13 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ............................................................................................................ 13 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming ....................................................... 14 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................... 14 3.4.2 Mitigerende maatregelen .......................................................................................................... 14 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming .......................................................................................... 14 4 4.1
Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 15 Effecten ........................................................................................................................................ 16
5 5.1 5.2
Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 17 Conclusies ................................................................................................................................... 17 Aanbevelingen ............................................................................................................................. 17
6 Literatuur......................................................................................................................................... 18 Bijlage 1: Foto-impressie .......................................................................................................................... 19 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ........................................................................................... 20 Bijlage 3: Kaart resultaten habitatscan ............................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemer is voornemens twee nieuwe schuren te realiseren aan de Hoofdweg 192 te Kudelstaart. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
5
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
6
1.2.3
ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden.
7
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Aalsmeer in kilometerhok: X: 109 en 110 / Y: 470 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied bestaat uit een woonhuis welke is opgebouwd uit bakstenen met een dak bedekt met dakpannen. Rondom het huis staan enkele groenblijvende struwelen waaronder de broodboom en de liguster. Aan de oostkant van het huis is een schuur gelegen welke bedekt is met dakpannen. Verder op het terrein zijn zes loodsen aanwezig welke opgebouwd zijn uit golfplaten. De daken van de loodsen zijn bedekt met zonnepanelen. Aan de noordkant van de loodsen staan enkele zeecontainers en houten kratten. Aan de noordkant bevindt zich een leeg stuk asfalt waar werkvoertuigen zijn opgesteld. Het projectgebied is omringd door akkers aan het noorden, oosten en westen. De oostzijde is gescheiden van de akker door middel van een smalle watergang. Langs deze watergang is een bomenrij bestaande uit wilgen aanwezig. Aan de zuidzijde van het projectgebied is de Hoofdweg gelegen. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN
De initiatiefnemer is voornemens twee nieuwe schuren te realiseren in het projectgebied. De twee schuren zullen geplaatst worden op de zwart ingetekende vakken. De schuren zullen gerealiseerd worden op een stuk akker en een grasveld. De schuren zullen aansluiten op de naastgelegen schuren. Op afbeelding 2 en 3 is de huidige situatie en de geplande ontwikkelingen te zien.
8
Afbeelding 2: Huidige situatie
Afbeelding 3: Geplande ontwikkeling
9
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.
Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4.9 van de “Omgevingsverordening NH 2020” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht bij aanvang van de werkzaamheden indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 4 april 2023 en is uitgevoerd door ing. C.J. Aalbers. Tijdens de habitatscan was het droog en onbewolkt, met een temperatuur van circa 9 °C en een windkracht van 2 Bft. De resultaten van de habitatscan zijn op kaart weergegeven in bijlage 3. 3.2.1
VLEERMUIZEN
In de omgeving van het projectgebied zijn de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis bekend voor te komen. Het woonhuis en de schuur welke zijn bedekt met dakpannen biedt potentiële verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Het woonhuis en de schuur beschikken over ruimtes bij de dakpannen en bij de dakranden.(Afbeelding 4 en 5). De schuur biedt een potentiële zomerverblijfplaats en de woning biedt potentie voor alle typen verblijfplaatsen.
Afbeelding 4: Ruimtes bij dakpannen
Afbeelding 5: Ruimtes bij de dakrand 10
Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zoals de rosse vleermuis en de watervleermuis zijn uitgesloten voor te komen vanwege het ontbreken van boomholtes. De rosse vleermuis en de watervleermuis kunnen het projectgebied wel gebruiken als vliegroute en foerageergebied. De groenstructuren in het projectgebied en de watergang naast het projectgebied bieden luwte en trekken insecten aan en kunnen onderdeel uitmaken van het foerageergebied van vleermuizen. De bomenrij langs de watergang vormt een lijnvormig element welke onderdeel kan uitmaken van vliegroutes van vleermuizen. In bijlage 3 zijn op kaart de potentiële vliegroutes voor vleermuizen weergeven.
3.2.2
GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN
In de omgeving van het projectgebied zijn de bunzing, hermelijn, noordse woelmuis, waterspitsmuis en de wezel bekend voor te komen. De bunzing, hermelijn en de wezel vormen samen de groep kleine marterachtigen. Kleine marterachtigen komen voor op plaatsen met voldoende schuil- en foerageermogelijkheden en maken gebruik van elementen als puinstapels, takkenhopen, holen en dichte vegetaties als verblijfplaats. In het projectgebied bevindt zich ten noordoosten en zuidoosten van het huis dicht struweel dat gebruikt kan worden als schuil- en verblijfplaats door de bunzing, hermelijn en de wezel. Het projectgebied staat in verbinding met nabijgelegen groenstroken en groenelementen, derhalve kan de aanwezigheid van de bunzing, hermelijn en de wezel niet worden uitgesloten. In de omgeving van het projectgebied is de noordse woelmuis bekend voor te komen. De noordse woelmuis leeft doorgaans in natte, drassige gebieden met opgaande vegetatie, zoals riet en zeggen. Er zijn in het projectgebied geen watergangen met opgaande vegetatie aanwezig. Derhalve biedt het projectgebied geen geschikt habitat voor de noordse woelmuis en kan dan ook worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. De waterspitsmuis komt voor in waterrijke habitats.
Het habitat dient te bestaan uit schone wateren waarvan de oevers over een goed ontwikkelde vegetatie dienen te beschikken zodat er voldoende dekking aanwezig is. Het projectgebied is volledig verhard en er zijn geen oppervlaktewateren aanwezig die geschikt zijn als leefgebied van de waterspitsmuis. Derhalve wordt de waterspitsmuis niet verwacht voor te komen in het projectgebied. In het projectgebied kunnen algemene, de provincie Noord-Holland vrijgestelde, zoogdieren voorkomen, zoals de egel, en algemene soorten muizen.
3.2.3
VOGELS
In de omgeving van het projectgebied zijn de gierzwaluw en de huismus bekend voor te komen. De gierzwaluw en de huismus staan erom bekend te nestelen in bebouwing. Het woonhuis biedt openingen met ruimtes voor nestlocaties van de huismus tevens kunnen de huismussen de ruimtes gebruiken onder de zonnepanelen als nestlocatie welke aanwezig zijn op de loodsen in het projectgebied, derhalve kunnen nestlocaties van de huismus niet worden uitgesloten. De groenstructuren rondom het woonhuis kunnen uitmaken van functioneel leefgebied van de huismus. Geen van deze functies zal echter worden aangetast. De gierzwaluw nestelt voornamelijk onder pannendaken. Het dak in het projectgebied biedt geen geschikte in- en uitvliegopening voor de gierzwaluw derhalve kunnen nestlocaties van de gierzwaluw worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. In de boom in het projectgebied is een potentieel jaarrond beschermde nest aanwezig (afbeelding 6). Derhalve kan de aanwezigheid van nestlocaties van de boomvalk, buizerd en de ransuil niet uitgesloten worden.
11
Afbeelding 6: Potentieel jaarrond beschermd nest
In het projectgebied en de directe omgeving is geschikt broedbiotoop aanwezig voor algemene broedvogels. De groenstructuren bieden geschikt broedbiotoop voor soorten zoals de meerkoet, merel, spreeuw en de winterkoning.
3.2.4
AMFIBIEËN
In de omgeving van het projectgebied zijn de rugstreeppad en de vroedmeesterpad bekend voor te komen. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater kan voortplantingsbiotoop van beschermde amfibieën zoals de rugstreeppad en de vroedmeesterpad worden uitgesloten voor te komen. Daarnaast is typisch geschikt landbiotoop niet aanwezig. Derhalve worden de rugstreeppad en de vroedmeesterpad niet verwacht in het projectgebied voor te komen.
3.2.5
REPTIELEN
In de omgeving van het projectgebied is de ringslang bekend voor te komen. De ringslang komt voor in waterrijke gebieden. Het habitat dient te bestaan uit voldoende dekking, zonplaatsen en foerageergebied. In het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig. Daarnaast zijn geschikte voortplantingsplaatsen in de vorm van broeihopen zoals takkenstapels en puinhopen niet aanwezig. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat wordt de ringslang niet verwacht voor te komen in het projectgebied.
3.2.6
VISSEN
In de omgeving van het projectgebied is de Noordzeehouting bekend voor te komen. Er zijn geen watergangen aanwezig in het projectgebied, derhalve kunnen beschermde vissen worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied.
3.2.7
ONGEWERVELDEN
De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit dagvlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de platte schijfhoren. De platte schijfhoren komt voor in vegetatierijke, schone wateren. Er bevindt zich geen water in het projectgebied, waardoor het voorkomen van deze soort in het projectgebied kan worden uitgesloten.
3.2.8
VAATPLANTEN
In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde vaatplanten bekend voor te komen. Vanwege het intensieve beheer van de grond in het projectgebied worden er geen beschermde vaatplanten verwacht voor te komen in het projectgebied.
12
3.2.9
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep
Functies
Bescherming Wnb
Mogelijk aanwezig in:
Algemene
Leefgebied
Artikel 3.10 (Bijlage A)
Groenstructuren
Broedvogels
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Struweel en bomen
Huismus
Nestlocaties
Artikel 3.1 (VR)
amfibieën
en zoogdieren*
Functioneel leefgebied Kleine marterachtigen
Verblijfplaatsen
Ruimtes onder pannendak Groen rond woningen
Artikel 3.1 (VR)
Struweel
Vleermuizen Verblijfplaatsen Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Bebouwing spouwmuur/ dakrand *=Vrijgesteld door de provincie Noord-Holland, in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De algemene zorgplicht (artikel 1.11) geldt echter nog steeds.
3.3
EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1
EFFECTEN ONTWIKKELINGEN
De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten Het realiseren van de nieuwe schuur zal geen effecten hebben op de verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en vleermuizen. De potentiële verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en vleermuizen bevinden zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Het realiseren van de nieuwe schuur zal geen effecten hebben op functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus. De potentiële nestlocaties en functioneel leefgebied bevinden zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Het realiseren van de nieuwe schuur zal geen effecten hebben op het potentieel jaarrond beschermd nest. De nestlocatie bevindt zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. De groenstructuren in het projectgebied kunnen fungeren als foerageergebied van vleermuizen. De opgaande groenstructuren bieden lijnvormige elementen die kunnen fungeren als vliegroute van vleermuizen.
Door de aanwezigheid van voldoende alternatieven groenstructuren en lijnvormige elementen in de directe omgeving van het projectgebied zijn de mogelijke foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen in het projectgebied niet van essentieel belang voor de instandhouding van de lokale populaties vleermuizen. Tijdens de geplande ontwikkelingen blijft de bosschage behouden, derhalve is er geen effect te verwachten op het foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Tijdelijke effecten Het gebruik van nachtelijke verlichting voor de werkzaamheden kan verstoring veroorzaken voor de vleermuizen die gebruik maken van het projectgebied als foerageergebied of vliegroute.
13
Permanente effecten Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Wanneer het verwijderen van groenstructuren binnen het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) plaatsvindt kunnen broedgevallen van vogels worden verstoord en individuen van broedvogels worden gedood. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep
Effect
Verbodsbepaling
Algemene amfibieën
Opzettelijk doden
Artikel 3.10 (Wnb A) Lid 1a
Opzettelijk doden
Artikel 3.1 (VR) Lid 1
en zoogdieren* Broedvogels
Opzettelijk vernielen / beschadigen nest
Artikel 3.1 (VR) Lid 2
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.1 (VR) Lid 4
3.4
AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING
3.4.1
AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED
Het is aan te bevelen de werkzaamheden zo in te richten dat een overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Er zijn geen aanvullende inventarisaties benodigd wanneer men zich aan de onderstaande mitigerende maatregelen houdt.
3.4.2
MITIGERENDE MAATREGELEN
Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. Indien nachtelijke verlichting voor de werkzaamheden vermeden wordt, kan verstoring van passerende vleermuizen worden voorkomen. Als nachtelijke verlichting niet vermeden kan worden, kan verstoring worden voorkomen door vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen. Door bijvoorbeeld gebruik van een richtarmatuur kan strooilicht naar de omgeving voorkomen worden Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Tijdens de werkzaamheden dient men zich te houden aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11) en het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.
3.4.3
ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING
Voor de uitvoering van de werkzaamheden is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd, mits bovengenoemde mitigerende maatregelen in acht worden genomen.
14
4
GEBIEDSBESCHERMING
Het projectgebied is niet in een beschermd natuurgebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op circa 12 kilometer van het projectgebied en betreft Kennemerland-Zuid (afbeelding 7). Op ruim 600 meter van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit betreft Kalslagerpolder (afbeelding 8).
12 km
Afbeelding 7: Projectgebied ten opzichte van Natura2000 gebied Kennemerland-Zuid (geocontent.rvo.nl/Natura2000/Overzichtskaart/index.html?provincie=Noord_Holland)
600 meter
Afbeelding 8: Projectgebied ten opzichte van NNN gebied (https://apps.geodan.nl/public/atlasnextgen/map/)
15
4.1
EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. In de realisatiefase kan de inzet van kleine machines en een tijdelijke toename van verkeersbewegingen voor het vervoer van materiaal en personeel leiden tot een tijdelijke toename van stikstofemissie. Op basis van de kleinschalige aard van de werkzaamheden en de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden worden significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen niet verwacht. Een berekening met behulp van de AERIUS Calculator kan uitsluitsel bieden of er sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden.
16
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
5.1
CONCLUSIES Het projectgebied kan door kleine marterachtigen en vleermuizen gebruikt worden als verblijfplaats, echter bevinden deze potentiële verblijfplaatsen zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden, derhalve worden er geen effecten verwacht op de potentiële verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en vleermuizen. De huismus kan de groenstructuren rondom het woonhuis gebruiken als functioneel leefgebied. Het woonhuis en de ruimtes onder de zonnepanelen kunnen door de huismus gebruikt worden als nestlocatie echter bevinden de groenstructuren en de nestlocaties zich buiten de invloedsfeer van het projectgebied, derhalve worden er geen effecten verwacht op de huismus. Het potentieel jaarrond beschermde nest bevindt zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden, derhalve worden er geen effecten verwacht op het potentieel jaarrond beschermd nest. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene, provinciaal vrijgestelde amfibieën, broedvogels en zoogdieren aanwezig zijn. Overige beschermde soorten worden niet verwacht voor te komen in het projectgebied vanwege het ontbreken van geschikt habitat. Directe effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en de Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden worden niet verwacht, vanwege de kleinschalige aard van de werkzaamheden.
Een berekening met behulp van de AERIUS Calculator kan uitsluitsel bieden. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
5.2
AANBEVELINGEN Het is aan te bevelen de werkzaamheden zo in te richten dat een overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Er zijn geen aanvullende inventarisaties of een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming benodigd, wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd met inachtneming van de aanbevolen mitigerende maatregelen. Er wordt aanbevolen geen gebruik te maken van aanvullende nachtelijke verlichting om het verstoren van foeragerende en passerende vleermuizen te voorkomen. Indien aanvullende nachtelijke verlichting niet kan worden vermeden, kan verstoring worden voorkomen door het toepassen van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting en richtarmaturen om strooilicht naar de omgeving te voorkomen. Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep
Aanvullend onderzoek
Onderzoeksperiode
Algemene broedvogels
Nesten, indien niet buiten het broedseizoen
Binnen de periode maart t/m augustus
gewerkt wordt
17
6
LITERATUUR
BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2023) Kennisdocument huismus, versie 2.1, BIJ12 februari 2023. BIJ12 (2017) Kennisdocument rugstreeppad, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF www.gbif.org www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl https://apps.geodan.nl/public/atlasnextgen/map geocontent.rvo.nl/Natura2000/Overzichtskaart/index.html?provincie=Noord_Holland
18
Bijlage 1: Foto-impressie
19
Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 109 en 110/470 Soortgroep Naam Bescherming
Afstand
Amfibieën
bastaardkikker1
Wnb A
< 2km*
Amfibieën
bruine kikker1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
gewone pad1
Wnb A
< 2km*
Amfibieën
kleine watersalamander1
Wnb A
< 5km*
Amfibieën
meerkikker1
Wnb A
< 5km*
Amfibieën
rugstreeppad
HR IV & Bern II
< 2km*
Amfibieën
vroedmeesterpad
HR IV & Bern II
< 5km
Ongewervelden
platte schijfhoren
HR IV
< 2km
Reptielen
ringslang
Wnb A
< 5km
Vissen
Noordzeehouting
HR IV
< 5km
Vleermuizen
gewone dwergvleermuis
HR IV
< 1km*
Vleermuizen
laatvlieger
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
meervleermuis
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
rosse vleermuis
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
ruige dwergvleermuis
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
watervleermuis
HR IV & Bern II
< 2km*
Vogels
blauwe reiger
Cat. 5
< 4km*
Vogels
boerenzwaluw
Cat. 5
< 1km*
Vogels
boomkruiper
Cat. 5
< 5km*
Vogels
boomvalk
Cat. 4
< 5km*
Vogels
bosuil
Cat. 5
< 5km*
Vogels
buizerd
Cat. 4
< 4km*
Vogels
ekster
Cat. 5
< 3km*
Vogels
gierzwaluw
Cat. 2
< 4km*
Vogels
groene specht
Cat. 5
< 5km*
Vogels
grote bonte specht
Cat. 5
< 5km*
Vogels
havik
Cat. 4
< 5km*
Vogels
huismus
Cat. 2
< 3km*
Vogels
huiszwaluw
Cat. 5
< 4km*
Vogels
ijsvogel
Cat. 5
< 5km*
Vogels
kerkuil
Cat. 3
< 2km*
Vogels
koolmees
Cat. 5
< 4km*
Vogels
pimpelmees
Cat. 5
< 5km*
Vogels
ransuil
Cat. 4
< 3km*
Vogels
slechtvalk
Cat. 3
< 4km*
Vogels
sperwer
Cat. 4
< 4km*
Vogels
spreeuw
Cat. 5
< 4km*
Vogels
torenvalk
Cat. 5
< 3km*
Vogels
zwarte kraai
Cat. 5
< 3km*
Vogels
zwarte roodstaart
Cat. 5
< 1km*
Zoogdieren
bosmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
bunzing
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
dwergmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
egel1
Wnb A
< 1km*
Zoogdieren
haas1
Wnb A
< 4km*
Zoogdieren
hermelijn
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
huisspitsmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
konijn1
Wnb A
< 5km
20
Soortgroep
Naam
Bescherming
Afstand
Zoogdieren
noordse woelmuis
HR IV
< 5km
Zoogdieren
rosse woelmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
veldmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
vos1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
waterspitsmuis
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
wezel
Wnb A
< 5km
Wnb A woelrat1 * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O.Logisch B.V. 1 = Vrijstelling Zoogdieren
< 5km
21