Bijlage 1 CE_Delft_200326_Concept Warmtevisie Aalsmeer versie 5 juli 2021 (1).pdf
Tekst van het document
Warmtevisie Aalsmeer Concept 05-07-2021
Opgesteld door: Gemeente Aalsmeer: André van der Poel Richard van Leeuwen CE Delft: Emma Koster Pien van Berkel Jasper Schilling Kroese & Kroese: Marjo Kroese
0
Voorwoord
1
Samenvatting Aalsmeer wil in 2040 een fossielonafhankelijke gemeente zijn (Gemeente Aalsmeer, 2016). Daarvoor is de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving essentieel. Aardgasvrij houdt in dat voor het verwarmen van gebouwen geen aardgas meer wordt gebruikt. In de warmtevisie staat het tijdspad voor de stapsgewijze aanpak richting een aardgasvrije gebouwde omgeving. Voor de buurten waarin we als gemeente vóór 2030 aan de slag gaan (dit zijn de startbuurten) geeft de warmtevisie inzicht in de mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen. We actualiseren de warmtevisie in ieder geval elke vier jaar, maar eerder in het geval daar aanleiding voor is, met de kennis en inzichten die er dan zijn.
Richtinggevend maar nog geen definitieve keuzes De warmtevisie is richtinggevend en globaal. Uitvoeringsplannen voor de startbuurten volgen de warmtevisie op en maken deze concreet voor (delen van of combinaties van) wijken en buurten. In de uitvoeringsplannen wordt een definitieve keuze gemaakt voor een aardgasvrije warmtetechniek en het moment waarop de betreffende buurt van het aardgas afstapt. Ook beschrijft het uitvoeringsplan welke maatregelen nodig zijn om in de betreffende buurt over te stappen op aardgasvrij verwarmen. We maken de uitvoeringsplannen samen met bewoners en andere belanghebbenden. Pas na vaststelling van het uitvoeringsplan in de gemeenteraad, starten we met het uitvoeren van het plan.
Uitgangspunten van de warmtevisie 1. De warmtevisie is betrouwbaar (bestaat uit objectieve feiten) en uitvoerbaar De eerste stap in het proces om te komen tot een warmtevisie was een technischeconomische analyse. Deze gaat in op welke warmtetechnieken in de verschillende buurten van Aalsmeer technisch mogelijk zijn en welke technieken de laagste kosten hebben. We hebben ervoor gekozen in de analyse alleen betrouwbare en bewezen warmtetechnieken mee te nemen die op de korte en middellange termijn realiseerbaar zijn. We houden rekening met wat nu mogelijk en bekend is, maar we vernieuwen de warmtevisie ten minste elke vier jaar en nemen nieuwe ontwikkelingen en innovaties hierin mee. 2. De warmtevisie is breed gedragen (tot stand gekomen met input van bewoners en andere belanghebbenden) De gemeente hecht grote waarde aan draagvlak voor het beleid onder de inwoners van Aalsmeer en andere belanghebbenden. Zowel professionele belanghebbenden als de inwoners van de gemeente Aalsmeer zijn betrokken geweest bij het opstellen van de warmtevisie. We hebben een projectgroep gevormd van professionele belanghebbenden en georganiseerde bewoners en bedrijven dachten mee vanuit de klankbordgroep. Bewoners en bedrijven die (nog) niet georganiseerd zijn, hebben we betrokken middels een digitale enquête (ruim 400 respondenten) en digitale dorpsgesprekken.
Tot slot kunnen alle Aalsmeerders hun zorgen, vragen en meningen uiten door te reageren op deze conceptversie van de warmtevisie tijdens de periode van ter inzagelegging. 3. Bij de keuze van warmtetechnieken letten we op betaalbaarheid (zowel totale ketenkosten (nationale kosten) als eindgebruikerskosten) Nationale kosten zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om ergens (bijvoorbeeld in een buurt) over te stappen op aardgasvrij verwarmen, ongeacht door wie deze kosten worden betaald. Het zijn kosten over de hele keten: productie, distributie, besparing en consumptie. Nationale kosten geven dus een beeld van de
2
totale kosten van de warmtetransitie, zonder de belangen van één partij voorop te stellen. Door te letten op nationale kosten, kunnen we ervoor zorgen dat de warmtetransitie voor de maatschappij als geheel zo min mogelijk zal kosten. De kosten voor bewoners van het overstappen op aardgasvrij verwarmen is ook een belangrijk uitgangspunt geweest bij het opstellen van de warmtevisie. Een centraal uitgangspunt in het Klimaatakkoord is woonlastenneutraliteit (Rijksoverheid, 2019). Dat houdt in dat een huishouden voor de maandelijkse lasten voor energie en hypotheek of huur niet méér gaat betalen. De verlaging van de energierekening van een huishoudens is dus minimaal gelijk aan de maandelijkse financieringskosten of huurverhoging op het moment dat de energiebesparende maatregelen worden genomen (Klimaatakkoord, sd). 4. We kiezen voor technieken die toekomstbestendig zijn, dus willen niet investeren in iets dat later overbodig wordt Dit houdt in dat ‘geen-spijt’ maatregelen de voorkeur hebben. Het toepassen van isolatie is een voorbeeld van zo’n maatregel: hiermee wordt energie bespaard, maar de keuze voor een aardgasvrije warmtetechniek ligt nog niet vast. Daarnaast houdt toekomstbestendigheid in dat we zo veel mogelijk voorkomen dat keuzes die in één buurt worden gemaakt, opties in een andere buurt uitsluiten.
Het kan bijvoorbeeld op korte termijn gunstig zijn om een nieuwbouwproject op een warmtenet aan te sluiten. Als daardoor een andere buurt zeer dure maatregelen moet nemen omdat er geen warmtebron meer beschikbaar is, terwijl er voor de nieuwbouw goede alternatieven zijn, is dit niet toekomstbestendig. 5. Duurzaamheid is belangrijk bij de keuze van warmtetechnieken: de gemeente wil fossielonafhankelijk zijn in 2040, maar stelt CO2-reductie voorop Met de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving willen we bijdragen aan het behalen van (inter)nationale CO2-reductiedoelstellingen. Daarom staat CO2-reductie centraal bij het maken van keuzes in de warmtetransitie. Dit kan bijvoorbeeld door het energiegebruik terug te dringen door vroegtijdig en vergaand te isoleren. Maar ook wanneer een buurt overgaat op een warmtenet en daarmee aardgasvrij wordt, is het belangrijk dat het warmtenet met een duurzame warmtebron gevoed wordt. Ook kan op korte termijn CO2-reductie behaald worden door in buurten die nog niet helemaal aardgasvrij worden, hybride oplossingen toe te passen. Een hybride warmtepomp, bijvoorbeeld, gebruikt nog wel aardgas, maar is veel zuiniger dan een traditionele gasketel omdat een deel van de warmtevraag met een warmtepomp wordt ingevuld.
Een hybride warmtepomp is voordeliger dan een volledig elektrische warmtepomp, ook hoeft er minder vergaand geïsoleerd te worden. Hybride warmtepompen dragen voor inwoners bij aan betaalbaarheid en een meer geleidelijke overgang naar aardgasvrij. Daarom is dit een goede (tussen)oplossing in gebieden waar nog geen duidelijke aardgasvrije warmtetechniek voor de hand ligt (zie ook Paragraaf 3.1). 6. (Hogetemperatuur)warmte, waterstof en groengas zijn in beperkte mate beschikbaar. We gaan verstandig om met deze schaarse warmtebronnen (enkel daar inzetten waar geen alternatieven zijn) De hernieuwbare gassen waterstof en groengas zijn voorlopig (in ieder geval tot 2030) niet op grote schaal beschikbaar voor het verduurzamen van gebouwen. Ook zijn warmtebronnen (met name van hoge temperatuur) niet onbeperkt beschikbaar. Zolang deze hernieuwbare gassen en warmtebronnen schaars zijn, zullen deze waarschijnlijk alleen een logische optie zijn voor gebouwen waar andere warmtetechnieken niet toe te
3
passen of erg duur zijn. Ook blijft het nodig de warmtevraag zo ver mogelijk terug te dringen door middel van isolatiemaatregelen.
Wat zijn de mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen? Voor aardgasvrij verwarmen zijn er grofweg drie mogelijkheden: — Elektrische warmtepomp: deze warmtetechniek gebruikt elektriciteit en warmte uit de bodem of lucht om een gebouw te verwarmen. Voor verwarmen is het nodig dat een gebouw goed is geïsoleerd, zoals nieuwbouw. — Collectief warmtenet: warmtenetten zijn er op verschillende temperatuurniveaus en kunnen gevoed worden door verschillende bronnen, zoals aquathermie (warmte uit water), geothermie (aardwarmte) of restwarmte van bijvoorbeeld de industrie of datacenters. Een warmtenet past bij buurten met een hogere bebouwingsdichtheid. — Kleinschalig wko-net: Eén of meerdere panden maken gebruik van een wko. Een wko slaat warmte op in de zomer, die in de winter ingezet wordt. In de winter slaat de wko koude op, voor koeling in de zomer. Een wko-net past bij goedgeïsoleerde panden met een koudevraag, zoals utiliteitspanden. — Warmtetechnieken die gebruik maken van groengas of waterstof: deze gassen zijn echter voorlopig niet beschikbaar voor het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Ook de toekomstige prijs en beschikbaarheid van groengas en waterstof is nog onzeker. Als deze gassen beschikbaar komen, is dat waarschijnlijk voor panden waar geen alternatieven zijn.
Om erachter te komen welke warmtetechniek het beste past bij een buurt, hebben we Aalsmeer ingedeeld in veertien warmtebuurten die wat betreft bouwjaar, type bebouwing en isolatieniveau zo uniform mogelijk zijn. Figuur 1 laat zien welke warmtetechniek in de verschillende warmtebuurten de voorkeur heeft als we letten op kostenberekeningen, beschikbaarheid van warmtebronnen en bebouwingskenmerken van de warmtebuurten.
4
Figuur 1 – Oplossingsrichtingen van de warmtebuurten
Startbuurten Startbuurten zijn buurten waar we in de periode tot 2030 met betrokkenen aan de slag gaan met het opstellen van een uitvoeringsplan. Deze warmtevisie onderscheidt twee typen startbuurten: aardgasvrij en aardgasvrij-ready. Buurten die aardgasvrij worden, maken de stap naar aardgasvrij. Hiervoor moeten ze eerst voldoende geïsoleerd zijn. In een buurt die aardgasvrij-ready wordt, zullen de gebouwen worden geïsoleerd en geschikt gemaakt worden voor aardgasloze warmtetechnieken, maar het aardgas wordt voorlopig nog niet afgesloten. Een reden om in te zetten op aardgasvrij-ready, is dat in sommige buurten de stap naar een aardgasvrije warmtetechniek nog erg groot is, betaalbaarheid van aardgasvrij niet kan worden gewaarborgd of de toekomstige warmtetechniek of warmtebron nog niet zeker is. Ook buurten waar niet één specifieke warmtetechniek voor de hand ligt, zijn geschikt voor aardgasvrij-ready.
Aanpak aardgasvrij De aanpak aardgasvrij richt zich op goedgeïsoleerde woningen van na 1992 in buurten met als oplossingsrichting verwarming op lage temperatuur met een elektrische warmtepomp of kleinschalig wko-net. Hiermee is er niet één startbuurt aardgasvrij, maar werken we aan een generieke aanpak voor goedgeïsoleerde panden verspreid over meerdere buurten. De stap naar aardgasvrij lijkt in deze nieuwere panden technisch uitvoerbaar in de komende jaren.
5
Aanpak aardgasvrij-ready De aanpak aardgasvrij-ready richt zich op panden die nog niet geschikt zijn voor verwarmen op 70 °C (isolatieniveau slechter dan 70 kWh/m2). Deze panden liggen verspreid door de hele gemeente, maar met name in de oudere wijken en ook in de lintbebouwing. Door inzet van het Regionaal Energieloket bevordert de gemeente gemeente-breed woningisolatie. Om het tempo van isolatie te versnellen, kiezen we een startbuurt aardgasvrij-ready. Dit zijn de oudere woningen in Stommeer (warmtebuurt Stommeer labels E, F en G). Hier willen we extra inzetten op het thermisch isoleren van woningen en bedrijfspanden.
Van visie naar transitie: welke stappen gaan we de komende jaren ondernemen? Uitvoeringsplannen voor de startbuurten Om te komen tot uitvoeringsplannen voor de startbuurten aardgasvrij en aardgasvrij-ready, nemen we verschillende stappen. We beginnen met een buurtanalyse, waarna we in samen met een bewonerswerkgroep een projectplan en vervolgens uitvoeringsplan opstellen. Het college van B en W moet het uitvoeringsplan vaststellen en tot slot wordt het verankerd als programma onder de Omgevingswet. In het proces om te komen tot uitvoeringsplannen, heeft de gemeente nog een aantal keuzes te maken. Bijvoorbeeld over welke rol we willen spelen bij het ontwikkelen van warmtenetten, en hoeveel ambtelijke capaciteit nodig is om de warmtetransitie in goede banen te leiden. In de uitvoeringsplannen voor de startbuurten aardgasvrij en aardgasvrij-ready gaan we in op hoe we met onze bewoners willen communiceren en hoe wij hen van heldere en betrouwbare informatie voorzien die hen helpt met verduurzaming aan de slag te gaan. Aangezien betaalbaarheid een belangrijk punt van zorg is voor de meeste Aalsmeerders, besteden we in de uitvoeringsplannen uitgebreid aandacht aan hoe we de betaalbaarheid van de warmtetransitie voor onze bewoners kunnen garanderen, bijvoorbeeld door een aantrekkelijk aanbod te ontwikkelen, bijvoorbeeld door middel van financierings- en subsidiemogelijkheden.
Activiteiten voor de gemeente Andere activiteiten die we ondernemen in het kader van de warmtetransitie, zijn het verder onderzoeken van warmtebronnen in Aalsmeer en de regio en het handhaven van de label C-verplichting bij kantoren. Natuurlijk gaan we ook aan de slag met het verduurzamen van ons eigen bezit. Hiertoe stellen we een routekaart op waarin we laten zien hoe we van plan zijn onze doelstelling - een fossielonafhankelijke dienstverlening in 2030 – te realiseren. De warmtetransitie vindt plaats op het snijvlak van verschillende beleidsterreinen. Daarom zoeken we de samenwerking op met de verschillende afdelingen binnen de gemeente, maar ook met andere partijen die werkzaam zijn in Aalsmeer. Op deze manier kunnen we gezamenlijk werken aan onze doelstellingen en onze werkzaamheden slim combineren.
Ondersteunen van alle inwoners die willen verduurzamen De gemeente gaat niet alleen bewoners van de startbuurten ondersteunen in de transitie naar aardgasvrij. Ook inwoners in andere buurten kunnen nu al aan de slag met het verduurzamen van hun woning. Uit het participatieproces blijkt dat Aalsmeerders grote behoefte hebben aan heldere en betrouwbare informatie. Bewoners kunnen nu al voor persoonlijk energieadvies terecht bij het Regionaal Energieloket. Ook gaan we op zoek naar
6
ambassadeurs die ervaringen met het verduurzamen van hun woning willen delen. Daarnaast werken we aan het Servicepunt Energieadvies, gericht op o.a. VvE’s, bedrijven en bewonersinitiatieven. Tot slot houden we de landelijke ontwikkelingen op het gebied van subsidie- en financieringsmogelijkheden in de gaten.
7
Inhoud Wat zijn de mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen? Startbuurten Van visie naar transitie: welke stappen gaan we de komende jaren ondernemen?
4 5 6
1
Inleiding 1.1 Waarom duurzaam verwarmen? 1.2 Wat is de warmtevisie? 1.3 Hoe is de warmtevisie tot stand gekomen? 1.4 Voor wie is de warmtevisie? 1.5 Leeswijzer
10 10 10 12 12 12
2
Wat vinden wij belangrijk? 2.1 Uitgangspunten voor de warmtevisie Aalsmeer 2.2 Participatie rond de warmtevisie: zorgen, vragen en meningen van inwoners
14 14 17
3
Aardgasvrij verwarmen en isolatie 3.1 Aardgasvrije warmtetechnieken 3.2 Warmteopties voor de buurten van Aalsmeer 3.3 Isolatie
21 21 22 25
4
Verduurzaming van de gebouwde omgeving tot 2030 4.1 Methode voor de selectie van startbuurten en -panden 4.2 Aardgasvrij verwarmen 4.3 Aardgasvrij-ready 4.4 Handelingsperspectief eigenaren woningen of panden
27 27 28 29 30
5
Van visie naar transitie 34 5.1 Stappen voor de gemeente om te komen tot uitvoeringsplannen 34 5.2 Wat komt er in het uitvoeringsplan voor de startbuurt aardgasvrij-ready? 36 5.3 Wat komt er in het uitvoeringsplan voor de aanpak aardgasvrij? 37 5.4 Overige activiteiten in het kader van de warmtetransitie 39 5.5 De warmtetransitie als integrale opgave 40 5.6 Hoe gaan we bewoners ondersteunen die nu al aan de slag willen met duurzaam verwarmen? 41
Verwijzingen
42
A
Aardgasvrije warmtetechnieken A.1 All electric-warmtetechnieken A.2 Collectieve warmte A.3 Hernieuwbare gassen en brandstoffen
43 43 44 45
B
Selectieverantwoording startbuurten B.1 Criteria uit het afwegingskader B.2 Weging van de criteria
47 47 48
8
B.3 Afwegingskader aardgasvrij B.4 Afwegingskader aardgasvrij-ready
0 1
9
1 Inleiding Aalsmeer wil in 2040 een fossielonafhankelijke gemeente zijn (Gemeente Aalsmeer, 2016). Dat betekent dat de gemeente dan geen fossiele brandstoffen meer gebruikt, en inzet op energiebesparing en duurzame energiebronnen. Om fossielonafhankelijk te worden, is de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving essentieel. Aardgasvrij houdt in dat geen aardgas meer wordt gebruikt voor het verwarmen van gebouwen en koken. Daarmee staat de gemeente Aalsmeer voor de opgave om in minder dan 20 jaar ongeveer 26.000 woningen/woningequivalenten1 van het aardgas af te helpen. In de warmtevisie staat in welke buurten de gemeente tussen nu en 2030 aan de slag wil gaan met aardgasvrij verwarmen, en welke opties we overwegen.
1.1
Waarom duurzaam verwarmen? In het Klimaatakkoord van Parijs zijn afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen met als doel de opwarming van de aarde te beperken. In Nederland is met het nationale Klimaatakkoord (Rijksoverheid, 2019) een centraal doel gesteld: in 2030 moet de uitstoot van broeikasgassen (uitgedrukt in CO2) in Nederland minstens 49% lager zijn dan de uitstoot in 1990. Ongeveer de helft van de CO 2-uitstoot van de gebouwde omgeving wordt veroorzaakt door gebruik van aardgas voor verwarming, warm water en om te koken. Voor het behalen van de CO2-reductiedoelstellingen is dus een transitie noodzakelijk naar een gebouwde omgeving die niet langer met aardgas wordt verwarmd. We noemen dit de warmtetransitie.
1.2
Wat is de warmtevisie? In het nationale Klimaatakkoord is afgesproken dat alle gemeenten in Nederland uiterlijk in 2021, met betrokkenheid van belanghebbenden, een transitievisie warmte vaststellen. De gemeente Aalsmeer noemt de transitievisie warmte de warmtevisie. In de warmtevisie staat het tijdspad voor de stapsgewijze aanpak richting een aardgasvrije gebouwde omgeving. Voor de buurten waarin de gemeente vóór 2030 aan de slag gaat, geeft de warmtevisie inzicht in de mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen. We actualiseren de warmtevisie in ieder geval elke vier jaar, maar eerder in het geval daar aanleiding voor is met de kennis en inzichten die er dan zijn. De warmtevisie geldt voor de gebouwde omgeving. De gebouwde omgeving bestaat uit woningen en utiliteitsgebouwen (dit zijn bijvoorbeeld kantoren, scholen en winkels). Panden die gebruikt worden voor industrie, waaronder Royal FloraHolland (bloemenveiling) en Bakkersland, en landbouw, waaronder glastuinbouw, behoren niet tot de gebouwde omgeving. De warmtevisie laat deze sectoren dan ook buiten beschouwing. Wel gaan deze sectoren natuurlijk ook aan de slag om bij te dragen aan het doel van een klimaatneutraal Nederland in 2050. Wel kijken we naar kansen en mogelijkheden om oplossingen voor deze sectoren ook toe te passen voor de gebouwde omgeving.
1
Een woningequivalent (afkorting: weq) staat voor de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om een gemiddelde woning van ruimteverwarming en warm water te voorzien. Eén weq utiliteitsbouw staat gelijk aan 130 m2 bruto vloeroppervlakte (bvo).
10
Klimaatakkoord: wijkgerichte aanpak In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in de transitie naar aardgasvrij verwarmen wordt gekozen voor een wijkgerichte aanpak. Dit houdt in dat gemeenten wijk voor wijk aan de slag zouden moeten gaan met de warmtetransitie en op wijk-/buurtniveau bepalen wat de beste oplossing is als gebouwen niet langer met de cvketel op aardgas worden verwarmd. Een wijkgerichte aanpak betekent in veel gevallen echter niet dat een hele wijk of buurt in dezelfde periode overschakelt naar dezelfde aardgasvrije warmtetechniek. Er zijn uitzonderingen. Wanneer een gebouw sterk afwijkt van de bebouwing in de rest van de buurt bijvoorbeeld, kan een gebouweigenaar kiezen voor een andere warmtetechniek. Ook kunnen voor utiliteitsgebouwen andere technieken interessant zijn dan voor woningen.
Aardgasvrij en aardgasvrij-ready Deze warmtevisie maakt onderscheid in twee typen startbuurten: aardgasvrij en aardgasvrij-ready. Buurten die aardgasvrij worden, maken de stap naar aardgasvrij. Hiervoor moeten ze eerst voldoende geïsoleerd zijn. In een buurt die aardgasvrij-ready wordt, zullen de gebouwen worden geïsoleerd en voorbereid op andere manieren van verwarmen, maar wordt het aardgas voorlopig nog niet afgesloten. Een reden om in te zetten op aardgasvrij-ready, is dat in sommige buurten de stap naar een aardgasvrije warmtetechniek nog erg groot is, betaalbaarheid van aardgasvrij niet kan worden gewaarborgd of de toekomstige warmtetechniek of warmtebron nog niet zeker is. Ook buurten waar niet één specifieke warmtetechniek voor de hand ligt, zijn geschikt voor aardgasvrij-ready.
Uitvoeringsplannen Een uitvoeringsplan is een concretisering van de warmtevisie. In een uitvoeringsplan voor (delen van of combinaties van) wijken en buurten wordt een definitieve keuze gemaakt voor een aardgasvrije warmtetechniek en het moment waarop het aardgas wordt afgesloten. Ook beschrijft het uitvoeringsplan welke maatregelen nodig zijn om in de betreffende buurt over te stappen op aardgasvrij verwarmen. Ook gaat het uitvoeringsplan in op de betaalbaarheid, duurzaamheid en betrouwbaarheid van het alternatief voor aardgas. Waar de warmtevisie richtinggevend en globaal is, zijn uitvoeringsplannen concreet in financieel opzicht, technische haalbaarheid en het proces. Een uitvoeringsplan wordt samen met bewoners en andere belanghebbenden gemaakt. Pas na vaststelling van het uitvoeringsplan in de gemeenteraad start de gemeente met het uitvoeren van het plan.
Relatie met de Regionale Energiestrategie (RES) en de Regionale Structuur Warmte (RSW) Aalsmeer werkt samen met 28 andere gemeenten in de regio Noord-Holland Zuid aan een Regionale Energiestrategie (RES). De RES 1.0 (Noord-Hollandse energieregio, 2021) beschrijft de mogelijkheden voor het grootschalig opwekken van hernieuwbare elektriciteit met wind- en zonne-energie. Hernieuwbare elektriciteit is o.a. nodig voor het verwarmen van gebouwen met een elektrische warmtepomp. Daarnaast is in het RES-traject gekeken naar vraag en aanbod van hernieuwbare warmte in de regio. Dit noemen we de Regionale Structuur Warmte (RSW). Deze kennis over de beschikbaarheid van regionale warmtebronnen hebben we gebruikt bij het opstellen van de warmtevisie. De warmtevisie is zelf ook weer input voor volgende versies van de RSW. En de volgende versie van de RSW vormt op haar beurt input voor de herziening van de warmtevisie. De RSW kan de gemeentelijke visies en plannen op regionaal niveau in beeld brengen, zodat op regionaal niveau inzicht ontstaat in buurten waar gemeenten een
11
voorkeur hebben voor warmtenetten en of er kansen zijn voor clustering, maar ook waar mogelijk een tekort aan warmte ontstaat die regionaal opgepakt kan worden.
Relatie met de Omgevingswet In 2022 wordt naar verwachting de nieuwe Omgevingswet van kracht. Deze wet bundelt de wetten voor de leefomgeving. Hierbij gaat het onder meer om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De overheid moet deze verschillende belangen voortaan integraal afwegen. De energietransitie is een van deze belangen. De Omgevingswet kent drie belangrijke instrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsplan en programma’s. De warmtevisie wordt onderdeel van de gemeentelijk omgevingsvisie. Toekomstige uitvoeringsplannen zijn een programma in het kader van de omgevingswet. Het te bereiken doel van deze plannen kan worden verankerd in het omgevingsplan.
1.3
Hoe is de warmtevisie tot stand gekomen? In Aalsmeer wordt al gewerkt aan het verduurzamen van woningen en andere gebouwen. Denk bijvoorbeeld aan lokale initiatieven als Energy Hub Aalsmeer, de verduurzamingsplannen van de glastuinbouw en ondersteuning van inwoners bij verduurzaming in samenwerking met het Regionaal Energieloket. Deze warmtevisie bouwt voort op de kennis en uitgangspunten die de gemeente al heeft opgedaan. Zowel professionele belanghebbenden als de inwoners van de gemeente Aalsmeer zijn betrokken geweest bij het opstellen van de warmtevisie. We hebben een projectgroep gevormd van professionele belanghebbenden en (georganiseerde) bewoners en bedrijven dachten mee vanuit de klankbordgroep. Bewoners en bedrijven die (nog) niet georganiseerd zijn, hebben we betrokken middels een digitale enquête (ruim 400 respondenten) en digitale dorpsgesprekken. Tot slot kunnen alle Aalsmeerders hun zorgen, vragen en meningen uiten door te reageren op deze conceptversie van de warmtevisie tijdens de periode van ter inzagelegging. Voor een uitgebreide beschrijving van het participatieproces, zie Paragraaf 2.2 en Bijlage A.
1.4
Voor wie is de warmtevisie? De warmtevisie is een gemeentelijke visie die richting geeft aan de uitvoering van de warmtetransitie in de komende jaren. De warmtevisie heeft uiteindelijk gevolgen voor alle inwoners van Aalsmeer. De warmtevisie is daarmee voor iedereen in Aalsmeer die gebouweigenaar of gebruiker is, en die wil weten: wat zijn de plannen van de gemeente om in 2040 geen aardgas meer te gebruiken voor het verwarmen van gebouwen? Wat betekent dit voor mij? Wat kan ik nu al doen? De warmtevisie geeft een eerste antwoord op deze vragen.
1.5
Leeswijzer De warmtevisie is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 beschrijft de uitgangspunten van inwoners en andere belanghebbenden van Aalsmeer die ten grondslag liggen aan de keuzes die in de warmtevisie zijn gemaakt. Hoofdstuk 3 geeft een beeld van de mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen. Hoofdstuk 4 presenteert buurten die kansrijk zijn om voor 2030 aan
12
de slag te gaan met het ontwikkelen van uitvoeringsplannen. We sluiten af met de vervolgstappen in hoofdstuk 5: welke activiteiten willen we ondernemen om te komen tot uitvoeringsplannen en hoe ondersteunen we inwoners die met duurzaam verwarmen aan de slag willen?
13
2 Wat vinden wij belangrijk? In dit hoofdstuk gaan we eerst in op de uitgangspunten die het vertrekpunt vormen voor het opstellen van de warmtevisie. Vervolgens presenteren we de zorgen en wensen van de inwoners van Aalsmeer, waar we rekening mee hebben gehouden bij het opstellen van de warmtevisie. Deze zorgen en wensen zijn naar voren gekomen uit het participatieproces. Voor een uitgebreide beschrijving van het participatieproces, zie Bijlage A.
2.1
Uitgangspunten voor de warmtevisie Aalsmeer De warmtevisie is betrouwbaar (bestaat uit objectieve feiten) en uitvoerbaar De keuzes in deze warmtevisie zijn gebaseerd op objectieve informatie. De eerste stap in het proces om te komen tot een warmtevisie was een technisch-economische analyse. De feitennotitie bij deze warmtevisie beschrijft de resultaten van deze technisch-economische analyse en gaat in op welke warmtetechnieken in de verschillende buurten van Aalsmeer technisch mogelijk zijn en welke technieken de laagste kosten hebben. De kosten zijn berekend met een rekenmodel. We hebben ervoor gekozen in de analyse enkel warmtetechnieken mee te nemen die op de korte en middellange termijn realiseerbaar zijn: betrouwbaar en bewezen. We houden rekening met wat nu mogelijk en bekend is, maar we vernieuwen de warmtevisie ten minste elke vier jaar en nemen nieuwe ontwikkelingen hierin mee.
De warmtevisie is breed gedragen (tot stand gekomen met input van bewoners en andere belanghebbenden) De gemeente hecht grote waarde aan draagvlak voor haar beleid onder haar bewoners en andere belanghebbenden. We hebben een projectgroep gevormd van professionele belanghebbenden. In de projectgroep waren de volgende organisaties gerepresenteerd: netbeheerders Stedin en Liander, Waternet, PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland, het hoogheemraadschap van Rijnland, Greenport Aalsmeer en woningcorporatie Eigen Haard. Bij het opstellen van de warmtevisie dachten deze organisaties zoal mee over de uitgangspunten, het proces en de keuzes die in deze warmtevisie worden voorgelegd. Daarnaast leverden de leden van de projectgroep relevante gegevens waardoor de analyses zoveel mogelijk aansluiten bij de lokale situatie. Ook heeft de gemeente tijdens de ontwikkeling van de warmtevisie op verschillende momenten onder de titel ‘Aalsmeer aardgasvrij?’ gevraagd naar de mening van bewoners over dit onderwerp. Zoals in alle gemeenten is het onderwerp tamelijk controversieel; grofweg is een kleine helft van de bewoners het niet eens met het streven om aardgasvrij te worden, een ruime andere helft is het er onder voorwaarden wel mee eens. Met name de zorgen over hogere kosten zijn groot.
Door de enquête die door ruim 400 mensen is ingevuld, de drie dorpsgesprekken én de input vanuit de klankbordgroep (bestaande uit georganiseerde bewoners en bedrijven), kennen we de zorgen en vragen en kunnen we daarmee in deze warmtevisie expliciet en zoveel mogelijk rekening houden. Betaalbaarheid is daarbij veruit het belangrijkste punt én bovendien uitgangspunt voor de warmtevisie.
14
Bij de keuze van warmtetechnieken letten we op betaalbaarheid (zowel totale ketenkosten (nationale kosten) als eindgebruikerskosten) In het Klimaatakkoord staat dat gemeenten zich bij het in kaart brengen van aardgasvrije warmtetechnieken zoveel mogelijk moeten richten op de alternatieven met de laagste nationale kosten en kosten voor de eindgebruiker (bewoner). Nationale kosten zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om ergens (bijvoorbeeld in een buurt) over te stappen op aardgasvrij verwarmen, ongeacht door wie deze kosten worden betaald. Het zijn kosten over de hele keten: productie, distributie, besparing en consumptie. Nationale kosten geven dus een beeld van de totale kosten van de warmtetransitie, zonder de belangen van één partij voorop te stellen. Door te letten op nationale kosten, kunnen we ervoor zorgen dat de warmtetransitie voor de maatschappij als geheel zo min mogelijk zal kosten. De kosten voor bewoners van het overstappen op aardgasvrij verwarmen is ook een belangrijk uitgangspunt geweest bij het opstellen van de warmtevisie. Een centraal uitgangspunt in het Klimaatakkoord is woonlastenneutraliteit (Rijksoverheid, 2019). Dat houdt in dat een huishouden voor de maandelijkse lasten voor energie en hypotheek of huur niet méér gaat betalen.
De verlaging van de energierekening van een huishouden is dus minimaal gelijk aan de maandelijkse financieringskosten of huurverhoging op het moment dat de energiebesparende maatregelen worden genomen (Klimaatakkoord, sd). De warmteoptie die in een buurt de laagste nationale kosten heeft, hoeft niet altijd de optie met de laagste kosten voor de eindgebruiker te zijn. Andersom geldt hetzelfde. Onderstaand kader gaat hier verder op in aan de hand van een voorbeeld. Voor de buurten waar dit het geval is, wordt in de voorbereiding van een uitvoeringsplan in samenwerking met de bewoners de keuze gemaakt. Voorbeeld: verschil nationale kosten en eindgebruikerskosten Een buurt wordt aangesloten op een warmtenet. De kosten hiervoor bestaan onder andere uit het aanleggen van een warmtenet, het plaatsen van installaties in de woning om van de warmte gebruik te kunnen maken, het aanbrengen van isolatie en de kosten voor het gebruik van warmte. Bij nationale kosten worden al deze kosten bij elkaar opgeteld. Er wordt geen rekening gehouden met het feit dat de warmteleverancier de kosten voor het aanleggen uiteindelijk doorberekent naar een woningeigenaar: de kosten worden gemaakt, en bij wie de kosten terechtkomen is voor deze berekening niet relevant. Op deze manier kunnen verschillende technieken objectief met elkaar worden vergeleken.
De kosten voor de eindgebruiker zijn slechts deels gerelateerd aan deze nationale kosten. Een bewoner betaalt enkel de kosten voor installaties en woningisolatie, en natuurlijk voor de energierekening. Daarnaast kan een bewoner soms gebruik maken van subsidies waardoor de eindgebruikerskosten lager worden. Op basis van deze kostenberekening bepaalt een woningeigenaar of deze een warmtetechniek kan en wil betalen. De totale investering die dit vraagt is hiermee echter buiten beeld. Eindgebruikerskosten hangen onder andere af van de op dat moment aanwezige subsidies en de wijze waarop kosten worden doorberekend aan de klant.
15
Figuur 2 – Kostencomponenten voor de eindgebruiker
We kiezen voor technieken die toekomstbestendig zijn, dus willen niet investeren in iets dat later overbodig wordt Een ander belangrijk uitgangspunt is dat keuzes die worden gemaakt in de warmtetransitie in Aalsmeer, toekomstbestendig zijn. Dit houdt in dat ‘geen-spijt’ maatregelen de voorkeur hebben. Het toepassen van isolatie is een voorbeeld van zo’n maatregel: hiermee wordt energie bespaard, maar de keuze voor een aardgasvrije warmtetechniek ligt nog niet vast. Ook willen we uitsluitingseffecten (‘lock-in’) voorkomen. Een uitsluitingseffect treedt bijvoorbeeld op wanneer een flink aantal bewoners in een buurt overstapt op een individuele warmtetechniek, terwijl een warmtenet aanleggen een voordeliger alternatief kan zijn. Maar als een warmtenet te weinig klanten heeft, is het niet meer rendabel. Alle andere bewoners moeten dan ‘onnodig’ ook op individuele technieken overstappen. Het is daarom belangrijk duidelijk te communiceren over de toekomstige warmteopties in de verschillende buurten van Aalsmeer. Daarnaast houdt toekomstbestendigheid in dat we zo veel mogelijk voorkomen dat keuzes die in één buurt worden gemaakt, opties in een andere buurt uitsluiten. Het kan bijvoorbeeld op korte termijn gunstig zijn om een nieuwbouwproject op een warmtenet aan te sluiten.
Als daardoor een andere buurt zeer dure maatregelen moet nemen omdat er geen warmtebron meer beschikbaar is, terwijl er voor de nieuwbouw goede alternatieven zijn, is dit niet toekomstbestendig.
Duurzaamheid is belangrijk bij de keuze van warmtetechnieken: de gemeente wil fossielonafhankelijk zijn in 2040, maar stelt CO2-reductie voorop Met de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving willen we bijdragen aan het behalen van (inter)nationale CO2-reductiedoelstellingen. Daarom staat CO2-reductie centraal bij het maken van keuzes in de warmtetransitie. Dit kan bijvoorbeeld door het energiegebruik terug te dringen door vroegtijdig en vergaand te isoleren. Maar ook wanneer een buurt overgaat op een warmtenet en daarmee aardgasvrij wordt, is het belangrijk dat het warmtenet met een duurzame warmtebron gevoed wordt. We besteden ook aandacht aan CO2-reductie in buurten die voorlopig nog niet 100% aardgasvrij worden. In deze buurten kan bijvoorbeeld aan de slag worden gegaan met het toepassen van isolatiemaatregelen om energiebesparing en daarmee CO 2-besparing te realiseren. Ook kan op korte termijn CO2-reductie behaald worden door in buurten die nog
16
niet helemaal aardgasvrij worden, hybride oplossingen toe te passen. Een hybride warmtepomp, bijvoorbeeld, gebruikt nog wel aardgas, maar is veel zuiniger dan een traditionele gasketel omdat een deel van de warmtevraag met een warmtepomp wordt ingevuld. Een hybride warmtepomp is voordeliger dan een volledig elektrische warmtepomp, ook hoeft er minder vergaand geïsoleerd te worden. Hybride warmtepompen dragen voor inwoners bij aan betaalbaarheid en een meer geleidelijke overgang naar aardgasvrij. Daarom is dit een goede (tussen)oplossing in gebieden waar nog geen duidelijke aardgasvrije warmtetechniek voor de hand ligt (zie ook Paragraaf 3.1).
(Hogetemperatuur)warmte, waterstof en groengas zijn in beperkte mate beschikbaar. We gaan verstandig om met deze schaarse warmtebronnen (enkel daar inzetten waar geen alternatieven zijn) De hernieuwbare gassen waterstof en groengas zijn voorlopig (in ieder geval tot 2030) niet op grote schaal beschikbaar voor het verduurzamen van gebouwen (zie ook Paragraaf A.3). Ook zijn warmtebronnen (met name van hoge temperatuur) niet onbeperkt beschikbaar. Zolang deze hernieuwbare gassen en warmtebronnen schaars zijn, zullen deze waarschijnlijk alleen een logische optie zijn voor gebouwen waar andere warmtetechnieken niet toe te passen of erg duur zijn. Ook blijft het nodig de warmtevraag zo ver mogelijk terug te dringen door middel van isolatiemaatregelen.
2.2
Participatie rond de warmtevisie: zorgen, vragen en meningen van inwoners Doel van het participatieproces Zoals hierboven beschreven, hecht de gemeente grote waarde aan een zo groot mogelijk draagvlak voor haar beleid. Dat geldt ook voor de warmtevisie, waarin de richting voor en de eerste stappen naar aardgasvrije buurten worden aangegeven. Omdat het om een vrij controversieel onderwerp gaat, heeft de gemeente veel aandacht besteed aan de informatievoorziening richting bewoners én aan de mogelijkheid voor bewoners om hun zorgen, vragen en meningen kenbaar te maken. In deze fase van het proces naar aardgasvrij waarin het nog om een redelijk ‘boven over’ verhaal gaat, wachten veel bewoners nog af wat er komen gaat en is de interesse om mee te doen aan enquêtes en dorpsgesprekken nog niet zo groot. In die zin is participatie in deze fase dan ook nog vrij beperkt. Dat zal anders worden in buurten waarvoor een uitvoeringsplan wordt voorbereid. Participatie zal dan intensiever worden ingezet, ook de respons zal veel hoger zijn.
Toch is het ook nu al van belang voor de gemeente om te weten wat haar bewoners zoal denken over aardgasvrij; wat zijn de meningen, de vragen en de zorgen die mensen hebben? Daarover in gesprek te gaan en van gedachten te wisselen met een aantal bewoners en zo hun gedachten te leren kennen, is ook nu van belang, zodat er rekening mee gehouden kan worden in de warmtetransitie. Dat is dan ook het doel geweest van de participatieactiviteiten die tijdens de ontwikkeling van de warmtevisie zijn ontplooid. We hebben veel kennis gekregen van wat er speelt. En ook al zijn de resultaten van de activiteiten getalsmatig niet representatief voor alle bewoners van Aalsmeer, in zijn totaliteit geeft de informatie die verkregen is een groot spectrum aan meningen, vragen en zorgen weer. Bij het opstellen van de warmtevisie hebben we zoveel mogelijk rekening gehouden met deze zorgen, wensen en vragen.
17
Hieronder geven we een korte beschrijving van de verschillende manier waarop die kennis is verzameld en een uiteenzetting van de belangrijkste meningen, zorgen, vragen en opmerkingen van de bewoners.
Klankbordgroep Om zoveel mogelijk bewoners te betrekken, heeft de gemeente aan het begin van de ontwikkeling van de warmtevisie een klankbordgroep geformeerd. Voor deze klankbordgroep zijn bewoners uitgenodigd die bewonersgroepen vertegenwoordigen, zoals alle wijkraden, de werkgroep Aalsmeer gasloos en Huurdersvereniging Aalsmeer en Kudelstaart (HAK). Daarnaast zijn ook een aantal (koepels van) bedrijven zoals Greenpark Aalsmeer, MVO Aalsmeer en Glastuinbouw Nederland, afdeling Noord-Holland, lid van de klankbordgroep. De rol van de klankbordgroep was om te reflecteren op het onderwerp in brede zin en op alle aangeleverde notities/tussenrapportages van de warmtevisie. Ook heeft de gemeente gevraagd om input te leveren op de concept-enquête, het programma van de dorpsgesprekken, het selecteren van de eerste buurten en de beleidsagenda voor na het vaststellen van de warmtevisie.. Net zoals we later in de enquête en tijdens de dorpsgesprekken hebben gevraagd, is ook aan de leden van de klankbordgroep gevraagd naar hun belangrijkste zorgen, vragen en aandachtspunten waarmee de gemeente in het verdere traject rekening zou moeten houden. Dat heeft geleid tot een hele reeks aan schriftelijke input, waarop de gemeente op haar beurt weer heeft gereageerd.
De belangrijkste punten hieruit zijn: - Let op de betaalbaarheid van de oplossingen - Let op draagvlak, neem mensen mee - Hoe zorg je voor voldoende capaciteit op het elektriciteitsnet? - Het verlagen van de warmtevraag door isoleren is de belangrijkste eerste stap, die op veel draagvlak kan rekenen - Neem voldoende tijd Zie voor het uitgebreide verslag de participatiebijlage, een separate document bij de warmtevisie, met de uitkomsten van de participatie.
Enquête Aalsmeer aardgasvrij Naast het betrekken van de georganiseerde bewoners heeft de gemeente alle bewoners via de gangbare media en posters op straat, uitgenodigd om een enquête in te vullen. Ruim 400 bewoners hebben dat gedaan. Bewoners werd onder andere gevraagd naar hun mening over aardgasvrij wonen, hun belangrijkste vragen en zorgen zijn en wanneer aardgasvrij voor hen acceptabel zou zijn. Op de eerste vraag antwoord een kleine helft niets te zien in aardgasvrij, een ruime helft staat daar positiever tegenover.
18
Over de zorgen geven de enquêteresultaten het volgende beeld:
Grootste zorgen
ik ben bang voor hoge kosten
51%
wat nou als ik daar niet aan mee wil…
26%
mijn huis is te oud (hoge kosten)
21%
investering verdient zich niet terug
18%
weet niet wat ik moet doen
16%
wil spaargeld anders besteden
12%
ik help hulp nodig bij de uitvoering
12%
ga verhuizen en doe daarom niets
3%
geen noemenswaardige zorgen
10% 0%
10% 20% 30% 40% 50% 60%
Op de vraag wanneer aardgasvrij acceptabel zou zijn, geeft 30 % van de deelnemers aan onder geen enkele voorwaarde te willen, de andere deelnemers geven een wat genuanceerder beeld.
Wanneer is aardgasvrij acceptabel?
Als de investeringskosten niet te hoog zijn Als mijn energiekosten ongeveer gelijk blijven Als er subsidie is voor de maatregelen Als het een kleine ingreep in mijn huis is Als ik heldere en betrouwbare informatie krijg Als mijn buurt en ik goede begeleiding krijgen Als er een loket is voor vragen Als er een lening is met gunstige voorwaarden
36% 31% 26%
21% 18% 13% 5% 3%
Vind ik al acceptabel Nooit, want ik wil het sowieso niet Ik weet het nog niet/geen mening
7% 30% 6% 0%
5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40%
Ook op Facebook hebben we bewoners uitgenodigd om de enquête in te vullen. Dat heeft op Facebook zelf tot veel commentaar geleid, met name door mensen die zeiden niets te zien in aardgasvrij. Men vindt aardgas goed, betaalbaar en betrouwbaar en wil het graag zo laten. Ook daar wordt veel gezegd over de verwachte hoge kosten. Verder blijkt er uit veel respons op Facebook de nodige weerstand om van het gas af te gaan. De deelnemers aan de enquête waren genuanceerder zoals o.a. de antwoorden op de vraag in de bovenstaande grafiek laat zien. Een uitgebreide rapportage van de enquêteresultaten en overzicht van de Facebookreacties is te vinden in de participatiebijlage.
19
Drie dorpsgesprekken Op 20, 22 en 29 april 2021 hebben er digitale dorpsgesprekken plaatsgevonden in Aalsmeer. Eén van de manieren om de aandacht op de dorpsgesprekken te vestigen was een serie van vier interviews over Aalsmeer aardgasvrij, gezien vanuit twee bewoners (een voorstander en een sceptischer bewoner, beide leden van de klankbordgroep), woningcorporatie Eigen Haard en huurdersvereniging HAK en een interview met twee onderzoekers/adviseurs van CE Delft die de warmtevisie in opdracht van de gemeente ontwikkelen. De aftrap voor de serie werd gedaan door wethouder Wilma Alink-Scheltema. De wekelijkse interviews eindigden met een uitnodiging om deel te nemen aan de dorpsgesprekken. Verder hebben er in alle gangbare media advertenties gestaan over de dorpsgesprekken. Desondanks zijn de dorpsgesprekken per keer slechts door 10-20 bewoners bezocht, voornamelijk oudere huiseigenaren, die merendeels positief gestemd waren over Aalsmeer aardgasvrij. Hieruit kan worden afgeleid, dat het onderwerp weliswaar speelt in de gemeente, maar door heel veel bewoners nog als tamelijk abstract en niet op hen zelf betrokken wordt ervaren. De dorpsgesprekken hadden als doel om mensen enerzijds goed te informeren over de laatste stand van zaken van de warmtevisie en anderzijds om te luisteren naar vragen, zorgen en opmerkingen van bewoners.
Er zijn tijdens de dorpsgesprekken veel vragen gesteld, die slechts gedeeltelijk gedurende de avonden beantwoord konden worden. Alle vragen zijn beantwoord in het document Q&A dorpsgesprekken (zie Participatiebijlage). Puntsgewijs hieronder een aantal vragen die opvallen, — Wie gaat het betalen? — Houdt het elektriciteitsnet het wel als we allemaal overschakelen op warmtepompen? — Doen de bedrijven ook mee? — Welke keuzen zijn er als je van het aardgas af gaat? — Welke warmtepomp is het beste voor mijn huis? — Hoe weet ik wat ik moet doen? Bij wie kan ik terecht voor goede informatie? Daarnaast zijn er ook vragen die al heel praktisch van aard zijn, zoals ‘Mijn cv-ketel is bijna stuk, wat kan ik nu het beste doen?’ en ‘Welke warmtepomp is geschikt voor mijn huis?’ Verder vroegen bewoners op alle avonden naar de mogelijkheid om waterstof te gebruiken als vervanging van aardgas. Ook de vraag waarom Duitsland op aardgas over gaat terwijl Nederland ervan af gaat, kwam vaker terug. Ook merkte een bewoner op dat hij al wel de stok voelde om aardgasvrij te worden (door de verwachte kosten), maar nog geen wortel zag die hem zou kunnen stimuleren om maatregelen te nemen. Tijdens de gesprekken heeft de gemeente ook enkele vragen aan de bewoners gesteld, zoals wanneer aardgasvrij acceptabel zou zijn.
Hierbij kwam naar voren dat mensen naast de kosten vooral een goede informatievoorziening van belang vinden. Ook dat is belangrijke kennis voor het vervolgtraject.
Wat heeft de gemeente met de uitkomsten van het participatietraject gedaan in deze warmtevisie? Een paragraaf als deze in de warmtevisie is één ding, maar belangrijker dan dat is, dat door deze hele warmtevisie heen de input zoals hierboven omschreven (en in de bijlagen uitgebreid te lezen) te herkennen is. Daarom zal de lezer in verschillende paragrafen lezen hoe we refereren aan de uitingen van bewoners en daarmee rekening houden.
20
3 Aardgasvrij verwarmen en isolatie Er zijn verschillende mogelijkheden voor aardgasvrij verwarmen. In dit hoofdstuk gaan we in op de verschillende aardgasvrije warmtetechnieken. Daarna bespreken we welke warmteopties het meest voor de hand liggen in Aalsmeer en tot slot welk isolatieniveau hiervoor nodig is.
3.1
Aardgasvrije warmtetechnieken De aardgasvrije warmtetechnieken zijn grofweg te verdelen in drie categorieën. In Bijlage A lichten we de technieken verder toe. All-electric technieken De verwarming van het gebouw gebeurt met een elektrische warmtepomp voorzien van een buffervat. De luchtwarmtepomp en de bodemwarmtepomp zijn de bekendste typen warmtepomp. Voor deze manier van verwarmen is verregaande woningisolatie nodig en moeten de radiatoren worden vervangen door een lagetemperatuur(LT)-afgiftesysteem zoals vloerverwarming of LT-radiatoren. Afhankelijk van de warmte- en koudevraag kan in sommige gebouwen warmte-koudeopslag (wko) in combinatie met warmtepompen worden ingezet. Dit is vooral voor bedrijven en andere utiliteitsgebouwen met voldoende koudevraag relevant. Collectief warmtenet Gebouwen worden verwarmd met een warmtenet dat wordt gevoed door lokale of regionale warmtebronnen. We onderscheiden warmtenetten op basis van temperatuurniveau: — Hoge temperatuur (HT): boven de 75°C — Middentemperatuur (MT): tussen 55°C en 75°C — Lage temperatuur (LT): tussen 30°C en 55°C — Zeer lage temperatuur (ZLT): tussen 10 en 30°C (Z)LT-warmtenetten vereisen, net als de elektrische warmtepomp, verregaande woningisolatie en een LT-afgiftesysteem. Voorbeelden van LT-warmtebronnen zijn aquathermie (warmte uit water) of restwarmte (bijvoorbeeld van datacenters).
MTwarmtenetten kunnen gevoed worden door bijvoorbeeld industriële restwarmte of geothermie. Ook kunnen warmtebronnen met een lagere temperatuur worden gebruikt, maar omdat de temperatuur hiervan te laag is om direct warm tapwater te maken en ook voor ruimteverwarming aanpassingen nodig zijn, kan de warmte collectief (voor een groep gebouwen) of individueel in de woning naar een hogere temperatuur worden gebracht met een elektrische warmtepomp. Hernieuwbaar gas Verwarmen met hernieuwbaar gas (groengas of waterstof) kan met een hybride warmtepomp of een hr-ketel. Het aardgasnet blijft hierbij in gebruik. Bij het gebruik van hernieuwbaar gas zijn beperkt aanpassingen nodig aan het gasnet of aan de hr-ketel. De hernieuwbare gassen waterstof en groengas zijn voorlopig (in ieder geval tot 2030) niet beschikbaar voor het verduurzamen van gebouwen (zie ook Paragraaf A.3). Ook na 2030 zullen deze gassen voor de gebouwde omgeving waarschijnlijk alleen een logische optie zijn als andere warmtetechnieken niet zijn toe te passen of erg duur zijn. Het isoleren van gebouwen is ook voor deze technieken verstandig.
21
De hybride warmtepomp: een mogelijke tussenoplossing richting aardgasvrij De hybride warmtepomp combineert een elektrische warmtepomp met de hr-ketel op gas. De elektrische warmtepomp kan voor ongeveer de helft van de warmtevraag zorgen. Dit gaat zeer efficiënt, omdat de warmtepomp energie haalt uit de buitenlucht of ventilatielucht. De energie wordt gebruikt voor ruimteverwarming en/of warmtapwaterbereiding. Ongeveer een vijfde van de tijd springt de hr-ketel bij op momenten dat de warmtepomp niet voldoende warmte kan leveren, bijvoorbeeld wanneer het buiten koud is en/of er (veel) warmtapwater nodig is. Hoe hoger het isolatieniveau van de woning, hoe minder vaak de hr-ketel hoeft bij te springen, en hoe groter de vermindering van het (aard)gasverbruik. Momenteel is het niet zinvol om een hybride warmtepomp te plaatsen in een slecht geïsoleerd gebouw (Milieucentraal, 2020). In zo’n gebouw zal de warmtepomp minder vaak de warmte leveren: de hr-ketel moet vaak bijspringen om het gebouw voldoende warm te krijgen. In een matig geïsoleerd gebouw (dubbel glas, spouwmuurisolatie en 5-7 cm vloerisolatie en dakisolatie) levert een hybride warmtepomp zowel besparing op de energierekening als CO2-reductie op (Milieu Centraal, lopend).
Bij een goed tot zeer goed geïsoleerd gebouw (vanaf een isolatieniveau van 50 kWh/m2) is het verstandiger om direct op een volledig elektrische warmtepomp over te stappen, in plaats van een hybride variant.
3.2
Warmteopties voor de buurten van Aalsmeer We hebben Aalsmeer in veertien zogenoemde warmtebuurten ingedeeld (zie Figuur 3). De warmtebuurten zijn clusters die wat betreft bouwjaar, type bebouwing (utiliteitsgebouwen, type woningen) en isolatieniveau zo uniform mogelijk zijn. Ook zijn ze zoveel mogelijk geografisch aaneengesloten. Dit maakt het mogelijk om de afweging voor een warmtetechniek op het niveau van een warmtebuurt te maken. De belangrijkste keuze hierin is of de buurt zich leent voor een collectieve warmtetechniek (warmtenet) of individuele. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in de transitie naar aardgasvrij verwarmen wordt gekozen voor een wijkgerichte aanpak. Dit houdt in dat gemeenten wijk voor wijk (of buurt voor buurt) aan de slag gaan met de warmtetransitie en op wijk-/buurtniveau bepalen wat de beste oplossing is als gebouwen niet langer met de cv-ketel worden verwarmd. Er is gekozen voor een wijkgerichte aanpak omdat het organiseren van de eventuele benodigde infrastructuur, zoals bijvoorbeeld warmtenetten, of verbouwingen sneller verloopt als buren hierin met elkaar en de lokale overheid optrekken (Rijksoverheid, 2019).
22
Figuur 3 – Indeling van Aalsmeer in warmtebuurten
Tabel 1 laat voor de verschillende warmtebuurten in Aalsmeer zien welke warmtetechniek de voorkeur heeft als we letten op kostenberekeningen (zowel nationale als eindgebruikerskosten), beschikbaarheid van warmtebronnen en bebouwingskenmerken van de warmtebuurten. De kaart in Figuur 4 geeft dit op hoofdlijnen visueel weer. Tabel 1 - Voorkeurswarmtetechniek voor de Aalsmeerse warmtebuurten op basis van kostenberekeningen en gebouwkenmerken Warmtebuurt
Voorkeurstechniek
Bedrijventerrein
Er staan veelal industriële panden in de buurt. Als de industriële partijen komen tot een collectieve oplossing, onderzoek dan in het wijkuitvoeringsplan of de woningen en utiliteiten daarop kunnen aansluiten.
Centrum nieuw
Als het oude centrum overschakelt op een warmtenet, dan kan deze warmtebuurt meegaan. Als het oude centrum geen warmtenet krijgt, dan ligt een elektrische warmtepomp het meest voor de hand.
Centrum oud
Op basis van de eindgebruikerskosten is de voorkeurstechniek een warmtenet. Met de huidige bronnen zou dit een MT-warmtenet gevoed met warmte uit de Meerlanden of opgewaardeerde LT-warmte kunnen zijn.
Hornmeer
Een HT- of MT-warmtenet lijkt voor de hand te liggen. Mogelijk kan aquathermie benut worden uit de Westeinderplassen en naar MT-niveau worden gebracht of kan het bestaande warmtenet op datacenterwarmte worden uitgebreid.
Kudelstaart centrum
In deze buurt is verwarmen met een elektrische warmtepomp een goede optie. Doordat in Kudelstaart centrum ook veel utiliteitsgebouwen zijn (met een koudevraag in de zomer), zou een kleinschalig wko-net ook een geschikte optie zijn voor deze buurt.
23
Warmtebuurt
Voorkeurstechniek
Kudelstaart label C en corporatiebezit
Een MT-warmtenet is mogelijk een geschikte optie is voor deze buurt. De Westeinderplassen zijn een grote potentiële bron voor aquathermie.
Kudelstaart nieuw
Woonwijk is grotendeel geschikt voor verwarming op LT-niveau, zoals individuele warmtepompen of kleinschalige wko-installaties. Als er in Kudelstaart een warmtenet komt, kunnen delen van de buurt daarop aansluiten.
Lintbebouwing Aalsmeer
Een individuele warmtetechniek ligt hier voor de hand. De panden die geschikt zijn voor verwarmen op lage temperatuur (isolatieniveau van tenminste 50 kWh/m2) kunnen overstappen op een elektrische warmtepomp, voor andere gebouwen is een hybride warmtepomp een mogelijke (tussen)oplossing.
Lintbebouwing bedrijventerrein
Eerste stap om in gesprek te gaan met de bedrijven en kasseneigenaren over verduurzaming en de mogelijkheden voor een warmtenet. Een deel van de panden kan hier mogelijk op aansluiten. Wanneer duidelijk is wat de warmteoplossing voor de kassen wordt, kan de keuze worden gemaakt daarbij aan te sluiten of over te schakelen naar een hybride warmtepomp en op langere termijn waarschijnlijk naar een elektrische warmtepomp
Lintbebouwing Kudelstaart
Een individuele warmtetechniek ligt hier voor de hand. De panden die geschikt zijn voor verwarmen op lage temperatuur (isolatieniveau van tenminste 50 kWh/m2) kunnen overstappen op een elektrische warmtepomp, voor andere gebouwen is een hybride warmtepomp een mogelijke (tussen)oplossing.
Oosteinde Oost
Verwarming met elektrische warmtepompen of kleinschalige wko-installaties heeft de voorkeur.
Oosteinde West
Voor deze buurt zijn zowel een warmtenet (MT of HT) of een elektrische warmtepomp een optie. Er zijn dus nog verschillende keuzemogelijkheden.
Stommeer label B en C
Een eventueel MT-net zou kunnen worden gevoed met een LT-warmtebron dat wordt opgewaardeerd naar MT-niveau, maar de eindgebruikerskosten van een MT-warmtenet zijn nog niet rendabel. De buurt grenst aan Stommeer label E, F en G en aan Hornmeer. Als in een van deze warmtebuurt een warmtenet wordt ontwikkeld kan dit worden uitgebreid naar Stommeer label B en C. Al met al komt er in deze buurt niet één duidelijke voorkeurstechniek naar voren en zijn er nog verschillende keuzemogelijkheden.
Stommeer label E, F en G
In deze buurt komt geen duidelijke warmteoplossing naar voren. Een warmtenet is, als we kijken naar de kosten, een optie. Er is nog geen MT of HT-warmtebron aanwezig.
24
Figuur 4 – Oplossingsrichtingen van de warmtebuurten
3.3
Isolatie Het is belangrijk dat we energie besparen, want als we minder warmte en elektriciteit gebruiken, hoeven we ook minder op te wekken. Met isoleren valt de meeste energie te besparen. Het is dan ook de eerste stap om richting een energiezuinige, comfortabele en uiteindelijk aardgasvrije woning te gaan. Ook de bewoners in de klankbordgroep onderschrijven het belang van isolatie. Welk isolatieniveau nodig is, hangt mede af van welke warmtetechniek gekozen wordt. Bijvoorbeeld: elektrische warmtepompen verwarmen op een lager temperatuurniveau dan MT-warmtenetten. Gebouwen die met een elektrische warmtepomp zullen worden verwarmd, moeten daarom beter worden geïsoleerd. Isolatie leidt tot energiebesparing. Bij verregaande isolatie kan de ventilatie- en koudevraag van een woning wel toenemen (zie tekstkader koudevraag en koeling). In het nationale Klimaatakkoord is afgesproken dat er een ’Standaard’ met bijbehorende streefwaarden voor individuele bouwdelen (zoals muren, vloer en glas) komt voor het isolatieniveau van woningen. De Standaard moet woningeigenaren, verhuurders en particulieren meer duidelijkheid geven over wat als goede en toekomstbestendige woningisolatie wordt beschouwd. Met isoleren naar de Standaard worden woningen voorbereid op verwarming met lagere temperaturen dan nu gebruikelijk is.
In de kamerbrief over de Standaard voor woningisolatie van 18 maart 2021 (Ministerie van BZK, 2021) staat dat wanneer woningen worden geïsoleerd volgens de voorgestelde Standaard, dit betekent dat woningen van na 1945 geschikt zijn voor verwarming met
25
warmte van 50°C. Bij oudere woningen ontbreekt vaak een spouwmuur, waardoor verduurzamen tot dat niveau meer kostbaar en ingrijpend is. Voor woningen van voor 1945 geldt daarom een lagere standaard, namelijk isoleren tot een niveau dat deze woningen kunnen worden verwarmd met warmte van 70°C. Koudevraag en koeling Naast een warmtevraag, hebben gebouwen in toenemende mate een koudevraag. Dit komt doordat de gemiddelde buitentemperatuur stijgt door klimaatverandering. Een andere reden waarom de koudevraag toeneemt, is dat woningen een steeds beter isolatieniveau hebben (zowel nieuwbouwwoningen als bestaande woningen die extra isolatie hebben aangebracht). Woningen met een hoog isolatieniveau houden de warmte zo goed vast, dat deze op warme dagen hun warmte niet goed kwijt kunnen en de binnentemperatuur hoog blijft (RVO, 2018). Bij een isolatieniveau van 50 kWh/m2 kan koeling aan de orde komen: de ene bewoner zal koelingsmaatregelen toepassen en de andere niet. Bij een hoger isolatieniveau van 30 kWh/m2 kunnen koelingsmaatregelen een serieus aandachtspunt worden (Merosch, 2020). De koelbehoefte is echter niet enkel afhankelijk van de isolatiegraad, maar bijvoorbeeld ook van de oriëntatie van de woning. Weren en afvoeren van warmte zijn slimme stappen om te nemen voordat je gaat koelen met een installatie.
Weren van warmte kan bijvoorbeeld met zonwering, zonwerend glas of bomen die zorgen voor schaduw en daarmee warmtestraling voorkomen. Afvoeren van warmte gebeurt door middel van ventilatie.2 Momenteel gaat de meeste aandacht uit naar het beperken van de warmtevraag in de winter, niet zozeer naar de koudevraag in de zomer (RVO, 2018). Het is nog niet duidelijk welke maatregelen zullen worden gekozen om in de groeiende koudevraag van woningen te voorzien. In de utiliteitsbouw is koeling momenteel al meer gangbaar dan bij woningen, met name in bepaalde typen utiliteitsgebouwen, zoals zorginstellingen, winkels en kantoren (PBL, 2020b). Buurten of gebouwen met een substantiële koudevraag naast een warmtevraag zijn geschikt voor toepassing van wko-systemen3, mits de ondergrond daarvoor geschikt is. In deze buurten kan aquathermie in combinatie met een wko-systeem een interessante oplossing zijn, omdat hierbij zowel warmte als koude kan worden onttrokken uit de waterbron. Ook kunnen warmtepompen in beperkte mate voor koeling worden ingezet. Dit stelt wel eisen aan het warmteafgiftesysteem van gebouwen: vloerverwarming is meer geschikt dan LT-radiatoren (PBL, 2020b).
2 3
TKI Urban Energy: Factsheets koudetechnieken Wko staat voor warmte-koudeopslag.
26
4 Verduurzaming van de gebouwde omgeving tot 2030 Dit hoofdstuk beschrijft welke buurten en panden in Aalsmeer kansrijk zijn om in de periode tot 2030 met de warmtetransitie te starten. Hiervoor zijn er grofweg twee stappen nodig. De eerste stap is de isolatie en ventilatie van de woning op orde brengen. Met deze stap maken we een pand klaar om op een later moment aardgasvrij te worden. Het pand wordt daarmee aardgasvrij-ready. Na aardgasvrij-ready volgt de stap naar aardgasvrij. In deze stap wordt de cv-ketel vervangen door een warmtenetaansluiting of warmtepomp. De aanpak voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving tot 2030 bestaat daarmee ook uit twee gerichte trajecten: een aanpak voor panden die aardgasvrij worden en een isolatie en ventilatieaanpak voor panden die eerst aardgasvrij-ready worden. In deze aanpakken kijken we zowel op pand- als -buurtniveau. Daarnaast geeft dit hoofdstuk een handelingsperspectief voor alle Aalsmeerse pandeigenaren: op welke manier kunnen zij nu al aan de slag met het verduurzamen van hun woning of bedrijfspand?