Bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2_Toelichting.Pdf
Tekst van het document
de Gebiedsvisie. Omdat de Gebiedsvisie vooral een strategisch beleidsdocument is, was het noodzakelijk om bepaalde onderwerpen uit de visie nader uit te werken. De uitvoeringsparagraaf en uitvoeringsagenda zijn op 18 december 2014 door de raad vastgesteld. Bovendien heeft de raad de Gebiedsvisie expliciet aangewezen als Structuurvisie. Het gebied van de Westeinderplassen en de Bovenlanden is in de Gebiedsvisie aangewezen als ontwikkelgebied. Het ruimtelijke beleid hier dient er op te zijn gericht met behoud van het unieke landschap het gebied als aantrekkelijk waterrecreatiegebied te ontwikkelen. In de gebiedsvisie wordt een voorlopige denkrichting geschetst, waarbij een aantal ontwikkelprincipes wordt onderscheiden. Specifiek voor de Oosteinderweg wordt het volgende als denkrichting aangegeven. <0000> <0000>
<0000> <0000>
<0000>
in het lint is er hoofdzakelijk sprake van een woonfunctie in combinatie met kleinschalige bedrijvigheid hierachter; het tegengaan van grootschalige, complexmatige bebouwing en het volledig volbouwen van percelen. De zone langs ringvaart fungeert als de groene schakel tussen de Westeinderplassen en het Amsterdamse bos met bijzondere aandacht voor het behoud van de bestaande natuurgebieden; de landschappelijke structuur van het gebied moet intact worden gehouden, hetgeen bijvoorbeeld betekent dat het samenvoegen van meerdere eilanden tot één eiland in principe niet mogelijk is; het streven naar clustering van het aantal jachthavens (met behoud van het aantal ligplaatsen). Vanuit economisch en ruimtelijk oogpunt is het gewenst en acceptabel om in het gebied een aantal grotere jachthavens te accommoderen, zodat daarmee enerzijds een bijdrage wordt geleverd aan het verbeteren van de kwaliteit van de watersportfaciliteiten en anderzijds aan een verbetering van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit. Belangrijk is om de ligging van de rode contour hierbij te betrekken en te onderzoeken en af te wegen in hoeverre een (gedeeltelijke) wijziging van deze contour noodzakelijk is om daadwerkelijk ruimtelijke kwaliteit te bereiken. In eerste instantie wordt uitgegaan van een clustering van bestaande jachthavens.
Als verplaatsing van jachthavens noodzakelijk blijkt, komt een nieuwe locatie in het aangegeven zoekgebied in aanmerking. Ook wordt gedacht aan een passantenhaven bij de Beach, de gebouwen van de oude veiling op het kruispunt van de Oosteinderweg met de Pontweg en de Machineweg; voorbeelden van alternatief gebruik van percelen: vormen van dagrecreatie, gecombineerd met kleinschalige bedrijvigheid en/of voorzieningen. Het is van belang dat toerisme en recreatie als een belangrijke aanvulling op economische activiteiten verder wordt ontwikkeld. Het beleefbaar maken van het gebied per fiets, kano of te voet maken het gebied meer gewaardeerd.
relevantie voor het plangebied Het onderhavige plan is in overeenstemming met de uitgangspunten voor het gebied van de Oosteinderweg volgens de gebiedsvisie. Feitelijk is er geen sprake van een nieuwe ontwikkeling maar van een verplaatsing van twee bestaande ligplaatsen naar een naburig perceel. De nieuwe ligplaatsen bevinden zich in de zone voor bedrijfsbebouwing achter het woonlint en zijn met de ligging in de lengte langs de watergang zo gepositioneerd dat zij de landschappelijke structuur van het gebied niet aantasten. Vanuit de Gebiedsvisie 2020 bestaan er geen belemmeringen voor het plan. 5.4.2 Structuurvisie "Bovenlanden Oosteinderweg" Voortvloeiend uit de uitvoeringsparagraaf van de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 heeft de gemeenteraad op 3 december 2020 voor het plangebied de structuurvisie "Bovenlanden Oosteinderweg" vastgesteld. Deze visie geeft duidelijkheid over de gewenste toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden in het plangebied. Zodoende zal de visie als toetsingskader gebruikt worden voor komende initiatieven. vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 25 van 39
De gemeenteraad heeft op 13 december 2018 hiervoor een Nota van Uitgangspunten vastgesteld. Per deelgebied (zie gebiedsindeling paragraaf 5.1.2 van de structuurvisie) is de huidige situatie in kaart gebracht en is aangegeven wat de uitgangspunten en ambities voor dat deelgebied zijn. De overkoepelende doelstelling van deze visie is het geven van kaders en handvatten voor het: <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>
vergroten van de leefbaarheid (vooral voor bewoners); bieden van een duidelijk perspectief aan ondernemers in het gebied; verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; vergroten van de natuurwaarden; vergroten van de recreatieve waarde.
Een aantal kaders zijn vooraf gegeven voor het bereiken van deze doelen. Met betrekking tot de verkeersafwikkeling is het uitgangspunt dat de in het gebied te faciliteren ruimtelijke ontwikkelingen passend zijn bij de functie van de Oosteinderweg en dat ten aanzien van de verkeersintensiteiten een stand-still wordt nagestreefd. Daarnaast is het plangebied zwaarbelast vanwege de luchthaven Schiphol. Gezien de hoge geluidsbelasting en de heldere signalen vanuit de samenleving van een aanzienlijke hinder is nieuwe woningbouw in beginsel niet gewenst, ook niet waar dat in beperkte mate in het beperkingengebied mogelijk is. Andere transformatiemogelijkheden krijgen de voorrang boven woningbouw. Tot slot maakt het plangebied deel uit van een samenhangend landschap in de regio dat tegenwicht biedt aan verstedelijking en de leefbaarheid voor bewoners vergroot. De verkavelings- en waterstructuur en natuur- en cultuurhistorische waarden dienen behouden te blijven en te worden versterkt. Dit kan bijvoorbeeld door het gebied aantrekkelijk en toegankelijk te maken voor recreatie en (kleinschalige) toerisme. De structuurvisie geeft de gewenste ontwikkelingsrichting aan voor het gebied van de Bovenlanden en de Oosteinderweg op weg naar 2040.
Enerzijds is de structuurvisie ruimtelijk richtinggevend voor initiatiefnemers, anderzijds is de visie een lobbydocument om fondsen te werven voor de transformatiekosten die niet door initiatiefnemers en gemeente gedragen kunnen worden. Het streefbeeld Het streefbeeld voor de Bovenlanden in 2040 is dat het historische landschap een nieuw leven krijgt. Veel seringenkwekers zullen in 2040 zijn gestopt, maar een deel van de trekheestercultuur zal mogelijk overeind blijven door schaalvergroting, een efficiëntere indeling van kavels en door recreatieve nevenactiviteiten, zoals dag- en verblijfsrecreatie. De overige delen van een brede zone langs de Ringvaart (maar ook aan de kant van de Stommeerkade en Hogedijk) worden natuurgebied. Hierdoor vormt het eilandenrijk van de Bovenlanden in 2040 voor veel diersoorten een belangrijke schakel in de ecologische verbinding tussen de Westeinderplassen en het Amsterdamse Bos. Dat geldt ook in recreatief opzicht, met goede recreatieve vaarverbindingen en (regionale) routes voor fietsers en wandelaars. In het natuurgebied is ruimte voor kleinschalige recreatiemogelijkheden in het groen. De aanwezigheid van het vele groen, de natuurwaarden en de recreatieve mogelijkheden draagt in 2040 sterk bij aan het woongenot van de bewoners. Het groen is vanaf de Oosteinderweg ook beter zichtbaar geworden.
In een brede zone in het verlengde van de Aalsmeerbaan lopen water en natuur zelfs helemaal door tot aan de weg. Tuinbouwbedrijven die hier door de luchtvaartbelemmeringen niet meer goed konden functioneren, hebben zich vanuit een regionaal Omgevingsfonds laten uitkopen. En bewoners die zich zorgen maakten over de verkoopbaarheid van hun woning in de zwaarbelaste gebieden hebben zich eveneens vanuit dit fonds laten uitkopen. Behalve door de sterkere beleving van het groen is het leefklimaat voor bewoners in 2040 ook verbeterd doordat de verkeersoverlast op de Oosteinderweg is teruggedrongen. vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 26 van 39
Het aantal verkeersbewegingen - vooral van vrachtverkeer - is sterk verminderd. Dit komt doordat bedrijven die veel (vracht)verkeer genereren, ervoor gekozen hebben hun bedrijf verder te ontwikkelen op een bedrijventerrein of een locatie voor detailhandel elders in Aalsmeer. Verkeersmaatregelen buiten het plangebied - gericht op het voorkomen van sluipverkeer - en snelheidremmende maatregelen op de Oosteinderweg zelf hebben voor een verdere afname van (vracht)verkeer en een verbetering van de verkeersveiligheid gezorgd. Door herinrichting van de weg is deze aantrekkelijker en een stuk veiliger geworden voor fietsers en voetgangers. Direct aan de Oosteinderweg staan vooral woningen. De zone achter de woonbebouwing is in 2040 volop in ontwikkeling. Steeds meer oude kassen, loodsen en schuren hebben een nieuwe functie gekregen of zijn vervangen door nieuwe bebouwing waarin kleinschalige recreatieve functies zijn gekomen. Ook zijn er kleine bedrijfjes gekomen met een lage verkeersaantrekkende werking. Achter het lint bevinden zich nog enkele grotere bedrijven die afhankelijk zijn van een ligging aan het water. Verder is de bedrijvigheid kleinschalig, met een lage milieucategorie en weinig (vracht)verkeersbewegingen.
Door het opruimen van de oude bebouwing en doordat de (nieuwe) bebouwing en parkeerplekken landschappelijk goed zijn ingepast in het groen is de ruimtelijke kwaliteit sterk verbeterd. Op een paar plekken achter het lint kunnen kleine zonnevelden worden ontwikkeld, omzoomd door riet en elzen. Tussen of onder de panelen is voldoende ruimte voor de ontwikkeling van natuurwaarden of voor open teelt. Zo wordt een bijdrage geleverd aan de energietransitie zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteiten van het gebied. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen in het gebied, zoals de oude schoorstenen, zijn in 2040 bewaard gebleven en hebben soms een nieuwe functie gekregen. De omgeving van het veilinggebouw Bloemenlust heeft een nieuwe inrichting gekregen die past bij de identiteit van de Bovenlanden en bij Aalsmeer: een fraai bloemenplein aan het water. Hier kunnen festiviteiten en kleine evenementen worden georganiseerd. Hierdoor is de veiling weer echt het hart van het gebied geworden, met een goede ruimtelijke kwaliteit. Indeling in vier zones Het streefbeeld en de ontwikkelingen die daar passend bij zijn, zijn niet voor het hele gebied hetzelfde.
In de structuurvisie wordt onderscheid gemaakt in vier zones: a de Ringvaartzone: een landschappelijk gezien aantrekkelijke zone langs de Ringvaart die fungeert als ecologische verbindingszone, met daarbinnen incidenteel een kleinschalige recreatieve voorziening; b de groene zone: een groengebied bestaande uit natuur en open teelt met op enkele plekken ruimte voor extensieve vormen van (verblijfs)recreatie en/of kleinschalige zonnevelden, ingepast in het groen; c de ontwikkelingszone: een zone achter het lint waar onder voorwaarden ruimte is voor transformatie naar of intensivering / beperkte uitbreiding van kleinschalige recreatie, passende bedrijvigheid (tuinbouwbedrijven, recreatiebedrijven, watergebonden bedrijven of kleinschalige bedrijvigheid in lage milieucategorie waarbij gedacht kan worden aan kleinschalige dienstverlening), kleinschalige zonnevelden, tuinbouw, natuur en eventueel een enkele woning; d het levendige lint: het bebouwingslint langs de Oosteinderweg dat hoofdzakelijk uit woonbebouwing bestaat. In de visie wordt per zone eerst het streefbeeld beschreven met een integraal afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen dat aangeeft waaraan initiatieven moeten bijdragen. Ook wordt beschreven welke functies in de verschillende zones passen en welke uitgangspunten daarbij van toepassing zijn.
vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 27 van 39
Relevantie plangebied De nieuwe ligplaatsen Oosteinderweg 365 ws1 en Oosteinderweg 365 ws2 zijn geprojecteerd in de zone die op de kaart behorende bij de structuurvisie is aangegeven als ontwikkelingszone. Conform het streefbeeld is in deze zone achter het lint onder voorwaarden ruimte voor transformatie naar of intensivering dan wel beperkte uitbreiding van kleinschalige recreatie, passende bedrijvigheid (tuinbouwbedrijven, recreatiebedrijven, watergebonden bedrijvigheid of kleinschalige bedrijvigheid in een lage milieucategorie), kleinschalige zonnevelden, tuinbouw, natuur en eventueel een enkele woning. De twee ligplaatsen zijn geen toevoeging van ligplaatsen maar een verplaatsing van de bestaande ligplaatsen vanaf het naastgelegen perceel bij het daar gevestigde bedrijf. Op een plek die zich volgens het streefbeeld leent voor eventueel een enkele woning is de inrichting van twee ligplaatsen een passende, alternatieve functie voor het oorspronkelijke agrarische gebruik van het perceel. Vanuit de structuurvisie Bovenlanden Oosteinderweg bestaan er geen belemmeringen voor het onderhavige plan.
vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 28 van 39
HOOFDSTUK 6 OMGEVINGSKWALITEIT Dit hoofdstuk bevat de onderbouwing van het bestemmingsplan voor wat betreft de verschillende omgevingsaspecten.
6.1 Bodem Het bodembeleid is gebaseerd op een balans tussen maatschappelijke dynamiek en gezondheidsrisico's. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico voor de gebruiker mag vormen. Is dat wel het geval, dan spreken wij van een ernstig en spoedeisend geval van bodemverontreiniging. Deze gevallen moeten op korte termijn worden gesaneerd of het gebruik en/of de functie moet worden gewijzigd, zodat de verontreiniging geen risico vormt. De bodemkwaliteit kan ook een acceptabel risico vormen. We spreken dan van een ernstig geval en een potentieel risico. Een ernstig geval met potentiële risico's hoeft niet gesaneerd te worden, omdat het opheffen van potentiële risico's niet kosteneffectief is. Het loont wel te saneren wanneer er toch al grondwerk plaatsvindt. Daarom is het verboden om in ernstig verontreinigde grond te werken zonder saneringsdoel. De saneringshandeling dient gemeld te worden bij het bevoegd gezag (de Provincie Noord-Holland). Procedures en normen voor onderzoek en sanering van de bodem zijn nader uitgewerkt in de Circulaire bodemsanering 2012. De norm voor een ernstig geval is de interventiewaarde; de norm voor spoedeisendheid is het saneringscriterium. Bij handelingen en activiteiten op of in de grond dient een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 te worden uitgevoerd om na te gaan of de bodem op een locatie mogelijk verdacht is.
Een locatie is verdacht als er aanwijzingen zijn dat er in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden (puntbronnen) of als er sprake is van achtergrondconcentraties die hoger zijn dan het bodemgebruik toestaat. Bij puntbronnen kan gedacht worden aan (voormalige) bedrijfsactiviteiten, ondergrondse brandstoftanks en sloop van asbesthoudende bouwwerken. Verhoogde achtergrondconcentraties worden in Aalsmeer aangetroffen in het "bovenland", het niet verveende landschap. De ontgravingskaart (zie hierna) wordt bij ruimtelijke onderbouwingen voor bestemmingsplannen en bij aanvragen voor omgevingsvergunningen geaccepteerd als bewijsmiddel ten aanzien van achtergrondconcentraties. Is de locatie verdacht, dan dient een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 te worden uitgevoerd en zonodig een nader onderzoek conform NTA 5755 om vast te stellen of er sprake is van een ernstig geval en of er sprake is van een verontreiniging die met spoed gesaneerd dient te worden. Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit stelt onder andere regels voor grondverzet voor grond die geen risico's vormt voor de gebruiker. In de Regeling bodemkwaliteit zijn richtwaarden (kwaliteitsklassen) opgenomen voor verschillende gebruiksfuncties, die zijn gerelateerd aan bodemgebruik.
Doel van de regels is om de bodemkwaliteit en bodemfunctie via grondverzet met elkaar in overeenstemming te brengen. Hulpmiddel hiervoor zijn de bodemkwaliteitskaarten zoals die zijn opgenomen in de regionale Nota bodembeheer. De bodemfunctiekaart is verdeeld in zones waarvan het huidige en toekomstige gebruik is weergegeven. De bodemfuncties zijn "Industrie", "Wonen" en "Overig". De bodemfuncties bepalen de toepasbaarheid van grond, omdat de functie is gekoppeld aan een kwaliteitsklasse. De ontgravingskaart geeft de aanwezige bodemkwaliteit aan via zones van bodemkwaliteitsklassen "Industrie", "Wonen" en "Overig". Aalsmeer hanteert gebiedsspecifiek beleid, waarin naast de maximale waarden uit het generieke beleid de lokale maximale waarden "Wonen (gebiedsspecifiek)" en "Landbouw/natuur (gebiedsspecifiek)" gedefinieerd zijn. De toepassingskaart geeft aan welke bodemkwaliteitsklasse toe te passen grond moet voldoen. Grond die voldoet aan de achtergrondwaarde is altijd toepasbaar. Grond verontreinigd tot boven de (lokale) maximale waarde is niet toepasbaar in de desbetreffende zone en moet elders worden vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 29 van 39
toegepast of verwerkt. De overige grond moet bij toepassing voldoen aan de (lokale) maximale waarde en aan de bodemfunctie van de toepassingslocatie. Provinciale omgevingsverordening Ook vanuit de provincie gelden er regels met betrekking tot de bodem. Het provinciale beleid is erop gericht gebieden met aardkundige waarden dienen planologisch te worden beschermd. Dit is vastgelegd in voorheen de Provinciale milieuverordening, nu de Omgevingsverordening NH2020. In de praktijk betekent dit dat alleen grond mag worden toegepast die voldoet aan de bodemchemische normen en die bodemfysisch vergelijkbaar is met de in het toepassingsgebied voorkomende grondsoort. De bodemkwaliteit dient geschikt te zijn voor de (toekomstige) functie en mag in principe niet verslechteren door grondverzet. Relevantie plangebied Ten behoeve van dit plan is op de locatie van de nieuwe ligplaatsen een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd door IDDS Ruimte en Ontwikkeling B.V.. Het rapport (kenmerk A3908-06/BJO/rap1, d.d. 19 mei 2023) is bijgevoegd in de bijlagen bij deze plantoelichting. Uit dit onderzoek blijkt dat: <0000> in zowel de boven- als de ondergrond sprake is van bijmenging met bodemvreemde materialen. Het betreft plaatselijk sporen van baksteen.. Er is visueel geen abestverdacht materiaal aangetroffen.
<0000> uit de separate analyses blijkt dat de grond van één van de monsters sterk verontreinigd is met koper, lood, en zink en matig verontreinigd is met nikkel. Daarnaast blijkt dat een ander monster matig verontreinigd is met zink. De voornoemde deelmonsters en de overige mengmonsters zijn licht verontreinigd met zware metalen en PAK; <0000> het grondwater is licht verontreinigd met barium. Naar aanleiding van deze conclusies adviseert IDDS nader bodemonderzoek te verrichten naar de mate en omvang van de aangetroffen verontreiniging met zware metalen. Nader bodemonderzoek dient uitsluitsel te verschaffen omtrent het feit of er ten aanzien van de verontreiniging in de grond sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. De aanbevelingen uit het onderzoek zijn ter beoordeling voorgelegd aan de gemeentelijke specialist. Deze constateert dat de achterste ligplaats in het verleden al gecreëerd is en dat de voorste nog moet worden ontgraven. Tevens valt op dat het bureau kennelijk niet bekend is met de seringenteelt waarvoor periodiek baggerspecie wordt opgebracht. Daarom is de toplaag niet alleen verdacht op OCB's (bestrijdingsmiddelen), maar ook op zware metalen en PAK.
Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de bodem bestaat uit ruim een meter organisch materiaal, met lokaal op vanaf 0,5 meter een sintellaag op een zandbed (slootdemping?) en hout (oude beschoeiing?). De venige toplaag is licht verontreinigd met zware metalen en PK. De sintellaag (geen bodem) is sterk verontreinigd met koper, lood en zink. Hieruit volgt de conclusie dat de bodem geschikt is voor de woonfunctie en ander onderzoek niet noodzakelijk is. Vanuit het aspect bodem bestaan er geen bezwaren tegen het onderhavige plan.
6.2 Water Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte.Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatse jaren ontwikkelt het grondwater zich
vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 30 van 39
tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Efficiëntie van bnutting is een van de redenen voor de ruimtelijke ordening van de ondergrond. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artiel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling. De waterbeheerder in dit gebied is het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het Hoogheemraadschap heeft het nieuwe Waterbeheerplan 2022-2028 (WBP6) vastgesteld. De verwachte toename van neerslag en droogte, bodemdaling, verzilting zeespiegelrijzing en de verdergaande verstedelijking leggen een steeds grotere druk op het watersysteem. De hoofdambitie is schoon water en droge voeten. Dit wordt bereikt door: <0000> beschermen van overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem door een aanpak in drie lagen (meerlaagse veiligheid); adviseren over het beperken van de gevolgen van overstromingen (gevolgbeperking) en voorbereiden op een calamiteit; <0000> zorgen voor schoon en gezond water dat past bij de verschillende functies in een gebied; <0000> optimaliseren van de verwerking van het afvalwater en hergebruiken van de grondstoffen uit afvalwater; <0000> zorgen voor voldoende water: niet te veel, niet te weinig, passend bij het gebruik.
Blauwe Lens De gevolgen, kansen en oplossingen van klimaatverandering voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland zijn onderzocht. het resultaat van dit onderzoek is het Rapport Blauwe lens. De Blauwe Lens leert ons dat het gebied en het watersysteem flexibeler moet worden. Een belangrijk inzicht is dat we de problemen niet moeten afwentelen op onze omgeving, maar water juist moeten inzeten als ordenende kracht in ruimtelijke ontwikkeling. Met deze constatering bevestigt De Blauwe Lens de noodzaak om water leidend te maken. Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Sinds 1 juni 2020 heeft Rijnland een nieuwe Keur. In de Keur is geregeld welke handelingen en/of werken in het watersysteem niet zijn toegestaan zonder vergunning. In de keur staat voorts vermeld dat vanaf een toename van verhard oppervlak 500m2 of meer compensatie moet worden toegepast. Bij een toename van verharding van 5000m2 of meer geldt een vergunningplicht. In principe moet voor elke nieuw aangelegde verharding compenserend oppervlaktewater worden gegraven. Dit moet minimaal 15% van de toename van verharding zijn.
Tevens hanteert Rijnland het dempingenbeleid: water dat wordt gedempt moet volledig worden teruggebracht binnen het poldersysteem of bij een boezemsysteem binnen een straal van 5 km vanaf de demping. Per 1 januari 2024 treedt de nieuwe Waterschapsverordening in werking. Relevantie plangebied Het onderhavige plan ziet op de verplaatsing van twee bestaande ligplaatsen aan de kop van het bedrijfsperceel van Jongkind naar een naburig perceel. Om de woonarken af te meren worden ter plaatse de gronden afgegraven en inhammen gerealiseerd. Op de locatie van de huidige ligplaatsen komen geen woonarken terug en krijgen de gronden de enkelbestemming "Water". Met het onderhavige plan wordt derhalve geen verharding gerealiseerd, zodat compensatie van oppervlaktewater is niet nodig. De belangen van de waterhuishouding zijn hier niet in het geding.
vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 31 van 39
6.3 Archeologie In de Wet op de archeologische monumentenzorg is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt, te weten: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld. Kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Verder wordt het verrichten van opgravingen aan de markt overgelaten. Door de wet heeft de gemeente een nieuwe wettelijke taak gekregen: bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het bestemmingsplan kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied.
De aanvrager van een omgevingsvergunning en een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten moet zelf de kosten dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, uitgaande van het principe 'De verstoorder betaalt'. De aanvrager heeft recht op nadeelcompensatie van de gemeente wanneer de kosten onredelijk hoog zijn. Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden. De volgende archeologische voorschriften worden in de wet genoemd: Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven; De verplichting tot het doen van opgravingen; Het werk laten begeleiden door een deskundige. De provincie of het Rijk kunnen in plaats van de gemente bevoegd zijn om beslissingen te nemen over terreinen met archeologische resten. Het gaat daarbij om vergunningen voor ontgrondingen en om vergunningen inzake beschermde archeologische monumenten die voorkomen op de monumentenlijst van het rijk. Aan deze vergunningen kunnen dezelfde archeologische voorschriften worden verbonden. Het rijk is ook het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen.
Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie Noord-Holland. Beleidsnota Archeologie Aalsmeer De Beleidsnota Archeologie 2016 zet uiteen op welke wijze de gemeente Aalsmeer verantwoordelijkheid neemt voor het eigen bodemarchief. Door bij het ontwikkelen of het aanpassen van bestaande bestemmingsplannen archeologische waarden en verwachtingen op te nemen en in de toelichting te verwijzen naar het gemeentelijke archeologiebeleid kunnen de kosten van eventueel archeologisch onderzoek worden verhaald op de verstoorder van het bodemarchief. In het bestemmingsplan wordt ook voorgeschreven welke verplichtingen de vergunningaanvrager heeft op het gebied van de archeologische monumentenzorg. Op de bij de Beleidsnota behorende kaart is voor alle gebieden met archeologische waarden te zien bij welke werkzaamheden onderzoek moet worden gedaan naar de archeologisch waarden.
vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 32 van 39
Erfgoedverordening Aalsmeer De gemeenteraad heeft op 9 februari 2017 de Erfgoedverordening Aalsmeer vastgesteld. De verordening ziet toe op het beheer en behoud van het cultureel erfgoed gelegen binnen Aalsmeer, dat van bijzonder belang is vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. Op grond van deze verordening is het, voor zover dat nog niet in een bestemmingsplan is geregeld, verboden binnen een archeologisch verwachtingsgebied zonder omgevingsverordening de bodem dieper dan 40 cm te verstoren. Relevantie plangebied Voor het plangebied geldt op grond van de bij de Beleidsnota behorende kaart een hoge archeologische verwachtingswaarde. Bij een bodemroering met een oppervlakte van meer dan 50m2 en een diepte van meer dan 40cm is een archeologisch onderzoek vereist. Gelet op de oppervlakte van de gezamenlijke ligplaatsen is onderzoek verricht door IDDS Archeologie. Het onderzoeksrapport met nummer 2874, versie 1.2 d.d. 20 april 2023 is bijgevoegd in de bijlagen bij deze plantoelichting. Uit het onderzoek blijkt een lage archeologische waarde voor het plangebied. Dit betekent dat er geen belemmeringen zijn voor het onderhavige plan en de voorgenomen ontwikkeling om twee ligplaatsen te realiseren.
6.4 Geluid De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor- en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerslawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveau's als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Als niet aan de voorkeursgrenswaarden voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen.
Luchtverkeer Op grond van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib) gelden er beperkingen aan het ruimtegebruik rond de luchthaven met het oog op de bescherming van burgers tegen gezondheidsrisico's als gevolg van blootstelling aan vliegtuiggeluid. In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden waarvoor verschillende regels gelden. Het regime is strenger naarmate het gebied verder van de luchthaven en de vliegroutes is gelegen. De regels van het Lib dienen in de bestemmingsplannen te worden verwerkt. Relevantie beschrijving plangebied Woonarken worden beschouwd als een geluidgevoelig object. Door M+P is onderzoek gedaan naar het geluidklimaat op de beoogde ligplaatsen Oosteinderweg 365ws1 en Oosteinderweg 365ws2. Onderzoek is gedaan naar de geluidbelasting van het wegverkeer vanwege de Oosteinderweg ( Memo ‘Verplaatsing twee woonarken Oosteinderweg 365 te Aalsmeer, onderzoek geluidbelasting’ met kenmerk vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 33 van 39
M+P.APANN.23.01.1 van 14 april 2023, zie bijlage 3) en naar het geluid van de naburige bedrijven (rapport ‘Akoestisch onderzoek verplaatsen woonboten Oosteinderweg te Aalsmeer’, met rapportnummer M+P.APANN.23.01.1 van 29 juni 2023, zie bijlage 4). Verder is door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied een notitie betreffende Zoneadvies ten behoeve van een ruimtelijke procedure voor het verplaatsen van 2 woonarken aan de Oosteinderweg 365 te Aalsmeer opgesteld (zaaknr. 11915031 op datum 22 maart 2023, zie bijlage 5). De onderzoeksrapporten zijn bijgevoegd in de bijlagen bij deze plantoelichting. wegverkeerslawaai De nieuwe ligplaatsen voor de te verplaatsen woonarken vallen binnen de geluidzone van de Oosteinderweg .Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege wegverkeer rijdend op de Oosteinderweg, op de nieuwe ligplaatsen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt. luchtverkeer De nieuwe ligplaatsen liggen net als de bestaande ligplaatsen binnen zone 5 van het beperkingengebied van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol. Hiervoor geldt dat buiten bestaand stedelijk gebied in beginsel geen nieuwe woningbouwlocaties mogelijk zijn. Omdat het hier een verplaatsing betreft van twee bestaande ligplaatsen binnen eenzelfde zone van het beperkingengebied, staat het Lib niet in de weg aan het onderhavige plan.
industrielawaai De nieuwe ligplaatsen zijn, net als de huidige ligplaats, tevens gelegen binnen de geluidszone van het industrieterrein Schiphol-Oost (proefdraaiplaatsen). De voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai bedraagt 50 dB(A). De geluidbelasting Letmaal vanwege industrielawaai is ter plaatse van de nieuwe ligplaatsen, berekend op 55 dB(A). De voorkeursgrenswaarde wordt hiermee overschreden. Het college van Burgemeester en Wethouders van Aalsmeer kan ontheffing verlenen van de voorkeursgrenswaarde. Daarvoor dient het gecumuleerde geluid te worden beoordeeld. Deze mag niet leiden tot een onaanvaardbare geluidbelasting. cumulatie Volgens de regionale Deelnota Hogere Waarden 2007 mag de gecumuleerde geluidbelasting van alle geluidsbronnen niet meer bedragen dan de ten hoogste te verlenen hogere waarde +3 dB. Aangezien de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde niet overschrijdt, wordt wegverkeerslawaai niet bij de bepaling van de gecumuleerde geluidbelasting betrokken. beoordeling woon- en leefklimaat Door M+P is onderzoek gedaan naar de gecumuleerde geluidbelasting (rapport M+P.APANN.2301.2, d.d. 17 oktober 2023), bijlage 6). De gecumuleerde geluidbelasting vanwege het industrieterrein Schiphol-Oost en de luchtvaart bedraagt (afgerond) 62 dB. De gecumuleerde geluidbelasting voldoet daarmee niet aan de Deelnota Hogere waarden 2007.
Het akoestisch klimaat is als gevolg van de hogere geluidbelasting als “ tamelijk slecht” te kwalificeren. Dit is echter niet anders dan op de bestaande locatie van de ligplaatsen. Uit het onderzoek naar de geluidbelasting van de omringende bedrijven die vallen onder het Activiteitenbesluit Wm blijkt dat de geluidsbelasting op de huidige ligplaatsen ruimschoots de geluidnormen in het Activiteitenbesluit overschrijdt. Op de nieuwe ligplaatsen wordt wel aan de normen voldaan. Als toetsingskader voor een goede ruimtelijke ordening zijn daarbij de waarden gehanteerd uit de VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Voor de toetsing is uitgegaan van het gebiedstype "gemengd gebied". De conclusie is dat zowel voor Jongkind als voor IGD wordt voldaan aan de standaardgrenswaarden en dat verplaatsing om die reden een verbetering oplevert voor het woon- en leefklimaat. Hierom is het mogelijk hogere grenswaarden voor het industrielawaai van Schiphol-Oost te verlenen. vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 34 van 39
Vanuit het aspect geluid bestaan er tegen de voorgenomen verplaatsing geen bezwaren. Het ontwerpbesluit hogere grenswaarden is tegelijkertijd met het ontwerp van onderhavig plan ter inzage gelegd. Er zijn gedurende de daarvoor gestelde termijn geen zienswijzen ingediend.
6.5 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL-projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.
Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: <0000> de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; <0000> de 24-uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); <0000> voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' - zoals een school of kinderopvang - in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen.
Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 35 van 39
binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Relevantie plangebied Voor woningbouw geldt op grond van de regeling NIBM een grens van 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen. Voor de beoogde ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat deze niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, aangezien het om een verplaatsing en geen uitbreiding van bestaande functies gaat. Nader onderzoek naar de gevolgen voor luchtkwaliteit is niet nodig.
6.6 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Aalsmeer gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen en over luchtverkeer. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".
Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen inwerking getreden. Deze wet vervangt de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.
Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen.
vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 36 van 39
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Luchthavenindelingbesluit Lib Met het oog op externe veiligheid zijn in het Lib beperkingengebieden opgenomen om de mogelijkheid van slachtoffers op de grond bij een eventueel vliegtuigongeval te voorkomen. In et beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het regime is strenger naarmate het gebied dichter bij de luchthaven en vliegroutes is gelegen. De regels van het LIB dienen in de bestemmingsplannen te worden verwerkt. relevantie plangebied Na raadpleging van de zogenaamde Risicokaart is gebleken dat het plangebied buiten de risicoafstanden ligt met betrekking tot risciobronnen in de omgeving. Wel ligt het plangebied in zone 5 van het beperkingengebied van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol.
Hiervoor geldt op grond van artikel 2.2.1d, tweede lid van het Lib dat in de toelichting van een bestemmingsplan moet worden onderbouwd hoe rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. In het onderhavige plan betreft het de verplaatsing van twee bestaande ligplaatsen binnen zone 5 van het beperkingengebied. Omdat de oorspronkelijke ligplaatsen worden verwijderd is er vanuit de belangen van het LIB geredeneerd geen nieuwe ontwikkeling en neemt het aantal slachtoffers dat er potentieel zou kunnen vallen niet toe. Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er geen bezwaren tegen het onderhavige plan.
6.7 Flora en fauna De bescherming van de natuur in Nederland is sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten beschermd zijn, is vastgelegd in de bijlage van de wet. Welke soorten planten en dieren wettelijk beschermd zijn, is vastgelegd in de bijlage van de wet. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de gevolgen van de ruimtelijke ingrepen voor de instandhouding van de beschermde soort. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde, ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Gebiedsbescherming is geregeld door middel van de aanwijzing van de zogenaamde Natura-2000 gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante effecten optreden in Natura-2000 gebieden. Hier kan sprake van zijn bij een ontwikkeling binnen een dergelijk gebied, maar ook als gevolg van stikstofdepositie door ontwikkelingen elders.
Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding van uitspraken van de Raad van State is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient voor elk project een stikstofdepositieberekening te worden uitgevoerd.
vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 37 van 39
Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar blijkt, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Relevantie plangebied In mei 2023 is door IDDS voor het plangebied op de locatie van de nieuwe ligplaatsen een ecologische verkenning uitgevoerd. Het rapport (met kenmerk A3908-03/SKA/qs1 d.d. 24 mei 2023, zie bijlage 7) is bij de bijlage bij deze plantoelichting gevoegd. Uit het onderzoek blijkt het volgende: gebiedsbescherming het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals natura-2000 of NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in natura-2000 gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en habitatsoorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn negatieve effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura-2000 gebied Botshol, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Kennemerland-Zuid worden door de ruime afstand en de geringe schaal van de werkzaamheden niet verwacht.
Omdat de bouwvrijstelling voor de gevolgen voor de stikstofdepositie van de sloop- en aanleg- c.q. bouwfase is komen te vervallen, moet voor die werkzaamheden toch de gevolgen voor de stikstofdepositie inzichtelijk worden gemaakt. Door S&W Bouwkundig Ingenieurs is de te verwachten stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen verplaatsing van de twee ligplaatsen en het gebruik van de nieuwe ligplaatsen onderzocht. Daarbij is gebruik gemaakt van de AERIUS Calculator. Het rapport (met kenmerk 2230674 d.d. 24 april 2023, zie bijlage 8) is bijgevoegd in de bijlage bij deze plantoelichting. Uit de berekeningen volgt dat er geen sprake is van stikstofdepositie. Dit geldt zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase. soortenbescherming Op basis van het verkennende onderzoek kunnen de meeste soorten die volgens de verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. In het plangebied zijn wel mogelijk meerdere geschikte verblijfplaatsen voor broedvogels en vleermuizen aanwezig. Door middel van mitigerende effecten kan een negatief effect op de beschermde soorten worden voorkomen. Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen zijn voor het onderhavige plan.
6.8 Verkeer en parkeren Indien een ruimtelijk plan voorziet in de toevoeging van verkeersaantrekkende functies dienen de gevolgen voor de verkeer- en parkeer situatie te worden beoordeeld. Relevantie plangebied Het onderhavige plan ziet op de verplaatsing van twee bestaande ligplaatsen naar een naburig perceel. De oorspronkelijke ligplaatsen Oosteinderweg 57ws en Oosteinderweg 59ws worden verwijderd. Er komen geen nieuwe functies op de betreffende locatie terug. De beoogde ontwikkeling genereert derhalve geen extra verkeer. Er wordt immers geen nieuwe verkeersaantrekkende functie mogelijk gemaakt. De ontsluiting van de nieuwe ligplaatsen Oosteinderweg 365 ws1 en Oosteinderweg 365 ws2 geschiedt via de bestaande ontsluiting van het terrein. In de parkeerbehoefte van de ligplaatsen, die op grond van de Nota Parkeernormen Aalsmeer 2016 geraamd wordt op twee parkeerplaatsen per ligplaats, wordt op eigen erf voorzien.
vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 38 van 39
Geconcludeerd wordt dat er vanwege de aspecten verkeer en parkeren geen belemmeringen zijn voor onderhavig plan.
6.9 Belangen van derden De locatie van de nieuwe ligplaatsen is langs de bestaande watergang in de zone voor bedrijfsbebouwing achter het lint van de Oosteinderweg. De ligplaatsen worden op geruime afstand ingericht ten opzichte van elkaar, en ten opzichte van de bestaande woningen in het lint. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van de privacy van derden of ongewenste schaduw werking op een naburig perceel. Geconcludeerd wordt dat het onderhavige plan geen belangen van derden schaadt.
6.10 M.e. r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen pof bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e. r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig <0000> het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of eer sprake is van een m.e.r.-plicht. Het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. <0000> voor een plan in kolom 3 'plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; <0000> het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D.
Er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r (als er sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; <0000> de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.. In dit geval geldt er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Relevantie plangebied Het besluit om onderhavig bestemmingsplan vast te stellen valt niet onder één van de in het besluit m.e.r. genoemde activiteiten. Het gaat slechts om de verplaatsing van twee bestaande ligplaatsen. Er geen aanleiding voor een m.e.r-beoordeling of een plan m.e.r..
vastgesteld toelichting bestemmingsplan Oosteinderweg 357ws, 359ws, 365ws1 en 365ws2 39 van 39