CConstaterende dataalsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

bestemmingsplan Hoofdweg 192_toelichting_VG01.Pdf

1a.Commissie Ruimte Beeldvormend 13 februari 2024, gemeente aalsmeerBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan Hoofdweg 19211.360 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6.4 Geluid De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor- en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerslawaai in de Wet luchtvaart. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder (Wgh) De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Luchtverkeer Op grond van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) gelden er beperkingen aan het ruimtegebruik rond de luchthaven met het oog op de bescherming van burgers tegen gezondheidsrisico's als gevolg van blootstelling aan vliegtuiggeluid.

In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het regime is strenger naarmate het gebied verder van de luchthaven en vliegroutes is gelegen. De regels van het LIB dienen in de bestemmingsplannen te worden verwerkt.

vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Hoofdweg 192 pagina 25

Relevantie plangebied Het onderhavige plan ziet niet op de realisering van gevoelige functies nabij een wegspoorweg of gezoneerd industrieterrein, noch op de realisering van een nieuwe geluidsbron in de zin van de Wet geluidhinder bij bestaande geluidgevoelige functies. Volgens de kaart in bijlage 3 van het LIB ligt het plangebied in zone 4 van het beperkingengebied. Dit betekent dat hier geen nieuwe geluidgevoelige functies en woningen mogen worden toegevoegd met uitzondering van maximaal 25 woningen per bouwplan in bestaand stedelijk gebied en drie woningen in het lint. Het onderhavige plan maakt geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk. Vanuit het LIB zijn er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen voor het plan.

6.5 Bedrijven en milieuzonering Wettelijk- en Beleidskader Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zicht tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven in de nabijheid van woningen op een goede wijze worden ingepast, is de handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" (VNG) opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen. Het is nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Er kan voor worden gekozen gemotiveerd van de richtafstanden af te wijken. Voor de richtafstanden wordt onderscheid gemakt tussen het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied.

Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. relevantie plangebied Volgens de indeling in gebiedstypes in de handreiking valt het plangebied in het omgevingstype rustig buitengebied. Het onderhavige plan beoogt de bouw en het gebruik van een nieuwe opslagloods ten behoeve van een agrarisch bedrijf mogelijk te maken alsmede een winkelruimte voor de verkoop van produkten van eigen land. Daarmee gaat het hier om nieuwe functies voor opslag en verkoop van agrarische producten. In de handreiking is hiervoor in rustig buitengebied een richtafstand van respectievelijk 30 en 10 meter tot de dichtst bijzijnde woning opgenomen. De dichtstbijzijnde woning (niet zijnde de eigen bedrijfswoning) bevindt zich op ca. 60 meter van het plangebied. Daarmee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Dit geldt ook voor de afstand tot de eigen bedrijfswoning. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan geen belemmeringen voor het onderhavige plan.

6.6 Luchtkwaliteit Wettelijk- en Beleidskader Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een

vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Hoofdweg 192 pagina 26

bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL-projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.

Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; de 24-uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' - zoals een school of kinderopvang - in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10.

Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Bijlage 1 van de regeling NIBM geeft aan wanneer een nieuwe inrichting of uitbreiding van een bestaande inrichting NIBM is. De Regeling NIBM heeft onder meer voor landbouwinrichtingen (getalsmatige) grenzen opgesteld. De Regeling NIBM noemt een aantal subcategorieën van landbouwinrichtingen waarvoor ongeacht de omvang van het bedrijf geldt dat deze NIBM zijn. Hieronder vallen akkerbouw- of tuinbedrijven met open grondteelt. Relevantie plangebied De beoogde ontwikkeling is ten behoeve van een akkerbouwbedrijf.

Op grond van de regeling NIBM kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling NIBM is. Er is derhalve vanwege het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor het onderhavige plan. vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Hoofdweg 192 pagina 27

6.7 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het plaatsgebonden risico wordt verbeeld als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit waarbinnen geen kwetsbare objecten (zoals woningen) mogen liggen. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Het groepsrisico is dus een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen dat komt te overlijden, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Dit is een richtwaarde. Het bevoegd gezag mag hier gemotiveerd van afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het groepsrisico. Het IPO (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. Luchtvaart Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. Het wettelijk kader hiervoor is vastgelegd in de Wet luchtvaart en voor luchthaven Schiphol verder uitgewerkt in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB). In het LIB zijn twee gebieden vastgelegd: het luchthavengebied en het beperkingengebied. het luchthavengebied betreft de gronden die tot de luchthaven behoren.

Het beperkingengebied betreft een gebied daaromheen met daarbinnen verschillende regimes, afhankelijk van de risico's voor de grond en voor het luchtverkeer. Met het oog op vliegveiligheid en veiligheid op de grond dient binnen het beperkingengebied te worden getoetst aan maatgevende toetshoogtes. Daarnaast gelden er beperkingen voor vogelaantrekkende functies en beperkingen voor windturbines en lasers. In het LIB is ook het gebied aangegeven waar vanwege de ligging binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6. Hier gelden beperkingen aan het gebruik van de gronden vanuit het oogpunt het aantal slachtoffers bij een eventueel ongeval zo veel mogelijk te beperken. Relevantie plangebied Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een gasleiding, route vervoer gevaarlijke stoffen, lpg-tankstation, een andere inrichting die valt onder het BRZO of opslagplaats met gevaarlijke stoffen. Wel valt het plangebied binnen de invloedszones vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Hoofdweg 192 pagina 28

van luchthaven Schiphol en geldt er een maatgevende toetshoogte van 140 meter. Het plan blijft hier ruimschoots onder. Vanwege de ligging van het plangebied in LIB 4 dient gemotiveerd te worden hoe wordt omgegaan met de mogelijkheid van extra slachtoffers op de grond vanwege neiuwe ontwikkelingen. Het onderhavige plan is niet van een schaal dat een verhoogd risico van slachtoffers op de grond bij een eventuele calamiteit aan de orde is. lVoor de beoogde ontwikkeling zijn er derhalve vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

6.8 Flora en fauna Wettelijk- en Beleidskader De bescherming van de natuur in Nederland is sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijk beschermd zijn, is vastgelegd in de bijlage van de wet. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de gevolgen van de ruimtelijke ingrepen voor de instandhouding van de beschermde soort. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Gebiedsbescherming is geregeld door middel van de aanwijzing van de zogenaamde Natura-2000 gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Hier kan sprake van zijn bij een ontwikkeling binnen een dergelijk gebied, maar ook als gevolg van stikstofdepositie door ontwikkelingen elders.

Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding van uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient voor elk project een stikstofdepositieberekening te worden uitgevoerd. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar blijkt, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Relevantie plangebied In april 2023 is voor het plangebied een ecologische quickscan uitgevoerd door onderzoeksbureau E.C.O. Logisch B.V. (zie bijlage). Hieruit is het volgende gebleken: het projectgebied kan door kleine marterachtigen en vleermuizen gebruikt worden als verblijfsplaats. De potentiële verblijfsplaatsen bevinden zich buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden, zodat er geen effecten worden verwacht op de potentiële verblijfsplaatsen van kleine marterachtigen en vleermuizen. de huismus kan de groenstructuren rondom het woonhuis gebruiken als functioneel leefgebied. Het woonhuis en de ruimtes onder de zonnepanelen kunnen door de huismus gebruikt worden als nestlocatie.

De groenstructuren en de nestlocaties bevinden zich buiten de invloedssfeer van het projectgebied. Daarom worden er geen effecten verwacht op de huismus. Het potentieel jaarrond beschermde nest bevindt zich buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden, zodat er ook geen effecten worden verwacht op het potentieel jaarrond beschermd nest. in het projectgebied kunnen mogelijk algemene, provinciaal vrijgestelde amfibieën, broedvogels en zoogdieren aanwezig zijn. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt niet verwacht in het projectgebied, omdat er geen geschikte habitat aanwezig is. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats, zodat toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk is. vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Hoofdweg 192 pagina 29

Vanuit het aspect soortenbescherming zijn er geen belemmeringen voor het onderhavige plan. Wel is aan te bevelen de werkzaamheden zo in te richten dat een overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Als de werkzaamheden worden uitgevoerd met inachtneming van de aanbevolen mitigerende maatregelen, zijn er geen aanvullende inventarisaties of ontheffingen van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming benodigd. Er wordt aanbevolen geen gebruik te maken van aanvullende nachtelijke verlichting om het verstoren van foeragerende en passerende vleermuizen te voorkomen. Indien aanvullende nachtelijke verlichting niet kan worden vermeden, kan verstoring worden voorkomen door het toepassen van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting en richtarmaturen om strooilicht naar de omgeving te voorkomen. Het meest dichtbij gelegen stikstofgevoelige natuurgebied is het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse Plassen & De Haeck" op een afstand van ca. 8,5 kilometer van het plangebied. Met het oog op eventuele gevolgen voor de omliggende natura-2000 gebieden is door onderzoeksbureau Adromi Groep onderzoek gedaan naar de te verwachten stikstofdepositie. Directe effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en de Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.

Met behulp van de AERIUS Calculator is de te verwachten stikstofemissie tijdens de aanleg- en bouwfase van de opslagloods berekend. Hieruit blijkt dat deze niet groter zal zijn dan 0,00 mol/ha/ja op de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Ook met het oog op gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

6.9 Verkeer en parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in beeld te worden gebracht. Daarbij gaat het om de parkeerbehoefte, de verkeersgeneratie en de ontsluiting van een locatie. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. relevantie plangebied De voorgenomen ontwikkeling ziet op een nieuwe opslagloods en een aanbouw ten behoeve van een verkoopruimte bij het bestaande agrarische bedrijf. De opslagloods heeft geen verkeersaantrekkende werking. Omdat de oogst van de akkers nu bij het eigen bedrijf worden opgeslagen in plaats van in loodsen in de omgeving, heeft de beoogde ontwikkeling geen vermeerdering en mogelijk zelfs een vermindering van verkeersbewegingen tot gevolg. Met het toevoegen van de winkelfunctie wordt er een nieuwe functie opgenomen binnen het plangebied waaruit een parkerbehoefte volgt. In totaal wordt er circa 90 m2 winkelruimte gerealiseerd. Op basis van de vigerende gemeentelijke parkeernota dienen er 5 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Er is op het perceel voldoende ruimte om hierin te voorzien.

vastgesteld toelichting Bestemmingsplan Hoofdweg 192 pagina 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=aalsmeer&id=0bee8c4c-1d36-4cd9-b801-54dd2ee6bede