Agendabundel
Tekst van het document
Bundel - 2.Commissie Maatschappij en Bestuur van 13 januari 2022
0.1
Afsprakenlijst Commissie Maatschappij en Bestuur van 13 januari 2022 AFSPRAKENLIJST Commissie Maatschappij en Bestuur 13-01-2022.pdf
1.1 1.2
Opening door de voorzitter, de heer D. van Willegen Vaststelling van de agenda Agenda commissie M&B 13-01-2022.pdf
1.3 1.4
Mededelingen van het college Vervangen tijdelijke lokalen Jozefschool Portefeuillehouder: L.B. Kabout Het doel is het beschikbaar stellen van een krediet van 2,4 miljoen euro om de tijdelijke lokalen van de Jozefschool in de Kloostertuin te vervangen door permanente huisvesting aan de hoofdlocatie van de Jozefschool. Besluitvorming wordt voorgesteld in de raadsvergadering van 27 januari 2022 Raadsvoorstel vervangen tijdelijke lokalen Jozefschool.docx
1.5
Wijzigen Algemene Plaatselijke verordening van de gemeente Aalsmeer Portefeuillehouder: G.E. Oude Kotte Naast de jaarlijkse actualisering heeft dit voorstel tot doel om zichtbare uitingen van verboden organisaties te verbieden, het mogelijk te maken om een veiligheidsrisicogebied aan te wijzen en om de bevoegdheid om proeverijen toe te staan in de APV op te nemen. Besluitvorming wordt voorgesteld tijdens de raadsvergadering van 27 januari 2022. 20220111 Memo 01 inzake aanpassing wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke Verordening APV.pdf Uitspraak Hoge Raad zichtbare uitingen.pdf Raadsvoorstel wijzigen APV - zonder colourverbod.docx wijzigingsbesluit APV na verwijdering colours.docx Artikelsgewijze APV toelichting Aalsmeer.docx Toelichting wijziging APV na verwijdering colours.docx was wordt tabel na verwijdering colours.docx
1.6
Uitvoering motie van 11 november 2021 "Eenmalige belastingkorting voor huishoudens in 2022" Portefeuillehouder: G.E. Oude Kotte Doel van dit voorstel is om een juiste juridische en maatschappelijke uitvoering te geven aan de motie van 11 november 2021 ‘Eenmalige belastingkorting voor huishoudens in 2022’. Besluitvorming wordt voorgesteld in de raadsvergadering van 27 januari 2022. RDV uitvoering Motie Eenmalige belastingkorting voor huishoudens in 2022.docx 1ste wijziging op de Verordening afvalstoffenheffing 2022.docx 20211111 M21-27 Motie Eenmalige belastingkorting voor huishouden in 2022 -VVD-D66 aangenomen.pdf
1.7
Coronagerelateerde uitgaven 2022 Doel van dit voorstel is om bedrijven en maatschappelijke organisaties die in 2022 financieel nadeel ondervinden van Corona te ondersteunen. Daarvoor wordt voorgesteld het restant van het door de raad ingestelde Corona noodfonds over te hevelen naar 2022. Besluitvorming wordt voorgesteld in de raadsvergadering van 27 januari 2022. 20211129 RAADSVOORSTEL overheveling Restant Corona Noodfonds naar 2022.docx
1.8 1.9 2 2.7
Vragenkwartier Sluiting Vervolg Commissie Ruimte en Economie van 11 februari 2022 Onderschrijven MRA Verstedelijkingsconcept versie 3 Portefeuillehouder: R.K. van Rijn Het doel van dit voorstel is om de gezamenlijke koers voor ruimtelijke ontwikkeling van de MRA en het Rijk, uitgewerkt in het Verstedelijkingsconcept versie 3, grotendeels te onderschrijven. Besluitvorming wordt voorgesteld in de raadsvergadering van 27 januari 2022. 20211207 Raadsvoorstel Aalsmeer Onderschrijven Verstedelijkingsconcept Versie 3.docx 20211207 Brief Raad Aalsmeer MRA Verstedelijkingsconcept Versie 3.docx
brief VC MRA voor raden en Staten 8 november 2021.pdf 211103 Nota van Beantwoording wensen en opvattingen op VS.pdf 211108_MRA_Verstedelijkingsconcept VERSIE_IV.pdf 2.8
Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Portefeuillehouders: W.B. Alink-Scheltema en L.B. Kabout Doel van dit voorstel is om een integrale adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en erfgoed in het leven te roepen conform de doelstellingen van de Omgevingswet. Besluitvorming wordt voorgesteld in de raadsvergadering van 27 januari 2022. RAADSVOORSTEL vaststelling verordening adviescommissie ruimtelijke kwaliteit aalsmeer.docx Verordening op de gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Aalsmeer DEF.docx bijlage-3_implementatiehandleiding_mv-op-de-gem-adviescie_20200914.docx
2.9 2.10
Regionale samenwerking Sluiting
AFSPRAKENLIJST COMMISSIE MAATSCHAPPIJ EN BESTUUR D.D. 13 JANUARI 2022 COMMISSIE M&B Aanwezig: Voorzitter: de heer D. van Willegen Griffier: de heer O. van Kolck Leden: CDA : de dames A.M. Harte-Fokker, M. van Diemen en T. van der Meer en de heren M.P. Buskermolen, T.F.M. Verlaan, P.H.J.M. van Soelen, G.J.H. Winkels en A.G.N. Harte VVD : mevrouw M. Vleghaar en de heren E.P. Abbenhues, J.G.E. Bouwmeester, J.J. van Leeuwen en D.G. van der Zwaag Absoluut Aalsmeer: de dames C. van Hilst-Dekker, G. Holtrop en J. Keessen en de heer D. Kuin D66 : de heren P. van Riet en S.J.R. de Vries GroenLinks : mevrouw P. Lakerveld en de heren R.P. Fransen en O.W. Verbeek PvdA : de heren J.H. Buisma en O. el Hri Portefeuillehouders: mevrouw W.B. Alink-Scheltema en de heren G.E. Oude Kotte en L.B. Kabout
Agenda punt 1.
Onderwerp
Afspraak
Opening door de voorzitter, de heer D. van Willegen Griffier: O. van Kolck
De voorzitter opent de vergadering. Er is bericht van verhindering van de heer Martijn en wethouder Van Rijn. Wethouder Kabout vervangt de heer Van Rijn.
2.
Vaststelling van de agenda
De agenda is conform vastgesteld.
Aansluitend aan deze commissievergadering worden de nog niet behandelde agendapunten van de commissie R&E van 11 januari behandeld. 3.
Mededelingen van het college
De burgemeester licht de inhoud van de brief toe die morgen namens het gemeentebestuur wordt verzonden aan het kabinet over het verruimen van de coronabeperkingen en het te schetsen toekomstperspectief.
4.
Vervangen tijdelijke lokalen Jozefschool Portefeuillehouder: L.B. Kabout
Door naar de raad van 27-01-2022 als behandelstuk op verzoek van de fractie Absoluut Aalsmeer
Toezeggingen: De portefeuillehouder zegt toe de raad schriftelijk te informeren over de stand van zaken met betrekking tot ventilatie in de scholen en over de kosten om de ventilatie in scholen, die weliswaar op dit moment voldoet aan de normen van het RIVM, te verbeteren. 5.
Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening (APV) gemeente Aalsmeer Portefeuillehouder: G.E. Oude Kotte
Door naar de raad van 27-01-2022 als behandelstuk.
6.
Uitvoering motie 11 november 2021 ‘Eenmalige belastingkorting voor huishoudens in 2022’ Portefeuillehouder: G.E. Oude Kotte
Door naar de raad van 27-01-2022 als behandelstuk op verzoek van de CDA fractie.
Toezeggingen: De portefeuillehouder zegt toe het besluit zo te interpreteren dat degene die vrijgesteld zijn van belastingen ook het geld terug krijgen. 7.
Coronagerelateerde uitgaven 2022 Portefeuillehouder: W.B. Alink-Scheltema
Door naar de raad van 27-01-2022 als behandelstuk.
Toezeggingen: De portefeuillehouder zegt toe een lijst met een prognose en uitgegeven geld uit het corona noodfonds voor de raadsvergadering van 27 januari aan de raad te sturen.
De VVD fractie kondigt een raadsbreed amendement aan om het corona noodfonds met 500.000 euro op te hogen.
Vragenkwartier
Er zijn geen vragen ingediend voor het vragenkwartier.
Sluiting Commissie Maatschappij en Bestuur
De voorzitter sluit de vergadering van de Commissie Maatschappij en Bestuur om 21.25 uur.
HEROPENING COMMISSIE RUIMTE EN ECONOMIE VAN 11 JANUARI 2022
De voorzitter heropent om 21.30 uur de vergadering van de Commissie Ruimte en Economie van 11 januari 2022.
Onderschrijven Verstedelijkingsconcept versie 3 Portefeuillehouder: L.B. Kabout
Door naar de raad van 27-01-2022 als behandelstuk.
Toezegging: De portefeuillehouder zegt toe de juridische duiding van de stukken van het Verstedelijkingsconcept in relatie tot de voorgestelde reactie van de gemeenteraad schriftelijk te verduidelijken voor de raadsvergadering van 27 januari.
De fractie GroenLinks overweegt een amendement om de term ‘grotendeel eens’ te wijzigen in de term ‘grotendeels oneens.
8.
Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Portefeuillehouders: W.B. Alink-Scheltema en L.B. Kabout
Door naar de raad van 27-01-2022 als behandelstuk.
9.
Regionale Samenwerking
De heer Verlaan deelt mee dat er geen nieuws uit regionaal verband te delen valt.
10.
Sluiting Commissie Ruimte en Economie van 11 februari 2022
De voorzitter sluit de vergadering om 22.30 uur.
7.
1.2 Vaststelling van de agenda 1 Agenda commissie M&B 13-01-2022.pdf
AGENDA VOOR DE VERGADERING VAN DE COMMISSIE MAATSCHAPPIJ EN BESTUUR op donderdag 13 januari 2022, 20.00 uur
Tijd 20.00
Agenda Onderwerp punt Opening door de voorzitter van de Commissie Maatschappij en Bestuur, de 1. heer D. van Willegen Griffier: O. van Kolck
20.02
2.
Vaststelling van de agenda
3.
Mededelingen van het college
4.
Vervangen tijdelijke lokalen Jozefschool Portefeuillehouder: L.B. Kabout Het doel is het beschikbaar stellen van een krediet van 2,4 miljoen euro om de tijdelijke lokalen van de Jozefschool in de Kloostertuin te vervangen door permanente huisvesting aan de hoofdlocatie van de Jozefschool.
20.05
Besluitvorming wordt voorgesteld in de raadsvergadering van 27 januari 2022 20.30
5.
Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening (APV) gemeente Aalsmeer Portefeuillehouder: G.E. Oude Kotte Naast de jaarlijkse actualisering heeft dit voorstel tot doel om zichtbare uitingen van verboden organisaties te verbieden, het mogelijk te maken om een veiligheidsrisicogebied aan te wijzen en om de bevoegdheid om proeverijen toe te staan in de APV op te nemen. Besluitvorming wordt voorgesteld tijdens de raadsvergadering van 27 januari 2022.
20.55
6.
Uitvoering motie van 11 november 2021 ‘Eenmalige belastingkorting voor huishoudens in 2022’ Portefeuillehouder: G.E. Oude Kotte Doel van dit voorstel is om een juiste juridische en maatschappelijke uitvoering te geven aan de motie van 11 november 2021 ‘Eenmalige belastingkorting voor huishoudens in 2022’. Besluitvorming wordt voorgesteld in de raadsvergadering van 27 januari 2022.
21.15
7.
Coronagerelateerde uitgaven 2022 Portefeuillehouder: W.B. Alink-Scheltema Doel van dit voorstel is om bedrijven en maatschappelijke organisaties die in 2022 financieel nadeel ondervinden van Corona te ondersteunen. Daarvoor wordt voorgesteld het restant van het door de raad ingestelde Corona noodfonds over te hevelen naar 2022. Besluitvorming wordt voorgesteld in de raadsvergadering van 27 januari 2022.
21.30
8.
Vragenkwartier Sluiting
1.4 Vervangen tijdelijke lokalen Jozefschool 1 Raadsvoorstel vervangen tijdelijke lokalen Jozefschool.docx
RAADSVOORSTEL
Raadsvoorstel nr Datum B&W-besluit
Portefeuillehouder
7 december 2021
Afdeling
wethouder mr. L.B. Kabout
Projecten en Advies
Behandelend ambtenaar (voor technische vragen)
A. van Leeuwen 020-540 41 81; 06-11 56 04 09 a.van.leeuwen@amstelveen.nl
Voor de vergadering van raad d.d.
27 januari 2022 Behandelen in de raadscommissie op
Maatschappij en Bestuur
13 januari 2022
Onderwerp
Vervangen tijdelijke lokalen Jozefschool Gevraagd besluit
1. 2. 3.
Een krediet van € 2,4 miljoen beschikbaar te stellen voor de vervanging van de tijdelijke lokalen voor permanente huisvesting aan de hoofdlocatie van de Jozefschool. Het in het investeringsplan opgenomen krediet van € 2,1 miljoen te verhogen met € 300.000 (inclusief btw). De begroting van 2022 aan te passen, alsmede de kapitaallasten te verhogen per 2024 ten laste van de stelpost kapitaallasten economisch nut.
WAT WILLEN WE BEREIKEN EN WAT GAAN WE DAARVOOR DOEN Wat willen we bereiken (effectindicatoren)
De tijdelijke lokalen in Kloostertuin vervangen voor permanente huisvesting aan de hoofdlocatie van de Jozefschool. Wat gaan we daarvoor doen (prestatie-indicatoren)
De permanente huisvesting wordt als uitbreiding aan de hoofdlocatie van de Jozefschool gevoegd. Om hiervoor ruimte te creëren worden de oude fietsenstallingen gesloopt. Een deel van het schoolplein moet plaats maken voor de nieuwbouw. Na realisatie worden de tijdelijke lokalen gesloopt en afgevoerd. Het schoolplein wordt hersteld en gedeeltelijk richting Kloostertuin uitgebreid. Aan de rand van het schoolplein wordt een fietsenstalling teruggeplaatst. ACHTERGROND EN OVERWEGINGEN Programma (speerpunt)
2.2 Onderwijs en ontplooiing; 2.2.2 Onderwijshuisvesting Aanleiding
Het schoolbestuur heeft voor 1 februari 2020 een aanvraag onderwijshuisvesting ingediend voor het vervangen van de tijdelijke lokalen in de Kloostertuin voor permanente huisvesting. De aanvraag is opgenomen op het programma onderwijshuisvesting 2021 en dit programma is in december 2020 vastgesteld. Voor het uitwerken van het bouwplan is een voorbereidingskrediet van € 100.000 beschikbaar gesteld. Inmiddels is het bouwplan uitgewerkt in een definitief ontwerp (DO). Het doorgerekende DO is het vertrekpunt voor het beschikbaar stellen van het uitvoeringskrediet. Argumenten
Momenteel gebruikt de school drie locaties: de hoofdlocatie aan de Gerberastraat, het noodgebouw in de Kloostertuin en het schoolgebouw aan de Baccarastraat 3. De Jozefschool plaatst jaarlijks eenzelfde hoeveelheid leerlingen, waardoor het leerlingenaantal op hetzelfde niveau blijft, ca. 440
[.docx] 101/F105a/ICT
Pagina
2 van 3
leerlingen. Volgens de leerlingenprognose blijft de school voor de aankomende 20 jaar op hetzelfde leerlingenaantal, zodat permanente huisvesting gerechtvaardigd is. Het spreekt voor zich dat het voor het personeel en de leerlingen prettiger en overzichtelijker is om vanuit twee goed onderhouden locaties het onderwijs aan te bieden. De tijdelijke lokalen bestaan uit twee lesruimten, een speellokaal en spreekruimten. De lokalen worden gekoppeld aan de hoofdlocatie van de Jozefschool, Gerberastraat 2, in dezelfde bouwstijl, zodat het een geheel wordt. Hiervoor wordt een deel van het schoolplein gebruikt. De tijdelijke lokalen worden gesloopt en afgevoerd. Het schoolplein wordt richting Kloostertuin uitgebreid, zodat er weer voldoende vierkante meters buitenspeelruimte beschikbaar komt. De bestaande erfpachtovereenkomst met de Kloosterorde blijft gehandhaafd en wordt niet gewijzigd. De hoofdlocatie is onder architectuur gebouwd en heeft een opvallende interieur. De Jozefschool wil graag dat de uitbreiding in dezelfde stijl gerealiseerd wordt, zodat het een geheel wordt. De meerkosten die dat met zich meebrengt, komen voor rekening van de school. In het kader van de duurzaamheid voldoet de uitbreiding aan label A. Er komt een luchtbehandelingskast met warmteterugwinning en een warmtepomp. De lokalen krijgen een CO2regeling.
Er wordt gewerkt met een lage temperatuurverwarming in de vorm van vloerverwarming. De verlichting wordt uitgevoerd in Led en er komen bewegingssensors. Kanttekeningen
In de initiatieffase is een bewonersbijeenkomst georganiseerd met het doel te informeren over de aanstaande veranderingen. Met twee bewoners uit het appartementencomplex aan de Baccarastraat, dat het dichtste bij de school staat, is daarna meermalen overleg geweest. Dit heeft geresulteerd in een aanpassing aan het oorspronkelijk concept in het voordeel van de bewoners van de Baccarastraat. Hoewel de uitbreiding binnen het vigerende bestemmingsplan past, bestaat de mogelijkheid dat alsnog bezwaar wordt gemaakt op de aanvraag omgevingsvergunning, hetgeen vertraging van het project oplevert. Financiën
In de Kadernota 2022 is voor deze voorziening een investering van totaal € 2.155.000 opgenomen. In de onlangs vastgestelde begroting 2022 (pag. 22) is aangekondigd dat als gevolg van de verhoging van de grondstoffenprijzen rekening gehouden moet worden met een verhoging van het benodigde krediet met ca. € 300.000, zodat € 2,4 miljoen benodigd is. In het tweede deel van 2022 ligt het zwaartepunt van de werkzaamheden en is een bedrag van € 1,9 miljoen nodig. Voor het afronden van de werkzaamheden in het eerste gedeelte van 2023 is € 500.000 nodig. Communicatie
Na besluitvorming ontvangt de directeur-bestuurder van de Jozefschool schriftelijk bericht. De bewoners van de Baccarastraat worden schriftelijk van het besluit op de hoogte gebracht. Procedure
In november is de omgevingsvergunning aangevraagd. De doorlooptijd is maximaal 8 weken, tenzij bezwaar wordt gemaakt, dan duurt het langer, mogelijk tot eind januari. Na besluitvorming wordt de aanbesteding van het werk in gang gezet. Dit zal 1,5 maand in beslag nemen. Gunning van het werk volgt daarna, waarna de aannemer het werk moet voorbereiden. In de tweede helft van 2022 wordt gestart met de uitvoering, die zal doorlopen in het eerste kwartaal van 2023. Oplevering van het werk is te verwachten in het tweede kwartaal van 2023. Bijlagen
De secretaris,
De voorzitter,
Pagina
drs. Sj. Vellenga
3 van 3
mr. G.E. Oude Kotte
BEHANDELING RAAD Wijziging/aanvullingen na behandeling raadscommissie
Het voorstel aan de raad is
Aanvaarde amendementen / moties
Ongewijzigd aanvaard Gewijzigd aanvaard Verworpen
RAADSBESLUIT Besluit
1. 2. 3.
Een krediet van € 2,4 miljoen beschikbaar te stellen voor de vervanging van de tijdelijke lokalen voor permanente huisvesting aan de hoofdlocatie van de Jozefschool. Het in het investeringsplan opgenomen krediet van € 2,1 miljoen te verhogen met € 300.000 (inclusief btw). De begroting van 2022 aan te passen, alsmede de kapitaallasten te verhogen per 2024 ten laste van de stelpost kapitaallasten economisch nut.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 januari 2022. De griffier,
De voorzitter,
O. van Kolck
mr. G.E. Oude Kotte
1.5 Wijzigen Algemene Plaatselijke verordening van de gemeente Aalsmeer 1 20220111 Memo 01 inzake aanpassing wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke Verordening - APV.pdf
1 Uitspraak Hoge Raad zichtbare uitingen.pdf
ECLI:NL:HR:2021:1946 Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-12-2021
Datum publicatie
24-12-2021
Zaaknummer
21/00292
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1028
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken Cassatie Beschikking Inhoudsindicatie Beklag, beslag ex art. 94 Sv op jas (gilet) met logo van motorclub onder klager t.z.v. verdenking van overtreding van art. 2:50a APV Haarlem. 1. Moet raadkamer (inhoudelijk) beslissen op verweer dat zich situatie voordoet dat strafbepaling waarop verdenking is gegrond, onverbindend is? 2. Verbindendheid art. 2:50a.1 APV Haarlem. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BL2823 m.b.t. summier karakter van onderzoek in raadkamer n.a.v. klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv en m.b.t. bij de beoordeling van klaagschrift van beslagene dat is gericht tegen beslag ex art. 94 Sv te hanteren maatstaven. Namens klager is aangevoerd dat inbeslagneming heeft plaatsgevonden o.g.v. verdenking dat art. 2:50a.1 APV Haarlem is overtreden maar dat deze strafbaarstelling wegens o.m. strijd met Grondwet onverbindend is. Daarmee is (uitzonderlijke) vraag aan de orde of raadkamer moet beslissen op verweer dat zich de situatie voordoet dat de strafbepaling waarop de verdenking is gegrond, onverbindend is.
Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat (i) als de strafbaarstelling onverbindend is, geen sprake meer kan zijn van de aan die inbeslagneming ten grondslag liggende verdenking en de verbeurdverklaring niet zal kunnen worden bevolen, zodat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert, en (ii) een oordeel over de (on)verbindendheid van een strafbepaling niet is verweven met waarderingen van feitelijke aard. Dat betekent dat raadkamer moet beslissen op verweer dat inhoudt dat de strafbepaling waarop de verdenking is gegrond, onverbindend is. Het summiere karakter van klaagschriftprocedure van art. 552a Sv staat aan deze specifieke plicht niet in de weg. Wel heeft oordeel in klaagschriftprocedure een voorlopig karakter, in die zin dat rechter die later in strafzaak oordeelt over hetgeen aan verdachte tlgd. wordt, niet is gebonden aan oordeel van raadkamer dat wordt gegeven n.a.v. een in beklagprocedure gevoerd verweer. Rb heeft niet (inhoudelijk) beslist op verweer dat art. 2:50a.1 APV Haarlem onverbindend is. Ad 2. HR haalt relevante overwegingen aan uit HR:1992:ZC9136 en RVS:2010:BN1135 m.b.t. inhoud en beperkingssystematiek van art. 7.3 Grondwet. Art.
2:50a.1 APV Haarlem verbiedt op openbare plaatsen of in voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar kleding en goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken
vertonen (of daarmee sterke gelijkenis hebben) van organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege werkzaamheid of doel in strijd met openbare orde. Uit de toelichting op deze APVbepaling blijkt dat ermee is beoogd in de publieke ruimte uiterlijk vertoon dat bestaat in het zichtbaar hebben van goederen en dat verband houdt met verboden en ontbonden organisaties, strafbaar te stellen. Door op deze wijze het, in art. 7.3 Grondwet gewaarborgde, recht te beperken om in vrijheid de inhoud van te openbaren gedachten of gevoelens te bepalen en daaraan door het zichtbaar maken van kleding en goederen uiting te geven, brengt APV-bepaling een beperking aan die niet in gemeentelijke verordening mag worden aangebracht. Art. 2:50a.1 APV Haarlem is daarom onverbindend. Volgt vernietiging en terugwijzing. Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Uitspraak HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/00292 B Datum 24 december 2021
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 19 januari 2021, nummer RK 20/009201, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, hierna: de klager.
1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige op art. 440 lid 2 of art. 448 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen 2.1 De cassatiemiddelen klagen over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat artikel 2:50a lid 1 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Haarlem (hierna: APV Haarlem) onverbindend is en dat daarom het belang van strafvordering niet het voortduren van het beslag vordert. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 2.2 Volgens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer heeft de raadsvrouw van de klager daar verzocht haar schriftelijk standpunt als ingelast te beschouwen. De rechtbank heeft het schriftelijk standpunt aan het proces-verbaal gehecht. Dit schriftelijk standpunt houdt onder meer in: “Deelneming aan de voortzetting van verboden organisaties - waaronder uiterlijk vertoon kennelijk wordt begrepen - is reeds strafbaar gesteld in artikel 140, tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt expliciet pas op het moment dat de uitspraak van de rechter inhoudende de verbodenverklaring onherroepelijk is geworden.
Zoals de gemeente Haarlem bij de inwerkingtreding van artikel 2:50a terecht heeft overwogen kan ‘zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog open staan en niet zijn afgewikkeld [...] tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden.’ Ook niet indien het ‘civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de gerechtelijke uitspraak’ (...). De verdediging wijst u in dat kader op de het onderzoeksrapport “Bestrijding van Outlaw Motorcycle Gangs”. Een verbod tot het dragen van colours of een anderszins beperkende maatregel op uiterlijke kenmerken levert een inhoudelijke beperking op van de vrijheid van meningsuiting én een beperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Een dergelijke beperking is uitsluitend toegestaan indien zij is neergelegd in een wet in formele zin die expliciet tot doel heeft om deze vrijheden te beperken. De verdediging wijst erop dat de wetgever bij invoering en wijziging van 140 Sr expliciet heeft stilgestaan bij de eis van onherroepelijkheid van het civiele verbod. De wetgever heeft daarbij voorzien in andere mogelijkheden om de effectiviteit van de 2:20 BW-procedure te vergroten.
Voor een gemeentelijke verbods- en strafbepaling die de reeds bestaande in formele zin opgenomen strafbepaling dupliceert, dan wel verruimt, bestaat derhalve geen ruimte. De bepaling uit de APV mist gelet op deze strijdigheid derhalve verbindende kracht, waarmee de inbeslagname onrechtmatig is.” 2.3 De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave aan de klager van de onder hem inbeslaggenomen jas (gilet) met het logo van de ‘Hells Angels’, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen: “Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Op 22 september 2020 is onder klager voornoemd voorwerp inbeslaggenomen. Tegen klager bestaat de verdenking dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel
2:50a van de APV Haarlem. Dit artikel stelt het onder meer strafbaar om op openbare plaatsen zichtbaar goederen te dragen die de uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. Klager is op 22 september 2020 staande gehouden terwijl hij een gilet met de colors van motorclub Hells Angels droeg. Het gilet is onder klager inbeslaggenomen op grond van verdenking van overtreding van artikel 2:50a APV Haarlem. -standpuntenDe raadsvrouw van klager heeft zich op het standpunt gesteld dat er ten tijde van de staandehouding van klager op 22 september 2020 geen rechtsgrond bestond om tot inbeslagname van het gilet over te gaan. Zij heeft verwezen naar de tussenuitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarbij de werking van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 29 mei 2019 is geschorst. Op 15 december 2020 heeft het Hof einduitspraak gedaan waarbij het verzoek van het Openbaar Ministerie om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is afgewezen en de beschikking van de rechtbank, voor zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, is vernietigd. De verdediging stelt dat thans eveneens geen grond tot voortduring van het beslag aanwezig is.
Ten overvloede heeft de verdediging erop gewezen dat het gerechtshof heeft overwogen dat de strafrechtelijke gevolgen die de verbodenverklaring heeft, pas intreden zodra de verbodenverklaring onherroepelijk is. Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de bepaling uit de APV verbindende kracht mist, omdat een dergelijke beperking uitsluitend is toegestaan bij wet in formele zin. De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager en heeft daartoe, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. Motorclub Hells Angels is door de rechtbank Midden-Nederland op 29 mei 2019 verboden verklaard. Deze beslissing is uiteindelijk niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Op 15 december 2020 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden het civiele verbod ten aanzien van Hells Angels MC Holland en Hells Angels MC bekrachtigd. Deze beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard en thans nog niet onherroepelijk. De inbeslagname is gebaseerd op de APV Haarlem en die stelt de eis dat het verbod uitvoerbaar bij voorraad of onherroepelijk moet zijn niet. Er wordt opgetreden tegen het uiting geven aan een door de rechter verboden organisatie op grond van gevaar voor de openbare orde. Daar is geen uitvoerbaarheid bij voorraad of onherroepelijkheid voor nodig.
De inbeslagname is dan ook rechtmatig geweest op grond van verdenking van een strafbaar feit, te weten overtreding van artikel 2:50a APV Haarlem. De bestuursrechter heeft eerder al geoordeeld dat de burgemeester op grond van gevaar voor de openbare orde mag optreden tegen (leden van) motorclubs. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, het Hells Angels gilet verbeurd zal verklaren. Het belang van strafvordering verzet zich tegen opheffing van het beslag. Het klaagschrift dient ongegrond te worden verklaard. De rechtbank overweegt het volgende. In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat en het voortduren van het beslag nodig maakt. In het onderhavige geval is sprake van een voorwerp dat volgens het openbaar ministerie vatbaar
is voor verbeurdverklaring. De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen. Teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen vindt eveneens plaats als de inbeslagneming niet (meer) rechtmatig was (is). De rechtmatigheid van de inbeslagneming ziet op de gronden van - in dit geval - artikel 94 Sv en het vereiste verband met een strafbaar feit. Het beklag is gegrond indien de inbeslagneming, beoordeeld naar de omstandigheden van het moment van optreden, onrechtmatig wordt bevonden, of als de grond later is komen te vervallen. Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofdzaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofdzaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven.
Uit het dossier blijkt dat klager zich op de openbare weg heeft begeven, terwijl hij een gilet droeg waarop patches van de Hells Angels waren aangebracht, zogenaamde colors. Op grond van een bepaling in de APV Haarlem (artikel 2:50a) is het verboden op openbare plaatsen zichtbaar goederen te dragen die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard. Motorclub Hells Angels is thans door de rechter verboden verklaard. Uit de tekst van de APV volgt niet dat deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad of onherroepelijk moet zijn. Op basis van voornoemd artikel in de APV mocht het gilet in beginsel in beslag genomen worden. Aldus is aan de formaliteiten voor de beslaglegging zelf voldaan en is in zoverre sprake van rechtmatig gelegd beslag. Gelet op de marginale toets van de raadkamer strekt het in deze procedure te ver om antwoord te geven op de vraag of sprake is van een verbindend artikel in de APV en de onrechtmatigheid van het beslag die daar volgens de raadsvrouw uit voortvloeit. Deze beoordeling en het overige dat in het verlengde hiervan is aangevoerd, is bij uitstek voorbehouden aan de zittingsrechter.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer een voldoende verdenking dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 2:50a van de APV Haarlem. Gelet hierop is het bij de huidige stand van zaken niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen voorwerp zal verbeurd verklaren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag dient derhalve ongegrond te worden verklaard.” 2.4.1 Voor de beoordeling van de cassatiemiddelen zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang. - Artikel 7 lid 3 van de Grondwet: “Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. (...)” - Artikel 2:50a APV Haarlem: “1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar kleding en goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken vertonen – of daarmee sterke gelijkenis hebben – van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is
ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.” 2.4.2 De toelichting op artikel 2:50a APV Haarlem houdt het volgende in: “Aanleiding Sinds 2016 is het Openbaar Ministerie verschillende juridische procedures gestart om Outlaw Motorcycle Gangs (hierna OMG’s) verboden te laten verklaren door de rechter, omdat de werkzaamheid (activiteiten) van deze motorclubs in strijd is met de openbare orde (artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek). Inmiddels zijn Bandidos, Satudarah, Hells Angels en No Surrender verboden verklaard. In de gerechtelijke uitspraken wordt geconcludeerd dat een groot aantal leden gedurende een reeks van jaren betrokken is bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen. Het gaat om gedragingen die een wezenlijke aantasting vormen van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. De leden van deze organisaties maken gedurende een reeks van jaren inbreuk op deze voor de Nederlandse samenleving fundamentele waarden. Deze aan de verboden organisaties toe te rekenen veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen deze ontwrichten.
Overweging daarbij is dat door de frequentie van de (criminele) gedragingen van een groot aantal leden van deze organisaties, en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als deze uitgaat, sprake is van uitstraling van deze gedragingen naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers. Met de verbodenverklaring komt een eind aan alles wat met het uiterlijk vertoon van de organisaties verband houdt, zoals de naam, logo’s en spreuken. Het is vanuit een oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan en op de overige redenen voor het verbod en de ontbinding. Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog open staan en niet zijn afgewikkeld kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden.
Dit ondanks het feit dat een civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de gerechtelijke uitspraak. Maatregel Om toch op te kunnen treden tegen openlijk vertoon van verboden organisaties in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, wordt een strafbaarstelling opgenomen in de APV. Deze strafbaarstelling houdt in dat het is verboden om op openbare plaatsen, in voor het publiek openstaande gebouwen en op daarbij behorende erven en bij evenementen zichtbaar kleding en goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken vertonen van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Het verbod is van toepassing op kleding en goederen zoals badges, motoren en dergelijke waar de naam, logo’s, spreuken of andere aanduidingen op zichtbaar zijn. Ook kleding en goederen die sterk lijken op uitingen van een verboden of ontbonden organisatie zijn op basis van deze apv-bepaling verboden. Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruimte tot een
onherroepelijk vonnis voorhanden is. Het verbod wordt opgenomen in een nieuw artikel 2:50a in de APV waarbij het verbod wordt ingesteld voor openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1 APV. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een samenloopbepaling in dit artikel.” 2.5.1 Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. (Vgl.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rechtsoverweging 2.2.) 2.5.2 De rechtbank heeft vastgesteld dat onder de klager op grond van artikel 94 Sv beslag is gelegd op het in het klaagschrift bedoelde voorwerp. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring zal bevelen. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rechtsoverwegingen 2.8 en 2.9.) 2.5.3 In deze zaak is namens de klager aangevoerd dat de inbeslagneming heeft plaatsgevonden op grond van de verdenking dat artikel 2:50a lid 1 APV Haarlem is overtreden, maar dat deze strafbaarstelling wegens onder meer strijd met de Grondwet onverbindend is. Daarmee is de – uitzonderlijke – vraag aan de orde of de raadkamer moet beslissen op het verweer dat zich de situatie voordoet dat de strafbepaling waarop de verdenking is gegrond, onverbindend is.
Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat (i) als de strafbaarstelling onverbindend is, er geen sprake meer kan zijn van de aan die inbeslagneming ten grondslag liggende verdenking en de verbeurdverklaring niet zal kunnen worden bevolen, zodat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert, en (ii) een oordeel over de (on)verbindendheid van een strafbepaling niet is verweven met waarderingen van feitelijke aard. Dat betekent dat de raadkamer moet beslissen op een verweer dat inhoudt dat de strafbepaling waarop de verdenking is gegrond, onverbindend is. Het onder 2.5.1 aangeduide summiere karakter van de klaagschriftprocedure van artikel 552a Sv staat aan deze specifieke plicht niet in de weg. Wel heeft het oordeel in de klaagschriftprocedure een voorlopig karakter, in die zin dat de rechter die later in de strafzaak oordeelt over hetgeen aan de verdachte ten laste wordt gelegd, niet is gebonden aan het oordeel van de raadkamer dat wordt gegeven naar aanleiding van een in de beklagprocedure gevoerd verweer. 2.6 De rechtbank heeft niet (inhoudelijk) beslist op het verweer dat artikel 2:50a lid 1 APV Haarlem onverbindend is. Voor zover de cassatiemiddelen hierover klagen, zijn deze terecht voorgesteld. 2.7.1 De Hoge Raad merkt over de verbindendheid van deze bepaling het volgende op.
2.7.2 Artikel 7 lid 3 Grondwet waarborgt het recht in vrijheid de inhoud van te openbaren gedachten of gevoelens te bepalen. Op dit recht mogen alleen bij wet in formele zin beperkingen worden aangebracht. Artikel 7 lid 3 Grondwet staat op zichzelf niet eraan in de
weg dat in een gemeentelijke verordening een regeling wordt opgenomen die niet de inhoud van te openbaren gedachten of gevoelens betreft, maar die met het oog op de openbare orde invulling geeft aan bijvoorbeeld de plaats en de wijze van openbaarmaking en verspreiding van gedachten of gevoelens door andere dan in de leden 1 en 2 van artikel 7 Grondwet genoemde middelen. Een dergelijke regeling mag echter niet zo ver gaan dat daardoor aan een zelfstandig uitingsmiddel redelijkerwijze geen gebruik van enige betekenis meer wordt gelaten. (Vgl. HR 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9136 en ABRvS 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1135, rechtsoverweging 2.12.3). 2.7.3 Artikel 2:50a lid 1 APV Haarlem verbiedt op openbare plaatsen of in voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar kleding en goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken vertonen – of daarmee sterke gelijkenis hebben – van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. Uit de toelichting op deze APV-bepaling blijkt dat ermee is beoogd in de publieke ruimte uiterlijk vertoon dat bestaat in het zichtbaar hebben van goederen en dat verband houdt met verboden en ontbonden organisaties, strafbaar te stellen.
Door op deze wijze het, in artikel 7 lid 3 Grondwet gewaarborgde, recht te beperken om in vrijheid de inhoud van te openbaren gedachten of gevoelens te bepalen en daaraan door het zichtbaar maken van kleding en goederen uiting te geven, brengt de APV-bepaling een beperking aan die niet in een gemeentelijke verordening mag worden aangebracht. Artikel 2:50a lid 1 APV Haarlem is daarom onverbindend. 2.8 Het vorenstaande brengt met zich dat de cassatiemiddelen voor het overige geen bespreking behoeven.
3 Beslissing
De Hoge Raad: - vernietigt de beschikking van de rechtbank; - wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, M.J. Borgers, M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2021.
1 Raadsvoorstel wijzigen APV - zonder colourverbod.docx
RAADSVOORSTEL
Raadsvoorstel nr Z21-055454 Datum B&W-besluit
Portefeuillehouder
9 november 2021
Afdeling
Burgemeester
Veiligheid en Handhaving
Behandelend ambtenaar M. Bart de Jonge/ A. Wilschut Voor de vergadering van raad d.d. 27 januari 2022
(voor technische vragen)/ m.bartdejonge@amstelveen.nl/ a.wilschut@amstelveen.nl
Behandelen in de raadscommissie op
Commissie Maatschappij en Bestuur
13 januari 2022
Onderwerp W Wijziging Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Aalsmeer (APV) Gevraagd besluit
1.
2.
De voorgestelde wijzigingen van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Aalsmeer conform bijgevoegd wijzigingsbesluit (Z21-055454) vast te stellen: a: toevoegen bevoegdheid veiligheidsrisicogebied b: toevoegen proeverijen in slijterijen c: aanpassing Drank- en Horecawet naar Alcoholwet d: verhogen van de handhaafbaarheid van het lachgasverbod e: verhogen toepasbaarheid woonoverlast De voorgestelde aanpassing van de artikelsgewijze APV toelichting vast te stellen.
WAT WILLEN WE BEREIKEN EN WAT GAAN WE DAARVOOR DOEN Wat willen we bereiken (effectindicatoren)
Elk jaar wordt beoordeeld of de APV noodzakelijke wijzigingen behoeft om deze regelgeving up-todate te houden. Dit jaar worden twee voorstellen gedaan voor inhoudelijke wijzigingen en vier voor tekstuele wijzigingen. Kort gezegd komt het erop neer dat de inhoudelijke wijzigingen gevolgen (kunnen) hebben voor de regels die gelden binnen de gemeente. De tekstuele wijzigingen hebben tot doel de bestaande regelgeving kloppende te houden, bijv. aanpassing op veranderende landelijke wetgeving. Op 14 september heeft het college ingestemd met voorgestelde inhoudelijke wijzigingen én met het ter inzage leggen hiervan. Deze zijn voor een termijn van vier weken (digitaal en fysiek) ter inzage gelegd met het doel dat belanghebbende hun zienswijze hierop konden delen. Er zijn geen reacties op deze ter inzage legging gekomen Wat gaan we daarvoor doen (prestatie-indicatoren)
Om de APV up-to-date te houden wordt voorgesteld om in te stemmen met het bijgevoegde wijzigingsbesluit en met de voorgestelde aanpassing van de APV toelichting ACHTERGROND EN OVERWEGINGEN Programma (speerpunt)
Bestuur, bevolking en veiligheid Aanleiding
Jaarlijks wordt ten behoeve van het up-to-date houden van de APV een voorstel gedaan tot noodzakelijke wijzingen. Dit jaar is het voorstel de APV op twee punten inhoudelijk te wijzigen. Op inhoudelijke wijzigingen zijn belanghebbende in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze kenbaar te maken (dit is conform de inspraakverordening). Hiervan is geen gebruik gemaakt binnen de
[.docx] F105/ICT
Pagina
2 van 4
hiervoor vastgestelde termijn. Naast de inhoudelijke worden ook een aantal tekstuele wijzigingen voorgesteld. Ad 1. Voorgestelde wijzigingen Inhoudelijke wijzigingen: a. Opnieuw opnemen veiligheidsrisicogebied: Op grond van de Gemeentewet kan de raad de burgemeester de bevoegdheid geven een veiligheidsrisicogebied aan te wijzen. In een veiligheidsrisicogebied kan de politie, na een last van het OM, preventief fouilleren als aannemelijk is dat personen wapens bij zich dragen. In een dereguleringsronde een aantal jaar geleden is de mogelijkheid tot het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied uit de APV verwijderd. Afgelopen jaar was er desondanks in verschillende gemeentes behoefte aan (oa avondklokrellen). Voorstel is om die reden om deze mogelijkheid weer terug te laten keren in de APV. b. Proeverijen in slijterijen: In 2021 heeft de Alcoholwet de Drank- en horecawet vervangen. De Alcoholwet biedt nieuwe bevoegdheden, waaronder het toestaan van proeverijen in slijterijen. Voorgesteld wordt om de bevoegdheid voor het toestaan van proeverijen in slijterijen op te nemen in de APV. Tekstuele wijzigingen c. Aanpassing Drank- en Horecawet naar Alcoholwet: Sinds juli 2021 vervangt de “Alcoholwet” de “Drank -en Horecawet”. Hierop dient de APV aangepast te worden om de betreffende artikelen juist te houden d.
Verhogen van de handhaafbaarheid van het lachgasverbod: Op dit moment moet aangetoond worden dat het daadwerkelijk om lachgas gaat voordat opgetreden kan worden tegen het gebruik. Door het artikel uit te breiding zoals wordt voorgesteld kan sneller tot handhaving over worden gegaan bij constatering van gebruik. e. Verhogen effectief optreden tegen woonoverlast: Door deze wijziging wordt de mogelijkheid een verhuurder van een woning, bij overlast of hinder vanuit of bij de verhuurde woning, aan te kunnen schrijven uitgebreid. Ad 2: Aangepaste artikelsgewijze APV toelichting Een verordening als de APV kan onoverkomelijk ambtelijk of juridisch ingewikkeld zijn beschreven. Het doel van deze toelichting is om de regelgeving op een duidelijke en overzichtelijke wijze uit te leggen aan belanghebbenden. Van belang is dat het duidelijk is wat er bedoeld wordt met de bepalingen benoemd in de APV en dat de achterliggende redenering helder is beschreven. Geconcludeerd is dat de toelichting op deze verordening te uitgebreid en te juridisch van aard is gelet op het doel hiervan. Bijgevoegd treft u de voorgestelde aangepaste artikelsgewijze APV toelichting, de voorgestelde wijzigingen zijn hier al in doorgevoerd. Geacht wordt dat deze hierdoor duidelijker, overzichtelijk en begrijpelijker wordt voor de belanghebbende. Argumenten
Het onvoldoende up-to-date houden van de APV kan leiden tot het ontbreken van een juiste juridische basis om te kunnen treden bij (voorzienbare) verstoringen van de openbare orde/ de leefbaarheid binnen de gemeente. Kanttekeningen
N.v.t. Financiën
N.v.t.
Pagina
3 van 4
Communicatie
Als u instemt met de voorgestelde wijzigingen en de voorgestelde aanpassing zullen de wijzigingen, als gebruikelijk, gepubliceerd worden op www.overheid.nl Procedure
De wijzigingen zullen, na besluitvorming, gepubliceerd worden Bijlagen
- Was/ wordt lijst voorgestelde wijzigingen - Wijzigingsbesluit - Toelichting wijzigingsbesluit - Aangepaste artikelsgewijze APV toelichting
de secretaris,
de burgemeester,
drs. Sj. Vellenga
mr. G.E. Oude Kotte
BEHANDELING RAAD Wijziging/aanvullingen na behandeling raadscommissie
Het voorstel aan de raad is
Ongewijzigd aanvaard Gewijzigd aanvaard Verworpen
Aanvaarde amendementen / moties
Pagina
4 van 4
RAADSBESLUIT Besluit
1.
2.
De voorgestelde wijzigingen van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Aalsmeer conform bijgevoegd wijzigingsbesluit (Z21-055454) vast te stellen: a: toevoegen bevoegdheid veiligheidsrisicogebied b: toevoegen proeverijen in slijterijen c: aanpassing Drank- en Horecawet naar Alcoholwet d: verhogen van de handhaafbaarheid van het lachgasverbod e: verhogen toepasbaarheid woonoverlast De voorgestelde aanpassing van de artikelsgewijze APV toelichting vast te stellen.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 januari 2022. De griffier,
De voorzitter,
O. van Kolck
mr. G.E. Oude Kotte
1 wijzigingsbesluit APV na verwijdering colours.docx
Besluit van de raad van de gemeente Aalsmeer tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Aalsmeer
Zaaknummer: Z21-055454
De raad van de gemeente Aalsmeer; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9 november 2021 en 11 januari 2022; gelet op voorgestelde inhoudelijke- en tekstuele APV wijzigingen op het gebied van openbare orde en veiligheid, de alcoholwet, lachgas, het toestaan van proeverijen en aanpak woonoverlast. gezien het raadsvoorstel van 27 januari 2022; besluiten: Artikel I De Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Aalsmeer wordt als volgt gewijzigd: A. In de artikelen 2:24, eerste lid, 2:48, tweede lid en 3.5, tweede lid wordt de verwijzing naar ‘de Drank- en Horecawet’ vervangen door ‘de Alcoholwet’.
B. Het eerder vervallen artikel 2.34 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2.34 Proeverijen Het is slijtlokaliteiten, zoals bedoeld in de Alcoholwet, toegestaan proeverijen te organiseren.
C. In artikel 2:48a, eerste lid, wordt na ‘ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas)’ ingevoegd ‘of daarop gelijkende waar’.
D.
Pagina
2 van 2
Het vervallen artikel 2.76 wordt wederom toegevoegd en luidt als volgt: De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151a van de Gemeentewet, bij verstoringen van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
E. Artikel 2.79 wordt als volgt gewijzigd: 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt
F. De artikelsgewijze toelichting van de APV wordt gewijzigd conform de aan dit wijzigingsbesluit bijgevoegd document “Artikelsgewijze APV toelichting”.
Artikel II Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 januari 2022.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 januari 2022. De griffier,
De voorzitter,
O. van Kolck
mr. G.E. Oude Kotte
1 Artikelsgewijze APV toelichting Aalsmeer.docx
Artikelsgewijze toelichting Algemene plaatselijke verordening Aalsmeer 2017
Z-2016/065070 Vastgesteld door burgemeester en wethouders in hun vergadering van 27 september 2017 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in deze verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de definities kan het volgende worden opgemerkt. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de definitie uit artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. De grenzen van de bebouwde kom of kommen van de gemeente worden vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad. Bevoegd gezag Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 2:11) en het vellen van houtopstanden (artikel 4:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g.
De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Zie verder de toelichting bij artikel 2:10. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11 van deze verordening. Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.
Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de bouwverordening: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, Pagina 2 van 141
bedoeld om ter plaatse te functioneren”. Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. Handelsreclame
In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d. Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel. Openbaar water Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.
Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is
Pagina 3 van 141
gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6). Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. Weg Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt. In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de
verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats.