Agendabundel
Tekst van het document
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Concept 32
2.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.62, eerste lid, onder b, kan het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
3.
Als aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht.
Artikel 6.64 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen woonark bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.
In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan, met uitzondering van de artikelen 5.2, 5.4, 6.3 en 6.201 kan de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonark toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 6.65 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen woonark met betrekking tot een voorbereidingsbesluit, aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht of een bestemmings- of inpassingsplan 1.
In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonark geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet van kracht is; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; d.
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Paragraaf 6.2.5 Woonwagen bouwen
Concept
Artikel 6.66 Toepassingsbereik
33
1.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen of veranderen van een woonwagen.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het bouwen van een hoofdgebouw. Hierop is paragraaf 6.2.2 van toepassing; b. het bouwen van een woonschip. Hierop is paragraaf 6.2.3 van toepassing; c. het bouwen van een woonark. Hierop is paragraaf 6.2.4 van toepassing; d. het bouwen van een hoofdgebouw, voor zover er sprake is van ondergronds bouwen. Hierop is paragraaf 6.2.6 van toepassing; e. het bouwen van een bedrijfswoning. Hierop is paragraaf 6.2.7 van toepassing; f. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Hierop is paragraaf 6.2.8 van toepassing; g. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg. Hierop is paragraaf 6.2.9 van toepassing; h. het bouwen van een ander gebouw, niet zijnde een hoofdgebouw. Hierop is paragraaf 6.2.10 van toepassing; i. het veranderen van een hoofdgebouw, waarbij het volume niet toeneemt. Hierop is paragraaf 6.2.11 van toepassing; en j. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Hierop is paragraaf 6.2.12 van toepassing.
Artikel 6.67 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het regelen van de ruimtelijke hoofdvolumes; b. het bewaken van de eenheid van het stedenbouwkundig ensemble; c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; d. het beschermen van cultuurhistorische waarden; e. beschermen van het woon- en leefklimaat; f. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en g. het beschermen van de gezondheid.
Artikel 6.68 Aanwijzen vergunningplichtige gevallen bouwen woonwagen Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning een woonwagen te bouwen of te veranderen.
Artikel 6.69 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen woonwagen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonwagen worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van de woonwagen ten opzichte van het peil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; g. gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; h.
voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Concept
i.
j.
de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: 1. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 2. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Artikel 6.70 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie 1.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 6.75, derde tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt getroffen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
2.
in aanvulling op het eerste lid, onder a wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouwof sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal;
3.
in aanvulling op het eerste lid, wordt op locaties binnen de 'locatie uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelige gebouwen' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem;
4.
het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen;
5.
de resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 6.71 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen woonwagen [Gereserveerd]
Artikel 6.72 Beoordelingsregels omgevingsvergunning met betrekking tot het uiterlijk van een woonwagen 1.
34
De omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonwagen wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Concept 35
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
3.
Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
4.
Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
5.
Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonwagen kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang.
Artikel 6.73 Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit 1.
Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.68 schriftelijk advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 6.72.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn en het betreffende bouwwerk binnen een dergelijk gebied of binnen een aangewezen categorie valt; of b. is bepaald dat uitsluitend ambtelijke toetsing plaats kan vinden in plaats van een beoordeling door de gemeentelijke adviescommissie.
Artikel 6.74 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen woonwagen tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de 'locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, veranderen, in standhouden en gebruiken van een woonwagen alleen wordt verleend als dit niet in strijd is met de in deze paragraaf en de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels over het bouwen van een woonwagen.
Artikel 6.75 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties 1.
Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt de omgevingsvergunning voor bouwen of veranderen van een woonwagen alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; b. als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt genomen als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wel wordt overschreden; en c. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of d. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld onder b, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
2.
Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt onder een sanerende of andere beschermende maatregel verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of afdeling 1.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing onder a.
3.
Voor het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als:
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
a.
Concept
b.
voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
4.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school.
Artikel 6.76 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.75, eerste lid, onder b, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.
2.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.75, eerste lid, onder b, wordt ook het voorschrift verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, een sanerende of beschermende maatregel is uitgevoerd. a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
3.
Als aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht.
Artikel 6.77 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen woonwagen bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
36
1.
In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan, met uitzondering van de artikelen 5.2, 5.4, 6.3 en 6.201 kan de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonwagen toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
c.
artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Concept
Artikel 6.78 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen woonwagen met betrekking tot een voorbereidingsbesluit, aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht of een bestemmings- of inpassingsplan 1.
In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een woonwagen geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet van kracht is; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; d.
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Paragraaf 6.2.6 Ondergronds bouwen Artikel 6.79 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen of veranderen van een ondergronds bouwwerk.
Artikel 6.80 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van waterbergend vermogen en tegengaan van wateroverlast; b. beheer van grondwaterstanden; c. het anticiperen op klimaatadaptatie en hittestress; d. het voldoen aan parkeernormen; e. het bieden van meer gebruiksruimte.
Artikel 6.81 Aanwijzen vergunningplichtige gevallen ondergronds bouwwerk Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning een ondergronds bouwwerk te bouwen of te veranderen.
Artikel 6.82 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning ondergronds bouwen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een ondergronds bouwwerk worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
37
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Concept
d.
e. f. g.
h.
i.
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil en het aantal bouwlagen; de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Artikel 6.83 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie 1.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 6.87, derde tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt getroffen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
2.
in aanvulling op het eerste lid, onder a wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouwof sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal;
3.
in aanvulling op het eerste lid, wordt op locaties binnen de 'locatie uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelige gebouwen' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem;
4.
het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen;
5.
de resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en b. ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Artikel 6.84 Beoordelingsregels omgevingsvergunning ondergronds bouwwerk bij een niet-woning [Gereserveerd]
Artikel 6.85 Beoordelingsregels omgevingsvergunning ondergronds bouwwerk bij een woning binnen het achtererfgebied [Gereserveerd]
38
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Concept
Artikel 6.86 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen ondergronds bouwwerk tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de 'locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, veranderen, in standhouden en gebruiken van een ondergronds bouwwerk alleen wordt verleend als dit niet in strijd is met de in deze paragraaf en de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels over ondergronds bouwen.
Artikel 6.87 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties 1.
Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt de omgevingsvergunning voor ondergronds bouwen alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of b. als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt genomen als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wel wordt overschreden; en c. het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of d. het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld onder b, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
2.
Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt onder een sanerende of andere beschermende maatregel verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of afdeling 1.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing onder a.
3.
Voor het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
4.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school.
Artikel 6.88 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
39
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.87 eerste lid, wordt ook het voorschrift verbonden dat voordat het gebouw of gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen: a. een of meer sanerende maatregelen zijn genomen; en b. het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop er een of meer sanerende maatregelen zijn genomen.
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Concept 40
2.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.87, eerste lid, onder b, kan het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
3.
Als aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht.
Artikel 6.89 Beoordelingsregel omgevingsvergunning ondergronds bouwen bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.
In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan, met uitzondering van de artikelen 5.2, 5.4, 6.3 en 6.201 kan de omgevingsvergunning voor ondergronds bouwen toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 6.90 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen ondergronds bouwwerk met betrekking tot een voorbereidingsbesluit, aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht of een bestemmings- of inpassingsplan 1.
In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning voor ondergronds bouwen geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet van kracht is; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; d.
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Paragraaf 6.2.7 Bedrijfswoning bouwen
Concept
Artikel 6.91 Toepassingsbereik 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen of veranderen van een bedrijfswoning.
2.
Deze paragraaf is ook van toepassing op het bouwen van overige bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning.
3.
Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het bouwen van een hoofdgebouw. Hierop is paragraaf 6.2.2 van toepassing; b. het bouwen van een woonschip. Hierop is paragraaf 6.2.3 van toepassing; c. het bouwen van een woonark. Hierop is paragraaf 6.2.4 van toepassing; d. het bouwen van een woonwagen. Hierop is paragraaf 6.2.5 van toepassing; e. het bouwen van een hoofdgebouw, voor zover er sprake is van ondergronds bouwen. Hierop is paragraaf 6.2.6 van toepassing; f. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Hierop is paragraaf 6.2.8 van toepassing; g. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg. Hierop is paragraaf 6.2.9 van toepassing; h. het bouwen van een ander gebouw, niet zijnde een hoofdgebouw. Hierop is paragraaf 6.2.10 van toepassing; i. het veranderen van een hoofdgebouw, waarbij het volume niet toeneemt. Hierop is paragraaf 6.2.11 van toepassing; en j. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Hierop is paragraaf 6.2.12 van toepassing.
Artikel 6.92 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bieden van ruimte aan aanvullende bebouwing op het gebouwerf, anders dan het hoofdgebouw; b. het bewaken van de eenheid van het stedenbouwkundig ensemble; c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden d. het herkenbaar houden van de hiërarchie tussen het hoofd- en bijgebouw; e. het beschermen van cultuurhistorische waarden; f. beschermen van het woon- en leefklimaat; g. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken en de aangrenzende erven; en h. het beschermen van de gezondheid.
Artikel 6.93 Aanwijzen vergunningplichtige gevallen bouwen bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning een bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken te bouwen of te veranderen.
Artikel 6.94 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen of veranderen bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een rapport waarin aangetoond wordt dat een bedrijfswoning noodzakelijk is in verband met een doelmatige bedrijfsvoering; b. een opgave van de bouwkosten; c. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; e. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
41
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
4.
Concept
f.
42
g. h.
i.
j.
k.
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing met in het bijzonder de ligging, omvang kavel, bouwmassa, gevelbeeld, materiaalgebruik en kapvorm; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; 6. de ligging van de bedrijfswoning in het landschap; 7. de ligging van de bedrijfswoning ten opzichte van het karakteristieke slotenpatroon; de hoogte van de bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken ten opzichte van het peil en het aantal bouwlagen; de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: 1. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 2.
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en 4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Artikel 6.95 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie 1.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 6.100, derde tot en met vijfde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende maatregel wordt getroffen; en c. als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.
2.
in aanvulling op het eerste lid, onder a wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouwof sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal;
3.
in aanvulling op het eerste lid, wordt op locaties binnen de 'locatie uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelige gebouwen' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ook als op grond van een vooronderzoek bodem als bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving geen verdenking bestaat op de aanwezigheid van een specifieke verontreiniging van de bodem;
4.
het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving als uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, blijkt dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen;
5.
de resultaten van een bodemonderzoek worden verstrekt in: a. PDF-formaat; en
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
b.
ook in het XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
Concept
Artikel 6.96 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken [Gereserveerd]
Artikel 6.97 Beoordelingsregels omgevingsvergunning met betrekking tot het uiterlijk van een bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken 1.
De omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
3.
Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
4.
Voor zover in de beleidsregels, bedoeld in het derde lid, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, dan wordt het uiterlijk van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
5.
Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid genoemde belang.
Artikel 6.98 Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit 1.
Het bevoegd gezag wint voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 6.93 schriftelijk advies in bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 6.97.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn en het betreffende bouwwerk binnen een dergelijk gebied of binnen een aangewezen categorie valt; of b. is bepaald dat uitsluitend ambtelijke toetsing plaats kan vinden in plaats van een beoordeling door de gemeentelijke adviescommissie.
Artikel 6.99 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen of veranderen bedrijfswoning tijdelijk deel omgevingsplan Ter plaatse van de 'locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt, in afwijking van artikel 6.96 dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, veranderen, in standhouden en gebruiken van een bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken alleen wordt verleend als dit niet in strijd is met de in deze paragraaf en de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels over het bouwen van een bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken.
Artikel 6.100 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties 1.
43
Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken alleen verleend als: a. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
b. c.
Concept
d.
44
als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt genomen als de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wel wordt overschreden; en het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw; of het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld onder b, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.
2.
Voor bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie wordt onder een sanerende of andere beschermende maatregel verstaan: a. sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of afdeling 1.3 van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer; of b. sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing onder a.
3.
Voor het overschrijden van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is sprake als: a. voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. bij de aanwezigheid van PFAS in meer dan 25 m3 bodemvolume een of meer van de volgende waarden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 1. 59 µg/kg ds bij PFOS; 2. 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 3. 59 µg/kg ds bij overige PFAS.
4.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem bij 25m3 of minder bodemvolume als asbest aanwezig is en de gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA, bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
5.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, is ook sprake van overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem als lood aanwezig is en: a. de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie meer dan 370 mg/kg ds is ongeacht het bodemvolume; en b. het gaat om een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school.
Artikel 6.101 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie 1.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.100, eerste lid, wordt ook het voorschrift verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, een sanerende of beschermende maatregel is uitgevoerd.
2.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van de artikel 6.100, eerste lid, onder b, kan het voorschrift worden verbonden dat: a. voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw worden aangebracht; b. een dampdichte laag wordt aangebracht; c. een afdeklaag wordt aangebracht; of d. de grond wordt ontgraven.
3.
Als aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een voorschrift als bedoeld in het tweede lid wordt verbonden, wordt ook het voorschrift verbonden dat ten minste een week voordat het gebouw of een gedeelte daarvan in gebruik wordt genomen het bevoegd gezag wordt geïnformeerd over de manier waarop de maatregelen of voorzieningen zijn genomen of aangebracht.
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Concept
Artikel 6.102 Beoordelingsregel omgevingsvergunning bouwen bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht 1.
In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan, met uitzondering van de artikelen 5.2, 5.4, 6.3 en 6.201 kan de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
2.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing: a. artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 6.103 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen bedrijfswoning met betrekking tot een voorbereidingsbesluit, aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht of een bestemmings- of inpassingsplan 1.
In afwijking van de regels over het bouwen, in standhouden en gebruiken van bouwwerken in dit omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een bedrijfswoning en overige bijbehorende bouwwerken geweigerd als: a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet van kracht is; b. een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden; c. een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; d.
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of e. een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Paragraaf 6.2.8 Bijbehorend bouwwerk bouwen Subparagraaf 6.2.8.1 Algemene regels bijbehorend bouwwerk bouwen Artikel 6.104 Toepassingsbereik
45
1.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen of veranderen van bijbehorende bouwwerken.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het bouwen van een woonschip. Hierop is paragraaf 6.2.3 van toepassing; b. het bouwen van een woonwagen. Hierop is paragraaf 6.2.5 van toepassing; c. het bouwen van een recreatief nachtverblijf. Hierop is subparagraaf 6.2.10.2 van toepassing.
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Concept
Artikel 6.105 Vergunningplicht en verbod bijbehorend bouwwerk
46
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen of te veranderen, met uitzondering van de bijbehorende bouwwerken in de subparagrafen 6.2.8.2 tot en met 6.2.8.7, 6.2.8.9 en paragraaf 6.2.9.
2.
In afwijking van het bepaalde in lid 1 is het verboden een bijbehorend bouwwerk te bouwen bij een woonwagen, woonschip of woonark.
Artikel 6.106 Algemene regels bijbehorend bouwwerk 1.
Het bijbehorend bouwwerk of het veranderen hiervan ligt aan of bij, of is een uitbreiding van, een hoofdgebouw.
2.
Onder een hoofdgebouw bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan: a. een woonwagen; b. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die omgevingsvergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld te hebben; en c. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
3.
Voor de bijbehorende bouwwerken in de subparagrafen 6.2.8.2 tot en met 6.2.8.7, 6.2.8.9 en paragraaf 6.2.9 is geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit benodigd, indien deze voldoen aan de algemene regels in die betreffende subparagrafen en paragraaf.
4.
Voor de bijbehorende bouwwerken in de subparagrafen 6.2.8.2 tot en met 6.2.8.7, 6.2.8.9 en paragraaf 6.2.9 die niet voldoen aan de algemene regels in die betreffende subparagrafen en paragraaf gelden de volgende beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een bijbehorend bouwwerk: a. ter plaatse van de 'locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een bijbehorend bouwwerk alleen wordt verleend als dit niet in strijd is met de in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, veranderen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk; b. de omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een bijbehorend bouwwerk wordt alleen verleend als: 1. het uiterlijk van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit, met dien verstande dat: I. of sprake is van een onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit beoordeeld wordt volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; II.
het bevoegd gezag, ondanks een afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit, van oordeel kan zijn dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend; III. voor zover in de beleidsregels, bedoeld onder I, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, wordt het uiterlijk van het bouwwerk waarop dit van toepassing is geacht geen onaanvaardbare afbreuk te doen aan een goede omgevingskwaliteit; IV. aan een omgevingsvergunning voor het bouwen of veranderen van een bijbehorend bouwwerk voorschriften kunnen worden verbonden die nodig zijn met het oog op het belang van een goede omgevingskwaliteit; V. het bevoegd gezag voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning schriftelijk advies inwint bij de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit over of voldaan wordt aan de beoordelingsregels onder I, tenzij in de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet, gebieden of categorieën van bouwwerken zijn aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn en het betreffende bouwwerk binnen een dergelijk gebied of binnen een aangewezen categorie valt, of is bepaald dat uitsluitend ambtelijke toetsing plaats kan vinden in plaats van door de gemeentelijke adviescommissie;
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Concept
2.
47
5.
wordt voldaan aan de beoordelingsregels ten aanzien van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, zoals opgenomen in artikel 6.36, waarbij 'hoofdgebouw' wordt gelezen als 'bijbehorend bouwwerk', met dien verstande dat: I. de aanvraagvereisten in artikel 6.31 van toepassing zijn; II. een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 6.37 aan de omgevingsvergunning kan worden verbonden.
Ten aanzien van de omgevingsvergunning voor de bijbehorende bouwwerken bedoeld in het vierde lid, zijn de aanvraagvereisten in artikel 6.30 van toepassing, waarbij ‘hoofdgebouw’ wordt gelezen als ‘bijbehorend bouwwerk’.
Artikel 6.107 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen 1.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in deze paragraaf bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is het deel dat op minder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Subparagraaf 6.2.8.2 Bijbehorend bouwwerk bouwen in het achtererfgebied Artikel 6.108 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen of veranderen van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied.
Artikel 6.109 Oogmerken De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het bieden van ruimte aan aanvullende bebouwing op het gebouwerf, anders dan het hoofdgebouw; b. het waarborgen van het stedenbouwkundig ensemble; c. het waarborgen van het straat- en bebouwingsbeeld; d. het herkenbaar houden van de hiërarchie tussen het hoofd- en bijgebouw; en e. het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van de aangrenzende erven.
Artikel 6.110 Algemene regels bijbehorend bouwwerk bouwen in het achtererfgebied 1.
Bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan in het achtererfgebied staat het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding op de grond.
2.
Voor zover wordt gebouwd op een afstand van ten hoogste 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding niet hoger dan; a. 5 meter; b. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en c. het hoofdgebouw.
3.
Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw en voor zover het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding hoger is dan 3 m: a. wordt deze voorzien van een schuin dak; b. is de dakvoet niet hoger dan 3 meter; en c. wordt de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3.
4.
Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Concept
(van 21-10-2025 14:51)
Concept
5.
De totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan: a. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50 % van dat bebouwingsgebied; b. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en c. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.
6.
Het bijbehorend bouwwerk biedt alleen verblijfsgebied in de eerste bouwlaag.