Agendabundel
Tekst van het document
6.7 Geluid Wettelijk- en Beleidskader De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag, voor spoor en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen, in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerlawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voorkeursgrenswaarden vastgesteld. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen. De gemeenteraad van Aalsmeer heeft de "Deelnota Hogere Waarden" vastgesteld. In deze nota is de procedure uitgewerkt om de hogere waardenprocedure te doorlopen. In het hogere waardenbeleid is een aantal aspecten opgenomen die bij de afweging van een hogere waarde een rol speelt. Deze aspecten zijn: 1. het heersende geluidsniveau; 2. het toetsingskader om af te wijken van het heersende geluidsniveau; 3. cumulatie en compensatie. Industrie algemeen Voor de kleinere bedrijfsterreinen waarvoor zonering niet verplicht is geven de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (VROM 1998) en de VNGuitgave
vastgesteld toelichting Zijdstraat
'Bedrijven en milieuzonering', richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid in bestemmingsplannen moet worden omgegaan. De Handreiking geeft onder meer, ter voorkoming van geluidshinder bij geluidgevoelige bestemmingen, streefwaarden. Voor de grote industrieterreinen, spoor en verkeerswegen is in de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk kader ontwikkeld voor geluidzonering gekoppeld aan een systeem van grenswaarden. Wegverkeer Tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg zal ook de geluidbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe weg op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht. Luchtverkeer Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven. In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. een geluidsloopzone en een beperkingen geluidzone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt.
Gemeentelijk geluidbeleid De gemeente Aalsmeer hanteert de ‘Deelnota Hogere Waarden – Beleidsnota geluid’. Hierin is vastgelegd dat het heersende geluidsniveau in beginsel behouden dient te worden. Bij nieuwe situaties is echter geen sprake van een heersend geluidsniveau. Ten aanzien van de gecumuleerde geluidsbelasting is aangegeven dat een afweging dient plaats te vinden, alvorens een hogere waarde wordt vastgesteld. Bij deze beoordeling wordt een gecumuleerde geluidsbelasting geaccepteerd van de ten hoogste te verlenen hogere waarde +3 dB en dienen compenserende factoren beschouwd te worden. Relevantie plangebied Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidbronnen mogelijk. Ook worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen en scholen aan het plangebied toegevoegd. Om deze reden is er geen noodzaak voor het uitvoeren van een nieuw geluidsonderzoek. or wat betreft het onderwerp luchtvaartlawaai is het plangebied gelegen in het beperkingengebied, maar niet gelegen binnen het afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid (LIB 5). Een deel van het plangebied ligt binnen het beperkingsgebied voor geluidsgevoelige gebouwen (LIB 4) op grond van bijlage 3 van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol.
vastgesteld toelichting Zijdstraat
Afbeelding 4 : gedeeltelijke ligging binnen LIB 4 (beperkingengebied geluidgevoelige gebouwen)
Daarnaast ligt een deel binnen de geluidzoneindustrie Schiphol. Een geluidsgevoelige bestemming mag slechts worden gebouwd indien de geluidsbelasting niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde. Aangezien geen extra geluidgevoelige objecten ten opzichte van de bestaande situatie zijn vanuit akoestisch oogpunt geen planologische beperkingen van kracht.
Afbeelding 5: ligging gezoneerd industrieterrein Schiphol en geluidzone
Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect geluid de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
vastgesteld toelichting Zijdstraat
6.8 Luchtkwaliteit Wettelijk kader, en beleid
Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt per saldo niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSLprojecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.
Grenswaarden Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant: de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) moeten vanaf 2015 voldoen aan de grenswaarde van 40 µg/m3; voor fijn stof (PM10) geldt vanaf 2011 een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie; de 24uurgemiddelde waarde voor PM10 mag niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden worden (39 keer als rekening wordt gehouden met de zogenoemde zeezoutaftrek); voor PM2,5, deeltjes nog kleiner dan PM10, zijn ook grenswaarden vastgesteld. Deze zijn niet strenger dan de huidige norm voor daggemiddelde concentraties van PM10. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' zoals een school of kinderopvang in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen.
Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen. In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig. Volksgezondheid Ultrafijnstof zijn zeer kleine deeltjes die in de lucht zweven, afkomstig van verbrandingsprocessen in met name de industrie, de luchtvaart en het verkeer. Ultrafijnstof is een benaming voor deeltjes in de lucht met een diameter kleiner dan 100 nanometer (0,1 micrometer). Ultrafijnstof wordt ook wel PM0,1 genoemd en is onderdeel vastgesteld toelichting Zijdstraat
van fijnstof, dat is gedefinieerd op basis van de massa (μg/m3) van in de lucht zwevende deeltjes met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer (PM2,5) of kleiner dan 10 micrometer (PM10). Op dit moment zijn er luchtkwaliteitsnormen voor fijnstof (PM10 en PM2.5). Voor ultrafijnstof is dit niet het geval. Vergeleken met andere componenten van luchtverontreiniging is er nog weinig bekend over de gezondheidsaspecten van blootstelling van mensen aan ultrafijnstof. Wel is duidelijk dat de ultrafijnstofconcentratie sterk is verhoogd in de buurt van verbrandingsemissies. Naast wegverkeer en vliegverkeer dragen onder andere de scheepvaart, de industrie, mobiele werktuigen (zoals aggregaten en graafmachines) en houtverbranding bij aan de uitstoot van ultrafijnstof. Uit onder meer een RIVMrapport getiteld ‘Gezondheidseffecten van ultrafijnstof van vliegverkeer rond Schiphol’ uit 2022 volgt dat er in de nabijheid van Schiphol (waaronder Aalsmeer) relatief hoge concentraties ultrafijnstof worden gemeten. Uit dit en ander onderzoek blijkt verder dat er indicaties zijn voor volksgezondheidseffecten als gevolg van ultrafijnstof. Nader onderzoek is evenwel noodzakelijk om met meer zekerheid te kunnen vaststellen of een bepaald effect wel of niet direct het gevolg is van blootstelling aan ultrafijnstof.
Er zijn door onder meer de minister en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat reeds brongerichte maatregelen getroffen en in voorbereiding om de uitstoot van ultrafijnstof te beperken. Mogelijke volksgezondheidseffecten moeten met het oog op een goede ruimtelijke ordening worden meegewogen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Voor zover de effecten onzeker zijn, en nader onderzoek nodig is, mogen bestuursorganen ertoe besluiten om uit voorzorg bepaalde ontwikkelingen niet toe te staan. Het beoordelen van een voor de maatschappij al dan niet aanvaardbaar risico is primair een bestuurlijke taak. Deze beleidsruimte geeft bestuursorganen de ruimte om vanwege mogelijke gezondheidsrisco’s van een activiteit, uit voorzorg die activiteit planologisch niet toe te laten. Er zijn geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidseffecten als gevolg van ultrafijnstof. Voor ultrafijnstof’ zijn in de wet en regelgeving (bijlage 2 van de Wet milieubeheer) geen aparte grenswaarden opgenomen. Daarnaast zijn er geen (gezondheidskundige) advieswaarden beschikbaar. Zie in bevestigende zin (onder meer): <0000> Brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 1 juli 2022,‘Onderzoek naar het halen in 2030 van de WHOadvieswaarden voor luchtkwaliteit’, p. 4; <0000> Brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d.
17 februari 2022, ‘Feitelijke vragen advies Gezondheidsraad ultra fijnstof’, antwoorden 12 en 13; <0000> RIVM, ‘Gezondheidseffecten van ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol,’ 2022, p. 25; <0000> Gezondheidsraad, ‘Blootstelling aan ultrafijnstof’, nr. 2021/38A2, Den Haag, 15 september 2021, p. 4 en 7; <0000> RIVM, ‘Onderzoek naar de gezondheidseffecten van kortdurende blootstelling aan ultrafijn stof rond Schiphol’, 2019, p. 38; <0000> RIVM, ‘Metingen en berekeningen van ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol. Voor onderzoek naar de gezondheid van omwonenden’, 2019, p. 25. Relevantie plangebied en conclusie Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk en heeft derhalve geen negatief effect op de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
6.9 Vormvrije m.e.r-beoordeling
vastgesteld toelichting Zijdstraat
Op 1 april 2017 is het Besluit m.e.r. aangepast. Het besluit is aangepast, omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het gewijzigde besluit is op 7 juli 2017 in werking getreden en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dit betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er toch een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich ervan vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn en hierover een separaat besluit nemen. Aangezien het plan een ruimtelijke beperking betreft ten opzichte van de bestaande situatie en de diverse drempelwaarden hiermee niet worden overschreden, geldt voor dit plan geen m.e.r.plicht, maar een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht. Getoetst moet worden of significant nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden: <0000> belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: een m.e.r.(beoordeling) is niet noodzakelijk; <0000> belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een planMER.
Voor de vormvrije m.e.r.beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Toetsing In het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan t.a.v. het Besluit m.e.r. is een zogenaamde aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld (zie bijlage 1, Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling bestemmingsplan Zijdstraat). Uit de beoordeling blijkt dat er geen nadelige effecten op het milieu optreden als gevolg van de realisatie van dit plan. Een m.e.r beoordeling is niet nodig. Op 13 juli 2023 hebben burgemeester en wethouders naar aanleiding van deze aanmeldnotitie en in overeenstemming met de conclusies daaruit een m.e.r.beoordelingsbesluit genomen (zie bijlage 2). Conclusie Het aspect m.e.r.beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
6.10 Water Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte. Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond. Beleid en regelgeving
vastgesteld toelichting Zijdstraat
Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water leidt, samen met de dochterrichtlijn Grondwater tot een verbetering en bescherming van de kwaliteit van het oppervlakte en grondwater in de lidstaten. De Kaderrichtlijn voorziet in drie planperiodes. Momenteel is de 2e planperiode, de uitvoering van de 2e generatie stroomgebiedsbeheerplannen door alle lidstaten ter hand genomen. In 2022 start de 3e en laatste planperiode die in 2027 afloopt. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, hemelwaterverwerking, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijk beleid. Er worden in 2022 opnieuw voor de 3e en laatste planperiode, ecologische en fysischchemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 20162021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009 – 2015. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 20162021, met een vooruitblik richting 2050.
Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is zelfbindend voor het Rijk. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Voor de organisatie van het waterbeheer bevat het Waterbesluit de toedeling van oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk en regels over het verstrekken van informatie met betrekking tot het waterbeheer. Ook regelt het Waterbesluit procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren en enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's. Voorts bevat het besluit bepalingen over de wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan, waaronder de gevallen waarin een elektronische aanvraag wordt ingediend. De Waterregeling bevat regels over de organisatie van het waterbeheer, een aantal kaarten over de toedeling van beheer, de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en de aanwijzing van de drogere oevergebieden, alsmede regels voor gegevensverstrekking aan het Rijk op grond van Europese verplichtingen. Verder regelt de Waterregeling een enkel inhoudelijk aspect van het regionaal waterplan en de beheerplannen. In de Waterwet is gekozen voor een systeem waarin iedere bestuurslaag haar beleid formuleert en dit vastlegt in plannen.
De plannen geven aan wat iedere bestuurslaag wil doen in een bepaalde planperiode om de doelstellingen van het waterbeheer te halen.
vastgesteld toelichting Zijdstraat
Deze plannen zijn bindend voor de eigen bestuurslaag. De Waterwet sluit op dit punt zoveel mogelijk aan bij de sturingsvisie van de Wet ruimtelijke ordening. Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: <0000> heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; <0000> beheersbaar programma voor de waterkeringen; <0000> doelmatig beheer van de waterketen, <0000> werkzaamheden slim combineren; <0000> het waterschapsbestuur. De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) is een landelijk, gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Het versnelt en intensiveert de aanpak van 4 thema’s: wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. Het is plan is landelijk gepresenteerd op Prinsjesdag 2017. Het DPRA legt de gemeenten direct op om in 2020 over vastgesteld beleid per gemeente te beschikken over de 4 thema’s. In 2050 dienen alle Nederlandse gemeenten “klimaatrobuust” te zijn, d.w.z. alle maatregelen moeten dan zijn uitgevoerd.
Het Deltaplan is het leidende plan voor gemeenten voor het opstellen en uitvoeren van klimaatadaptieve inrichting. De voornemens van dit plan worden in nauwe afstemming met waterschappen en andere overheden en met particuliere partijen en inwoners, door de gemeenten ten uitvoer gebracht. Provinciale Watervisie 2016-2021 De Provinciale Watervisie is van kracht sinds 23 december 2015 en geldt tot 2021. Het plan geeft duidelijkheid over de strategische waterdoelen tot 2040 en de acties tot 2021. De volgende doelen worden nagestreefd: <0000> waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen <0000> overstromingsrisico’s; <0000> zorgen voor schoon en voldoende drinkwater; <0000> kader stellen voor regionale waterkeringen; <0000> beoordelen versterkingsplannen primaire waterkeringen en bevorderen ruimtelijke kwaliteit; <0000> waterrobuust inrichten bevorderen; <0000> bijdragen aan schoon en voldoende oppervlaktewater; <0000> zorgen voor schoon en voldoende grondwater. Een belangrijk middel voor het realiseren van deze waterdoelen is het via integrale gebiedsontwikkeling proactief zoeken naar kansrijke combinaties met veiligheid, economie, recreatie, landbouw, milieu, landschap, cultuur en natuur. Het Waterplan heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie op basis van de Wro.
Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 Op 31 januari 2022 het Regionaal Waterprogramma NoordHolland 20222027 vastgesteld door Provinciale Staten. Met dit programma wordt invulling gegeven aan het waterbeleid in Omgevingsvisie NH 2050 voor zover het uitvoering van Europese richtlijnen over water betreft. Een goede waterkwaliteit, duurzaam voorraadbeheer en bescherming tegen overstroming zijn de centrale elementen van het programma. Voor de deelprogramma’s oppervlaktewater, grondwater en overstromingsrisico’s is uitgewerkt welke doelen de provincie wil bereiken en hoe hieraan een bijdrage wordt geleverd met een breed pakket aan maatregelen. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan natuurgebieden, drinkwaterwinningen en zwemwateren, die volgens Europese richtlijnen worden beschermd vanwege de specifieke eisen die hier gelden. vastgesteld toelichting Zijdstraat
Hoogheemraadschap Rijnland De hoofdambitie van het hoogheemraadschap Rijland is schoon water en droge voeten. met oog voor natuur en landschap. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering. Dit wordt bereikt door: <0000> Zorgen voor waterveiligheid door het beschermen van het leefgebied van inwoners en bedrijven tegen overstromingen. Door preventie, adviseren over het beperken van de gevolgen van overstromingen (gevolgbeperking) en voorbereiden op een calamiteit; <0000> Zorgen voor schoon en gezond water in de sloten en plassen. Voor de recreatie, bedrijven en natuur; <0000> Zuiveren van het afvalwater van huishoudens en bedrijven; <0000> Zorgen voor voldoende water: niet te veel, niet te weinig, passend bij het gebruik. Keur2020 Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Sinds 1 juli 2020 heeft het Hoogheemraadschap een nieuwe Keur. In de keur staan regels ter bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken (zoals stuwen en gemalen). Zo is in de keur geregeld welke handelingen en activiteiten in en nabij watergangen, waterkeringen en waterbergingsgebieden niet zijn toegestaan zonder vergunning. In de keur staat voorts vermeld dat vanaf een toename van verhard oppervlak van 500 m2 of meer compensatie moet worden toegepast.
Bij een toename in verharding van 5.000 m2 of meer geldt een vergunningplicht. In principe moet voor elke nieuw aangelegde verharding compenserend oppervlaktewater worden gegraven. Dit moet minimaal 15% van de toename aan verharding zijn. Tevens hanteert Rijnland het dempingenbeleid: water dat wordt gedempt moet volledig worden teruggebracht binnen het poldersysteem of bij een boezemsysteem binnen een straal van 5 km vanaf de demping. Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 2021-2026 Het Gemeentelijk Rioleringsplan Aalsmeer 20212026 (GRP) is begin 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Het borgt het beheer en onderhoud van het bestaande rioleringsstelsel en gaat in op de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater, zowel voor bestaande bouw, als ook voor nieuwe ontwikkelingen. Ook beschrijft het de ambities hoe we in de toekomst klimaatbestendig, duurzaam en zorgzaam met de afvoer van afvalwater, het vasthouden, bergen en afvoeren van hemelwater en het reguleren van het grondwater omgaan. Tevens is het GRP de basis voor de hoogte van de jaarlijkse rioolheffing. Het rioleringsbeheer voor de periode 20212026 sluit direct aan op de eisen die gesteld zijn in het Actieplan Klimaatadaptatie. Beheer, onderhoud en nieuw aanleg van riolering en drainage moeten bijdragen aan de eisen uit het Actieplan Klimaatadaptatie.
Achtergronden en nadere technische zijn eisen terug te vinden in het Gemeentelijk Rioleringsplan 20212026. Inspelen op herontwikkeling en nieuwbouw In Aalsmeer vinden in de komende periode ruimtelijke ontwikkelingen plaats. Bij herontwikkeling en nieuwbouw bouwen we zoveel mogelijk klimaatadaptief, energieneutraal en aardgasvrij. Tegelijkertijd brengen we vroegtijdig in beeld wat uitbreiding betekent voor ons stedelijk watersysteem en de bestaande structuur van het riool. We streven naar meer waterveiligheid door het versterken van de sponsfunctie van (nieuw én oud) stedelijk gebied en optimale grondwaterniveaus. De ruimtelijke ontwikkelingen hebben invloed op de bestaande afvoerstructuur. Kosten voor extra maatregelen aan het bestaande stelsel als gevolg van belasting door stedelijke ontwikkelingen komen in principe voor rekening van ontwikkelaars. De gemeente stelt wanneer nodig een afvoerstructuur op. Hierin houden wij rekening met toekomstige ontwikkelingen, maar ook met het verwachte vervangingsregime en ontwikkelingen op het gebied van afvalwatertransport. Het afvoerstructuurplan kan vastgesteld toelichting Zijdstraat
gebruikt worden als onderlegger om ontwikkelaars op de hoogte te brengen van de gevolgen van uitbreidingen en daar gezamenlijk het gesprek over aan te gaan. Grondwaterbeheer Grondwaterbeheer is een wettelijk verplichte taak voor gemeenten en is in Aalsmeer primair functiegericht grondwaterbeheer: het richt zich op de afstemming van het stedelijk grondwater op de grondgebruiksfuncties in de gemeente voor zover dit technisch mogelijk is en voor zover het andere doelen niet schaadt. Grondwaterbeheer is een complexe opgave, waarvoor de gemeente een separaat Grondwaterzorgplan Aalsmeer 20202025 heeft opgesteld, als bijlage bij het Gemeentelijk Rioleringsplan 20212026. In dit grondwaterzorgplan staan de eisen beschreven die de gebruiksfuncties stellen aan het stedelijk grondwater; en hoe deze eisen invulling gegeven kan worden. Onder meer is beschreven welke maximale en minimale grondwaterstanden voor gebruiksfuncties gelden. Relevantie plangebied en conclusie Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk in het plangebied. Het betreft een beperking van de huidige mogelijkheden met betrekking tot wonen. Bij herontwikkeling en nieuwbouw dienen we zoveel mogelijk klimaatadaptief, energieneutraal en aardgasvrij te bouwen, waarbij rekening dient te worden gehouden met het beleid en gemaakte afspraken omtrent water.
Bij een aanvraag omgevingsvergunning dienen te plannen hieraan te worden getoetst. Het aspect water staat de uitvoerbaarheid van het bestemminsplan niet in de weg.
vastgesteld toelichting Zijdstraat
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Project: Auteur: Versie: Datum:
Zijdstraat e.o., Aalsmeer Laura Hilhorst Definitief 13 juli 2023
1. Aanleiding Om de uitgangspunten uit de Centrumvisie Aalsmeer en de Gebiedsvisie 2020 planologisch uit te werken wordt een bestemmingsplanwijziging doorlopen. Het plangebied heeft betrekking op het centrum van Aalsmeer en betreft de Zijdstraat en delen van de aansluitende straten en pleinen. In het bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten van de Centrumvisie Aalsmeer uitgewerkt: 1. Het toevoegen van de functie ‘wonen’ op de begane grond in winkelstraten en pleinen in het kernwinkelgebied is niet toegestaan. In het aanloopgebied is dit wel het geval; 2. Het toevoegen van de functie ‘wonen’ op de begane grond aan de achterzijde van de winkelstraten en pleinen in het kernwinkelgebied is toegestaan wanneer de ontsluiting en entree zich ook aan die zijde bevindt; 3. Het transformeren van winkeloppervlak in de functie ‘wonen’ moet voldoen aan parkeernormen en beeldkwaliteit. Indien extra parkeerplaatsen zijn benodigd, dient dit op eigen terrein plaats te vinden (tenzij dit aantoonbaar op een ander terrein mogelijk wordt gemaakt). Er worden voor de extra te realiseren parkeerplaatsen geen ontheffingen in de openbare ruimte afgegeven. 2.
Beoordelingskader De milieueffectrapportage (m.e.r.) is volgens de Wet milieubeheer (Wm) verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In de Wm en in het Besluit m.e.r. wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten die m.e.r. plichtig zijn (bijlage C‐activiteiten) en activiteiten die m.e.r.‐beoordelingsplichtig zijn (bijlage D‐ activiteiten). M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn activiteiten waarvoor de beslissing of de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen niet bij wet vastligt, maar door het bevoegd gezag moet worden genomen. Het bevoegd gezag moet bepalen of er sprake is van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’, die het doorlopen van de m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Het doel van de m.e.r. is het milieubelang volwaardig mee te laten wegen bij de vaststelling van deze plannen en besluiten. Een belangrijk product van de m.e.r.-procedure is het milieueffectrapport (MER). Bij sommige besluiten is niet meteen duidelijk of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In deze grensgevallen moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een m.e.r.-plicht. Dit gebeurt door middel van een aparte procedure, de zogenoemde m.e.r.-beoordeling.
Deze m.e.r.-beoordeling is ook vereist voor activiteiten die onder de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. liggen. In die gevallen moet het bevoegde gezag er zich van vergewissen dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Voor deze ‘vergewisplicht’ gelden geen vormvoorschriften en is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wel moet in de vormvrije m.e.r.-beoordeling getoetst worden aan de bijlage III van de EEGRichtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG) getoetst. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. De gemeente dient op basis van een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling een besluit te nemen of het opstellen van een milieueffectrapportage benodigd is.
3. Vormvrije m.e.r.-beoordeling De voorgenomen activiteit is opgenomen in bijlage D van het Besluit m.e.r. onder D11.2. Artikel 11.2 luidt: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein.’ De volgende drempelwaarden worden hierbij gehanteerd: ▪ een oppervlakte van 100 hectare of meer; ▪ een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; of ▪ een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De bebouwingsmogelijkheden van het plangebied worden met het nieuwe bestemmingsplan niet gewijzigd. Ook wordt het gebruik van de gronden en bebouwing, anders dan het uitsluiten van wonen op de begane grond, niet gewijzigd. De activiteit blijft dus ruim onder de bovengenoemde drempelwaarden. Om die reden kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. Dit moet op grond van artikel 2 lid 5 sub b van het Besluit m.e.r. 4. Opzet aanmeldnotitie In artikel 7.16 Wm is beschreven waar een aanmeldnotitie aan moet voldoen. Deze beoordelingscriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn. In een aanmeldnotitie moet aandacht worden besteed aan de volgende criteria: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect. In de richtlijn zijn bovenstaande criteria onderverdeeld in diverse sub-criteria.
Deze worden in het volgende hoofdstuk nader toegelicht. 1. kenmerken van het project De omvang van het project
De cumulatie met andere projecten Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën 2. Plaats van het project Ligging van het plangebied
Kenmerken van het plangebied
De bebouwingsmogelijkheden van het plangebied worden met dit bestemmingsplan niet gewijzigd. Ook wordt het gebruik van de gronden en bebouwing, anders dan het uitsluiten van wonen op de begane grond, niet gewijzigd. Er is geen sprake van een cumulatie van effecten gezien de omvang van dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Afvalstromen van winkels zullen zoveel mogelijk worden gescheiden ten behoeve van hergebruik. Zie ‘Kenmerken van potentiële effecten’ Niet van toepassing
Het plangebied is gelegen in het centrum van Aalsmeer en betreft de Zijdstraat en delen van de aansluitende straten en pleinen. De Zijdstraat is samen met het Praamplein, Molenpad en Raadhuisplein en alles wat hier tussen ligt het kernwinkelgebied. Gedeelten van de Van Cleeffkade, Stationsweg, Drie Kolommenplein, Dorpsstraat, Marktstraat, Weteringstraat en Schoolstraat zijn aanloopstraten. Samen behoren ze tot het hoofdwinkelgebied in Aalsmeer. De Zijdstraat is een ruimtelijke en functionele drager van de winkelstructuur en daarmee van groot belang voor het gehele winkelgebied. Daarom is het van belang dat deze straat ook voor de toekomst zijn functie blijft behouden.
Omgeving van het plangebied
Natuur(gebieden) nabij het plangebied
Kenmerken van de potentiële effecten
Aan de noordzijde wordt het plangebied begrenst door het Molenpad en de Dorpsstraat, aan de oostzijde door de Gedempte sloot, aan de zuidzijde door de Van Cleeffkade en Uiterweg en aan de westzijde door de Grundelweg, Praamplein en het Molenpad. Het plangebied is niet gelegen in een van de volgende bijzondere gebieden: wetlands, kustgebieden, bosgebieden of reservaten en natuurparken. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, nationaal park, Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied is Botshol en ligt op circa 10,5 km afstand (hemelsbreed). Verder wordt het plangebied niet gekenmerkt met een bijzonder rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Geluid Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidbronnen mogelijk. Om deze reden is er geen noodzaak voor het uitvoeren van een nieuw geluidsonderzoek. Voor wat betreft het onderwerp luchtvaartlawaai is het plangebied gelegen in het beperkingengebied, maar niet gelegen binnen het afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid (LIB 5). Een deel van het plangebied ligt binnen het beperkingsgebied voor geluidsgevoelige gebouwen (LIB 4) op grond van bijlage 3 van het LIB Schiphol. Daarnaast ligt een deel binnen de geluidzone-industrie Schiphol.
Een geluidsgevoelige bestemming mag slechts worden gebouwd indien de geluidsbelasting niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde. Aangezien geen extra geluidgevoelige objecten ten opzichte van de bestaande situatie zijn vanuit akoestisch oogpunt geen planologische beperkingen van kracht. Archeologie en cultuurhistorie De Dorpsstraat aan de rand van het plangebied ligt binnen het gemeentelijk dorpsgezicht 'De Dorpskern'. De cultuurhistorische waarden worden beschermd door het opnemen van de dubbelbestemming WaardeCultuurhistorie binnen dit gedeelte van het plangebied. Daarnaast zijn er binnen het plangebied een aantal Gemeentelijke- en Rijksmonumenten. De bescherming van deze monumenten wordt geregeld via aanvragen omgevingsvergunning die nodig zijn voor het (gedeeltelijk) slopen of wijzigen van monumenten. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk en daarom is geen archeologisch vooronderzoek, in de vorm van een bureauonderzoek, en cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd. Het plan heeft geen negatieve effecten heeft op de aanwezige Landschappelijke- en Cultuurhistorische waarden en voldoet hiermee aan het voorgenomen beleid.
Flora en fauna Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000 gebied en is niet gelegen in de directe nabijheid van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) of andere beschermde natuurgebieden. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die een nadere beoordeling van de significante gevolgen voor de omgeving nodig maakt. Voor wat betreft het onderdeel soortenbescherming: het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die een nadere beoordeling van de aanwezige dier- en plantensoorten nodig maakt. Indien een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt zullen de aanwezige natuurwaarden in acht genomen moeten worden. Bodem Het bestemmingsplan bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. Water Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk in het plangebied. Het betreft een beperking van de huidige mogelijkheden met betrekking tot wonen. Bij herontwikkeling en nieuwbouw dienen we zoveel mogelijk klimaatadaptief, energieneutraal en aardgasvrij te bouwen, waarbij rekening dient te worden gehouden met het beleid en gemaakte afspraken omtrent water. Bij een aanvraag omgevingsvergunning dienen te plannen hieraan te worden getoetst. Milieuzonering In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende bestemmingen aanwezig, waaronder wonen, gemengd, maatschappelijk en horeca.
In het plangebied zijn bedrijven tot en met categorie 2, detailhandel, dienstverlenende bedrijven, maatschappelijke voorzieningen, kantoren, woningen en daghoreca toegestaan. Het plangebied en de directe omgeving daarvan kunnen daarom worden beschouwd als een gemengd gebied. Locaties met de bestemming 'Bedrijven' liggen op een afstand van circa 300-500 meter, zoals het scheepsreparatiebedrijf bij de jachthaven. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is daar thans een bedrijf tot en met categorie 3.2 toegestaan. Op basis van de VNG-bedrijvenlijst heeft een dergelijk bedrijf in een gemengd gebied als het onderhavige een richtafstand van 50 meter en valt de richtafstand buiten het plangebied. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk en derhalve staat het aspect bedrijven en
Kenmerken van de effecten
Conclusie
milieuzonering de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Uit bovenstaande blijkt dat er geen effecten op het gebied van geluid, flora en fauna, bodem, milieuzonering en water zijn. Aan de hand van de toetsing aan de selectiecriteria uit Bijlage III (EU-richtlijn 2014/52/EU) maakt deze aanmeldnotitie duidelijk dat er geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu. Het bestemmingsplan dat mogelijk wordt gemaakt is, gelet op de kenmerken en plaats van de activiteit en de kenmerken van potentiele effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage doorlopen dient te worden. Voor de verdere bestemmingsplanprocedure is derhalve geen MER noodzakelijk conform het vigerende Besluit milieueffectrapportage.
49
t (sgd-wbg) a a r t s ps r Do
d Pa
9
7 -4 1
20
5 1
5
145
a 13
8b 1 81
6a -1 16
13
4 7
10
WR-CG
9 2/ 2-
2A
9
12
d -4 4a
8
6
4
11
2 1 6-
4 2
11
1
WR-CG
5 5
Plangebied 3
5A
7A 1
4 2-
4
7B 7-
11
22 2-
WR-A3
Plangebiedgrens
1
3 -2 1
6
9
B 10
9A 9-
11
Bestemmingen
85 91
GD
raf t
78 3-
at ra t ns ze Ro
A -1 1
8
LEGENDA
46 01
7
4
d a np e l Mo
6
10
at ra st ol ho Sc
8a 6-
2a -2 22
8
7a 1
2b -1 12
ng i l l He
er ab Br J. C.
7 1
4
4A -2 24
Dubbelbestemmingen
GD (su)
4
13
GD
9
13
1 10 1-
4
WR-A2
6
11
8 10
6
8 4
2 1
WR-A2 9 -2 23 6 6 h 2 62 9
d 33
WR-A2 3c
8
3
1a -3 11 31
8 2
3
8
at tra ds j Zi
t oo l rs ve ne Je
b3 0 -3 0 3
b 42 A32
8
8
WR-A3 (su)
90 6-
GD
(sgd-wbg)
t a a r t s ng i r e t We
6 1
4 1
1 1
8 6
4 1
4 -7 72
1a -6 61
6
8a -6 68
4
0a -7 70
7
n ei l mp aa Pr
28
at tra ds j Zi
4b -2 20
3a -6 63
5a -6 65
4 -7 72
WR-A2
9 1
t oo l ns j wi de an Br
8a -7 78
2a -3 32
5 -4 15
21
4a -3 34
0 -7 56
GD
5a -7 75
0a -8 80
7 1
1
6
5a 5-
VASTGESTELD DOOR DE RAAD
0A -4 40
VAN DE GEMEENTE AALSMEER OP __ __ 2023
2a -4 42
5
9a -7 79
23
6a -3 36 8a -3 38
f a r t
(h≤2)
7b -7 77
4 -8 82
maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)
28
8
6b -7 76
B
30
11
12
A
maximum bouwhoogte (m)
26
g 71 b71
WR-A2
3a -7 71
8 7
4a -2 22
6 8
7b -6 67
12
specifieke bouwaanduiding - loopbrug
Maatvoeringaanduidingen
B
A 20
9a -5 57
(sgd-wbg) 6
[sba-lb]
onderdoorgang
maatvoeringsvlak
(sgd-wbg)
4a -6 64
[ond]
24
20 81
t oo sl
n ei l mp aa Pr
GD
Bouwaanduidingen
7 1
6 1
te mp de Ge
12
5 1
2 1
2a -6 62
(h=4)
3 1
0 1
supermarkt
bouwvlak
c 22
9
6
at ra st rkt Ma
9
specifieke vorm van gemengd - woning BG
Bouwvlak
b 22
7
4
5 -5 53
60
horeca van categorie 4
(su)
a 22
5
2
3 -5 51
7
(h=4) (sgd-wbg)
22
3
4
12
horeca tot en met categorie 2
3 1
20
1
2u
17
8b 9 5 85 12
1 1
4 1
(h=2)
8 1
A8
54
9
2 1
8a 8-
WR-A2
8 50
Functieaanduidingen 7
0 1
2 1 01
2t
11
69 3-
8 1
12
6 2-
5
8
ng i er et rkw Ke
n ei l mp aa Pr
49
vrijwaringszone - molenbiotoop 3
6
5A 5-
6
GD 10
14 8-
1
4
4
10 s 2 2-
t a a r t s r e t n Pu
luchtvaartverkeerzone - lib art 223
2
6 1
1a 1-
9 1-
luchtvaartverkeerzone - lib art 222 toetshoogtes luchtvaartverkeerzone - lib art 222A toetshoogtes radar
7
b 1
7a -4 45
11
3 -3 1 1
23
3
A 46
4
luchtvaartverkeerzone - lib art 221 nr 4
9 8 1
c 1
3a -4 43
Waarde - Cultuurhistorie Gemeente
geluidzone - industrie schiphol
1 1
6 1
4
WR-A2
8
4A 2-
21
1 -4 a 39 1a -4 41
WR-CG
t a a r t gs n i r e t We
20
7a -3 35
Waarde - Archeologie 3
Gebiedsaanduidingen
3 1
4 1
GD
3b -3 33
WR-A3
0 -5 20
9 1
t oo sl
WR-A3
Waarde - Archeologie 2
5 1
7 1
6
te mp de Ge
t oo l ns j wi de an Br
1a -2 21
f a r /t 5A 1
WR-A2
24
0 1
4
2 (sgd-wbg)
6
at ra st ol ho Sc
d pa en l Mo
9
5 1
4
5a -1 15 c 19 A17 a 19
6
[sba-lb] 9
en so t an pl ng i er t We
2b -1 12
9
Gemengd
4 -5 44
DE GRIFFIER,
3B 3-
DE VOORZITTER,
4
g we l de un Gr
83
8
6
10
(sgd-wbg)
c -2 1
12
an v
12
7 -8 85
Raadhuisbrug
e [ond] ad
9
4c 4-
Bestemmingsplannen
Stedelijke Ontwikkeling
k f f ee Cl
[ond]
1 Raadhuispleinplein 1, Postbus 253, 1430 AG Aalsmeer, T 0297-38 75 75, F 020-540 45 59
t oo l rs ve ne Je
90
BESTEMMINGSPLAN
9
12
ZIJDSTRAAT
6 8 4
4 1 B 32
2 1
n i e pl s i hu d a Ra
Schoutensebrug
17
datum
: 17 10 2023 g
g
formaat
:
A2
operator :S. Kho gecontr. : plan IDN :NL.IMRO.0358.16E-VG01
schaal : 1 : 1000 plcfg : imro-2012 v8i.tbl
ek.nr. t
O:\st\BESTPLAN AALSMEER\ONTWERP-RO-PLAN 2012�A-Zijdstraat\Plotbestanden en PDF
REGELS Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Gemengd Artikel 4 Waarde - Archeologie 2 en 3 Artikel 5 Waarde - Cultuurhistorie Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Artikel 11 Overige regels Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel
vastgesteld regels Zijdstraat
2 3 9 10 11 14 17 19 20 21 24 25 28 29 30 31 32
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS
vastgesteld regels Zijdstraat
Artikel 1
Begrippen
In dit plan wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan "Zijdstraat" van de gemeente Aalsmeer; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand 1.3 aan-huis-gebonden bedrijf het door (één van) de hoofdbewoners bedrijfsmatig verlenen van diensten, niet zijnde een beroep aan huis, dan wel het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet vallend onder vergunningsplicht van de Wet milieubeheer en geheel of overwegend door middel van handwerk, dat door de beperkte omvang ervan in de woning en de daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend met overwegend behoud van de woonfunctie en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
Detailhandel, met uitzondering van een internetwinkel zonder fysieke bezoekmogelijkheid, wordt niet gerekend tot een aan-huis-gebonden-bedrijf; 1.4 aan-huis-verbonden beroep: het uitoefenen van een vrij beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op het terrein van de administratieve, juridische, medische, therapeutische, kunstzinnige, ontwerp-technische dienstverlening of hiermee gelijk te stellen dienstverlening door (één van) de hoofdbewoners, dat door de beperkte omvang ervan in diens woning en de daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend met overwegend behoud van de woonfunctie en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
Hieronder wordt niet begrepen de uitoefening van detailhandel en prostitutie; 1.5 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsvlak: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 archeologisch onderzoek: een rapport als bedoeld in de Erfgoedwet; 1.8 archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit vroegere tijden; 1.9 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.10 bebouwingspercentage: het deel van het bouwvlak uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden; 1.11 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen danwel bedrijfsmatig verlenen van diensten. Daaronder niet begrepen aan-huis-verbonden-beroepen, detailhandel, horeca, publieksgerichte dienstverlening, maatschappelijke en culturele voorzieningen en bedrijfsmatige sportdoeleinden;
vastgesteld regels Zijdstraat
1.12 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.13 bestaand gebruik of bouwwerk: een gebruik of een bouwwerk, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan en gebouwd conform een vergunning, dan wel een bouwwerk welke mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; 1.14 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.15 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.16 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.17 boeiboord: de opstaande kant van een dakgoot, of opstaande kant bij platte daken; 1.18 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.19 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.20 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale
balklagen) is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.21 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.22 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.23 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.24 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; 1.25 bruto vloeroppervlakte b.v.o:
vastgesteld regels Zijdstraat
de som van de buitenwerks gemeten vloeroppervlakten van alle bouwlagen alsmede onderbouw en zolder, inclusief kolommen, trappenhuizen, gangen, liften, toiletten e.d., met uitzondering van (kruip)kelders met een hoogte van minder dan 1.50 meter en technische ruimten op daken; 1.26 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik, dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft achtergelaten danwel gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied; 1.27 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.28 dakkapel: een toevoeging van ondergeschikte omvang binnen een hellend dakvlak, waarbij het karakter van het dak in stand blijft; 1.29 dakterras: een vanuit een gebouw betreedbaar plat dakvlak, al dan niet voorzien van een vloerafscheiding (hekwerk, balustrade); 1.30 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde een supermarkt en/of het bedrijfsmatig te koop aanbieden uitsluiten via internet; 1.31 dienstverlenend bedrijf: bedrijf waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen
kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van garagebedrijven en seksinrichtingen; 1.32 druiplijn: de lijn die van onderen het dak begrenst; 1.33 eerste bouwlaag: de bouwlaag op de begane grond; 1.34 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.35 erfafscheiding: een scheiding tussen erven, tuinen en/of openbare ruimten in de vorm van een bouwwerk, dan wel beplanting; 1.36 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.37 geluidgevoelige functies: bewoning of andere geluidgevoelige functies zoals bedoeld in de Wet geluidhinder c.q. het besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen;
vastgesteld regels Zijdstraat
1.38 geluidgevoelige gebouwen: gebouwen welke dienen ter bewoning of ten behoeve van een andere geluidgevoelige functie zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, c.q. het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen; 1.39 geluidzoneringsplichtige inrichting: een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone (50 dB (A) contour Zonebesluit) moet worden vastgesteld; 1.40 goot: opvangbak voor hemelwater; 1.41 hogere grenswaarde: een maximale waarde voor de geluidbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, c.q.
het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen; 1.42 hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.43 hoogtescheidingslijn: een aangegeven lijn welke de grens vormt van een gedeelte van een bebouwingsvlak waar een bepaalde hoogte is toegestaan; 1.44 horeca 1, daghoreca: horecabedrijven zoals lunchrooms, koffie-/theehuizen, ijssalons; 1.45 horeca 2, (fastfood)restaurants, cafetaria, snackbars en shoarmazaken: inrichtingen ten behoeve van het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren, alsmede het verstrekken van alcoholhoudende en alcoholvrije dranken.
Het accent ligt op de verkoop van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren; 1.46 horeca 3, cafés, eetcafe's, bars: inrichtingen ten behoeve van het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholhoudende dranken, al dan niet in combinatie met het verstrekken van kleine etenswaren; het accent ligt op de verkoop van dranken dan wel op het verstrekken van kleine etenswaren; 1.47 horeca 4, dancings, discotheken, nachtclubs: een bedrijf, dat is gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot dansen al dan niet in combinatie met het verstrekken van alcohol en niet alcohol-houdende dranken, zoals een dancing of discotheek; 1.48 huishouden: persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen; 1.49 kantoor met baliefunctie: en kantoor met een publiek aantrekkende hoofdfunctie waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;
vastgesteld regels Zijdstraat
1.50 loopbrug: een (overdekte) brug voor voetgangers tussen gebouwen; 1.51 maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.52 maaiveld: de bovenkant van het oorspronkelijke dan wel (verhoogd of verlaagd) aangelegd terrein waar een bouwwerk zal worden opgericht, dan wel reeds is opgericht; 1.53 mantelzorg: het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband; 1.54 normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de bestemming; 1.55 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van onder meer transport van aardgas, alarmeringssignalen, elektriciteit, telecommunicatie en water; 1.56 ondergronds bouwen: het bebouwen en in gebruik nemen van de ruimte onder het maaiveld (zoals kelders en parkeergarages); 1.57 opslag: het bedrijfsmatig opslaan, verhandelen of verpakken van goederen; 1.58 peil: a.
voor een zich op een perceel bevindend bouwwerk, waarvan de gevel direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die gevel; b. voor een zich op een perceel bevindend bouwwerk in het talud van de dijk, waarvan de gevel niet direct aan de weg grenst en in alle andere gevallen: de hoogte van het bestaande aansluitende, afgewerkte maaiveld ter plaatse van de naar de dijk of weg gekeerde gevel, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende ophogingen anders dan noodzakelijk voor de bouw, buiten beschouwing blijven; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil dan wel een ander plaatselijk aan te houden oppervlaktewaterpeil; 1.59 praktijkruimte: een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat door zijn inrichting en indeling geschikt is om te worden gebruikt door beoefenaren van vrije beroepen. Onder vrije beroepen worden in dit plan verstaan (para)medische, juridische, therapeutische, ontwerptechnische, administratieve, kunstzinnige en daarmee gelijk te stellen beroepen; 1.60 reclame-uiting: een op enige wijze met een bouwwerk verbonden zijnde, openbare aanprijzing om de afzet of het gebruik van goederen of diensten te bevorderen. Onder aanprijzing wordt mede begrepen de naam van de verkoper, dienstverlener etcetera; 1.61 seksinrichting:
vastgesteld regels Zijdstraat
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.62 sociaal-culturele doeleinden: sociaal-culturele doeleinden, zoals onderwijs, ontwikkeling, welzijn, cultuur, religie, geïnstitutionaliseerde zorg en therapeutische doeleinden; 1.63 terras: een buiten een gebouw gelegen gebied behorende bij een horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of etenswaren verstrekt; 1.64 verdieping: een boven de begane grond gelegen bouwlaag; 1.65 voorkeursgrenswaarde: de maximale waarde voor de geluidbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q.
het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen; 1.66 weg alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 1.67 woning: een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden en daardoor is aan te merken als wooneenheid, niet zijnde een bijzondere woonvorm, dan wel voor de huisvesting van niet meer dan drie personen naast de huishouding dan wel vier personen wanneer er daarnaast geen huishouding in het gebouw is ondergebracht; 1.68 woongebouw: een hoofdgebouw dat één of meer woningen bevat; 1.69 zone: een op de verbeelding aangegeven gebied, waarvoor aanvullende bepalingen gelden.
vastgesteld regels Zijdstraat
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de nok van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2 de dakhelling: de hoek, gemeten in graden, van een hellend dakvlak ten opzichte van een horizontaal vlak; 2.3 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil (maaiveld) tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 vloeroppervlakte woning: de som van de oppervlakten van alle bouwlagen, deel uitmakende van het hoofdgebouw, daar onder begrepen kelderruimten en zolderruimten voor zover de vrije hoogte ten minste 1.50 meter bedraagt, en met uitzondering van: ruimten waar kleinere vrije hoogte dan 1.50 meter aanwezig is, alsmede balkons, bijgebouwen, gemeenschappelijke berg-, verkeers- en