Agendabundel
Tekst van het document
Artikel 3 Dyslexiezorg (grondslag artikel 3.7, lid 4) 1. Een jeugdige komt in aanmerking voor diagnostiek of behandeling van enkelvoudige ernstige dyslexie, indien: a. de jeugdige zeven jaar of ouder is, maar de leeftijd van dertien jaar nog niet heeft bereikten en op een school voor primair onderwijs zit, en;
1
b. de basisschool de stappen doorlopen heeft zoals beschreven in het landelijke Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 2.0 en daarbij is voldaan aan de criteria voor vergoede dyslexiezorg aan leerlingen met ernstige enkelvoudige dyslexie; c. er geen sprake is van een bijkomende stoornis als een algemene ontwikkelingsachterstand of ernstige gedragsproblematiek die een onderzoek en/of behandeling belemmeren. 2. Voor de beoordeling van het recht op dyslexiezorg dient de school op verzoek van de ouders te zorgen voor: a. een volledig ingevuld en door ouders ondertekend Perspectiefplan jeugdhulp dyslexie (EED), en b.
een volledig ingevuld en door de schooldirecteur ondertekend leerlingdossier.
3. Het college kent een individuele voorziening voor dyslexiezorg toe door middel van een besluit dat toegang geeft tot diagnostiek, om vast te stellen of sprake is van ernstige enkelvoudige dyslexie, en behandeling, indien uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige enkelvoudige dyslexie. 4. Het college neemt het besluit als bedoeld in het derde lid op grond van het leerlingdossier dyslexie van de school voor primair onderwijs.
Artikel 4. Vervoersvoorziening (grondslag artikel 3.8 lid 2) 1. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige, zoals bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet. 2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3. Het toekennen van een vervoersvoorziening geschiedt alleen aan de jeugdige wanneer aantoonbaar is gemaakt dat er een noodzaak bestaat het tot inzetten van deze voorziening en dat bij gebrek aan deze voorziening de toegang tot jeugdhulp wordt onthouden. 4. De vaststelling van de noodzaak van een vervoersvoorziening, zoals gesteld in lid 3 van dit artikel, wordt uitgevoerd door de lokale toegang of de Gecertificeerde Instelling. 5. De lokale toegang legt de noodzaak tot inzet van de vervoersvoorziening bij een vorm van jeugdhulp vast in het perspectiefplan en de Gecertificeerde instelling in het gezinsplan. 6. De aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door middel van een ondertekend aanvraagformulier vervoer. 7. De adressen en tijden, die door de jeugdige of zijn ouder worden aangegeven op het ondertekende aanvraagformulier vervoer, worden gebruikt voor de planning van het vervoer.
Incidentele wijzigingen van deze adressen en tijden zijn bij hoge uitzondering mogelijk, onder incidentele wijzigingen worden verstaan: eenmalig vervoer van of naar een andere locatie of eenmalig andere vervoerstijden; in deze gevallen zorgt de jeugdige of zijn ouder zelf voor een andere oplossing. 8. Bij een structurele en/of wezenlijke wijziging dient een nieuw aanvraagformulier door de jeugdige of zijn ouder te worden ingediend bij het jeugdteam. 2
9. De duur van de vervoersvoorziening is gelijk aan de duur die in de beschikking is vermeld of korter indien de betreffende individuele voorziening eerder eindigt.
Artikel 5. Begeleiding in het vervoer (grondslag artikel 3.8 lid 2) 1. De begeleiding in het vervoer is primair de verantwoordelijkheid van de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s). 2. Indien de begeleiding in het openbaar vervoer van de jeugdige meer dan 4 uur per dag bedraagt, kan dit redelijkerwijs niet van de ouder en/of personen uit de naaste omgeving worden verlangd en komt de jeugdige in aanmerking voor aangepast vervoer met een taxi. 3. Het werkzaam zijn van de (beide) ouder(s) ontheft hen niet van de primaire verantwoordelijkheid, zoals bedoeld in lid 1.
Artikel 6 Het pgb-plan (grondslag artikel 3.9 lid 6) De jeugdige of ouders kunnen alleen voor een pgb in aanmerking komen, indien zij een volledig ingevuld persoonlijk budgetplan hebben overgelegd, conform bijlage 1, en voldoen aan de gestelde eisen.
Artikel 7. Voorwaarden voor de inzet van informele hulp (grondslag artikel 3.10, lid 5) 1. Een individuele voorziening jeugdhulp ten behoeve van de inzet van informele hulp kan alleen worden toegekend indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en nadat is vastgesteld dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) ontoereikend zijn om zelf deze hulp, zorg en ondersteuning te kunnen bieden conform artikel 2.3 van de Jeugdwet, waarbij tevens is vastgesteld dat: a. de hulp, zorg en ondersteuning niet planbaar en/of uitstelbaar is en zodanig niet door een jeugdhulpaanbieder/-verlener kan worden uitgevoerd, of; b. de aard van de hulp, zorg en ondersteuning zodanig is dat deze op verzoek van de jeugdige niet door de ouders wordt geleverd, alsook niet door een jeugdhulpaanbieder/-verlener, of; c. de inzet van een jeugdhulpaanbieder/-verlener voor de betreffende hulp, zorg of ondersteuning aantoonbaar minder goed, effectief of doelmatig is.
Hoofstuk 2 Vertrouwenspersoon en klachtregeling
Artikel 9 Vertrouwenspersoon De vertrouwenspersoon is ondergebracht bij het Advies- en klachtenbureau Jeugd (AKJ). Het AKJ vervult een landelijke functie.
3