1.6. Bijlage 5 bij motivering - flora en fauna quickscan
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna
Topweg 1 te Genemuiden
In opdracht van: Zuurbier Ruimtelijke Ordening 19 december 2024
Colofon © 2024 Laneco / Zuurbier Ruimtelijke Ordening Tekst en samenstelling: R. Groot BSc. Tweede lezer:
R. Eversteijn
Projectnummer:
195.23.02
In opdracht van:
Zuurbier Ruimtelijk Ordening
Wijze van citeren:
Groot, R., (2024). Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden. Laneco, Ede.
Laneco is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologisch advies en onderzoek.
Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd, gewijzigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Laneco. Noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. Laneco is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Laneco. De opdrachtgever vrijwaart Laneco voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
INHOUD 1
INLEIDING .................................................................................................... 4
1.1 1.2 2
GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN ................................................................................... 5
TOETSING .................................................................................................... 10
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3
AANLEIDING ................................................................................................................................. 4
ONDERZOEKSMETHODIEK .............................................................................................................. 10 NATUURNETWERK NEDERLAND ...................................................................................................... 11
OMGEVINGSWET – ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING ...................................................................... 11 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN............................................................................. 12 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING..................................................................... 12 SPECIFIEKE ZORGPLICHT ................................................................................................................ 22
CONCLUSIE .................................................................................................. 23
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
NATUURNETWERK NEDERLAND ..................................................................................................... 23 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING ...................................................................... 23 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN............................................................................. 23 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING..................................................................... 23 CONSEQUENTIES SOORTBESCHERMING ............................................................................................ 24 CONSEQUENTIES GEBIEDSBESCHERMING .......................................................................................... 26
BIJLAGE 1
WETTELIJK KADER ...................................................................... 27
BIJLAGE 2
LITERATUURLIJST ....................................................................... 31
BIJLAGE 3
VRIJBLIJVENDE AANBEVELINGEN ............................................... 32
1
INLEIDING 1.1 AANLEIDING Op een agrarisch erf aan de Topweg 1 te Genemuiden staan, naast een boerderijwoning, een aantal opstallen. Men is voornemens om een nader te bepalen aantal van deze opstallen te slopen. In het kader van de Omgevingswet is gevraagd om een quickscan flora en fauna uit te voeren voor deze locatie. Laneco heeft de beoogde ingreep getoetst aan de Omgevingswet en een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In deze quickscan zijn de geschiktheid van de habitat voor beschermde planten- en diersoorten en de verwachte effecten op deze soorten beoordeeld op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een eenmalige veldverkenning. Dit resulteert in conclusies en aanbevelingen. Deze rapportage betreft een actualisatie van een rapportage uit 2023 van de Wet Natuurbescherming naar de Omgevingswet.
Afbeelding 1. Globaal overzicht van het plangebied op Topweg 1 te Genemuiden (Google Earth, 2023).
LANECO 4
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
1.2 GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Genemuiden (provincie Overijssel). Dit gebied bestaat voornamelijk uit agrarisch cultuurlandschap. De bebouwde kom van Genemuiden bevindt zich op circa 750 ten oosten van het plangebied. Ten noorden van Genemuiden stroomt het Zwarte water dat op circa 1 kilometer ten noorden van het plangebied in het Zwarte Meer uitmondt. Aan de zuidwestzijde wordt het plangebied begrenst door een verharde weg, gevormd door de Topweg en het verlengde hiervan de Greenteweg. Langs beide zijden van deze weg loopt een ondiepe sloot. Aan alle andere zijden wordt het plangebied omsloten door agrarisch weidegebied. Vanaf het noordoosten biedt een betonnen weg toegang tot de achtergelegen weilanden. Ten westen en Noordwesten van het plangebied bevinden zich, langs de Topweg, meerdere agrarische erven. Het plangebied wordt gevormd door een erf met de daarbij behorende bebouwing, een boerderijwoning
en
9
opstallen. De
opstallen
zullen
in
deze
rapportage
ter
onderscheiding met letters worden aangeduid, zoals ook aangegeven in afbeelding 1. Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich een boerderij die dienstdoet als woning. Er zijn momenteel geen werkzaamheden aan deze boerderij gepland. In dit rapport wordt de boerderijwoning daarom buiten beschouwing gelaten in conclusies over de noodzaak van nader onderzoek. Aansluitend aan en ten oosten van de boerderij bevindt zich opstal A, een stal die is opgetrokken uit bakstenen en damwandplaten, met een dak van golfplaten. Op het dak bevinden zich ook zonnepanelen. Deze schuur is momenteel in gebruik als stal voor melkvee. In het noorden van het plangebied staat een drietal schuren: opstal B, C en D. Deze drie schuren zijn op dit moment in gebruik als opslag voor hooibalen, gereedschap, landbouwmachines of voertuigen. Opstal B is opgetrokken uit een stenen muur en damwandplaten, opstal C uit damwandplaten en golfplaten en opstal D is gedeeltelijk opgetrokken uit golfplaten en gedeeltelijk uit houten planken. De daken bestaan uit golfplaten. Ten oosten van opstal A bevindt zich opstal E. Deze is opgetrokken uit damwandplaten met een dak van golfplaten. Opstal E is in gebruik als paardenstal. In het zuiden van het plangebied staan opstal F, een schuur opgetrokken uit damwandplaten met een dak van golfplaten. Deze schuur doet dienst als opslag.
Ten noordoosten hiervan bevindt zich opstal G, een klein houten tuinhuis.
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
5
Opstal H en I zijn twee cilindrische overstortbakken, die zich ten noordoosten van opstal E bevinden. Opstal H bestaat uit beton, opstal I uit een metalen frame en een kunststof zeil. Het erf tussen de opstallen is grotendeels bestraat met klinkers. Verder bestaat het terrein uit een tweetal rijbakken en een drietal silo’s. Er zijn ook groenstroken met bomen en struiken aanwezig op en rondom het erf. Zie afbeelding 2 tot en met 5 voor overzichtsfoto’s. De geplande werkzaamheden bestaan uit het slopen van een nader te bepalen deel van de opstallen en het realiseren van nieuwbouw, waarbij de agrarische bestemming wordt ingewisseld voor een woonbestemming. De boerderijwoning zelf blijft behouden en deze wordt daarom in conclusies over eventuele consequenties niet meegenomen. Omdat
Afbeelding 2. Impressie van het plangebied; boven: het erf gezien vanaf het zuiden met linksachter de boerderijwoning, in het midden opstal A en rechtsachter opstal E; onder: het erf gezien vanaf het noordoosten met links opstal E, in het midden opstal A en rechts opstal C en D; (foto’s: Laneco, 2023).
LANECO 6
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
nog niet duidelijk is welke opstallen gesloopt gaan worden, worden de mogelijke consequenties per opstal besproken.
Afbeelding 3. Boven: opstal A gezien vanaf het noorden; midden: opstal B (links) en opstal C (rechts) gezien vanaf het zuiden; onder: opstal D met links de achterkant van opstal C gezien vanaf het zuidoosten; (foto’s: Laneco, 2023).
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
7
Afbeelding 4. Boven: opstal H (links), opstal E (midden) en opstal A (rechts) gezien vanaf het noorden; midden: opstal E gezien vanaf het zuidoosten met rechts opstal I; onder: opstal F gezien vanaf het westen; (foto’s: Laneco, 2023).
LANECO 8
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
Afbeelding 5. Boven: opstal G gezien vanaf het noordoosten; onder: de achterkant van opstal E (links), opstal H (midden) opstal I (rechts); (foto’s: Laneco, 2023).
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
9
2
TOETSING 2.1 ONDERZOEKSMETHODIEK Via de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF 2013 t/m 2023) kan een indicatie worden verkregen van de beschikbaarheid van soortengegevens. De gegevens geven echter alleen een indicatie. Daarom zijn ook andere verspreidingsbronnen geraadpleegd (zie literatuurlijst in bijlage 2). De meeste gegevens betreffen relatief globale verspreidingsgegevens. De aanwezigheid van soorten in een gebied is bepaald bij een reikwijdte van 5 kilometer rondom het plangebied in de afgelopen 10 jaar. Wanneer naar de directe omgeving wordt gerefereerd, betreft het een straal van circa 100 meter rondom het plangebied. Op 22 augustus 2023 heeft een ecoloog van Laneco het plangebied en de directe omgeving verkend. Doel van het veldbezoek was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid van de habitat voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Dit veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie en geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.
Afbeelding 6. Globale ligging van het plangebied (blauwe rechthoek) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groene vlakken) (Atlas Leefomgeving, 2023). LANECO 10
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
2.2 NATUURNETWERK NEDERLAND Het plangebied ligt niet binnen begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De afstand van het plangebied tot nabijgelegen NNN-gebieden bedraagt circa 1000 meter (Atlas Leefomgeving, 2023), zoals weergegeven in afbeelding 6. Vanuit het NNN gaat geen externe werking. Gezien de aard van de ingreep, de locatie, de tussenliggende bebouwing en de afstand tot het NNN-gebied zijn negatieve effecten, zoals geluid-, lichtverstoring, menselijke aanwezigheid en trillingen, op het NNN-gebied uitgesloten. 2.2.1 Overige beleidskaders Werkzaamheden die in het plangebied uitgevoerd worden kunnen vergunningsplichtig zijn op grond van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel (Provincie Overijssel, 2023).
Afbeelding 6. Het plangebied (zwarte stip) ten opzichte van Natura2000-gebieden (groene vlakken) (Natura2000, 2024).
2.3 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING Het plangebied ligt op circa 800 meter verwijderd van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied “Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht” (Natura2000, 2024), zoals weergegeven in afbeelding 6. Door de voorgenomen ingreep gaat geen Natura 2000-gebied verloren. Effecten op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied door externe invloeden van de
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
11
werkzaamheden, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling, zijn gezien de afstand en de tussenliggende elementen op voorhand uitgesloten. Tijdens de aanleg- en gebruikersfase van de toekomstige inrichting wordt mogelijk de maximale stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op nabijgelegen Natura 2000-gebieden overschreden. Een stikstofberekening is noodzakelijk om inzicht te geven over de stikstofemissie als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling en de depositie op Natura 2000-gebieden. De berekening wordt uitgevoerd middels de AERIUS Calculator. Als sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten, dan moet nader onderzoek middels een voortoets stikstofdepositie uitwijzen of er sprake is van significant negatieve effecten.
2.4 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van de bebouwingscontour houtkap. Voor bomen op erven of in tuinen geldt een uitzondering, hierop is het onderdeel houtopstanden
niet
van
toepassing.
Het
onderdeel
houtopstanden
van
de
Omgevingswet is hier daarom niet van toepassing. Tijdens de ingreep worden voor zover bekend geen bomen gekapt. Indien bomen gekapt worden gelden de gemeentelijke regels.
2.5 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING In het kader van de Omgevingswet onderdeel soorten moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op (potentiële) verblijfplaatsen of (potentieel) leefgebied van beschermde planten en dieren. 2.5.1 Vaatplanten Het plangebied is grotendeels bebouwd en verhard. De vegetatie op en rond het erf bestaat uit algemene bomen en struiken zoals es (Fraxinus excelsior), esdoorn (Acer spec.) en gewone vlier (Sambucus nigra) en daarnaast uit algemene grassen en kruiden als grote brandnetel (Urtica dioica). De aanwezigheid van grassen en brandnetel wijst op een voedselrijke en verstoorde situatie. Ook de directe omgeving van het plangebied bestaat uit sterk gecultiveerde agrarische weilanden met een monocultuur van grassen. Beschermde soorten vaatplanten zijn over het algemeen gebonden aan specifieke standplaatsen in natuurgebieden, op schrale (graan)akkers of andere bijzondere groeiplaatsen. Beschermde soorten vaatplanten groeien bovendien voornamelijk in voedselarmere gebieden die niet onderhevig zijn aan zware invloed van mensen. De aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten is uitgesloten en nader onderzoek is niet nodig.
LANECO 12
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
2.5.2 Grondgebonden zoogdieren Om een goed beeld te krijgen van de te verwachten soorten grondgebonden zoogdieren in de directe omgeving van en binnen het plangebied zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2013 t/m 2023a) en Atlas van de Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen et al., 2016). Nationaal beschermde soorten met provinciale vrijstelling In en in de directe omgeving van het plangebied kunnen verschillende nationaal beschermde zoogdiersoorten voorkomen, zoals haas (Lepus europaeus), konijn (Oryctolagus cuniculus), ree (Capreolus capreolus), vos (Vulpes vulpes) en algemeen voorkomende soorten muizen en spitsmuizen. Voor deze soorten/soortgroepen geldt in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen, mits de zorgplicht in acht wordt genomen (zie bijlage 1). Niet-vrijgestelde nationale en Europees beschermde soorten Van
de
niet-vrijgestelde
nationaal
beschermde
zoogdiersoorten
is
volgens
bovengenoemde bronnen uit de ruime omgeving van het plangebied het voorkomen bekend van bever (Castor fiber), boommarter (Martes martes), bunzing (Mustela putorius), das (Meles meles), eekhoorn (Sciurus vulgaris), egel (Erinaceus europaeus), hermelijn
(Mustela
erminea), otter (Lutra lutra), steenmarter (Martes foina),
waterspitsmuis (Neomys fodiens), wezel (Mustela nivalis) en wolf (Canis lupus). Bever, otter en waterspitsmuis komen altijd voor in de buurt van water. Ook vormen structuurrijke oevers met schuilgelegenheden een essentieel onderdeel van het leefgebied van deze soorten. Goede waterkwaliteit is een vereiste. In en in de directe omgeving van het plangebied is geen geschikt habitat voor deze soorten aanwezig door het ontbreken van voldoende grote wateroppervlakten en de afwezigheid van de gewenste oevervegetatie. De aanwezigheid van bever, otter en waterspitsmuis in het plangebied is uitgesloten. Boommarter is een boombewonende soort die een nest maakt in oude spechtholen of eekhoornnesten in een bosrijke omgeving. Ook de eekhoorn heeft zijn nest- en foerageergebied in een bosrijke omgeving. Door het ontbreken van bosrijk gebied in en in de directe omgeving van het plangebied en het ontbreken van oudere bomen in het plangebied, is het plangebied niet geschikt als leefgebied voor deze soorten. Das komt voor in kleinschalig agrarisch landschap en bos met landschapselementen zoals bosjes, heggen en houtwallen. De omgeving van het plangebied is grootschalig en vormt geen geschikt habitat voor deze soort. Het plangebied zelf is ontoereikend als habitat voor deze soort door de beperkte grootte en de mate van verstoring.
Door het ontbreken van geschikt habitat zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van das uitgesloten.
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
13
Wolf is een mensenschuwe soort die zich vooral ophoudt in en rond bossen. Het plangebied ligt midden in open agrarisch gebied, waardoor er een hoge mate aan menselijke verstoring is en onvoldoende schuilmogelijkheden. Hierdoor is het plangebied als leefgebied voor wolf ongeschikt en is de aanwezigheid van deze soort uitgesloten. Kleine marterachtigen zoals bunzing, hermelijn en wezel zijn vaak te vinden in kleinschalige
landschappen
en
zijn
gebonden
aan
landschapselementen
zoals
houtwallen en struwelen waar ze dekking en voedsel vinden. Het plangebied biedt een beperkte hoeveelheid schuilmogelijkheden voor deze soorten, in de vorm van struikenen bomenrijen, die tijdens de ingreep behouden blijven. Van bunzing is bekend dat deze ’s winters verblijft op warmere plaatsen zoals in hooibalen. De in de opstallen aanwezige hooibalen worden echter gebruikt om vee te voeren en zullen niet de gehele winter aanwezig zijn. Door regelmatig gebruik van de hooibalen en de daarbij behorende verstoring vormen de hooibalen geen geschikte verblijfplaats voor bunzing. Ook geldt dat de directe omgeving van het plangebied zeer open, grootschalig en agrarisch is ingericht en daarmee niet geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen. Het plangebied heeft een beperkte grootte en ligt geïsoleerd, waardoor het ver verwijderd is van andere voor kleine marterachtigen geschikte terreinen. Hierdoor is er onvoldoende leefgebied voor deze soorten aanwezig. De aanwezigheid van vaste rustof verblijfplaatsen van bunzing, hermelijn en wezel in de bebouwing in het plangebied is uitgesloten. Egel is een soort die voorkomt in veel verschillende landschappen. Egels gebruiken bladerhopen, holtes of struikgewas als rustplaats. In de winter verblijven ze in de grond, in takken- of composthopen of in schuren.
De vegetatie in het plangebied biedt zowel geschikte schuilmogelijkheden als geschikt foerageergebied voor deze soort. Deze vegetatie wordt met de geplande ingreep niet aangetast. Echter kan egel mogelijk een verblijfplaats hebben in een aantal opstallen. In opstal A, B, D en F zijn voldoende schuilmogelijkheden en is daardoor de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van egel niet uit te sluiten. In de andere opstallen is dit niet het geval en kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van egel worden uitgesloten. Steenmarter is een typisch gebouwbewonende soort die zowel binnen als buiten de bebouwde kom in menselijke bebouwing kan voorkomen. Steenmarters maken gebruik van meerdere schuilplaatsen binnen hun leefgebied, bijvoorbeeld in struweel en tussen takkenhopen. Ook kruipruimtes, spouwen en andere verscholen ruimtes in bebouwing vormen geschikte verblijfplaatsen voor deze soort. In het plangebied en in de directe omgeving zijn structuurrijke vegetatie, waarin potentieel verblijfplaatsen aanwezig zijn. Deze vegetatie blijft bij de geplande ingreep echter behouden. In de opstallen A en E is ruimte in de bebouwing aanwezig waar steenmarter in kan verblijven, zoals te zien in afbeelding 7. Ook in opstal D kan steenmarter een verblijfplaats hebben tussen het aanwezige hout.
De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter in opstal A, D en E is niet uitgesloten. In de andere opstallen is de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter wel uitgesloten.
LANECO 14
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
Conclusie Op
basis
van
de
verspreidingsgegevens
en
biotoopinschattingen
tijdens
de
veldverkenning wordt de aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van de beschermde soorten grondgebonden zoogdieren bever, boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, otter, waterspitsmuis, wezel en wolf binnen het plangebied uitgesloten.
Afbeelding 7. Geschikte ruimtes in de bebouwing binnen het plangebied; boven: ruimte
in de spouw van opstal A; onder: ruimte onder dakbeschot van opstal E; (foto’s: Laneco, 2023). Van egel is de aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen in opstallen A, B, D en F niet uitgesloten. Van steenmarter is de aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen in opstallen A en E niet uitgesloten. Bij het slopen van de betreffende opstallen zijn negatieve effecten op deze soorten niet uitgesloten. Van de algemeen voorkomende zoogdiersoorten mogen de verblijfplaatsen bij ruimtelijke ingrepen op basis van een provinciale vrijstelling worden aangetast. Wel geldt altijd de Zorgplicht (zie bijlage 1).
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
15
2.5.3 Vleermuizen Om inzicht te krijgen in de aanwezige soorten vleermuizen in de directe omgeving van en binnen het plangebied zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2013 t/m 2023a), Atlas van de Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen et al., 2016), en de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (Limpens et al., 1997). Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren die aan de hand van echolocatie hun positie bepalen. Deze nachtdieren verblijven overdag in besloten ruimtes. Vleermuizen worden globaal onderverdeeld in gebouwbewonende soorten en boombewonende soorten. Er zijn ook soorten die van beide elementen gebruik maken. Ook is er onderscheid te maken in de zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Een groot aantal soorten overwintert in bunkers, grotten en kelders. Dit geldt ook voor sommige soorten die ’s zomers in boomholten verblijven. Andere soorten vleermuizen verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen en dergelijke) of bomen (in holten of achter de bast). Vanaf begin april komen vleermuizen tevoorschijn uit hun winterverblijven. Afhankelijk van het weer verschijnt de ene soort wat later dan de andere. Van half mei tot half juli vormen de vleermuizen kraamkolonies waarin de jongen worden geboren en grootgebracht. De mannetjes verblijven dan apart in kleinere groepen.
In het paarseizoen, vanaf half augustus tot september, vallen de kraamkolonies uiteen. Sommige soorten vleermuizen trekken dan uit hun voortplantingsgebied weg, terwijl andere soorten nooit ver vliegen tussen zomer- en winterverblijf. De meeste vleermuissoorten paren in deze periode. Vanaf oktober gaan de verschillende soorten in winterslaap, waarbij de ene soort zich eerder terugtrekt in zijn winterverblijf dan de andere. De
soorten
maken
vaak
jarenlang
gebruik
van
vaste
aanvliegroutes
tussen
verblijfplaatsen en foerageergebied en volgen daarbij lijnelementen zoals bomenrijen of bebouwing. Het behoud van zulke lijnelementen kan daarom cruciaal zijn voor de instandhouding van het leefgebied. Alle vleermuissoorten, hun verblijfplaatsen en belangrijke onderdelen van het leefgebied zijn beschermd in de Omgevingswet. Volgens de verspreidingsgegevens uit bovengenoemde bronnen komen in de omgeving van
het
plangebied
verschillende
soorten
vleermuizen
voor
zoals
gewone
dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), meervleermuis (Myotis dasycneme), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), en watervleermuis (Myotis daubentonii). Van deze soorten zijn rosse vleermuis en watervleermuis overwegend boombewonend; gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis verblijven in zowel gebouwen als bomen en gewone dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis zijn overwegend gebouwbewonend.
LANECO 16
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
Foerageergebied en vliegroutes Van vleermuizen is bekend dat zij lijnelementen, zoals bomenrijen of bebouwing, gebruiken als vliegroute van en naar foerageergebieden en verblijfplaatsen. Halfopen en bosrijk landschap, watergangen (kanalen/rivieren), vijvers, weilanden, tuinen en parken worden door verschillende vleermuissoorten gebruikt als foerageergebied. De opstallen in het plangebied kunnen als lijnelement dienen en deel uitmaken van een vliegroute. Echter zijn er naast de opstallen voldoende alternatieve lijnelementen aanwezig, zoals de boerderijwoning en bomenrijen in het plangebied. Het is uitgesloten dat de opstallen een essentieel deel van een vliegroute vormen. De opstallen kunnen een onderdeel vormen van een foerageergebied. De bomenrijen in het plangebied, de omliggende weilanden en de nabijgelegen boerenerven vormen echter goede alternatieven voor foerageergebied. Door de mate van cultivering is het uitgesloten dat het plangebied een essentieel onderdeel van het foerageergebied van vleermuizen vormt. Verblijfplaatsen In het plangebied en de directe omgeving zijn geen bomen met geschikte holtes of loszittend bast aangetroffen. Bovendien worden er tijdens de geplande ingreep geen bomen gekapt. Negatieve effecten op de verblijfplaatsen voor boombewonende soorten zijn uitgesloten.
De boerderijwoning biedt mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen, door de aanwezigheid van spouwen en dakpannen. Sloop van de boerderijwoning staat echter niet gepland. Geen van de opstallen hebben dakpannen of andere voor gebouwbewonende vleermuizen geschikte ruimtes onder het dak. Wel heeft opstal A een spouw en vormt deze mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. De aanwezigheid van paarverblijfplaatsen van meervleermuis kan worden uitgesloten; deze bevinden zich altijd langs migratieroutes in de vorm van brede watergangen, welke ontbreken in de omgeving van het plangebied. Ook bij opstal B is ruimte in de muur en tussen steen en damwandplaten aanwezig die mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis
vormen.
Beide
opstallen
zijn
onvoldoende
groot
voor
een
massawinterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis. De aanwezigheid hiervan is daarom uitgesloten. Conclusie Het
plangebied
maakt
geen
essentieel
onderdeel
uit
van
vliegroutes
of
foerageergebieden van vleermuizen. Nader onderzoek naar deze functies is niet nodig. Voorafgaand aan werkzaamheden aan opstal A dient nader onderzoek gedaan te worden naar
verblijfplaatsen
van
gewone
dwergvleermuis
(exclusief
massawinter-
verblijfplaatsen), gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis (exclusief paarverblijfplaatsen) en ruige dwergvleermuis. Voorafgaand aan werkzaamheden aan opstal B dient nader onderzoek gedaan te worden naar verblijfplaatsen van gewone
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
17
dwergvleermuis (exclusief massawinterverblijfplaatsen), gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis. 2.5.4 Vogels Tijdens het veldbezoek zijn in en om het plangebied onder andere de vogelsoorten boerenzwaluw (Hirundo rustica), buizerd (Buteo buteo) en huismus (Passer domesticus) waargenomen. Alle vogels zijn strikt beschermd in de Omgevingswet. Aantasting van actief gebruikte nesten is niet toegestaan. Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten en nestlocaties (verblijfplaatsen en leefgebied) het gehele jaar door beschermd. Deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn onderverdeeld in vier categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden (voorbeeld: huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders (voorbeeld: kerkuil en slechtvalk (Falco peregrinus)). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: ransuil (Asio otus)). De vogels uit deze categorieën zijn meestal zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.
Door de leefwijze van deze soorten is het niet mogelijk om bij directe verstoring van de nesten te voldoen aan de bepalingen uit de Omgevingswet. De lijst van jaarrond beschermde vogels is in september 2009 door het ministerie van LNV gepubliceerd. Ook is er een lijst vogels aangewezen waarvan alleen bij effecten op populatieniveau maatregelen nodig zijn; de zogenaamde categorie 5. In het plangebied en de ruime omgeving komen volgens de verspreidingsgegevens (SOVON, 2023) de soorten boerenzwaluw, boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), gierzwaluw (Apus apus), grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), havik (Accipiter gentilis), huismus, huiszwaluw (Delichon urbicum), kerkuil, ooievaar, ransuil, roek (Corvus frugilegus), slechtvalk, sperwer (Accipiter nisus), torenvalk (Falco tinnunculus), steenuil en zeearend (Haliaeetus albicilla) voor. Gierzwaluw en huiszwaluw zijn beide soorten die kritisch zijn ten aanzien van hun nestlocatie. De soorten broeden in rotsachtig biotoop of in bebouwing, in het geval van huiszwaluw tegen stenen of betonnen gevels en in het geval van gierzwaluw bijvoorbeeld onder dakpannen. Ze broeden graag in kolonies en hebben minimaal 3
LANECO 18
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
meter vrije ruimte onder de nestlocatie nodig om weg te kunnen vliegen. Voor deze soorten
zijn
weinig
geschikte
nestplaatsen
in
het
plangebied
aanwezig.
De
boerderijwoning is voldoende hoog en heeft mogelijk geschikte ruimtes onder gevels of dakpannen. Aan dit gebouw zijn echter geen werkzaamheden gepland. De gevels van de opstallen bestaan voornamelijk uit damwandplaten en zijn daardoor niet geschikt als nestplaats voor gierzwaluw of huiszwaluw. Aanwezigheid van nestlocaties van gierzwaluw en huiszwaluwen in de opstallen is uitgesloten. Grote gele kwikstaart nestelt graag langs snelstromende beken en rivieren in natuurlijke oevers, onder bruggen, bij watermolens en stuwtjes. Ooievaar komt voor in agrarische gebieden zoals beheerde weilanden en maakt voor het nest vaak gebruik van kunstmatige
nestgelegenheden,
telefoonpalen,
schoorstenen,
kerktorens
en
hoogspanningsmasten. Roek nestelt in hoge bomen en vormt vaak grote kolonies. Geschikte nesten en nestlocaties voor grote gele kwikstaart en ooievaar zijn niet aanwezig in het plangebied en nesten van roek zijn in het plangebied niet aangetroffen. De aanwezigheid van nestlocaties van deze soorten in het plangebied is uitgesloten. Roofvogels broeden zowel in cultuur- (sperwer), halfopen cultuur- (boomvalk en slechtvalk) en natuurlandschappen (buizerd, havik, torenvalk, zeearend). Deze soorten broeden vaak in bomen of op de daken van bebouwing. Nesten van roofvogels kunnen in de bomen in het plangebied aanwezig zijn. Deze bomen blijven met de geplande ingreep echter behouden. De daken van de opstallen waren tijdens het veldbezoek goed te overzien, waardoor broedplaatsen van deze soorten, gezien de afwezigheid van horsten (nesten) op de daken van de opstallen, worden uitgesloten. Het plangebied vormt gezien de sterke verstoring door menselijke activiteit geen
essentieel
jachtbiotoop. De aanwezigheid van nesten en de aanwezigheid van essentiële onderdelen van het leefgebied van roofvogels worden uitgesloten. De ransuil leeft in zeer verschillende habitats en maakt vaak gebruik van oude kraaienof eksternesten om in te broeden. Ransuilen broeden voornamelijk in hoge, donkere plekken in grote bomen, vooral in naaldbomen. Dit soort bomen ontbreken in het plangebied. De aanwezigheid van nestplaatsen van ransuil is uitgesloten. Steenuil en kerkuil komen voor in halfopen agrarisch landschap. Beide soorten broeden op relatief rustige plaatsen en zijn veelal afhankelijk van nestkasten. De steenuil broedt vooral in oude fruitbomen, knotwilgen en in gebouwen en schuren op boerenerven, terwijl de kerkuil voornamelijk in schuren broedt. De opstallen in het plangebied vormen een potentiële locatie voor nestlocaties van beide soorten. Echter zijn in geen van de opstallen braakballen aangetroffen. Ook kalksporen ontbraken geheel in het plangebied. De aanwezigheid van nestplaatsen van kerkuil of steenuil wordt daarom niet verwacht. Nader onderzoek naar deze soorten is niet nodig. Huismus is in Nederland een standvogel. De populatie van deze soort is in de laatste tientallen jaren gehalveerd door een afname van geschikt leefgebied en broedplaatsen. De huismus leeft in en nabij menselijke bebouwing, zowel binnen als buiten de
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
19
bebouwde kom. Het dier bouwt zijn nest in of tegen bebouwing (bijvoorbeeld in een dichte
klimop
of
onder
een
dakpan).
Er
moet
altijd
voldoende
voedsel,
schuilgelegenheden (dichte bosschages) en zandbaden nabij de nestplaats aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek zijn in en rond opstal E huismussen waargenomen. Daarnaast is in opstal B, C en F oud nestmateriaal aangetroffen. Voor opstal A, B, C, D, E en F geldt dat deze mogelijke geschikte nestlocaties voor huismus bieden. De aanwezigheid van nest- of rustplaatsen in deze opstallen is daarom niet uitgesloten; nader onderzoek naar huismus is nodig in het geval van werkzaamheden aan deze opstallen worden uitgevoerd. Opstal G, H en I bieden geen geschikte nestlocaties, hier kunnen nest- en rustplaatsen van huismus worden uitgesloten. Boerenzwaluw is een soort dier broedt in schuren en loodsen. Nesten zijn altijd aanwezig in omgevingen met een voldoende groot aanbod aan insecten. De soort komt daarom veel voor bij boerenerven, in en rond stallen met rundvee, omdat hier vaak het hele broedseizoen een ruim aanbod insecten aanwezig is. Ook in het plangebied is boerenzwaluw nestelend waargenomen in de koeienstal, opstal A. De gehele stal was goed overzichtelijk, waardoor het aantal aanwezige nesten goed te tellen was. Het aantal actieve boerenzwaluwnesten in de koeienstal betrof een totaal van 5. Deze nesten waren ten tijde van het veldbezoek bezet door kuikens en waren daarnaast herkenbaar daar het af- en aanvliegen van de ouders.
Daarnaast waren er 8 inactieve nesten aanwezig, die ten tijde van het veldbezoek niet bezet waren door broedende individuen of kuikens. Daarmee is de aanwezigheid van nestplaatsen van boerenzwaluw in opstal A aangetoond. Nader onderzoek naar deze soort is niet nodig. Wel dient voorafgaand aan werkzaamheden aan opstal A een vergunning Omgevingswet te worden aangevraagd voor het aantasten van de nestplaatsen van boerenzwaluw. Conclusie De aanwezigheid van vaste rust- of nestplaatsen van de jaarrond beschermde vogelsoorten boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, torenvalk, steenuil en zeearend is uitgesloten in de opstallen. De aanwezigheid van een vaste nestplaatsen van boerenzwaluw is aangetoond in opstal A; nader onderzoek naar deze soort is niet nodig. In het geval van werkzaamheden aan opstal A dient een vergunning Omgevingswet te worden aangevraagd voor het aantasten van de nestplaatsen van boerenzwaluw. Voor huismus zijn mogelijk geschikte nestplaatsen aanwezig in opstal A, B, C, D, E en F en bij werkzaamheden aan deze opstallen is nader onderzoek noodzakelijk. De directe omgeving van het plangebied biedt geschikt leefgebied en nestlocaties voor diverse categorie 5-soorten, zoals koolmees en spreeuw.
Soorten van deze lijst vallen onder de bescherming van de Omgevingswet als er effecten op populatieniveau op kunnen treden door een ingreep. Omdat de werkzaamheden zich beperken tot de bebouwing op een erf zijn negatieve effecten op populatieniveau van categorie 5 soorten niet te verwachten. Ook dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden, die globaal loopt van half maart tot half juli. De werkzaamheden mogen alleen
LANECO 20
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
in het broedseizoen uitgevoerd worden als er een gerichte controle naar broedvogels is gedaan. 2.5.5 Amfibieën Het leefgebied van amfibieën is onder te verdelen in water- of voortplantingshabitat (vaak een poel, vijver of smalle watergang zonder grote vissen) en landhabitat (bosjes, struwelen e.d. en voor sommige soorten vergraafbaar zand). In en in de directe omgeving van het plangebied kunnen verschillende nationaal beschermde amfibieën voorkomen, zoals de bruine kikker (Rana temporaria), bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus), gewone pad (Bufo bufo), kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) en meerkikker (Pelophylax ridibundus) (NDFF, 2013 t/m 2023b). Voor deze soorten geldt in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling een provinciale vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen, mits de zorgplicht in acht wordt genomen (zie bijlage 1). Van de niet-vrijgestelde nationaal en Europees beschermde soorten amfibieën zijn in de omgeving van het plangebied alleen van de heikikker (Rana arvalis), knoflookpad (Pelobates fuscus), poelkikker (Pelophylax lessonae) en rugstreeppad (Epidalea calamita) recente waarnemingen bekend (NDFF, 2013 t/m 2023b). In het plangebied is geen water aanwezig en de aanwezigheid van voortplantingshabitat van amfibieën in het plangebied is dan ook uitgesloten.
De in het plangebied aanwezig vegetatie kan een mogelijk landhabitat vormen voor amfibieën, maar deze wordt door de geplande ingreep niet aangetast. Negatieve effect op het voortplantings- of landhabitat van amfibieën is daarom uitgesloten. 2.5.6 Reptielen Reptielen stellen strikte eisen aan hun omgeving en alle inheemse reptielen zijn in de Omgevingswet beschermd. De meeste reptielensoorten houden zich voornamelijk op in geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos-, heide- en veengebieden (bijv. heide en/of heischrale graslanden in combinatie met bossen en/of kleine landschapselementen). Uit de omgeving van het plangebied is alleen het voorkomen van ringslang (Natrix helvetica) bekend (NDFF, 2013 t/m 2023c). Deze soort is sterk gebonden aan waterrijke habitats,
welke
in
het
plangebied
geheel
ontbreekt.
De
aanwezigheid
van
voortplantings- of rustplaatsen van ringslang in het plangebied is daarom uitgesloten. 2.5.7 Overige soortgroepen Insecten (vlinders, libellen, kevers) en overige soortengroepen stellen strikte eisen aan hun
omgeving.
De
soorten
hebben
vaak
natuurlijke
watergangen,
specifieke
waardplanten of specifieke natuurlijke biotopen nodig zoals heide, bos, heischraal grasland en kleine landschapselementen. Dergelijke biotopen zijn in het plangebied niet aanwezig. Ook voor andere beschermde soortgroepen zoals vissen, mollusken en
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
21
tweekleppigen is door het ontbreken van water geen geschikt leefgebied aanwezig. De aanwezigheid van voortplantings- of rustplaatsen van deze soortgroepen binnen het plangebied is dan ook uitgesloten.
2.6 SPECIFIEKE ZORGPLICHT In de Omgevingswet is voor alle natuuractiviteiten (Natura2000, houtopstanden en flora en fauna) een specifieke zorgplicht van toepassing. Deze specifieke zorgplicht is van toepassing bij alle activiteiten die effecten kunnen hebben op natuurwaarden, als men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Bij het artikel in het Bal over een specifieke zorgplicht staat een verplichting in drie stappen. Degene die een activiteit verricht is verplicht: •
Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen.
•
Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
•
Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. (IPLO, 2024)
Naast het voorkomen van onnodig lijden (artikel 11.28, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), zijn maatregelen nodig om soorten te beschermen, maar ook om effecten op die soorten ongedaan te maken. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten; waarbij onder andere ‘Rode Lijst soorten’ specifiek worden benoemd. In deze quickscan is voor het onderdeel flora- en fauna-activiteiten daarom, op basis van verspreidingsgegevens uit de NDFF en BESI, nagegaan of er in en direct nabij het plangebied soorten te verwachten zijn van onder andere de Rode lijsten. Vervolgens is op basis van de aangetroffen biotopen, nagegaan of deze soorten binnen het plangebied kunnen voorkomen. Omdat vrijwel overal flora en fauna aanwezig is, is gefocust op het voorkomen van doden en verwonden en op het in de nieuwe situatie opnieuw creëren van leefgebied voor de zeldzamere ‘Rode lijst soorten’ die mogelijk negatief door de ingreep worden beïnvloed. Dit resulteert in de volgende maatregelen: •
Behoud van groen wat in het plangebied aanwezig is;
•
Indien (openbaar) groen verloren gaat als gevolg van voorgenomen werkzaamheden, vergelijkbare beplanting terugbrengen om te voorkomen dat habitat van bedreigde soorten verloren gaat.
LANECO 22
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
3
CONCLUSIE In het plangebied bestaande uit een erf aan de Topweg 1 te Genemuiden bevinden zich, naast een boerderijwoning, een aantal opstallen. Men is voornemens een aantal van deze opstallen te slopen. De boerderijwoning blijft gehandhaafd. Voordat de werkzaamheden plaatsvinden, dienen de gevolgen voor beschermde natuurwaarden en de consequenties met betrekking tot de natuur wet- en regelgeving in beeld te zijn gebracht.
3.1 NATUURNETWERK NEDERLAND Bij het uitvoeren van werkzaamheden op de locatie gaat geen oppervlakte van het dichtstbijzijnde gelegen NNN-gebied (ca. 1.000 meter) verloren. Gelet op de lokale aard van de ingreepzijn negatieve effecten op het NNN-gebied uitgesloten. 3.1.1 Overige beleidskaders Werkzaamheden die in het plangebied uitgevoerd worden kunnen vergunningplichtig zijn op grond van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel (Provincie Overijssel, 2023). 3.2 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING Het plangebied ligt op circa 800 meter afstand van de dichtstbijzijnde Natura 2000gebied “Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht”. Tijdens de geplande werkzaamheden wordt mogelijk de maximale stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op nabijgelegen Natura 2000-gebieden overschreden. Een stikstofberekening, middels de AERIUS Calculator, is noodzakelijk.
3.3 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN Het plangebied ligt niet binnen de bebouwingscontour houtkap, maar betreft een erf en is
daarmee
uitgezonderd
voor
het
onderdeel
houtopstanden.
Het
onderdeel
houtopstanden van de Omgevingswet is niet van toepassing. Voor zover bekend worden er geen bomen gekapt tijdens de geplande werkzaamheden. Indien toch bomen gekapt worden gelden de gemeentelijke regels.
3.4 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING In het kader van de Omgevingswet moet worden getoetst of er door de ingreep sprake is van negatieve effecten op (potentiële) vaste rust- en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van (beschermde) plant- en diersoorten.
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
23
Voor een aantal soorten die in de omgeving en mogelijk in het plangebied voorkomen zoals muizen, bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad geldt provinciale vrijstelling voor aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen. Binnen het plangebied kunnen een aantal nationaal en Europees beschermde soorten voorkomen,
waarvoor
vergunningplicht
in
het
voor
aantasting
kader
van
de
van
rust-
en
Omgevingswet
verblijfplaatsen geldt.
Op
basis
een van
verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van de individuele diersoorten zijn de volgende soorten niet uit te sluiten binnen het plangebied: •
Egel: Met het slopen van opstallen A, B, D en F verdwijnen er mogelijk verblijfplaatsen van egel.
•
Steenmarter: Met het slopen van opstallen A, D en E verdwijnen er mogelijk verblijfplaatsen van steenmarter.
•
Gebouwbewonende vleermuizen: Met het slopen van opstal A verdwijnen er mogelijk
verblijfplaatsen
van
gewone
dwergvleermuis,
gewone
grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. Met het slopen van opstal B verdwijnen er mogelijk verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis. •
Huismus: Met het slopen van opstallen A, B, C, D, E en F verdwijnen er mogelijk nestplaatsen van huismus
Van boerenzwaluw zijn tijdens het veldbezoek nestplaatsen aangetoond in opstal A. Op basis van het veldbezoek, de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen en biotoopeisen van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten zijn van de overige (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde soorten, vaste rust- en verblijfplaatsen uit te sluiten binnen het plangebied. Nader onderzoek naar deze soorten is dan ook niet nodig. Wel geldt altijd de zorgplicht.
3.5 CONSEQUENTIES SOORTBESCHERMING 3.5.1 Vergunning flora- en fauna- activiteit Voor de soort boerenzwaluw is aangetoond dat er jaarrond beschermde nestplaatsen aanwezig zijn in opstal A. Voor het aantasten van deze nestplaatsen is een vergunning van de Omgevingswet noodzakelijk. 3.5.2 Nader onderzoek In het kader van de Omgevingswet dient na te worden gegaan of vaste rust- en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van soorten door de ingreep worden aangetast. Dit kan niet worden uitgesloten zonder nader veldonderzoek voor de in de vorige paragraaf genoemde soorten: •
LANECO 24
Egel (Omgevingswet), onderzoek vindt plaats door camera’s te plaatsen.
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
•
Steenmarter (Omgevingswet), onderzoek vindt plaats door camera’s te plaatsen langs lijnelementen gedurende een periode van 6 weken.
•
Vleermuizen (Omgevingswet en bijlage IV Habitatrichtlijn), gebouwbewonende soorten. Onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, 2021) bestaat uit twee of drie onderzoeksrondes in de periode half mei tot half juli en twee onderzoeksrondes in de periode half augustus tot eind september. Alle onderzoeksrondes dienen plaats te vinden om een volledig beeld te krijgen van de functie van het plangebied en omgeving voor vleermuizen.
•
Huismus, nestplaatsen (Vogelrichtlijn). Onderzoek vindt plaats door in de periode
april
–
half
mei
tweemaal
onderzoek
te
doen
conform
het
Kennisdocument van de huismus (BIJ12, 2022). Tabel 1 geeft een overzicht van welke nadere onderzoeken vereist zijn per opstal, voorafgaand aan werkzaamheden.
Tabel 1: benodigde nadere onderzoeken en vergunningen per opstal Egel
Steenmarter
Gebouwbewonende
Huismus
Boerenzwaluw
vleermuizen Opstal A
Nader onder-
Nader onder-
Nader onderzoek naar
Nader onder-
Aangetoond,
zoek vereist
zoek vereist
gewone dwerg-
zoek vereist
vergunning
vleermuis1, gewone
Omgevingswet
grootoorvleermuis,
noodzakelijk
laatvlieger, meervleermuis2 en ruige dwergvleermuis Opstal B
Nader onder-
Gewone dwerg-
Nader onder-
zoek vereist
vleermuis1, gewone
zoek vereist
grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis Opstal C
Nader onderzoek vereist
Opstal D
Nader onder-
Nader onder-
Nader onder-
zoek vereist
zoek vereist
zoek vereist
Nader onder-
Nader onder-
zoek vereist
zoek vereist
Opstal E Opstal F
Nader onder-
Nader onder-
zoek vereist
zoek vereist
Opstal G Opstal H Opstal I
1 2
Exclusief massawinterverblijfplaatsen Exclusief paarverblijfplaatsen
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
25
3.5.3 Algemene voorwaarden Twee algemene voorwaarden vanuit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing: •
De start van werkzaamheden dient buiten het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) plaats te vinden om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen. Alleen op basis van gericht onderzoek (naar broedende vogels) door een ervaren ecoloog in en in directe omgeving van het plangebied mag van deze voorwaarde worden afgeweken.
•
Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Verstoring moet worden beperkt en dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: o
Het beperken van verlichting tijdens de avonduren ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren. Gebruik bij de inrichting voor nieuwe verlichting gebundelde en naar beneden gerichte armaturen die niet uitstralen naar de omgeving.
3.6 CONSEQUENTIES GEBIEDSBESCHERMING 3.6.1 Stikstof Een stikstofberekening is noodzakelijk om inzicht te geven over de stikstofemissie als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling en de depositie op Natura 2000-gebieden. De berekening moet worden uitgevoerd middels de AERIUS Calculator.
LANECO 26
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER 1.1
NATUURNETWERK NEDERLAND Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een onderdeel van het natuurbeleid en heeft als doel het behoud van biodiversiteit. Gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van NNN vormen een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland. Per NNN-gebied zijn natuurdoelen vastgelegd in het ruimtelijke provinciale beleid, waarmee rekening gehouden moet worden bij planologische ontwikkelingen. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat activiteiten niet strijdig mogen zijn met de natuurdoelen.
1.1.1 Overige beleidskaders Naast het NNN kunnen ook andere provinciale en gemeentelijke beleidskaders van toepassing zijn in het plangebied. Ook deze beleidskaders zijn niet verankerd in natuurwetgeving, maar dienen wel een rol te spelen in de planologische afweging. 1.2
Omgevingswet
1.2.1 Onderdeel gebiedsbescherming – Natura 2000 Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn worden aangemerkt als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van Natura 2000. De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Omgevingswet die per 1 januari 2024 van kracht is. Het is verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 1.2.2 Onderdeel houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte bos- en houtopstanden in Nederland in stand te houden. Kort gezegd, alles wat bos is, moet bos blijven. Indien een houtopstand onder de Omgevingswet valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan. Ook verplicht de Omgevingswet om de betreffende grond binnen drie jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als bos definitief gekapt wordt, zal een vergunning of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden.
De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Omgevingswet als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
27
•
buiten ‘de bebouwingscontour houtkap’ liggen;
•
een oppervlakte hebben van 10 are of meer;
•
rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen.
1.2.3 Onderdeel Flora- en Fauna- activiteit Wettelijk kader Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is de Omgevingswet bepalend. De Omgevingswet is gericht op het duurzaam in stand houden van natuurlijke habitats en wilde
flora
en
fauna
in
hun
natuurlijke
leefomgeving.
Deze
wet
heeft
de
beschermingsregels, zoals die ook in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn opgenomen, overgenomen en voor de Nederlandse situatie toegepast. Deze bescherming is, afhankelijk van het beschermingsregime, als volgt in de Omgevingswet opgenomen: Vogelrichtlijn •
Artikel 11.37 lid 1 Bal: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
•
Artikel 11.38 lid 1 Bal: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
•
Artikel 11.37 lid 1 Bal: Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
•
Artikel 11.37 lid 1 en 3 Bal: Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Habitatrichtlijn, Bern bijlage II, Bonn bijlage I •
Artikel
11.46
lid
1
Bal:
Het
is
verboden
soorten
in
hun
natuurlijke
verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. •
Artikel 11.46 lid 1 Bal: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
•
Artikel 11.46 lid 1 Bal: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
•
Artikel 11.46 lid 1 Bal: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.
•
Artikel 11.46 lid 1 Bal: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Nationaal beschermde soorten •
Artikel 11.54 lid 1 Bal: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
•
Artikel 11.54 lid 1 Bal: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
LANECO 28
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
•
Artikel 11.54 lid 1 Bal: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Procedurele gevolgen De procedurele consequenties zijn afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden
beïnvloed.
Kortweg
kunnen
er
drie
beschermingsregimes
worden
onderscheiden: •
Soorten van de Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
•
Soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn: Dit zijn alle soorten in onderdeel A van bijlage IV van de Habitatrichtlijn inclusief bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
•
Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Omgevingswet. Het betreft hier de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
Een project kan in strijd zijn met de Omgevingswet wanneer een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. Omgevingsvergunningen
worden
slechts
verleend
wanneer
er
geen
andere
bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Wettelijke belangen Om een omgevingsvergunning te krijgen voor soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn moet worden voldaan aan een van de volgende belangen: •
Ter bescherming van de wilde flora en fauna en instandhouding van natuurlijke habitats.
•
Wanneer de volksgezondheid en/of de openbare veiligheid in het geding is.
•
Andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
Om een omgevingsvergunning te krijgen voor soorten van de Vogelrichtlijn moet worden voldaan aan een van de volgende belangen: •
Wanneer de volksgezondheid en/of de openbare veiligheid in het geding is.
•
Wanneer de veiligheid van het luchtverkeer in het geding is.
LAN ECO Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
29
•
Ter bescherming van flora en fauna.
Voor nationaal beschermde soorten geldt: •
LANECO 30
Er is sprake van een bij de wet genoemd belang.
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Topweg 1 te Genemuiden
BIJLAGE 2 LITERATUURLIJST Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J. & Buys, J.C. (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Limpens, H., K. Mosterd en W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Websites Atlas Leefomgeving,
2023.
Geraadpleegd
in
oktober
2023
van
https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten?config=3ef897de-127f-471a-959b93b7597de188&gm-x=150000&gm-y=455000&gm-z=3&gmb=1544180834512,true,1;1553765981928,true,0.8;&activateOnStart= Google
Earth,
2023.
Google.
Geraadpleegd
in
oktober
2023
van
https://earth.google.com/web/ Natura2000, 2023. Natura2000 overzichtskaart. Geraadpleegd in oktober 2023 van https://geocontent.rvo.nl/Natura2000/Overzichtskaart/index.html?provincie=1 NDFF & ZOOGDIEREN, 2023a. NDFF Verspreidingsatlas Zoogdieren. Geraadpleegd in oktober 2023 van https://www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren NDFF & RAVON, 2023b. NDFF Verspreidingsatlas Amfibieën. Geraadpleegd in oktober 2023 van https://www.verspreidingsatlas.nl/amfibieen NDFF & RAVON, 2023c. NDFF Verspreidingsatlas Reptielen. Geraadpleegd in oktober 2023 van https://www.verspreidingsatlas.nl/reptielen Netwerk Groene Bureaus, 2021. Vleermuisprotocol 2021. Geraadpleegd in oktober 2023 van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol Provincie Overijssel. Omgevingsverordening Overijssel 2024. Geraadpleegd in oktober 2023 van https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-dekaart/viewer/(documentresult//rechterpaneel:document/%2Fakn%2Fnl%2Fact%2Fpv23%2F2023%2Fomgevingsverordening /overzicht)?id=%2Fakn%2Fnl%2Fact%2Fpv23%2F2023%2Fomgevingsverordening&g eldigOp=2024-01-01&inWerkingOp=2024-01-01 SOVON, 2023. Verspreiding en trends. Geraadpleegd in oktober 2023 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten