RV26.044 WA-Hoeve NZOV Toelichting
Tekst van het document
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
51
2036 (tien jaar na vaststelling van het bestemmingsplan). De in de Wgh gestelde grenswaarden zijn van toepassing op de geluidbelasting vanwege de afzonderlijke geluidbronnen. In dit onderzoek is de geluidbelasting daarom per (spoor)weg berekend en getoetst. Uitgangspunt is dat alle bebouwing maximaal 2 geluidgevoelige lagen heeft. De appartementen in de noordwestzijde van het Zuidelijk ontwikkelveld hebben mogelijk meer geluidgevoelige lagen. Dit heeft voor de berekeningen geen gevolgen. Wegverkeer: N238, Pleineslaan, nieuwe interne weg N238 De geluidbelasting bedraagt maximaal 59 dB op de gevels van de woningen. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder overschreden met 11 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. De maximale streefwaarde van de gemeente Zeist (conform het geluidbeleid) van 58 dB wordt licht overschreden. Niet alle woningen met een geluidbelasting boven de voorkeurswaarde hebben een geluidsluwe gevel ten gevolge van wegverkeer. Bij het toetsen aan de eis dat elke woning een geluidsluwe gevel moet hebben, is er rekening mee gehouden dat de gevel geluidsluw dient te zijn vanwege zowel wegverkeer als railverkeer. Voor de twee meest zuidelijke bouwblokken dient, in verband met railverkeer, de westgevel geluidsluw te zijn (omdat de oostgevel een hogere geluidsbelasting ondervindt vanwege railverkeer).
De westgevel daarentegen ondervindt een hogere geluidsbelasting vanwege wegverkeer. Daarom is geconcludeerd dat deze bouwblokken geen gevel hebben die voor beide lawaaisoorten geluidsluw is. Hogere waarden moeten worden verleend, en bij het aanvragen van de omgevingsvergunning moet aandacht worden besteed aan een goede gevelgeluidwering van de woningen. Op de grens van het bouwplan bedraagt de maximale geluidbelasting circa 65 dB op 4,5 meter hoogte. Afbeelding 5.3 geeft de (vrije veld) geluidcontouren weer op 4,5 meter hoogte.
Afbeelding 5.3: Geluidcontouren op 4,5 meter hoogte Pleineslaan Het betreft hier een klein stuk 50 km weg die westelijk richting de dorpskern/ Bilthoven loopt. De invloed van deze weg op het bouwplan is verwaarloosbaar.
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
52
Nieuwe interne weg (tegenover Pleineslaan) Conform verkeersberekeningen van Haskoning genereert deze (30 km/uur) weg per etmaal de volgende verkeersproductie: 1. Personenauto's: 1.264 + 1.189 = 2.453 stuks; 2. Middelzware vrachtwagens: 38 + 37 = 75 stuks; 3. Zware vrachtwagens: 12 + 19 = 31 stuks. Afbeelding 5.4 geeft de berekende geluidscontouren (inclusief 5 dB aftrek). Hieruit blijkt dat de 48 dB-contour ligt op een afstand van circa 18 m tot de as van de weg. Bij bijna alle woningen zal de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder (als richtwaarde) worden gerespecteerd. Daarmee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Afbeelding 5.4: Berekende geluidcontouren Omgeving als gevolg verkeersgeneratie plan De verkeersgeneratie als gevolg van de bouwplannen voor het NOV en het ZOV en de Historische Middenas geeft een toename van de geluidsbelastingen vanwege de N238 van 0,3 dB, hetgeen kan worden beschouwd als zeer beperkt. Railverkeer De geluidbelasting bedraagt maximaal 62 dB op de gevels van de woningen. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder overschreden met 7 dB. De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. Ook de maximale streefwaarde van de gemeente Zeist (conform het geluidbeleid) van 63 dB wordt niet overschreden. Hogere waarden moeten worden verleend en bij het aanvragen van de omgevingsvergunning moet aandacht worden besteed aan een goede gevelgeluidwering van de woningen. Alle woningen hebben een geluidsluwe gevel voor railverkeer. Op de grens van het bouwplan bedraagt de maximale geluidbelasting 63 dB op 4,5 meter hoogte (zie afbeelding 5.5). Het aantal woningen boven de voorkeurswaarde is meer dan de richtwaarde (15%=26 woningen) van het volumebeleid van de gemeente Zeist. In het Noordelijk ontwikkelveld wordt de voorkeurswaarde niet overschreden.
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
53
Afbeelding 5.5: Geluidcontouren op 4,5 meter hoogte Industrielawaai Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat alle bedrijfskavels aan de Fornheselaan al in gebruik zijn. Dit betreffen allen bedrijven tot en met milieucategorie 3.2. De maximale afstand tot aan een gebied met functiemenging bedraagt voor deze bedrijfsactiviteiten 50 meter. Uitzondering hierop vormt het bedrijf Hoffland vanwege het aspect geluid. Hoffland Uit onderzoek door M+P wordt aangegeven dat vanwege Hoffland, ter plaatse van het Zuidelijk ontwikkelveld, een maximale geluidsbelasting optreedt van 52 dB(A). Deze waarde treedt op op de vierde bouwlaag. De maatgevende woningen van het Zuidelijk ontwikkelveld hebben echter maximaal 3 bouwlagen (maximale bouwhoogte 11 meter). Hierbij treedt een maximale geluidsbelasting op van 50 dB(A). Deze waarde wordt door de gemeente Zeist als redelijk beschouwd, de kans op hinder is hierdoor beperkt. Geluidbeperkende maatregelen Uit de resultaten is gebleken dat niet overal wordt voldaan aan de voorkeurswaarde. Conform artikel 77 Wgh moet er nog nader onderzoek worden verricht naar aanvullende maatregelen. Ook wordt niet overal voldaan aan het geluidsbeleid van de gemeente Zeist. Daarbij wordt eerst gekeken naar maatregelen bij de bron (stiller wegdek) en vervolgens naar maatregelen in de overdracht (geluidschermen of -wallen).
Hierbij is niet alleen van belang of het technisch mogelijk is om dergelijke maatregelen te treffen, ook het kostenaspect is van belang. Naast het kostenaspect kunnen bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of landschappelijke aard bestaan tegen het realiseren van bepaalde geluidmaatregelen. In dat geval dient een hoger waarde procedure te worden gevolgd. Bronmaatregelen Wegverkeer De aanleg van geluidsreducerend wegdek is vanuit civieltechnisch oogpunt (beheer, onderhoud en duurzaamheid) niet haalbaar in de volgende situaties: 1. Binnen een afstand van circa 50 meter van een op kruispunt en rotonde. Deze verharding is minder bestand tegen wringend verkeer. Er treedt dan groot en snel kwaliteitsverlies op van het wegdek door afremmend en optrekkend verkeer; 2. bij een beperkte lengte van het geluidsreducerend wegdek (minder dan 100 meter). Aanleg over een
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
54
dergelijk kort wegvak is vanuit beheers- en onderhoudsoverwegingen niet wenselijk. Spoorwegen Raildempers zijn voorgevormde elementen van een elastisch materiaal en staal die tegen de zijkanten van de rails aangebracht worden. Ze dempen de trillingen van de rails als er een trein overheen rijdt en verminderen zo het geluid. De raildemper levert een geluidsbeperking op van circa 3 dB. Raildempers kunnen alleen worden toegepast op voegloos spoor op betonnen dwarsliggers. Ook kunnen raildempers niet op wissels en op overwegen, alsmede direct naast overwegen worden toegepast. Overdrachtsmaatregelen Het plaatsen van een geluidscherm of -wal kan effectief zijn om het geluid in de woonomgeving terug te dringen. Geluidschermen zijn echter alleen mogelijk als er voldoende ruimte tussen de bron en de geluidgevoelige objecten is. Daarbij is het relevant dat er ook technische en veiligheidsbeperkingen zijn bij het treffen van geluidsmaatregelen. Deze zijn door ProRail vastgelegd in de Ontwerp Voorschriften Spoor (OVS Geluidsbeperkende voorzieningen). Hierin staan bijvoorbeeld beperkingen voor de hoogte van geluidsschermen rondom overwegen Daarnaast kunnen schermen en wallen een ongewenste verkeerskundige of stedenbouwkundige barrière vormen. Geluidschermen zijn in een stedelijke situatie vaak moeilijk inpasbaar.
Maatregelen Verkeerslawaai N238 Vanwege de geluidsniveaus veroorzaakt door de N238 is het wenselijk te onderzoeken of hier geluidsreducerende maatregelen kunnen worden getroffen. Toepassen van het wegdek Dunne Deklagen type A geeft maximaal 3 dB reductie en dat is onvoldoende om geluidsluwe gevels op de woningen in het zuidwestelijk deel te verkrijgen. Om voldoende geluidsluwe gevels in dat deel van het plan te verkrijgen is aanvullend aan het geluidreducerend wegdek een lang en hoog scherm nodig. Deze maatregelen worden door de initiatiefnemer niet haalbaar geacht. De initiatiefnemer wil de optredende geluidsniveaus graag reduceren door het realiseren van 8 meter hoge geluidwallen op het terrein tussen de N238 en de woningen en tussen het spoor en de woningen. (blauwe lijnen in afbeelding 5.6) In afbeelding 5.6 is een voorgestelde ligging van deze geluidwallen weergegeven, alsmede de optredende geluidsbelastingen (kleurgecodeerd). Met deze configuratie wordt voldaan aan alle eisen uit het geluidbeleid van de gemeente Zeist: 1. Alle woningen hebben een geluidsluwe gevel. Het gaat hier om gevels die zowel geluidluw zijn vanwege wegverkeers- als vanwege spoorwegverkeer. 2. Er wordt ook (nagenoeg) voldaan aan de inspanningsverplichting dat maximaal 15% van de woningen geluidsbelastingen ondervindt hoger dan de voorkeursgrenswaarde door wegverkeerslawaai of railverkeerslawaai.
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
55
Afbeelding 5.6: Geluidbelasting op gevels vanwege wegverkeer (inclusief het treffen van maatregelen) Maatregelen spoorweglawaai De geluidsniveaus vanwege spoorweglawaai zijn maximaal 61 dB. Het aanbrengen van geluidschermen of raildempers zou over een afstand van ca 600 meter aan de oostzijde plaats moeten vinden om effect te sorteren. Ten westen van het onderzoeksgebied bevindt zich een station waardoor raildempers minder effect zullen sorteren. Gezien de relatief beperkte hoeveelheid woningen is een geluidscherm mogelijk financieel niet doelmatig. De initiatiefnemer wil de optredende geluidsniveaus vanwege spoorweglawaai graag reduceren door het realiseren van 8 meter hoge geluidwallen op het terrein tussen de N238 en de woningen en tussen het spoor en de woningen (blauwe lijnen in afbeelding 5.7). In afbeelding 5.7 zijn de optredende geluidsbelastingen weergegeven. Met deze configuratie wordt voldaan aan alle eisen uit het geluidbeleid van de gemeente Zeist: 1. Alle woningen hebben een geluidsluwe gevel. 2. Maximaal 15% van de woningen ondervindt een geluidsbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde.
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
56
Afbeelding 5.7: Geluidbelasting op gevels als gevolg van railverkeer (inclusief het treffen van maatregelen) Maatregelen aan gevels woningen Indien het niet haalbaar is met bron- of overdrachtsmaatregelen afdoende geluidreductie te behalen, zal het nodig zijn maatregelen aan de gevels te treffen. Het is nodig (bij de omgevingsvergunningaanvraag bouwen) een onderzoek gevelgeluidwering te verrichten voor alle woningen waarvoor een hogere waarde wordt verleend. De gemeente Zeist heeft een Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder, waaraan eveneens moet worden getoetst. Een van de eisen is dat per woning minimaal één geluidsluwe gevel aanwezig moet zijn. Hieraan kan met de huidige verkaveling, inclusief de oprichting van 8 meter hoge geluidwallen, worden voldaan. Conclusie Met het treffen van maatregelen in de vorm van het aanleggen van geluidwallen en het verlenen van hogere waarden is het bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van geluid.
5.6
Externe veiligheid
Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan dient een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituatie (Wm, Wro, Wabo) Voor dit bestemmingsplan dienen risicobronnen in het plangebied en in de omgeving ervan in kaart gebracht te worden en getoetst te worden aan de risicomaten plaatsgebonden risico en groepsrisico. Er is een externe veiligheidsonderzoek uitgevoerd (Onderzoek externe veiligheid WAH Den Dolder, Royal HaskoningDHV, 27 januari 2021, Bijlage 8). In de volgende AMvB's en circulaires zijn risiconormen opgenomen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn de risiconormen voor risicovolle inrichtingen weergegeven ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval.
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
57
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In dit besluit zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Vuurwerkbesluit. In dit besluit zijn voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk veiligheidsafstanden vastgesteld. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Het Activiteitenbesluit milieubeheer: In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen opgenomen die moeten worden aangehouden ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Onderzoek Onderzocht is in hoeverre externe veiligheid een rol speelt binnen het plangebied.
Specifiek moet hierbij worden onderzocht of er risicobronnen zijn die voor de ontwikkeling binnen het plangebied relevant zijn. Daarbij moeten de volgende twee vragen worden beantwoord: Laat het plangebied risicobronnen toe? en/of; Staat het plangebied kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toe? Indien het antwoord op de eerste vraag ja is, wordt vastgesteld of: De risicobron(nen) onder één van de besluiten of circulaires val(t)(len) en/of; Het invloedsgebied of de veiligheidsafstand van de risicobron over (beperkt) kwetsbare objecten is gelegen. Indien het antwoord op de tweede vraag ja is, wordt vervolgens vastgesteld of: De risicobron(nen) in de omgeving van het plangebied onder één van besluiten of circulaires val(t)(len) uit hoofdstuk 2 en/of; Het invloedsgebied of de veiligheidsafstand over het plangebied valt. Wanneer hiervan sprake is, is de risicobron of het plangebied relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid en moet getoetst worden aan de eisen die vanwege de externe veiligheid worden gesteld. Het plangebied maakt woningen mogelijk. Woningen zijn kwetsbare objecten. Om deze reden wordt de bestemming die het bestemmingsplan mogelijk maakt als externe veiligheid relevant beschouwd. Risicobronnen in het plangebied Het bestemmingsplan maakt geen risicobronnen mogelijk in het kader van externe veiligheid.
Risicobronnen in de omgeving Het plangebied maakt conform het Bevi kwetsbare objecten mogelijk. Met de risicokaart is onderzocht welke risicobronnen in de omgeving van het plan relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Resultaten Voor het plan is de N238 relevant in het kader van externe veiligheid. Conform het Bevt is getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De N238 heeft geen PR10-6 contour en vormt daarmee geen belemmering voor het plan. Het groepsrisico van de N238 ligt onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde en neemt door het plan naar verwachting op basis van de vuistregels HART beperkt toe (minder dan 10%). Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is verplicht. Handvaten voor de verantwoording van het groepsrisico zijn in Bijlage 8 in te zien. De Veiligheidsregio Utrecht (VRU) is gevraagd advies uit te brengen op het onderhavige plan. Het advies van de VRU is als bijlage opgenomen in het externe veiligheidsonderzoek. Verantwoording groepsrisico
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
58
Uit de berekeningen van het groepsrisico blijkt dat deze beperkt toeneemt, derhalve is een beperkte verantwoording van het groepsrisico verplicht. Mogelijkheden rampenbestrijding en zelfredzaamheid In samenwerking met de veiligheidsregio zijn de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid onderzocht. De mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid zijn geïnventariseerd naar aanleiding van de maatgevende scenario's voor het transport van brandbare tot vloeistof verdichte gassen. Onderstaande voorzieningen kunnen hier een positieve invloed op hebben: De mogelijkheden voor rampenbestrijding Bluswatervoorzieningen zijn aanwezig in het plangebied. Het plangebied is goed bereikbaar voor de brandweer, de dichtstbijzijnde kazerne is gelegen naast het plangebied, de opkomsttijden zijn hierdoor beperkt. Specifiek voor transportongevallen met LPG of propaan (fysisch zeer vergelijkbaar) er een incidentbestrijdingsplan LPG is vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de VRU (2015). Hierin worden specifieke handelingsperspectieven en afwegingen bij dergelijke incidenten meegegeven aan hulpdiensten en het bevoegd gezag. Het routeringsbesluit van de gemeente Zeist beperkt het doorgaande transport van gevaarlijke stoffen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid Risico-alarmering verloopt via WAS-palen en wordt op termijn vervangen door NL-alert.
Risicocommunicatie: Georganiseerd tussen VRU en gemeente. Vluchtroutes en schuilmogelijkheden. Bij vaststelling van dit bestemmingsplan zal de gemeenteraad besluiten dat op basis van bovenstaande het groepsrisico aanvaardbaar is. Conclusie Voor het NOV en ZOV zijn geen relevante risicobronnen aanwezig. De beperkte toename van het groepsrisico is aanvaardbaar. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.7
Bodemkwaliteit
Wettelijk kader/inleiding In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden.
Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd. Onderzoek In 2018 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek Vijverhof en omgeving te Den Dolder, Hopman en Peters, 31 oktober 2018, Bijlage 9). In het onderzoek is het NOV aangeduid als deellocatie 2 (overige terreindelen) en het ZOV als deellocatie 1. Op basis van
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
59
vooronderzoek en veldonderzoek blijkt dat voor deellocatie 1 lokaal in de bovengrond (langs de Distelvlinder) sprake is van overschrijding van de achtergrondwaarde voor PAK (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen). Op de overige terreindelen zijn zowel in de boven- als ondergrond geen verontreinigingen aangetoond. Voor de overige terreindelen op deellocatie 2 geldt dat er in nagenoeg alle mengmonsters van de bovengrond overschrijdingen van de achtergrondwaarden voor één of meer parameters zijn aangetoond (het betreft zink, kwik, lood, PAK en PCB). Deellocatie 1 (ZOV) geldt als onverdachte locatie. Deellocatie 2 (met daarin het NOV) geldt als verdacht, waar aanvullend of nader bodemonderzoek noodzakelijk is voor de omgevingsvergunning procedure. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit voor het NOV en ZOV behoeft geen nader onderzoek en vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Mocht uit aanvullend onderzoek blijken dat sanering van gronden noodzakelijk is, dan komen de kosten hiervan voor rekening van de initiatiefnemer.
5.8
Water
Wettelijk kader / inleiding In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets (Watertoets ontwikkeling Willem Arntsz-Hoeve Den Dolder, Royal HaskoningDHV, 18 maart 2021, Bijlage 10) resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Onderzoek De waterparagraaf is 'een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding'. In de waterparagraaf neemt de initiatiefnemer het wateradvies op van de waterbeheerder, motiveert de eventuele afwijkingen hiervan en stelt eventuele compenserende of mitigerende maatregelen voor. De waterbeheerder, in dit geval waterschap Vallei en Veluwe, stelt in dit proces normaal gesproken de kaders voor onder andere de wateropgave vast. De wateropgave houdt in dat voldoende bergingscapaciteit wordt gerealiseerd voor compensatie van het verharde oppervlak of het dempen van sloten.
Daarnaast geeft het waterschap aan welk beleid en welke criteria aangehouden moeten worden voor bijvoorbeeld het bergen en lozen van regenwater op de riolering en/of het oppervlaktewater. Resultaten Waterpeil Gelet op de inrichting waarbij bestaande bomen en begroeiing zoveel mogelijk worden behouden en waarbij naast nieuwe te bouwen woningen, monumentale panden worden herbestemd, zal de bestaande maaiveldhoogte zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Verder is er, gelet op de grondwaterstanden bij een gemiddelde hoogste grondwaterstand, voldoende ontwateringsdiepte aanwezig. Het plangebied wordt zodanig ingericht dat geen probleemlocaties wordt verwacht bij intensieve regenval. Vuilwaterafvoer In de toekomstige situatie wordt het vuilwater gescheiden ingezameld van het hemelwater afkomstig van daken en verhardingen. Vanaf de perceelsgrens heeft de gemeente een resultaatsverplichting om het geproduceerde afvalwater in te zamelen en af te voeren naar een overnamepunt met het waterschap. Deze ontvangt en zuivert het vuilwater vervolgens. Aangezien deels bestaande en gehandhaafde panden worden herbestemd, wordt naast vuilwaterafvoer van nieuwe woningen ook het vuilwater van deze panden gescheiden ingezameld van het hemelwater.
Middels één of meerdere pompgemalen wordt het vuilwater van de verschillende deelgebieden in afstemming met de gemeente aangeboden op het gemeentelijk rioleringsstelsel.
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
60
Bij de verdere uitwerking van het plan wordt daarbij rekening gehouden met de afvoer van de woningen aan de noordzijde van het plangebied en de afvoer van de zorginstelling Reinaerde. Beide afvoeren zijn momenteel aangesloten op het bestaande gemengde stelsel in het plangebied. Verder dient bij de nadere uitwerking bekeken te worden of het haalbaar is om het bestaande riolering in de toekomst te hergebruiken als vuilwaterriool. Hemelwaterafvoer Bij nieuwbouw is de initiatiefnemer (projectontwikkelaar, particulier of gemeente) verantwoordelijk voor het gescheiden verwerken van hemelwater en het hydrologisch neutraal houden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling. Gezien de groene uitstraling van de nieuwe inrichting en het gebrek aan oppervlaktewater in de nabije omgeving van het plangebied, is het voorstel om al het hemelwater op te vangen, te bergen en uiteindelijk te infiltreren in de bodem van natuurlijke laagten binnen (en eventueel net buiten) het plangebied. Het watersysteem krijgt daarbij geen uitlaat op het watersysteem van waterschap Vallei en Veluwe. Zowel de gemeente als het waterschap hebben verder de voorkeur om hemelwater zoveel mogelijk te verwerken op eigen terrein en waar mogelijk hemelwater terug te brengen in de bodem.
Aansluitend op deze visie is het voorstel om de eerste 35,7mm van een regenbui vallend op het verhard oppervlak van de nieuwbouw-percelen, op te vangen en te verwerken op het eigen perceel. Het eventuele resterende deel van de regenbui afkomstig van de percelen zal afgevoerd worden naar het openbaar gebied. Voor wat betreft de te handhaven bestaande bebouwing is het voornemen om de daken zoveel mogelijk af te koppelen van de gemengde riolering. Dit hemelwater zal samen met het hemelwater afkomstig van de verhardingen in het openbaar gebied, zoveel mogelijk bovengronds met behulp van molgoten afgevoerd worden richting de natuurlijke laagten/infiltratiezones. Indien bovengrondse afvoer niet mogelijk is, dan zal het hemelwater ondergronds afgevoerd worden naar de bergingen/infiltratiezones. Benodigde compensatie waterberging Aangezien het voorstel is om al het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te infiltreren, is de compenserende beleidsregel voor extra verhard oppervlak vanuit het waterschap hier niet van toepassing. Er zal namelijk geen afvoer van hemelwater plaatsvinden naar het watersysteem van het waterschap. Er zal echter wel voor gezorgd moeten worden dat hemelwater niet tot overlast leidt binnen en buiten het plangebied. Gezien de klimaatontwikkelingen nemen de buien toe in intensiteit.
Binnen het plangebied zal er daarom voldoende bergingsruimte voor water gereserveerd dienen te worden. Voorstel is om hiervoor toch de algemene beleidsregels van het waterschap te hanteren waarin een compenserende waterberging van 600m3 per hectare verhard oppervlak (60mm) wordt voorgeschreven. Hiervan zal bij nieuwbouw, zoals afgesproken met de gemeente en waterschap, de eerste 35,7mm van een regenbui opgevangen en verwerkt worden op het eigen perceel. Deze waterberging kan ingevuld met een statische berging of een dynamische berging waarbij rekening wordt gehouden met infiltratie. Gelet op de bodemopbouw (4m deklaag fijne zanden), de hoge doorlatendheid (Kh) van 4,9m/d plangebied en een GHG van circa NAP +3,05m (2,5m tot 3m-mv), is infiltratie in dit gebied zeer goed mogelijk. Om in deze fase van de planontwikkeling inzicht te krijgen of er in de natuurlijke laagten binnen het plangebied voldoende bergingscapaciteit aanwezig is, wordt in eerste instantie gekeken naar de beschikbare bergingscapaciteit zonder dat de infiltratiecapaciteit daarin is meegenomen. Hierbij wordt meegenomen dat de hemelwaterafvoer zoveel mogelijk bovengronds afgevoerd kan worden naar de natuurlijke laagten. Om de benodigde compensatie te bepalen is inzicht nodig in de verharde oppervlakken in de toekomstige situatie.
Hieronder vallen naast de toekomstige verhardingen en dakoppervlakken van de nieuwbouw, ook de dakoppervlakken van de te handhaven bestaande gebouwen. Aangezien er geen afvoer van hemelwater plaatsvindt naar het watersysteem van het waterschap Vallei en Veluwe, wordt voor de benodigde waterberging gerekend met het totale toekomstige verhard oppervlak.
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
61
In tabel 5.5 is een overzicht gegeven van de toekomstige verhardingen per deelgebied binnen het plangebied. Voor de tuinen van de nieuwe woningen is daarbij uitgegaan van percentage van 50% verhard oppervlak (conform beleidsregels waterschap Vallei en Veluwe). Tabel 5.5: Overzicht toekomstige verhardingen per deelgebied binnen plangebied Historische Noordelijk Zuidelijke Middenas ontwikkelveld ontwikkelveld Verhard oppervlak Verhard oppervlak Verhard oppervlak [m2] [m2] [m2] Bestaande 5.190 1.070 bebouwing Uitgeefbaar terrein 3.230 9.105 12.440 waarvan: dakoppervlak 1.080 3.440 6.550 verhard* 2.150 5.665 5.890 Verharding 15.740 4.545 13.740 Totaal verhard 24.160 14.720 26.180 *Conform beleidsregels waterschap Vallei en Veluwe een percentage van 50% gehanteerd voor verharding tuinen nieuwe woningen. In tabel 5.6 is een overzicht gegeven van de benodigde berging op basis van de toekomstige verharding. Hierbij is geen rekening gehouden met infiltratie van hemelwater in de ondergrond. In de tabel is een onderverdeling gemaakt in de benodigde berging op eigen terrein (35,7mm) en benodigde berging in het openbaar gebied. In de tabel is te zien dat er voor het deelgebied Historische Middenas een totale berging benodigd is van 1.455m3 waarvan 115m3 op eigen terrein gerealiseerd dient te worden.
Voor het Noordelijk ontwikkelveld is een totaal benodigde berging berekend van 885m3 waarvan 325 m3 op eigen terrein gerealiseerd dient te worden; voor het Zuidelijk ontwikkelveld is een totale berging benodigd van 1.570m3 (waarvan 445m3 op eigen terrein). Tabel 5.6: Overzicht benodigde statische berging per deelgebied binnen plangebied Noordelijk Zuidelijk Historische ontwikkelveld ontwikkelveld Middenas (HMA) (NOV) (ZOV) Toekomstige verharding 24.160 m2 14.720 m2 26.180 m2 3 3 Benodigde berging op eigen 115 m 325 m 445 m3 terrein (35,7mm)* Benodigde berging openbaar gebied bestaande bebouwing 310 m3 65 m3 0 m3 (60mm) 80 m3 220 m3 300 m3 Uitgeefbaar terrein 950 m3 275 m3 825 m3 3 3 (24,3mm)** 1.340 m 560 m 1.125 m3 Openbare verharding (60mm) Totaal openbaar gebied Totaal benodigde berging 1.455 m3 885 m3 1.570 m3 (T=100) *betreft het verhard oppervlak uitgeefbaar terrein x 35,7mm; eerste deel van de regenbui wordt op eigen terrein geborgen. **betreft het verhard oppervlak uitgeefbaar terrein x 24,3mm; resterende deel van regenbuien > 35,7mm worden afgevoerd op openbaar gebied. Beschikbare waterberging Gelet op de toekomstige inrichting heeft het de voorkeur om bij de invulling van de benodigde waterberging in dit plangebied zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande natuurlijke laagten danwel gegraven laagten daar waar mogelijk en wenselijk.
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
62
De invulling van de waterberging ten behoeve van de Historische Middenas (HMA) en het Noordelijk ontwikkelveld (NOV) zijn daarbij samen bekeken. De benodigde waterberging in de openbare ruimte van deze twee gebieden is 1.900m3 (zie tabel 4). In afbeelding 5.8 is het principe van de hemelwaterafvoer en de laagten/bovengrondse bergingen in deze deelgebieden weergegeven. Het hemelwater wordt zoveel mogelijk bovengronds afgevoerd. Indien bovengrondse afvoer niet haalbaar is (transportafstand >50m), wordt naar ondergrondse afvoeroplossingen gezocht. Voor wat betreft de inzet van de laagte 12 (niet in eigendom) als waterberging is reeds afstemming geweest met Utrechts Landschap; Utrechts Landschap gaat akkoord dat deze locatie wordt gebruikt als waterberging bij intensieve regenbuien. Verder wordt voor de berging van hemelwater een bestaande laagte met een ondergrondse bergingsvoorziening ingezet (laagte 8) en is het voorstel om op één locatie een laagte aan te brengen (laagte 11).
Afbeelding 5.8: Principe hemelwaterafvoer HMA en NOV naar natuurlijke- of gegraven laagten/bovengrondse bergingen In tabel 5.7 is een overzicht gegeven van de beschikbare waterberging in de bestaande natuurlijke laagten. Hierbij is gerekend met een maximale vulling van de berging tot 20cm-het laagste maaiveld in het afvoerend gebied of, indien lager gelegen, een maximale vulling tot 20cm- de laagste dorpelhoogte van de bestaande bebouwing. De beschikbare berging in de nog te ontgraven laagte 11 is in eerste instantie nog niet meegenomen in dit overzicht. Tabel 5.7: Overzicht beschikbare waterberging in bestaande laagte in en net buiten plangebied t.b.v. HMA en NOV Berging in laagte Laagte, zie figuur 13 Opmerkingen [m3] * 2 1.100 Bestaande laagte 3 1.345 Bestaande laagte 4 455 Bestaande laagte 5 390 Bestaande laagte 6 900 Bestaande laagte 8 345 ** Bestaande laagte
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
63
10 11 12
60 Nog nader in te vullen 265
Bestaande laagte Nog te graven laagte Bestaande laagte in eigendom van Utrechts Landschap
Totaal beschibare 4.860 berging Benodigde 1.900 waterberging * gerekend met een maximale vulling van de berging tot 20cm-het laagste maaiveld in het afvoerend gebied of, indien lager gelegen, tot een maximale vulling van 20cm- de laagste dorpelhoogte. **berging inclusief ondergrondse voorziening (ø4000mm, 1,5m hoog) Totaal is er in de deelgebieden HMA en NOV een bestaande berging beschikbaar van 4.860m3 (berging in laagte 11 hierin nog niet meegenomen). Aangezien de bergingslocaties over de deelgebieden HMA en NOV zijn verdeeld, is afvoer vanuit verschillende hoeken van het plangebied mogelijk naar de locaties. Uitgaande van een benodigde berging in het openbaar gebied van 1.900m3 is er voldoende waterberging beschikbaar in de deelgebieden HMA en NOV. Gelet op de bodemopbouw, de hoge doorlatendheid en de GHG binnen het plangebied, is zoals eerder aangegeven infiltratie zeer goed in dit gebied. Verwachting is dat de waterbergingen voor de volgende intensieve bui weer beschikbaar zijn. Ook voor het Zuidelijk ontwikkelveld (ZOV) is het voorstel om zoveel mogelijk berging te vinden in natuurlijke laagten aangevuld met te graven laagten. In afbeelding 5.9 is een overzicht gegeven van de waterbergingslocaties in dit deelgebied. In totaal is er voor dit deelgebied 1.125m3 aan waterberging in het openbaar gebied benodigd.
Verwacht wordt dat er gelijk aan de deelgebieden HMA en NOV voldoende waterberging beschikbaar is in de omgeving. Aangezien deelgebied ZOV nog in ontwikkeling is, zal de nadere uitwerking van de beschikbare waterberging in een latere fase bepaald dienen te worden.
Afbeelding 5.9: Principe hemelwaterafvoer ZOV naar natuurlijke- of gegraven laagten/bovengrondse bergingen Aandachtspunt bij de verdere uitwerking van de hemelwaterafvoer en en bovengrondse bergingen bij alle
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
64
deelgebieden is dat bij hevige buien naastgelegen percelen geen wateroverlast mogen ondervinden. De inrichting van het plangebied moet zodanig uitgewerkt worden dat het water van de woningen en percelen afstroomt. Hydrologische gevolgen grondwater Er worden geen effecten anders dan aanvulling van het grondwater verwacht bij de uitvoering van deze ontwikkeling. De gemiddelde grondwaterstand ligt in de huidige situatie op ca. NAP +2,55m (3 tot 3,5m-mv). Aanvulling van het grondwater zal geen nadelige gevolgen hebben voor de ontwateringsdiepte van de huidige- maar ook toekomstige bebouwing. De benodigde ontwateringsdiepte woningen met kruipruimte is 0,7m; voor rijbanen is een ontwateringsdiepte van ca. 1m benodigd. Op locaties waar actief geïnfiltreerd wordt, dient de ondergrond voorafgaand gecontroleerd te worden op storende lagen. Indien nodig dienen deze verwijderd danwel doorbroken te worden om stagnatie te voorkomen. Waterkwaliteit In de toekomstige situatie wordt het hemelwater van daken en verhardingen gescheiden ingezameld van het vuilwater en aangesloten op de waterbergingen/infiltratiezones binnen het plangebied. Verwacht wordt dat het hemelwater afkomstig van de daken en verhardingen relatief schoon is. Alleen het hemelwater afkomstig van balkons (vervuild schrobwater) wordt in verband met mogelijke verontreiniging aangesloten op het vuilwaterstelsel.
De verhardingen van terrassen van de woningen kunnen direct afwateren in het groen in de tuin. Een eventueel schrobputje is alleen bedoeld voor vervuild water. Toekomstige bewoners moeten zich hiervan bewust zijn. Watertoets In 2020 heeft over de watertoets afstemming plaatsgevonden met het waterschap Vallei en Veluwe. De door het waterschap meegegeven uitgangspunten zijn verwerkt in dit bestemmingsplan. Conclusie Op basis van bovenstaande kan gesteld worden dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is met het oog op water.
5.9
Ecologie
Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden.
Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Onderzoek Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een aantal onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken worden hierna behandeld. Middels een notitie (Actualiteit onderzoeken wettelijk beschermde natuurwaarden t.b.v. bestemmingsplan Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
65
ontwikkelveld, Haskoning, 27 februari 2026, Bijlage 15) is aangetoond dat de resultaten van deze onderzoeken nog actueel zijn op het moment van vaststellen van dit bestemmingsplan. In deze notitie is eveneens advies gegeven over de uit te voeren onderzoeken ten behoeve van de vergunningverlening. In het NOV zal op één deellocatie in totaal 1,9 hectare bos worden gekapt ten behoeve van woningbouw. Voor het ZOV is de verwachting dat circa 3 ha bos gekapt dient te worden ten behoeve van woningbouw. Ten behoeve van de ontwikkeling is een natuurtoets uitgevoerd (Quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming Willem Arntsz Hoeve Den Dolder, Royal HaskoningDHV, 14 juli 2020, Bijlage 11 en ten behoeve van een gedeelte van het NOV: Natuurtoets flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming onderdeel Soortenbescherming Historische Middenas (HMA) Willem Arntsz Hoeve Den Dolder, Royal HaskoningDHV, 1 februari 2021, Bijlage 12). Tijdens een veldbezoek (december 2019) is een habitatgeschiktheidsanalyse gedaan voor beschermde soorten die volgens de eerder uitgevoerde bureaustudie mogelijk voorkomen. De te slopen gebouwen en gebouwdelen zijn zowel van buiten als van binnen gecontroleerd op aanwezigheid en mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen.
Vervolgens wordt beoordeeld of het hier ter toetsing voorliggende voornemen geen van de voor deze soorten onder de Wet natuurbescherming geformuleerde verbodsbepalingen overtreedt. Soortenbescherming Planten Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er géén onder de Wet natuurbescherming beschermde planten in het plangebied zijn waargenomen. De ontwikkellocaties bestaan uit gemengd bos met voornamelijk den, eik en berk. in de ondergroei komt veel braam en klimop voor, wat ondanks dat het zandgrond betreft, duid op voedselrijke omstandigheden. Beschermde soorten komen vooral voor op extensief beheerde en weinig bemeste akkers en kalkrijke standplaatsen. Daarnaast komen ze voor in (natuur)gebieden met zeer schrale, zwak zure standplaatsen. Dergelijke omstandigheden zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Omdat het plangebied is gelegen in een bosgebied met redelijk voedselrijke en verstoorde omstandigheden worden geen beschermde vaatplanten in het plangebied verwacht en kan een overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb worden uitgesloten. Vleermuizen Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van 5 beschermde vleermuissoorten, de gewone en ruige dwergvleermuis, de rosse vleermuis, de laatvlieger en gewone grootoorvleermuis.
De gewone grootoorvleermuis komt verspreid over heel Nederland voor, maar nergens in grote aantallen. De soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden. De gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in nest- en vleermuiskasten. Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders. Overwinterende gewone grootoorvleermuizen zijn echter ook op zolders en in kerktorens, en een enkele keer in boomholtes gevonden (IKL, 2019). Ruige dwergvleermuizen en rosse vleermuizen zijn typisch boombewonende vleermuizen. Bomen zijn belangrijke verblijfplaatsen voor vleermuizen, zowel in de zomer als in de winter. Allerlei holtes kunnen aantrekkelijk zijn voor vleermuizen, zoals verlaten spechtenholen of holen die door rotting bij een afgebroken tak ontstaan zijn. Laatvliegers en gewone dwergvleermuizen zijn gebouw bewonende vleermuizen. Ze kiezen als onderkomen vaak spouwmuren van woonhuizen. Grijze grootoorvleermuizen hebben een voorkeur voor grote open ruimten zoals kerkzolders.
Er worden in het NOV geen gebouwen gesloopt, in het ZOV staat slechts één (te slopen) gebouw, het 'Deltahuis'. Het ZOV is op 8 juli 2020 onderzocht, waarbij ook beoordeeld is of het gebouw potentieel geschikt is voor vleermuizen. Er zijn geen invliegopeningen waargenomen, het gebouw heeft daarnaast
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
66
een strakke afwerking en een plat dak. Het is niet de verwachting dat hier vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Een nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebouw is niet nodig. In de bosgebieden die voor de ontwikkeling gekapt zullen worden zijn tijdens het oriënterend veldbezoek bomen met geschikte holten voor vleermuizen waargenomen. Het betrof slechts een oriënterend veldbezoek waarbij niet elke boom is gecontroleerd. Aanvullend onderzoek op de ontwikkellocaties waar bos gekapt wordt is van wetswege noodzakelijk omdat een overtreding van de verbodsbepaling van de Wnb niet op voorhand uit te sluiten is voor vleermuizen. Overige zoogdieren Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van 4 beschermde zoogdieren namelijk boommarter, das, eekhoorn en steenmarter. Voor de algemene grondgebonden zoogdieren met een vrijstelling van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen en geldt alleen de algemene zorgplicht. Amfibieën Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er géén onder de Wet natuurbescherming beschermde amfibieën in het plangebied zijn waargenomen. Voortplantingswateren voor amfibieën ontbreken in het plangebied. Ook ontbreekt het landbiotoop voor beschermde soorten binnen het plangebied, zoals open, zandige pionierslocaties.
Reptielen Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er vier onder de Wet natuurbescherming beschermde reptielen in het plangebied zijn waargenomen. Het betreft de zandhagedis, de levendbarende hagedis, de hazelworm en de ringslang. Gezien het grote aantal waarnemingen kan ervan uitgegaan worden dat alle vier de soorten een populatie in of om het plangebied hebben. De zandhagedis en de levendbarende hagedis zijn in het heideterreintje ten noordoosten van het plangebied waargenomen. Dit heideterreintje is het geschikte leefgebied voor deze soorten. Hoewel het aanliggende bosgebied in het plangebied minder geschikt is voor deze soorten is het niet uit te sluiten dat de soorten hier toch ook voorkomen. De hazelworm heeft een groter verspreidingsgebied dat ook in het plangebied ligt en is waargenomen in de HMA, ten noorden van het plangebied. De ringslang is minder vaak waargenomen maar wel meer verspreid over het hele terrein ondanks dat er weinig water in de omgeving aanwezig is. Een van de waarnemingen betrof een juveniel wat indiceert dat in de omgeving geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig is. De aanwezigheid van dood hout, takenrillen en holen in de grond maakt het plangebied een geschikt leef- en voortplantingsgebied voor de hazelworm en in mindere mate voor de ringslang.
Broedvogels Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er zeer veel onder de Wet natuurbescherming beschermde vogels in het plangebied zijn waargenomen. Het betreft met name algemene soorten van bossen. Daarbij zijn ook twee soorten met jaar rond beschermde nesten, de havik en de buizerd. Tijdens het veldbezoek zijn ook verschillende vogelsoorten waargenomen zoals, koolmees, boomklever, gaai, zwarte kraai en ekster. Ook de buizerd is tijdens het oriënterend veldbezoek waargenomen, een horst is niet gevonden, maar kan mogelijk aanwezig zijn in het plangebied. Wel zijn verschillende kleinere nestjes van algemene soorten waargenomen en meerdere bomen met holten waarin holenbroeders kunnen broeden. Overtredingen van de verbodsbepaling van de Wnb ten aanzien van vogels vallen niet uit te sluiten. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (half maart tot half augustus) uit te voeren is echter voor broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb uitgesloten. Dit dient te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Een aanvullende onderzoek naar jaarrond beschermde nesten in het bos is noodzakelijk. Wanneer aanwezigheid van dit soort nesten wordt aangetoond is een aanvraag voor een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk.
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
67
Voor de beschermde soorten zal aanvullend onderzoek uitgevoerd worden. Dit onderzoek richt zich op de volgende soorten: Vleermuizen boom- en gebouwbewonend (verblijfplaatsen en foerageergebied) Reptielen (hazelworm, ringslang, zandhagedis, levendbarende hagedis) Jaarrond beschermde nesten in bomen (buizerd) Verschillende grondgebonden zoogdiersoorten Het is in de lijn der verwachtingen dat alle ontheffingen worden verkregen en dat daar waar negatieve effecten optreden, passende en mitigrerende dan wel compenserende maatregelen worden uitgewerkt en/of worden genomen. Natuurnetwerk Nederland Herontwikkeling van het terrein vindt voor een klein gedeelte plaats binnen de bestaande begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). Op een aantal locaties zal hierdoor mogelijk sprake zijn van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. In het kader van dit bestemmingsplan is een nadere onderbouwing (Herontwikkeling Willem Arntsz Hoeve Den Dolder NNN-toets, Royal HaskoningDHV, 30 mei 2023, Bijlage 13) opgesteld van de mogelijke aantasting van het NNN op de planlocatie en zijn mogelijke maatregelen om de effecten te voorkomen (mitigeren) en maatregelen om een meerwaarde te creëren inzichtelijk gemaakt.
Aanvullend op deze onderbouwing is nader onderzoek uitgevoerd naar de NNN-waarden van de betreffende oppervlakte NNN (Nader onderzoek ZOV in het kader van NNN, Royal HaskoningDHV, 15 februari 2024, Bijlage 14). NOV Aan de westzijde van het NOV valt een hele smalle strook binnen de begrenzing van het NNN. Deze gronden mogen op grond van het bestemmingsplan niet bebouwd worden en de waarden van het NNN dienen in stand gehouden en hersteld te worden. Er is derhalve geen sprake van aantasting van het NNN. ZOV De herontwikkeling van het ZOV leidt niet tot aantasting van het NNN in het licht van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Er wordt bestaande natuur toegevoegd aan het NNN. Ter plaatse van de aan te leggen nieuwe ontsluitingsweg zal wel een klein areaal aan NNN met daadwerkelijk aanwezige natuur (beheertype N15.02 dennen-, eiken- en beukenbossen) verloren gaan (max. 1.395 m2). Hiertoe dient minimaal 2.441 m2 compensatie plaats te vinden. Hiertoe wordt een areaal ter grootte van 2.490 m2 gelegen binnen de NNN-begrenzing, maar in gebruik als erf en verharding, als compensatie ingezet. Hiertoe is een compensatieplan opgesteld (bijlage 2 bij Bijlage 13). De onderlinge verbindingen tussen de bos- en heidetypen worden met de inpassing van de herontwikkelingslocaties op meerdere plekken versterkt.
Rekening houdend met toevoeging van bos aan het NNN zal de fysieke barrière voor minder mobiele en kwetsbare soorten zoals ringslang bij de nieuwe ontsluitingsweg opgeheven worden middels een herpetofaunatunnel. De compensatie en te treffen maatregelen zijn juridisch geborgd in artikelen 3.1, 3.3 en 7.3 van de planregels. Bij de herontwikkeling van het ZOV ontstaat een duidelijke meerwaarde voor het NNN ten opzichte van de huidige begrenzing van het NNN. De effecten op NNN ter plaatse van het ZOV zijn weergegeven in tabel 5.8. Tabel 5.8: effecten op het NNN, met + of een – is per saldo de aantasting of meerwaarde aangeduid
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
68
Uit de onderzoeksresultaten uit het aanvullende onderzoek naar NNN-waarden kan geconcludeerd worden dat: Het plan leidt niet tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het aanwezige NNN maar leidt tot een plus. De aanwezigheid van grondgebonden beschermde soorten das, egel, ree en vos in het betreffende perceel NNN met wildcamera is bevestigd. Vaste verblijfplaatsen komen niet voor in het plangebied. De aanwezigheid van hazelworm in het betreffende perceel NNN is vastgesteld. Mitigerende maatregelen in de uitvoering zijn nodig om doding te voorkomen. Een omgevingsvergunning is nodig voor tijdelijke aantasting van verblijfplaatsen en verstoring in het kader van de soortenbescherming. De lokale staat van instandhouding komt door het plan: een nieuwe verbindingsweg voorzien van reptielentunnels en geleiding, niet in gevaar. Ten aanzien van bijzondere insectensoorten zijn in het relatief bloemrijk graslandin het NNN verschillende insectensoorten van schralere graslanden aangetroffen. Het plan met deels verlies en deels teruggave van bebouwd gebied naar bloemrijk grasland tast het leefgebied niet aan. In het bos zijn twee bijzondere keversoorten waargenomen; met voldoende aanbod van dood hout is voldoende leefgebied aanwezig.
In het kader van de soortenbescherming dienen, in verband met de omgevingsvergunning en de uitvoering, de mitigerende maatregelen voor de hazelworm uitgewerkt te worden waarin tevens de maatregelen voor broedvogels worden opgenomen. Hiervoor dient een activiteitenplan opgesteld te worden. In een nader op te stellen ecologisch werkprotocol worden de mitigerende en voorzorgsmaatregelen eventueel met aanvullende voorwaarden vanuit de vergunning nader concreet met of door de uitvoerende partij uitgewerkt. Kappen In het NOV zal op één deellocatie in totaal 1,9 hectare bos worden gekapt ten behoeve van woningbouw. De te kappen bomen worden conform de afspraken gemaakt in het kader van het programma Hart van de Heuvelrug gecompenseerd worden door de plant van bomen in Kamp van Zeist. Er wordt op deze locatie 18,8 hectare natuur toegevoegd. Deze toevoeging van hectares groen dienen ter compensatie van verschillende bouwontwikkelingen in het programma. Het totale overzicht van rode en groene ontwikkelingen wordt administratief bijgehouden in de zogenaamde rood-groen balans Hart van de Heuvelrug. Deze balans is in evenwicht. Stikstofdepositie Conform de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Omgevingswet dient bij nieuwe activiteiten getoetst te worden of binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden.
Voor het bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
69
stikstofdepositie in de aanlegfase (tijdens de realisatie) en de gebruiksfase (na realisatie en bij ingebruikname van de nieuwe functies) geen significant negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Daarvoor zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd (Toelichtende memo behorende bij Aerius-berekening Willem Arntsz Hoeve te Den Dolder, NOx advies, 13 maart 2026, Bijlage 16). Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit project vrijkomt in zowel de bouw- als gebruiksfase en de gecombineerde fase leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Voor de inzet van het bouwmaterieel is uitgegaan van Stage IV materieel (2014 of later) met 6% AdBlue. Met deze uitgangspunten en dit resultaat zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het project geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Conclusie Natuurtoets Uit de aanvullende onderzoeken kunnen mitigerende maatregelen en ontheffingsaanvragen voortvloeien wanneer beschermde soorten worden aangetroffen. Dit aanvullende onderzoek moet nog worden uitgevoerd. Planologische gebiedsbescherming (NNN) De ontwikkeling van een ontsluiting in het ZOV zal een aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN veroorzaken, deze wordt gecompenseerd op een nabijgelegen erf.
Daarmee leidt het planvoornemen tot een plus voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het aanwezige NNN. Kappen De te kappen bomen worden gecompenseerd in het plan Kamp Zeist. Stikstofdepositie Voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase en de gecombineerde fase wordt geen toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden berekend (0,00 mol N/ha/j). Voor het bestemmingsplan vormt stikstofdepositie dan ook geen belemmering.
5.10
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt meerdere wetten en regelingen op gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet, die in 2024 inwerking is getreden. In de Erfgoedwet staat dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige danwel te verwachten monumenten. Nota Archeologische Monumentenzorg Zeist 2009 Deze beleidsnota legt vast hoe binnen de gemeente wordt omgegaan met haar archeologisch erfgoed sinds de Wet op de archeologische monumentenzorg van 2007. De nota bevat een archeologische waarden- en beleidskaart waarop het hele grondgebied is ingedeeld in zones met een hoge, middelhoge of lage archeologische verwachtingswaarde (ook de verstoorde gebieden zijn aangegeven). Per categorie zijn vrijstellingsgrenzen bepaald waarboven archeologisch onderzoek verplicht is, voor behoud van de waardevolle vondsten in de bodem. Het beleid streeft naar behoud in situ van belangrijke archeologische vindplaatsen en verankert dit binnen de ruimtelijke ordening. Concreet betekent dit dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vroegtijdig rekening wordt gehouden met bekende en te verwachten archeologie.
De gemeenteraad heeft de nota vastgesteld als kader voor vergunningverlening en bestemmingsplannen. Erfgoedverordening Zeist 2024
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
70
De erfgoedverordening Zeist 2024 biedt onder andere de mogelijkheid tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten, het instellen van een gemeentelijk erfgoedregister (voorheen monumentenlijst) en het instellen van een vergunningsplicht voor het wijzigen van gemeentelijke monumenten. Daarnaast zijn regels gesteld aan het beschermen van mogelijke archeologische waarden. Onderzoek Archeologie Door Vestigia is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (Archeologisch vooronderzoek in het kader van geplande woningbouw op de locatie Dolderse Hille te Den Dolder gemeente Zeist, Vestigia, 26 mei 2020, Bijlage 17). Daarin zijn eerder uitgevoerde onderzoeken nader bekeken en is de archeologische waarde bepaalt voor het NOV en ZOV. Voor de dekzandgebieden, de stuifzandgebieden en de deels bebouwde gebieden (met uitzondering van de huidige bouwvlakken) geldt een middelhoge verwachting voor archeologische resten uit het Mesolithicum tot de Bronstijd en voor de Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Dit betreft het hele plangebied met uitzondering van de huidige bebouwde gronden. Voor het gehele gebied is het volgende ontheffingscriterium van toepassing: diepte bodemingreep tot 30 centimeter beneden maaiveld. Indien deze vrijstellingsgrens overschreden wordt dient in eerste instantie een verkennend booronderzoek uitgevoerd te worden.
Op grond van het voorgaande wordt conform het gemeentelijk beleid gehandeld. De hoofddoelstellingen van de Nota Archeologische Monumentenzorg Zeist 2009 worden nageleefd, door een vroege inpassing van de archeologische belangen in de planvorming en daar waar nodig bescherming van het archeologisch erfgoed bij ruimtelijke ontwikkelingen. Binnen de planregels is de nota in de praktijk vertaald door onderzoek uit te voeren en een beschermende dubbelbestemming met onderzoeksplicht op te nemen. Cultuurhistorie In paragraaf 2.1 is reeds ingegaan op het aspect cultuurhistorie. In het plan worden de cultuurhistorische waarden, met name de historisch waardevolle structuren optimaal benut om een meerwaarde te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Conclusie Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 met bijbehorende vergunningenstelstel opgenomen op de verbeelding en in de planregels. Om de cultuurhistorische waarde van het Willem Arntsz complex veilig te stellen is op een groot deel van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' met bijbehorende vergunningenstelsel opgenomen. Het bestemmingsplan kan uitvoerbaar worden geacht met het oog op de aspecten archeologie en cultuurhistorie.
5.11
Trillingen
Beleidsmatig kader In Nederland bestaat geen specifiek juridisch kader voor trillingen zoals geldt voor geluid met de Wet Geluidhinder. Het juridisch kader wordt door wetgeving bepaald welke niet specifiek voor trillingen is bestemd. Het kader wordt door het onderstaande bepaald: Partijen kunnen elkaar in geval van trillingshinder of –schade civielrechtelijk aanspreken op basis van onrechtmatige daad. Hierbij wordt aangetekend dat in dergelijke geschillen de rechter tegenwoordig verder kijkt dan het pure causale verband tussen trillingen en het geclaimde gevolg (hinder of schade). Van minstens even groot belang voor de uitkomst van dergelijke zaken is de mate waarin partijen deskundig zijn en zich redelijk en zorgvuldig hebben opgesteld. Partijen die
Willem Arntsz Hoeve - Noordelijk en Zuidelijk Ontwikkelveld
71
terzake deskundig zijn (grote opdrachtgevers van infrastructurele werken, bouwbedrijven, grote beheerders van infrastructuur) hebben een zwaardere plicht waar het betreft het informeren van de andere partij, het instellen van onderzoeken en het overwegen van alternatieven. Het principe dat de partij die eist ook moet bewijzen geldt altijd, maar in de praktijk wordt deze bewijsplicht door de rechter aanzienlijk lichter gewogen, zeker als de deskundige partijen zich weinig zorgvuldig hebben opgesteld. In het ruimtelijk spoor is het kader de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO). Dientengevolge dienen voor het aspect trillingen, bestemmingen ruimtelijk zorgvuldig te worden gescheiden. Naast het juridisch kader is de jurisprudentie aangaande de meetrichtlijnen en normstelling van belang. In de gebruiksfase van de infrastructuur is de SBR B richtlijn "hinder voor personen in gebouwen" als normstelling te hanteren. Ook is de SBR A richtlijn "schade aan gebouwen" als normstelling te hanteren met betrekking tot de aanlegfase. De beoordelingssystematiek in de SBR B richtlijn "hinder voor personen in gebouwen" kent streefwaarden. In de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen geeft het ministerie van I&W richtlijnen voor de beoordeling van planvorming langs het spoor.