Beantwoording Technische vragen PRO over startnotitie deelgebied Den Dolder en Soestdijkerweg
Tekst van het document
Technische vragen over startnotitie deelgebied Den Dolder en Soestdijkerweg e.o. 15 juni 2026, Hans Snel, Rob Bliekendaal 1. In de tabel op pagina 17 staat vermeld dat voormalige stortplaatsen moeten worden aangeduid in het omgevingsplan. Geldt dit niet ook voor andere locaties waarop er een gerede kans op bodemvervuiling is, zoals voormalige benzinestations? Zouden die hier niet moeten worden toegevoegd? Het vermelden van voormalige stortplaatsen in het omgevingsplan is niet zozeer een verplichting. De voormalige stortplaatsen zijn in het bijzonder genoemd omdat de gebruiks- en herontwikkelmogelijkheden beperkter zijn dan van locaties met meer gangbare bodemverontreinigingen. Bij (diepe) stortplaatsen moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden met zettingsgevoeligheid, stortgas en verspreidingskansen van verontreinigingen in het grondwater. De landelijke en gemeentelijke regels borgen verder dat bij bouwplannen of bestemmingswijzigingen bodemonderzoek verplicht is gesteld bij elke verdenking van verontreiniging. Dit is daarmee ook voldoende geborgd voor bijvoorbeeld voormalige benzinestations. Aanduiding daarvan in het omgevingsplan is niet nodig, anders dan al via functietoekenning gebeurt bij de wijziging van het omgevingsplan.
2. In diezelfde tabel staan bij externe veiligheid een aantal risicobronnen genoemd. Opvallend is dat de spoorlijn Utrecht-Amersfoort hier niet genoemd wordt. Moet deze niet worden toegevoegd? Een spoorweg is uitsluitend een risicobron voor externe veiligheid als het spoor is aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hoewel dit feitelijk wel lijkt te gebeuren op het spoor door Den Dolder, is het spoor tussen Utrecht en Amersfoort hier (nog) niet officieel voor aangewezen. Het Rijk heeft wel het voornemen bekend gemaakt om dit spoortraject hiervoor aan te wijzen. Zowel de gemeente Zeist als de provincie Utrecht hebben hier hun zorgen over geuit. Strikt genomen is het spoor dus op dit moment (nog) geen risicobron voor externe veiligheid, maar dat zou dus op korte termijn kunnen veranderen. Daarom is deze (toekomstige) bron niet vermeld in de bedoelde tabel, maar is het weldegelijk een onderwerp dat wij blijven volgen en, indien nodig, mee zullen nemen bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan voor dit deelgebied voordat dit ter besluitvorming aan uw raad wordt voorgelegd.
3. In de reactienota van dezelfde startnotitie geeft u op pagina 12 in paragraaf 2.5.2 onder 2c) aan dat de bestemming van het speeltuin/buurtveldje aan de Johannes Wierlaan in Den Dolder Noord niet op voorhand wordt aangepast van groenbestemming in recreatiebestemming. Bij de Torteltuin kiest u ervoor om op voorhand wel de woonbestemming te veranderen in recreatiebestemming. Kunt u uitleggen, waarom deze vergelijkbare situaties leiden tot uiteenlopende beslissingen? De situaties zijn niet vergelijkbaar. De huidige groenbestemming van het speelveldje aan de Johannes Wierlaan maakt het huidige gebruik mogelijk en maakt geen veranderingen mogelijk, die het huidige, gewenste gebruik ernstig in de weg zouden zitten. Dit is anders voor de Torteltuin. Het huidige, gewenste gebruik past, strikt genomen, niet binnen de huidige bestemming. De huidige bestemming van de Torteltuin is namelijk Maatschappelijk en zou daarmee wel ontwikkelingen mogelijk kunnen maken, die het huidige, gewenste gebruik definitief en
ingrijpend zouden frustreren. Daarom is er geen reden om de functie van het speeltuintje aan de Johannes Wierlaan aan te passen, maar wel om de functie van de Torteltuin aan te passen.
4. Kan het college aangeven welke gevolgen de beoogde monumentenbiotoop heeft voor de rechtspositie en ontwikkelmogelijkheden van particuliere eigenaren in de omgeving van monumentale locaties, en welke bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden hierdoor mogelijk worden beperkt? Ten aanzien van de beoogde monumentenbiotoop (officieel de ‘Omgeving van het Monument’) moet de gemeente nog beleid opstellen. Zodra dit nieuwe monumentenbeleid is vastgesteld, is het aanwijzen van de ‘Omgeving van het monument’ (en daarmee de begrenzing van deze gebieden) in het omgevingsplan de bevoegdheid van uw raad. Het college kan dan ook op dit moment nog geen inhoudelijk antwoord geven op de gestelde vragen.
5. Kan het college aangeven welke objectieve criteria zijn gebruikt om te beoordelen dat 12 ontvangen reacties voldoende zijn om te kunnen spreken van een representatieve participatie, en in hoeverre daarbij is gekeken naar de spreiding over verschillende doelgroepen en belanghebbenden? Voor zover ons bekend bestaan er inderdaad geen objectieve criteria om te beoordelen hoeveel ontvangen reacties voldoende zou zijn om objectief vast te kunnen stellen dat een bepaald participatietraject succesvol is geweest. Dat kan ook niet. Wij weten immers niet, als iemand niet reageert, of dat is, omdat deze persoon het eens is met alles wat hij of zij gelezen heeft, dan wel, dat deze persoon niet reageert omdat deze persoon niet op de hoogte was van de mogelijkheid om te reageren. Wat wij wel constateren is dat de 12 ontvangen reacties laten blijken, dat onze aankondiging door verschillende personen en groepen is ontvangen, dat zij een actieve bijdrage hebben geleverd en dat wij daar waardevolle informatie mee hebben opgehaald. Daarbij hebben wij geen diepgaande analyse gemaakt van doelgroepen en belanghebbenden. Voordat uw raad immers een besluit gaat nemen, dat directe gevolgen heeft voor de inwoners van Den Dolder (de wijziging van het omgevingsplan) zal er nogmaals geparticipeerd worden.
Het is immers wettelijk verplicht om het ontwerpbesluit voor deze wijziging ter inzage te leggen, waarbij een ieder gedurende zes weken een zienswijze naar voren kan brengen. Wij vinden het dan ook heel belangrijk dat de participatie in die fase (de zienswijzeperiode) zeer breed bekend zal worden gemaakt in het plangebied. Voor nu, voor deze voorbereidende fase, zijn 12 reacties een prima score.