Bijlage 1- Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland-IJmond Zandvoort 2022
Tekst van het document
Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Zandvoort 2022 De raad van de gemeente Zandvoort; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum invoegen]; gelet op artikel 4 van de Huisvestingswet 2014; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;
BESLUIT: vast te stellen de ‘Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Zandvoort 2022’.
HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen § 1.1. Begripsbepalingen Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: -
-
-
-
-
bed & breakfast: vorm van toeristische verhuur, waarbij de hoofdbewoner een volgens het bestemmingsplan toegestaan deel van de woonruimte toeristisch verhuurt, terwijl hij zelf in de woonruimte aanwezig is; bouwkundig splitsen: het verbouwen van één woonruimte tot twee of meer woonruimten; burgemeester en wethouders: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort; co-ouderschap: het door de ouders na relatiebreuk voortzetten van het gezamenlijk ouderlijk gezag over hun kind, waarbij de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders is verdeeld, zoals vastgelegd in een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan; DAEB-norm: de inkomensgrens bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Woningwet; digitaal platform: degene die een dienst van de informatiemaatschappij verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor bijvoorbeeld woonruimte of toeristische verhuur; eengezinswoning: hieronder wordt verstaan een eindwoning, hoekwoning of tussenwoning; gezin: huishouden met een of meer thuiswonende kinderen; hoofdbewoner: een persoon die officieel als bewoner van een woning geregistreerd staat en daarmee onder andere verantwoordelijk is voor het betalen van bepaalde lasten; hoofdverblijf: een voor permanente bewoning geschikte verblijfplaats, die ten minste bestaat uit een keuken, woon-, was- en slaapgelegenheid, en fungeert als het
centrum van de sociale activiteiten van de betrokkene; huishouden: een persoon of groep personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren (of wensen te voeren) in een woning, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling. Indien sprake is van kamerverhuur worden deze huurders niet tot het huishouden gerekend. Vanaf 24 weken zwangerschap telt het ongeboren kind als thuiswonend kind (verklaring van verloskundige vereist). Een ouder met kind wordt gerekend als gezin. In het geval van co-ouderschap behoort het kind tot twee huishoudens. De plaats van het hoofdverblijf van het kind is de plaats waar het kind in de basisregistratie personen is opgenomen; huishoudinkomen: gezamenlijke verzamelinkomens als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 van de aanvragers van een huisvestingsvergunning voor een bij huisvestingsverordening aangewezen woonruimte, met uitzondering van kinderen in de zin van artikel 1
-
-
-
-
-
4 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met dien verstande dat in het eerste lid van dat artikel voor «belanghebbende» telkens wordt gelezen «aanvrager»; huurprijs: de prijs die bij huur per maand is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte; huurpunten: het aantal punten dat op basis van het woningwaarderingsstelsel aan een woonruimte kan worden toegekend, teneinde de maximale huurprijsgrens vast te stellen; huurtoeslaggrens: de maximale huur, waarbij nog recht op huurtoeslag bestaat, conform de huurprijs in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag; inschrijftijd: de tijd die wordt gerekend vanaf de datum van betaling van de inschrijving; inschrijftijdverlenging: tijdelijke ophoging van de inschrijftijd, zoals vermeld in artikel 2.3.10, tot een vastgesteld maximaal aantal jaar; inwoner: persoon die in de basisregistratie personen van een regiogemeente is opgenomen en ook feitelijk daar zijn hoofdverblijf heeft; inwoning: bewoning van een woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen; kwaliteitskortingsgrens: de huurprijs zoals opgenomen in artikel 20 lid 1 van de Wet op de Huurtoeslag; liberalisatiegrens: huurtoeslaggrens; middeninkomen: de inkomensgrens zoals genoemd in artikel 16 lid 1 onder b van het Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting; omzetten: het wijzigen van een
zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte(n), als bedoeld in art. 21, sub c van de Huisvestingswet; onttrekken: het anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar, onttrekken aan de bestemming tot bewoning, als bedoeld in art. 21, lid a van de Huisvestingswet 2014; onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, die geen eigen toegang heeft en die niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte; particuliere vakantieverhuur: vorm van toeristische verhuur, waarbij de hoofdbewoner de woonruimte, waar hij zelf ingeschreven staat, incidenteel, voor een korte periode en tijdens zijn eigen afwezigheid, toeristisch verhuurt. regio: het grondgebied van de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Heemstede, Heemskerk, Velsen en Zandvoort; rekenhuur: de kale huur plus de servicekosten, conform art.
5 van de Wet op de Huurtoeslag; sociale huurwoning: woonruimte met een huurprijs beneden de huurtoeslaggrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag; splitsen: het juridisch opsplitsen van woonruimte in meerdere appartementsrechten; studentenwoning: woonruimte krachtens de daarop betrekking hebbende huurovereenkomst bestemd voor studenten als bedoeld in artikel 7:274 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek indien: a. in de huurovereenkomst is bepaald dat de woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student als bedoeld in artikel 7:274 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek zal worden verhuurd; en, b. de woonruimte door het college van burgemeester en wethouders in de regiogemeente waarin de woonruimte is gelegen, is aangewezen als studentenwoning; wet: Huisvestingswet 2014; woning: zelfstandige woonruimte; woningcorporatie: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet die feitelijk werkzaam is in de gemeente; woonruimte: ruimte als bedoeld in artikel 1 van de wet. woningvormen: het verbouwen van één woonruimte tot twee of meer woonruimten, als bedoeld in art. 21, sub d. van de Huisvestingswet 2014; 2
-
-
woningzoekende: huishouden dat in het inschrijfsysteem als bedoeld in artikel 2.2.1 staat ingeschreven of dat op zoek is naar woonruimte in de particuliere sector; zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke woonvoorzieningen buiten de woonruimte; zoekprofiel: een beschrijving van de woningtypen waarvoor een urgent woningzoekende met voorrang in aanmerking kan komen; zorgwoning: een gelabelde huurwoning waarin mensen die zorg nodig hebben zelfstandig kunnen wonen; IJmond: de gemeenten Beverwijk, Heemskerk en Velsen; Zuid-Kennemerland: de gemeenten Bloemendaal, Haarlem, Heemstede en Zandvoort.
HOOFDSTUK 2. De verdeling van woonruimte § 2.1. De Huisvestingsvergunning Artikel 2.1.1. Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte 1. De volgende woonruimten mogen enkel voor bewoning in gebruik worden genomen of gegeven wanneer daarvoor een huisvestingsvergunning is verleend: a. sociale huurwoningen in eigendom van de woningcorporaties; b. sociale huurwoningen in eigendom van overige verhuurders; c. woonwagenstandplaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a tot en met c, van de Leegstandwet; b. onzelfstandige woonruimten; c. bedrijfswoningen; d. studentenwoningen.
Artikel 2.1.2. Criteria voor verlening huisvestingsvergunning 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de wet, komen voor een huisvestingsvergunning voor woonruimte in aanmerking: a. meerderjarige woningzoekenden; b. woningzoekenden met een inkomen tot de DAEB-norm voor woonruimte genoemd onder artikel 2.1.1, eerste lid onder a; c. woningzoekenden met een urgentie en een inkomen tot de inkomensgrens voor middeninkomens voor woonruimte genoemd onder artikel 2.1.1, eerste lid onder a; d. woningzoekenden met een stadvernieuwingsurgentie en een inkomen tot aan 1,5 maal de DAEB-norm voor woonruimte genoemd onder artikel 2.1.1, eerste lid onder a; e. woningzoekenden met een inkomen tot de inkomensgrens voor middeninkomens voor woonruimte genoemd onder artikel 2.1.1, eerste lid onder b. 2. De inkomensgrenzen, bedoeld in het eerste lid worden jaarlijks per 1 januari aangepast op dezelfde wijze als de aanpassing door de minister van de huurprijsgrens van de doelgroep.
Artikel 2.1.3. Aanvraag en inhoud huisvestingsvergunning 1. Bij de aanvraag om een huisvestingsvergunning worden de volgende gegevens verstrekt: a. naam, contactgegevens, leeftijd, nationaliteit en, indien van toepassing, de verblijfstitel van de aanvrager en de eventuele medeaanvrager;
3
b. omvang van het huishouden, inclusief het aantal thuiswonende kinderen, dat de nieuwe woonruimte gaat betrekken; c. huishoudinkomen; d. adres, naam van de verhuurder en rekenhuur van de te betrekken woonruimte; e. beoogde datum van het betrekken van de woonruimte; f. indien van toepassing, een afschrift van de indicatie voor een woonruimte met een specifieke voorziening, en g. indien van toepassing, de urgentiecategorie waartoe de aanvrager behoort. 2. De huisvestingsvergunning vermeldt in ieder geval: a. een aanduiding van de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft; b. aan wie de vergunning is verleend; c. het aantal personen dat de woonruimte in gebruik neemt, en d. de voorwaarde dat de vergunninghouder de woonruimte enkel binnen de in de vergunning genoemde termijn in gebruik kan nemen.
§ 2.2. Inschrijving en aanbod Artikel 2.2.1. Inschrijving van woningzoekenden voor woningen van woningcorporaties 1. De woningcorporaties dragen in het kader van deze verordening zorg voor het aanleggen en bijhouden van een zo veel mogelijk uniform inschrijfsysteem voor woningzoekenden. 2. Zij stellen regels op over de wijze van inschrijving, registratie van gegevens, opschorting en einde van de inschrijving. 3. De woningzoekende ontvangt een bewijs van inschrijving. 4. De inschrijving vervalt bij acceptatie van een woning. 5. Indien een huurder een huurovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, vervalt de inschrijftijd van die huurder om in aanmerking te komen voor een woonruimte niet. 6. Indien een huurder een huurovereenkomst aangaat voor een éénkamerwoning of met een urgentie een huurovereenkomst aangaat voor een niet-eengezinswoning kan de huurder binnen twee maanden een verzoek indienen om bij hernieuwde inschrijving de inschrijftijd te behouden.
Artikel 2.2.2. Bekendmaking aanbod van woonruimte 1. Het aanbod van de in artikel 2.1.1, lid 1 onder a aangewezen woonruimten wordt openbaar bekendgemaakt door publicatie op het in de regio gangbare platform dat door toegelaten instellingen voor de verdeling van sociale huurwoningen wordt gebruikt. 2. In afwijking van het eerste lid wordt, na aftrek van de woningen die via een direct aanbod aan urgenten uit artikel 2.3.7 en artikel 2.3.8 zijn toebedeeld, ten minste 75% van het aanbod als bedoelt in artikel 2.1.1, lid 1 onder a, bekendgemaakt door publicatie op het digitale platform zoals genoemd in lid 1. 3. De bekendmaking bevat in ieder geval: a. het adres en de huurprijs van de woonruimte; b. de mededeling dat de woonruimte niet voor bewoning in gebruik genomen mag worden als daarvoor geen huisvestingsvergunning is verleend, en c. indien van toepassing, de criteria en voorrangsregels voor het verlenen van de benodigde huisvestingsvergunning. 4. Tot maximaal 25% van de in artikel 2.1.1, lid 1 onder a aangewezen woonruimte, kan via een maatwerkregeling worden toegewezen aan woningzoekenden.
Artikel 2.2.3 Rangorde woningzoekenden 1. Als op grond van de wet of deze verordening meerdere woningzoekenden met voorrang in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning voor een corporatiewoning, wordt de rangorde als volgt bepaald: 4
a. als eerste komen in aanmerking woningzoekenden met een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.3.3; b. als tweede komen in aanmerking woningzoekenden als bedoeld in artikel 2.3.1 aan wie ook overeenkomstig artikel 2.3.2 voorrang verleend wordt; c. als derde komen in aanmerking overige woningzoekenden als bedoeld in artikel 2.3.1; d. als vierde komen in aanmerking overige woningzoekenden aan wie overeenkomstig artikel 2.3.2 voorrang verleend wordt, en e. ten slotte komen in aanmerking andere woningzoekenden dan bedoeld onder a tot en met d. 2. Als na toepassing van het eerste lid meerdere woningzoekende met dezelfde rangorde in aanmerking komen, wordt de rangorde als volgt bepaald: a. als eerste, indien van toepassing, komt degene met de oudste, nog geldige urgentieverklaring in aanmerking; b. als tweede komt degene met de langste inschrijftijd in aanmerking. 3. Als na toepassing van het tweede lid meerdere woningzoekenden in aanmerking komen, wordt de huisvestingsvergunning door middel van loting toegewezen aan een van de woningzoekenden. 4. Dit artikel is van toepassing onverminderd de verplichtingen van woningcorporaties op het gebied van passend toewijzen op basis van inkomen op grond van de Woningwet.
Artikel 2.2.4. Vruchteloze aanbieding 1. In overeenstemming met artikel 17 van de wet wordt de huisvestingsvergunning verleend als de woonruimte door de eigenaar overeenkomstig de in het tweede en derde lid weergegeven procedure gedurende maximaal acht weken vruchteloos is aangeboden. 2. De eigenaar moet de woonruimte in de in het vorige lid genoemde termijn ten minste eenmaal op een digitaal platform hebben aangeboden. 3. De in het eerste lid genoemde termijn begint te lopen op de datum van de eerste publicatie. 4. Als de eigenaar aan burgemeester en wethouders aannemelijk kan maken dat hij de woonruimte op andere, gelijkwaardige wijze vruchteloos heeft aangeboden wordt eveneens toepassing gegeven aan het in het eerste lid bepaalde.
§ 2.3. Voorrang en urgentie Artikel 2.3.1. Voorrang bij woonruimte van een bepaalde aard en grootte 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de in artikel 2.1.1. lid 1 onder a aangewezen woonruimten, met uitzondering van woonwagenstandplaatsen. 2. Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor: a. woonruimte met tenminste vier kamers kan voorrang worden gegeven aan gezinnen, waaronder huishoudens van tenminste twee personen; b. woonruimte die geschikt is voor rolstoelgebruik of met voorzieningen ter compensatie van een beperking wordt voorrang gegeven aan huishoudens met een daartoe strekkende indicatie; c. woonruimte met een daaraan verbonden zorgaanbod wordt voorrang gegeven aan huishoudens met een daartoe strekkende indicatie; d. woonruimte die door de verhuurder als seniorenwoning is aangewezen wordt voorranggegeven aan huidshoudens met ten minste één lid van 55 jaar of ouder; e. woonruimte die door de verhuurder als seniorenwoning is aangewezen kan voorrang worden gegeven aan huishoudens met tenminste één lid van 65 jaar of ouder; f. woonruimte die wordt aangeboden via een doorstroomregeling voor senioren en gezinnen kan met voorrang worden toegewezen aan huishoudens die voldoen aan de vereisten van die regeling; g. woonruimte die door de verhuurder als jongerenwoning is aangewezen wordt voorrang gegeven aan huishoudens van 27 jaar of jonger; 5
h. woonruimte die door de verhuurder als jongerenwoning is aangewezen kan voorrang worden gegeven aan huishoudens van 23 jaar of jonger; i. woonruimte met maximaal twee kamers kan met voorrang worden toegewezen aan huishoudens van maximaal twee personen; j. gelijkvloerse woonruimte kan voorrang worden gegeven aan huishoudens met een daartoe strekkende indicatie. 3. Het tweede lid is van toepassing onverminderd de verplichtingen van woningcorporaties op het gebied van passend toewijzen op basis van inkomen op grond van de Woningwet.
Artikel 2.3.2. Voorrang bij economische of maatschappelijke binding 1. Maximaal 50% van de in artikel 2.1.1. lid 1 onder a aangewezen woonruimte mag met voorrang worden toegewezen aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de regio, als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet. 2. Voor ten hoogste de helft van het in het eerste lid genoemde percentage mag met voorrang worden verleend aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de gemeente Zandvoort; a. Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor de eerste verhuur van nieuw gebouwde woonruimten zoals bedoeld in artikel 2.1.1., eerste lid a wordt voorrang verleend aan inwoners van de gemeente Zandvoort. b. Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor woonruimten zoals bedoeld in artikel 2.3.1. lid 2 onder h en i kan voorrang worden verleend aan werknemers in de sectoren onderwijs en zorg werkzaam in de gemeente Zandvoort. 3. Dit artikel is van toepassing onverminderd de verplichtingen van woningcorporaties op het gebied van passend toewijzen op basis van inkomen op grond van de Woningwet.
Artikel 2.3.3. Voorrang bij urgentie – algemeen 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de in artikel 2.1.1. aangewezen woonruimte in het bezit van woningcorporaties met uitzondering van woonwagenstandplaatsen. 2. Dit artikel is, tenzij anders vermeld, van toepassing op de in artikel 2.3.4. t/m art. 2.3.8 genoemde categorieën. 3. Bij het verlenen van huisvestingsvergunningen wordt voorrang gegeven aan woningzoekenden voor wie de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is. In dat geval kunnen burgemeester en wethouders een schriftelijke urgentieverklaring verlenen. 4. Een urgentieverklaring is geldig in Zuid-Kennemerland, met uitzondering van: a. de urgentieverklaring van de vergunninghouders zoals genoemd in artikel 28 van de wet, is geldig voor de gemeente waarvoor hij is afgegeven. b. De urgentieverklaring van uitstromers, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 2.3.7., is geldig in de regio Zuid-Kennemerland en IJmond. 5. De voorrangsregels van artikel 2.3.1. zijn van toepassing op woningzoekenden met een urgentieverklaring, met dien verstande dat een kind slechts kan behoren tot het huishouden waar het zijn hoofverblijf heeft. 6.
Bezitters van een urgentieverklaring kunnen, tenzij anders vermeld, 26 weken vanaf de datum van afgifte, met voorrang boven andere woningzoekenden en met een toegewezen zoekprofiel in aanmerking komen voor een vergunning. 7. Het zoekprofiel, zoals bedoeld in lid 8, is gebaseerd op een vergelijkbare situatie als de huidige woonsituatie met dien verstande dat het leidt tot de meest sobere oplossing voor de urgente woonsituatie, waarbij in beginsel geen recht op een eengezinswoning wordt verkregen. 8. De termijn genoemd in het achtste lid van dit artikel 2.3.3. t/m 2.3.8. urgentie over inschrijftijdverlenging is verleend behouden de opgebouwde inschrijftijd na acceptatie van de woning, indien de geaccepteerde
6
woning geen eengezinswoning betreft en mits binnen twee maanden na verhuizing hiertoe een verzoek worden ingediend. 9. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot artikel 2.3.3. t/m 2.3.11.
Artikel 2.3.4. Voorrang bij urgentie – wettelijke groepen 1. Tot de woningzoekenden bedoeld in artikel 2.3.3., derde lid behoort de woningzoekende uit artikel 12, derde lid van de wet: a. die verblijft in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen die in verband problemen van relationele aard of geweld zijn woonruimte heeft verlaten; b. die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, verleent of ontvangt en voldoet aan de volgende voorwaarden: i. de zorg wordt voor meer dan 8 uur per week geleverd en duurt langer dan 3 maanden; ii. de mantelzorgrelatie kan worden aangetoond met een verklaring van bijvoorbeeld een huisarts, wijkverpleegkundige of een andere sociaal-medische adviseur; iii. er zijn voor de mantelzorgontvanger en mantelzorger geen voorliggende voorzieningen waarmee de noodzaak tot verhuizen vervalt; iv. het woonprobleem kan niet worden opgelost door bijvoorbeeld: woningruil, doorstroming via een corporatie, huren in de vrije sector bij een hoger inkomen; v. de huurder zegt bij toewijzing van de nieuwe huurwoning de huurwoning die wordt achtergelaten op; vi. de mantelzorgontvanger is voor zijn participatie en zelfredzaamheid afhankelijk van de mantelzorger; vii. de mantelzorgontvanger of de mantelzorgverlener is woonachtig binnen Zuid-Kennemerland; viii.
de afstand tussen de woning van de mantelzorgontvanger en de mantelzorgverlener is groter dan wat reëel en haalbaar is om adequate mantelzorg te kunnen verlenen.
Artikel 2.3.5. Voorrang bij urgentie – sociaal/medische groepen 1. Tot de woningzoekenden bedoeld in artikel 2.3.3, derde lid behoort tevens de woningzoekende: a. die in zijn lichamelijke en/of sociaal-psychische gezondheid zeer ernstig wordt bedreigd als gevolg van de huidige woonsituatie en die minimaal twee jaar inwoner is van een van de gemeenten in ZuidKennemerland; b. die in zijn lichamelijke en/of sociaal-psychische gezondheid zeer ernstig wordt bedreigd als gevolg van de huidige woonsituatie, tijdelijke woonbegeleiding nodig heeft en die minimaal twee jaar inwoner is van een van de gemeenten in Zuid-Kennemerland; 2. In afwijking van artikel 2.3.3, lid 8 krijgen bezitters van een urgentieverklaring, zoals genoemd in het eerste lid onder b, een aanbieding voor passende woonruimte. De urgentie is geldig tot het moment dat er een passend aanbod is gedaan.
Artikel 2.3.5a. Inschrijftijdverlening 1. Aan woningzoekenden met kinderen die een verzoek om indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.3.5. hebben gedaan, maar daarvoor niet in aanmerking komen, en al eerder zelfstandig hebben gewoond, kunnen burgemeester en wethouders een inschrijftijdverlening verlenen in de gemeenten in Zuid-Kennemerland. 2. Inschrijftijdverlenging geldt ook voor een periode van maximaal één jaar.
Artikel 2.3.6. Voorrang bij urgentie - stadsvernieuwing 1. Tot de woningzoekenden bedoeld in artikel 2.3.3., derde lid behoort tevens de woningzoekende die zijn woonruimte heeft of zal moeten verlaten in verband met de renovatie of sloop van zijn huidige woning in het kader van een stadsvernieuwings- of herstructureringsproject en minimaal één jaar inwoner is van één van de gemeenten in Zuid-Kennemerland.
7
2. Een urgentie zoals bedoelt in het eerste lid wordt slechts afgegeven nadat door burgemeester en wethouders een peildatum is vastgesteld. 3. In afwijking van artikel 2.3.3, lid 8 komen bezitters van een stadsvernieuwingsurgentie 78 weken vanaf de datum van afgifte, met voorrang met een toegewezen zoekprofiel boven andere woningzoekenden in aanmerking voor een vergunning. 4. De termijn zoals genoemd in lid 3 kan met 26 weken worden verlengd, indien geen passende woonruimte is vrijgekomen. 5. Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek complexen aanwijzen waarvan de bewoners in verband met sloop of ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied waarin de complexen zijn gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar niet meer in hun huidige woonruimte kunnen blijven wonen. Burgemeester en wethouders stellen daarbij een peildatum vast met ingang waarvan de bewoners van de aangewezen complexen een stadsvernieuwingsurgentie kunnen aanvragen.
Artikel 2.3.7. voorrang bij urgentie - uitstroomregeling 1. Tot de woningzoekenden bedoeld in artikel 2.3.3, derde lid behoort tevens de woningzoekende die moet omzien naar woonruimte aansluitend op, ter vervanging van een verblijf in een instelling op sociaal, maatschappelijk of medisch terrein waarmee burgemeester en wethouders van één van de regiogemeenten afspraken met de instellingen hebben gemaakt. 2. De woningzoekende genoemd in het eerste lid: a. is voorafgaand aan zijn verblijf in één of meer instelling(en) tenminste twee van de aaneengesloten drie jaren inwoner geweest in één van de gemeenten in Zuid-Kennemerland/IJmond; b. wordt uitsluitend door een regionale servicepunt ter beoordeling aan de gemeente voorgedragen. Deze hanteert hierbij als uitgangspunt de gemeente van herkomst. 3. In afwijking van artikel 2.3.3., lid 8 krijgen bezitters van een urgentieverklaring zoals genoemd in het eerste lid, een aanbieding voor passende woonruimte. De urgentie is geldig tot het moment dat er een passend aanbod is gedaan.
Artikel 2.3.8. Voorrang bij urgentie - overig 1. Tot de woningzoekenden bedoeld in artikel 2.3.3., derde lid behoort tevens de woningzoekende zijn woonruimte direct definitief moet verlaten door natuurgeweld of een niet door eigen opzet ontstane calamiteit en minimaal één jaar inwoner is van één van de gemeenten in Zuid-Kennemerland.
Artikel 2.3.9. Verzoek om indeling in een urgentiecategorie 1. Een verzoek om ingedeeld te worden in een urgentiecategorie wordt ingediend door gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 2. Het verzoek om te worden ingedeeld in een urgentiecategorie gaat vergezeld van de volgende gegevens: a. naam, contactgegevens, leeftijd, nationaliteit en, indien van toepassing, de verblijfstitel van de verzoeker; b. omvang van het huishouden, inclusief het aantal thuiswonende kinderen, van de verzoeker; c. bewijs van inkomen van het huishouden van de verzoeker, en d. aanduiding en motivering van de urgentieaanvraag.
Artikel 2.3.10 Weigeringsgronden urgentieverklaring 1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de artikel 2.1.2 genoemde eisen; b. er is geen sprake van een urgent woonprobleem; c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen. 8
d. Het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van de aanvrager of een lid van zijn huishouden.
Artikel 2.3.11. Intrekken of wijzigen indeling in een urgentiecategorie of toewijzing inschrijftijdverlenging 1. Burgemeester en wethouders kunnen de beschikking tot indeling in een urgentiecategorie of toewijzing inschrijftijdverlenging intrekken als de woningzoekende: a. niet langer als woningzoekende als bedoeld in artikel 2.3.3., is aan te merken; b. bij zijn aanvraag gegevens heeft verstrekt, waarvan hij wist of kon vermoeden dat deze onjuist of onvolledig waren; c. een aanbod voor een passende woning heeft geweigerd; d. niet binnen een termijn van 26 weken (bij urgentieverklaring) dan wel 52 weken (bij inschrijftijdverlenging) op aangeboden passende woonruimte heeft gereageerd. 2. Een woningzoekende kan, al dan niet op zijn verzoek, in een andere urgentiecategorie worden ingedeeld wanneer gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven. 3. Als de woningzoekende in een andere urgentiecategorie wordt ingedeeld, vervalt de urgentiebeschikking en wordt aan hem een nieuwe beschikking verstrekt. 4. Een urgentie vervalt van rechtswege bij acceptatie van een woning.
§ 2.4. Verdeling woonwagenstandplaatsen Artikel 2.4.1. Huisvestingsvergunning voor een woonwagenstandplaats 1. Bij selectie van kandidaten voor nieuwe of vrijkomende standplaatsen in Zuid-Kennemerland de geldt de volgende prioriteitsvolgorde: a. kandidaten, die al minimaal één jaar wonen op het centrum, waar de toe te wijzen standplaats op -of aansluitend aan- is gelegen; b. kandidaten, die al minimaal één jaar wonen op één van de andere woonwagencentra in de regio ZuidKennemerland. 2. Zijn er geen kandidaten binnen de woonwagencentra in Zuid-Kennemerland, dan komt de standplaats beschikbaar voor andere kandidaten uit Zuid-Kennemerland die afstammen van groepen die vanwege hun culturele eigenheid een andere woningbehoefte hebben dan gemiddelde woningzoekenden. 3. De standplaats komt beschikbaar voor andere woningzoekenden, indien er geen kandidaten zijn als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid. 4. Als er meerdere kandidaten zijn binnen dezelfde prioriteitscategorie zoals bepaald in het tweede lid of als er op grond van het eerste lid meerdere kandidaten zijn voor één standplaats, dan geldt dat kandidaten met een huisvestingsvergunning voor een standplaats voorrang krijgen boven de onzelfstandig wonende kinderen. Vervolgens gaan kandidaten met de langste inschrijftijd voor.
Indien er op grond van inschrijftijd geen voorrang tussen de kandidaten bestaat, wordt de huisvestingsvergunning door middel van loting toegewezen aan een van de woningzoekenden. 5. De huisvestingsvergunning voor een standplaats vervalt: a. één maand nadat de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven van de standplaats geen gebruik meer te willen maken; b. onmiddellijk nadat de huurovereenkomst voor de standplaats is beëindigd en de vergunninghouder de standplaats heeft verlaten; c. onmiddellijk nadat de vergunninghouder de standplaats heeft verlaten, voor zover de betreffende standplaats niet ingevolge een huurovereenkomst door de vergunninghouder werd ingenomen.
9
HOOFDSTUK 3. Woonruimtevoorraadbeheer § 3.1. Onttrekken, omzetten en woningvormen Artikel 3.1.1. Werkingsgebied 1. Als woonruimte, behorend tot een gebouw als bedoeld in artikel 21 van de wet, worden alle woonruimten die gelegen zijn in de gemeente Zandvoort aangewezen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte in eigendom van woningcorporaties.
Artikel 3.1.2. Reikwijdte vergunningplicht 1. Het is verboden om zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen in artikel 3.1.1: a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden; b. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden; c. tot twee of meer woonruimten te verbouwen of in die verbouwde staat te houden.
Artikel 3.1.3. Aanvraag vergunning 1. Een aanvraag voor een vergunning voor het gebruik van een woonruimte als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt ingediend door gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 2. Burgemeester en wethouders vermelden op of bij het aanvraagformulier welke gegevens of stukken de aanvrager moet verstrekken. 3. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: a. de naam en het adres van de eigenaar; b. de gegevens over de bestaande situatie, welke, voor zover van toepassing, omvatten: i. het adres van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft; ii. een situatietekening (schaal 1:500); iii. het aantal kamers; iv. de gebruiksoppervlakte; v. de woonlaag en vi. de staat van onderhoud. c. de gegevens over de beoogde situatie, welke, voor zover van toepassing, omvatten: i. de bestemming; ii. de bouwtekening (schaal 1:100); iii. de omgevingsvergunning; iv. een geluidsisolatierapport.
Artikel 3.1.4. Voorwaarden en voorschriften 1. Aan het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kunnen burgemeester en wethouders aanvullende voorwaarden en voorschriften verbinden, over onder andere: a. een beperkte geldingsduur van de vergunning, indien de vergunning voorziet in een tijdelijke behoefte; b. de periode waarbinnen van de vergunning gebruik gemaakt moet worden; c. de leefbaarheid; d. minimale gebruiksoppervlakte; e. geluidsisolatie-eisen; f. goed verhuurdersschap; g. parkeren en h. het voorkomen van overlast. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
10
Artikel 3.1.5. Weigeringsgronden 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kan worden geweigerd als: a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de onttrekking, omzetting of woningvorming gediende belang en dit niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en/of voorschriften aan de vergunning; b. het verlenen van de vergunning zou kunnen leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het betreffende pand en dit niet voldoende kan worden voorkomen door het stellen van voorwaarden en/of voorschriften aan de vergunning; c. de aanvraag voor woningvormen zou leiden tot woningen met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 60m2; d. vergunningverlening zou leiden tot strijd met de voorschriften uit het bouwbesluit; e. vergunningverlening zou leiden tot strijd met het bestemmingsplan; f. geen omgevingsvergunning voor bouwkundig splitsen is verleend of g. niet wordt voldaan aan de in ingevolge dit hoofdstuk bij vergunning gestelde voorwaarden. 3. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 3.1.6. Intrekkingsgronden 1. De vergunning als bedoeld in artikel 3.1.2.kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken, als: a. niet binnen één jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot onttrekking, omzetting of woningvorming; b. de vergunning is verleend op grond van door de aanvrager verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren; c. de aan de vergunning verbonden voorwaarden en voorschriften niet worden nageleefd en/of d. het gebruik van de vergunning leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op de leefbaarheid in de omgeving van het betreffende pand. 2. Burgemeester en wethouders is bevoegd om op grond van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur de vergunning als bedoeld in artikel 3.1.2 in te trekken. 3. Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
§ 3.2 Kadastraal splitsen Artikel 3.2.1. Werkingsgebied 1. Als gebouwen als bedoeld in artikel 22 van de wet worden aangewezen gebouwen bevattende woonruimten die zijn gelegen in de gemeente Zandvoort. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. woonruimte in eigendom van woningcorporaties; b. woonruimte gebouwd na 1992.
Artikel 3.2.2. Reikwijdte vergunningplicht De in artikel 3.2.1 van deze verordening aangewezen woonruimten mogen niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet gesplitst worden in appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, eerste en vierde lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek als een of meer appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte.
11
Artikel 3.2.3. Aanvraag vergunning 1. Een aanvraag voor een vergunning voor het gebruik van woonruimte als bedoeld in artikel 22 van de wet wordt ingediend door gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt: a. de naam en het adres van de eigenaar, b. een tekening als bedoeld in artikel 109, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, c. een puntentelling van de huidige situatie op het moment van de aanvraag, per woonruimte, conform het woningwaarderingsstelsel; d. indien van toepassing een vergunning voor woningvormen en e. een verklaring van goede staat van onderhoud of een door een beëdigd taxateur opgemaakt taxatierapport betreffende het gebouw, dat in ieder geval een beschrijving en een beoordeling van de staat van onderhoud bevat.
Artikel 3.2.4. Voorwaarden en voorschriften 1. Aan het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet kunnen burgemeester en wethouders aanvullende voorwaarden en voorschriften verbinden, over onder andere: a. de periode waarbinnen van de vergunning gebruik gemaakt moet worden; b. technische eisen aan het pand; c. de benodigde omgevingsvergunning. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 3.2.5. Weigeringsgronden 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet kan worden geweigerd als: a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de splitsing gediende belang en dit belang niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden en voorschriften aan de splitsingsvergunning; b. de staat van onderhoud van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft zich tegen splitsing verzet; c. de huidige situatie woonruimte bevat met een rekenhuur onder de liberalisatiegrens; d. vergunningverlening zou leiden tot strijd met de voorschriften uit het bouwbesluit; e. vergunningverlening zou leiden tot strijd met het bestemmingsplan; f. de splitsing zou leiden tot woningen met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 50m2; g. geen omgevingsvergunning voor bouwkundig splitsen is verleend of h. geen vergunning voor woningvormen is verleend. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 3.2.6. Intrekkingsgronden 1. De vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken, als: a. de vergunninghouder niet binnen één jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot kadastrale splitsing; b. de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren en/of c. de aan de vergunning verbonden voorwaarden en voorschriften niet worden nageleefd. 2. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om op grond van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur de vergunning als bedoeld in artikel 22 van de wet in te trekken. 3. Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering 12
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
§ 3.3 Toeristische verhuur van woonruimte Artikel 3.3.1. Werkingsgebied 1. Als woonruimte, behorend tot een gebouw als bedoeld in artikel 23a van de wet, worden alle woonruimten die gelegen zijn in de gemeente Zandvoort aangewezen. 2. Vormen van toeristische verhuur zijn: a. Bed and breakfast; b. Particuliere vakantieverhuur; c. Alle overige vormen van toeristische verhuur.
Artikel 3.3.2. Registratieplicht 1. Het is verboden woonruimte, aangewezen in artikel 3.3.1., aan te bieden voor toeristische verhuur, in welke vorm dan ook, zonder bij iedere aanbieding van die woonruimte voor toeristische verhuur het registratienummer van die woonruimte te vermelden, zoals bedoeld in artikel 23a van de wet. 2. Het registratienummer moet worden aangevraagd op de website www.toeristischeverhuur.nl.
Artikel 3.3.3. Nachtencriterium en meldplicht voor particuliere vakantieverhuur 1. Het is verboden de woonruimte voor meer dan 120 nachten per kalenderjaar in gebruik te geven voor particuliere vakantieverhuur. 2. Het is verboden een woonruimte in gebruik te geven voor particuliere vakantieverhuur, zonder iedere verhuring en het aantal nachten van iedere verhuring vooraf te melden bij burgemeester en wethouders. 3. De melding wordt gedaan door degene die de woonruimte in gebruik geeft voor particuliere vakantieverhuur. 4. Als een digitaal platform door burgemeester en wethouders in kennis is gesteld van een overschrijding van het maximum aantal nachten, mag het digitale platform gedurende de rest van het jaar geen aanbiedingen van de betreffende woonruimte meer tonen. 5. De bepalingen in het tweede tot en met het vierde lid van dit artikel treden in werking op een nader door burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip.
Artikel 3.3.4. Tijdelijk verbod toeristische verhuur en aanwijzing blokkade aanbieding 1.
2.
Burgemeester en wethouders kunnen een aanbieder voor maximaal een jaar toeristische verhuur verbieden als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de aanbieder heeft de eisen aan toeristische verhuur uit deze verordening overtreden; b. een toezichthouder heeft die overtreding vastgesteld en c. in de vijf jaar voor deze vaststelling is ten minste twee maal een bestuurlijke boete opgelegd voor overtreding van de eisen aan toeristische verhuur. Indien burgemeester en wethouders toepassing hebben gegeven aan het eerste lid, kunnen zij ook een aanwijzing geven aan een digitaal platform om een aanbieding voor toeristische verhuur door deze aanbieder te blokkeren.
HOOFDSTUK 4. Slotbepalingen § 4.1. Handhaving en toezicht
13
Artikel 4.1.1. Bestuurlijke boete 1. Overtreding van de verboden, bedoeld in de artikelen 8, 21,22 en 23a tot en met 23e van de wet, of het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, gesteld op grond van artikel 24 van de wet, kan worden beboet met een bestuurlijke boete. 2. Burgemeester en wethouders bepalen de hoogte van de op te leggen boete overeenkomstig onderstaande tabel: Overtreding
Artikel Huisvestingsverordening
Bij 1e overtreding
Bij 2e overtreding
Bij 3e en volgende overtredingen
a.
Het in gebruik nemen van woonruimte zonder vergunning
Artikel 2.1. jo artikel 8 van de wet
€ 435
€ 435
€ 435
Het in gebruik geven van een woonruimte zonder vergunning
Artikel 2.1. jo artikel 8 van de wet
b.1.
-
niet-bedrijfsmatig
€ 4.000
€ 10.000
€ 10.000
b.2.
-
bedrijfsmatig
€ 7.500
€ 21.750
€ 21.750
Zonder vergunning: anders dan t.b.v. de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden; van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden; tot twee of meer woonruimten te verbouwen of in die verbouwde staat te houden; gebouwen kadastraal te splitsen in appartementsrechten.
·
·
·
·
Artikel 3.1.2. en 3.2.2. jo artikel 21 en 22 van de wet
c.1.
-
niet-bedrijfsmatig
€ 7.500
€ 21.750
€ 21.750
c.2.
-
bedrijfsmatig
€ 12.500
€ 21.750
€ 21.750
Bij 1e overtreding
Bij 2e overtreding
Bij 3e en volgende overtredingen
Overtreding
d.
Aanbieden woonruimte voor toeristische verhuur zonder registratienummer
Overtreding
Artikel Huisvestingsverordening
Artikel 3.3.2. jo artikel 23a eerste lid van de wet
€ 2.500
€ 5.000
€ 8.700
Artikel Huisvestingsverordening
Bij overschrijding tot en met 5 dagen
Bij overschrijding met 6 tot en met 10 dagen
Bij overschrijding van 11 dagen en meer
14
Artikel 3.3.3. jo artikel 23b eerste lid van de wet
€ 500
€ 1.000
€ 2.000 per dag tot een maximum van € 21.750
Overtreding
Artikel Huisvestingsverordening
Bij 1e overtreding
Bij 2e overtreding
Bij 3e en volgende overtredingen
f.
In gebruik geven woonruimte voor particuliere vakantiehuur zonder melding bij B&W
Artikel 3.3.3. jo artikel 23b tweede lid van de wet
€ 2.500
€ 5.000
€ 8.700
g.
Publiceren advertentie door degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur van woonruimte (dienstverlener) na in kennisstelling bereik maximumcriterium
Artikel 3.3.3. jo artikel 23e van de wet
€ 8.700
€ 8.700
€ 8.700
h.
Publiceren advertentie door degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur van woonruimte (dienstverlener) onder registratienummer
Artikel 3.3.2. jo artikel 23a derde lid van de wet
€ 8.700
€ 8.700
€ 8.700
Overtreding
Artikel Huisvestingsverordening
Bij 1e overtreding
Bij 2e overtreding
Bij 3e en volgende overtredingen
i.
Artikel X jo artikel 23d van de wet
€ 8.700
€ 8.700
€ 8.700
e.
In gebruik geven woonruimte voor particuliere vakantieverhuur voor meer dan 120 dagen per jaar
Niet over de geldende regels toeristische verhuur informeren van degene die een woonruimte aanbiedt voor toeristische verhuur (aanbieder) door degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur van
15
woonruimte (dienstverlener) over geldende regels toeristische verhuur
Het overtreden van de voorwaarden of voorschriften
Artikel 3.1.4. en 3.2.4. jo artikel 24 van de wet
j.1.
-
niet-bedrijfsmatig
€ 7.500
€ 21.750
€ 21.750
j.2.
-
bedrijfsmatig
€ 12.500
€ 21.750
€ 21.750
§ 4.2. Restbepalingen Artikel 4.2.1. Experimenten Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de volkshuisvesting tijdelijk afwijken van deze verordening om een experiment uit te kunnen voeren.
Artikel 4.2.2. Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.
§ 4.3. Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 4.3.1. Overgangsbepalingen 1. De Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Zandvoort 2021 is per 1 januari 2022 vervallen. Al verleende vergunningen onder de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Zandvoort 2021 worden gelijkgesteld met de vergunningen in deze verordening. 2. Bestaande inschrijvingen uit het register van woningzoekenden onder de Huisvestingsverordening ZuidKennemerland/IJmond: Zandvoort 2021 worden beschouwd als inschrijvingen gedaan onder deze verordening. 3. Aanvragen tot vergunningverlening ingediend in de periode voor 1 januari 2022 worden afgehandeld volgens de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Zandvoort 2021.
Artikel 4.3.2. Intrekking oude verordening De Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Zandvoort 2021 wordt ingetrokken.
Artikel 4.3.3. Omhangen besluiten Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 4.3.2. die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
Artikel 4.3.4. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022;
16
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Zandvoort 2022. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 december 2021. De voorzitter, De griffier,
17
Toelichting op de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Zandvoort 2022 Algemeen Op 1 januari is de Huisvestingswet 2014 in werking getreden. De wet maakt het voor gemeenten met een vergunningstelsel mogelijk in te grijpen: in de woonruimteverdeling; in de samenstelling van de woningvoorraad. Regionale samenwerking Deze verordening is in samenwerking met de gemeenten in de regio Zuid-Kennemerland en IJmond (hierna: de regio) tot stand gekomen. De gemeenten hebben een zoveel mogelijk gelijkluidende verordening opgesteld met op onderdelen lokaal maatwerk. Hiermee wordt waar mogelijk een gelijk speelveld gecreëerd voor verhuurders, huurders en andere betrokken partijen. De regio kent geen gemeenschappelijk bestuursorgaan dat de verordening vast kan stellen. Dit is de bevoegdheid van de afzonderlijke raden. Schaarste De wet bepaalt dat alleen beperkende regels in een huisvestingsverordening mogen worden gesteld aan woonruimte indien sprake is van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste. Per 1 juli 2019 hoeft hierbij niet meer uitsluitend sprake te zijn van schaarste aan goedkope woonruimte. Mede met het oog op de veranderende woningmarkt, kunnen gemeenten hierdoor de mogelijkheden om het aanbod te vergroten ten volle te benutten.
Iedere categorie van woonruimte waarbij door schaarste onevenwichtige en onrechtvaardige effecten optreden kan dus worden aangewezen als vergunningplichtig in de huisvestingsverordening. De gemeenteraad moet aantonen dat er schaarste is en dat de inzet van het instrumentarium van de wet geschikt en proportioneel is om de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van die schaarste te bestrijden. Schaarste betreft: schaarste aan woonruimte in het algemeen, schaarste aan woonruimte met specifieke voorzieningen en schaarste aan (betaalbare) huurwoningen voor de huidige inwoners van een gemeente.
Bron: MijnWoonservice 2020
In de raming van de woningbehoefte van 2018 en 2020 liet het onderzoeksbureau RIGO zien dat er ook de komende jaren meer sociale huurwoningen nodig zijn in de regio om de groei in behoefte op te vangen. In 2020 heeft RIGO voor de regio Zuid-Kennemerland/IJmond een update van de woningbehoefte in beeld 18
gebracht. Opnieuw is de constatering dat er niet alleen op dit moment een tekort is aan sociale huurwoningen, maar dat door de huishoudengroei de behoefte aan sociale huurwoningen verder toeneemt.
Bron: WiMRA 2019, bewerking RIGO
De gemeente Zandvoort heeft regionale en lokale woningbouwafspraken gemaakt en vertaald in beleid en afspraken met woningcorporaties. Het aantal sociale huurwoningen moet lokaal en regionaal toenemen. De groei van het aantal sociale huurwoningen kan de groei in de behoefte echter niet bijbenen. Het tekort aan sociale huurwoningen zal op korte termijn niet afnemen. Ook in andere woonsegmenten is er sprake van schaarste. De gemeente stuurt op versnelling van de woningbouwproductie om in brede zin het huidige en toekomstige woningtekort te verminderen. Omdat binnen de gemeentegrenzen moet worden gebouwd, zal het accent in de nieuwbouw vooral op meergezinswoningen liggen. Dit is gelet op de bevolkingssamenstelling en -ontwikkeling aanvullend op de bestaande voorraad, die voor ongeveer de helft uit eengezinswoningen bestaat. Tegelijkertijd zien we in de bestaande voorraad de ontwikkeling dat eengezinswoningen worden verbouwd naar appartementen. Vanuit de gewenste samenstelling van de voorraad is er aanleiding om (delen) van deze voorraad te beschermen met een vergunningplicht voor woningvormen en omzetten en te behouden voor gezinnen. Ook andere instrumenten die de wet biedt met betrekking tot het beheer van de bestaande woonruimtevoorraad worden ingezet om de bestaande woningvoorraad te beschermen en te behouden voor de doelgroep.
De gemeenteraad legt in de huisvestingsverordening vast op welke woonruimten de vergunningsplicht voor wijzigingen in de woonruimtevoorraad van toepassing is. Het kan hierbij gaan om een gebied, de hoogte van de huur-/koopprijs van een woonruimte, de WOZ-waarde van een woning of om schaarse categorieën woonruimten met specifieke kenmerken. Ook kan leefbaarheid en wijkverbetering in de omgeving van de betreffende woonruimte meewegen bij het aanwijzen van de vergunningplichtige delen van de voorraad. Verdeling van sociale huurwoningen Uit eerder genoemde onderzoeken blijkt dat in de regio de goedkope huurwoning een schaars goed is. Dit zijn in ieder geval alle huurwoningen met een huurprijs tot € 752,33 (prijspeil 2021). Voor het leeuwendeel zijn deze in eigendom en beheer bij woningcorporaties. Voor een deel is sprake van particuliere verhuur. Bij alle corporaties is een lange inschrijftijd benodigd om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning en is een trend waargenomen dat deze (zonder ingrepen) verder op zal lopen. Dit komt onder meer door: · De omvang van de doelgroep die een beroep zal doen op de sociale voorraad neemt toe en, tegelijkertijd, nam de afgelopen jaren de woningvoorraad in dit segment af door herstructureringsmaatregelen, verkoop en liberalisering van huurwoningen.
19
· ·
Het aantal alleenwonenden zal verder toenemen. De gezinsverdunning maakt dat er meer woningen nodig zullen zijn. Voor veel starters op de woningmarkt is het verkrijgen van een hypotheek moeilijk. Vanwege flexcontracten, maar ook vanwege de eisen die financiers stellen aan het inkomen en mee te brengen startkapitaal. Daarnaast eindigen afgestudeerden met een studieschuld, die de hoogte van het maximale hypotheekbedrag drukt. Deze groep starters en zzp-ers doet daarmee ook een toenemend beroep op de goedkope voorraad.
Sturing in woonruimteverdeling vindt plaats via een vergunningenstelsel Sturing in de woonruimteverdeling vindt plaats door middel van een huisvestingsvergunningssysteem voor het schaarse segment van de huurvoorraad. De wet verbiedt het zonder huisvestingsvergunning in gebruik nemen of geven van de aangewezen woonruimte. Het stelsel zorgt er voor dat betaalbare woningen behouden blijven voor de doelgroep. Het voordeel van het regionale stelsel is, dat de corporaties op basis daarvan een uniform verdeelsysteem kunnen hanteren. Sinds november 2018 maakt onze regio gebruik van een gezamenlijk woonruimteverdeelsysteem, dat wordt beheerd door Mijn Woonservice. Het aanbod van alle corporaties in de regio Zuid-Kennemerland/IJmond wordt via dit platform bekend gemaakt, met uitzondering van het aanbod van Woonopmaat in Heemskerk en Beverwijk. Woonopmaat hanteert het optiemodel voor woonruimteverdeling en dat is (nog) niet in te passen in het gezamenlijke systeem. Urgentieregeling Daarnaast reguleert de verordening de regels voor het verlenen van urgentie aan woningzoekenden die dringend een woning nodig hebben.
Omdat er verschillen zijn tussen werkwijze en afspraken met instellingen rond de toekenning van urgenties tussen gemeenten in Zuid-Kennemerland en gemeenten in IJmond is een urgentieverklaring niet geldig op het niveau van de regio, maar op niveau van Zuid-Kennemerland en IJmond afzonderlijk. In het geval van de statushouders als bedoeld in artikel 28 van de wet – gebeurt de toewijzing op gemeentelijk niveau. Gemeenten streven naar een zo veel mogelijk samenhangend woonruimteverdeelsysteem. De afspraken in de uitstroomregeling voor o.a. uitstromers uit beschermd wonen en maatschappelijke opvang zijn op regionaal niveau gemaakt. In zowel de regio Zuid-Kennemerland als de IJmondregio gelden dezelfde afspraken. Wijzigingen in de woonruimtevoorraad De wet biedt tevens de mogelijkheid om onttrekking, samenvoeging, omzetting en woningvorming dan wel splitsing van aangewezen categorieën woonruimte vergunningplichtig te maken (zie ook: artikelsgewijze toelichting). Sinds 1 januari 2021 zijn aan dit hoofdstuk ook instrumenten toegevoegd om de toeristische verhuur van woningen te reguleren. Het inzetten van de instrumenten uit dit hoofdstuk moet gericht zijn op het voorkomen van schaarste in het schaarse deel van de voorraad. Dit is niet noodzakelijkerwijs dezelfde woonruimtevoorraad als bij de woonruimteverdeling en kan van toepassing zijn op zowel de huur- als koopvoorraad.
Een vergunning wordt verleend, tenzij het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de vergunning gediende belang. Naast schaarste kan een dergelijk belang ook liggen in een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van het betreffende pand. Hier kunnen – in tegenstelling tot bij de huisvestingsvergunning – wel leefbaarheidsoverwegingen een rol spelen. Bij het invoeren van regulerende instrumenten voor toeristische verhuur van woonruimte hoeft er geen sprake te zijn van onevenwichtige en onevenredige effecten van schaarste. Een registratieplicht, meldplicht of vergunningsplicht mag worden ingevoerd als de gemeenteraad dit noodzakelijk acht voor het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving. Het deel van de verordening over wijzigingen in de woningvoorraad (is wel regionaal afgestemd, maar niet in elke gemeente ingevoerd. Omdat de verschillen tussen de gemeenten op het gebied van woonruimtevoorraadbeheer groot zijn, zijn niet overal dezelfde maatregelen nodig. Hoofdstuk 3 van de 20
verordening heeft daarom alleen betrekking op de gemeente Zandvoort. Met de woningcorporaties in de regio worden via de prestatieafspraken plannen gemaakt over de samenstelling van de woningvoorraad. De verordening regelt daarom niets over de samenstelling van het corporatiebezit. Aanwijzing te beschermen woningvoorraad met het oog op woonruimtevoorraadbeheer Een groot deel (47%) van de Zandvoortse woningvoorraad bestaat uit (vooroorlogse) eengezinswoningen. Eengezinswoningen zijn populaire (beleggings-) objecten, vanwege hun bouwkundige kwaliteit, gunstige ligging en relatieve betaalbaarheid. Deze woningen worden regelmatig bouwkundig gesplitst in zelfstandige appartementen, omgezet naar kamers of naar een andere bestemming. Ondanks het forse aandeel eengezinswoningen in Zandvoort, is de (vooroorlogse) eengezinswoning in de hele Metropoolregio Amsterdam schaars. In de komende jaren worden veel (kleinere) appartementen bijgebouwd. Met de toevoeging van meer betaalbare appartementen in de nieuwbouw wordt behoud van aanbod van (betaalbare) grondgebonden woningen belangrijker. Het beeld is dat bij deze woningbouw met traditionele gezinswoningen en/of boven/beneden- woningen, bescherming van de voorraad met een onttrekkings-, omzetting-, woningvormings- en splitsingsvergunning gewenst is.
Daarnaast lenen de bouw van de grondgebonden woningen en de inrichting en schaal van de openbare ruimte zich niet voor intensieve bewoning. Om de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte te beheersen, constateren we dat de gehele Zandvoortse woningvoorraad schaars is en bescherming behoeft via een vergunningsplicht voor wijzigingen in de woonruimtevoorraad. Daarnaast constateren we dat het type eengezinswoning, ook in de niet-vooroorlogse wijken, extra bescherming behoeft. We constateren dat de leefbaarheid, in de zin van een te hoge druk op de openbare ruimte, in buurten onder druk staat. Woningonttrekking De vergunningplicht voor onttrekking komt voort uit de wens om de schaarse woningen te behouden en om de leefbaarheid in de gemeente Zandvoort te beschermen. De druk op de woningvoorraad in de gemeente Zandvoort is groot. We constateren in Zandvoort schaarste zowel in de huur- als de koopsector. De vraag is groter dan het aanbod. Dit resulteert in hoge huurprijzen en koopprijzen. Dit heeft een nadelig effect op de doorstroming. Er is sprake van vormen van economische functies die de woonfunctie van woningen bedreigen, zoals het verhuren van woningen aan toeristen of te onttrekken van woonruimte voor andere functies (hotels, pensions).
De leefbaarheid kan in het geding zijn wanneer de woonruimtevoorraad op een zodanige manier wordt bewoond of gebruikt dat dit een onevenredige grote druk op de woonomgeving betekent. Woningvormen en omzetten De vergunningplicht voor woningvormen en omzetten komt voort uit de wens om schaarse woningtypen te behouden en om de leefbaarheid in de gemeente Zandvoort te beschermen. Binnen de Metropoolregio Amsterdam (MRA) heeft de woningvoorraad Zandvoort duidelijk een complementaire functie ten opzichte van de regio en Amsterdam. De eengezinswoningen zijn een duidelijke aanvulling op de voorraad elders in de MRA. Dit type woning is nog steeds erg in trek bij veel woningzoekenden, niet alleen uit Zandvoort en de regio ZuidKennemerland, maar ook daarbuiten. Dit type woningen wordt, onder andere door de zeer beperkte bouwmogelijkheden in Zandvoort, in de nieuwbouw nauwelijks gerealiseerd. We willen voorkomen dat dit belangrijke deel van de voorraad in de Zandvoorste woningvoorraad afneemt door woningvorming in kleinere appartementen. Daarnaast willen we voorkomen dat eengezinswoningen intensiever worden bewoond door kamerverhuur ook met het oog op het beschermen van leefbaarheid in wijken en buurten. Voor woningvormen is ook altijd een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen noodzakelijk.
21
Kadastraal splitsen In hoofdstuk 3 van de verordening is in 2015 voor de particuliere voorraad een vergunningplicht voor splitsen ingevoerd. Met deze vergunningplicht wordt voorkomen dat betaalbare huurwoningen in kleinere eenheden worden opgesplitst en via splitsing in appartementsrechten, overgaan in de koopsector. Als weigeringsgrond is in de verordening opgenomen dat er na kadastrale splitsing geen woningen met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 50m2 over mogen blijven. Toeristische verhuur van woonruimte Zandvoort profileert zich als een gastvrij dorp, die de kansen van de deeleconomie graag benut en een positieve grondhouding heeft tegenover vakantieverhuur door particulieren. De toename van toeristische verhuur van woonruimte kan echter ook nadelige effecten hebben op de leefbaarheid in de gemeente door overlast, (brand)onveiligheid en onttrekking van schaarse woonruimte. De kans op nadelige effecten in de toekomst neemt bovendien toe door de aanhoudende groei van het toerisme in de Metropoolregio Amsterdam, de stijgende vraag naar verblijfsaccommodatie en de overloop van toeristen uit Amsterdam. Om negatieve effecten op de leefbaarheid door toeristische verhuur van woonruimte in te perken is een registratieplicht, een nachtencriterium en een meldplicht van kracht.