CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bruchem, Kolkweg 1 Bijlagen toelichting Bijlage 5 Onderzoek marterachtigen

Raadsvergadering 19 september 2024, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan Bruchem, Kolkweg 12.562 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Marteronderzoek aan de Kolkweg 1 te Bruchem Aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming

1

Colofon

Status:

Definitief

Project:

BE/2021/302

Datum:

31 mei 2021

Samensteller(s):

ing. G. Fairhurst

Collegiale toets:

ir. ing. K.J. Rebergen

Opdrachtgever: VAN DEN BERG RUIMTELIJKE ORDENING ’t Rond 9 4285 DE Woudrichem Contactpersoon:

dhr. J. Van den Berg

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © Blom Ecologie B.V. / Van den Berg Ruimtelijke Ordening Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

2

Inhoud

1 Inleiding ......................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel

5

1.2 Planlocatie

6

1.3 Werkzaamheden

7

1.4 Te verwachten soorten en functies

7

1.5 Kader Wet natuurbescherming

8

2 Methode ........................................................................................................................................ 10 2.1 Soorten

10

2.2 Theoretisch kader

10

2.3 Praktische uitvoering

11

2.4 Specifieke omstandigheden

12

3 Resultaten ..................................................................................................................................... 13 3.1 Kleine marterachtigen

13

3.2 Overige soorten

13

4 Conclusie en advies .................................................................................................................... 14 4.1 Kleine marterachtigen

14

4.2 Overige soorten

14

4.3 Te treffen maatregelen tijdens de werkzaamheden

14

5 Bronnen ......................................................................................................................................... 15

3

4

1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doel Aan de Kolkweg 1 (en omliggende percelen) te Bruchem is mesthandel G&J van Leeuwen gevestigd. De directie is voornemens de bedrijfslocatie uit te breiden. Dit betreft het uitbreiden van de verharding, de realisatie van een ontsluitingsweg, het verwijderen van groenoppervlak en het mogelijk saneren van een overkapping. Tevens is de directie voornemens om in de toekomst één of meerdere bedrijfsgebouwen op de verharding te realiseren. Voor deze realisatie zijn nog geen concrete plannen opgesteld. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en het oppervlak met een bedrijfsbestemming dient uitgebreid te worden. De beoogde ontwikkeling mogelijk leidt mogelijk tot de aantasting van beschermde soorten en andere beschermde natuurwaarde. Derhalve is een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de potentie van de planlocatie voor deze beschermde natuurwaarde (de Boer, 2021).

Figuur 1.1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Kolkweg 1 te Bruchem (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Op basis van het oriënterende onderzoek kon de aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen en essentieel leefgebied van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) niet worden uitgesloten. Om vast te stellen of de planlocatie daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten was aanvullend onderzoek noodzakelijk. Van den Berg Ruimtelijke Ordening heeft Blom Ecologie B.V. verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.

5

Onderzoeksdoel In dit aanvullende onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen centraal gesteld: •

Zijn de bunzing, hermelijn en/of wezel aanwezig in de planlocatie?

•

Op welke wijze maken de bunzing, hermelijn en/of wezel gebruik van de planlocatie? Zijn in de planlocatie migratieroutes, foerageergebieden, voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig?

•

Hebben de voorgenomen activiteiten een negatief effect op de voorkomende soorten en/of de functionaliteit van de voortplanting- en/of verblijfplaatsen en leefomgeving van de bunzing, hermelijn en/of wezel?

1.2

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Kolkweg 1 (en omliggende percelen) te Bruchem (figuur 1). Hoewel een groot deel van de planlocatie behoort tot mesthandel G&J van Leeuwen, heeft de planlocatie meerdere functies. Deze functies betreffen: •

Bedrijfsterrein van mesthandel G&J van Leeuwen: Het deel dat ingericht is als mesthandel wordt gekenmerkt door een mestdepot en paardenmestcontainers. Tevens zijn enkele bijgebouwen aanwezig.

•

Woning met tuin: De tuin van de woning heeft een hoog onderhoudsbeeld. Tevens is er een vijver aanwezig. Aan de oost- en noordzijde van de woning zijn bomenlanen aanwezig. Het gedeelte dat een functie heeft als woning met tuin zal onaangetast blijven binnen de beoogde ontwikkeling.

•

Weiland: Ten noorden en oosten van de planlocatie is een weiland gelegen aan de zuidzijde hiervan ligt een sterk begroeide zanddepot. Tevens is er een gedeelte ingericht als paardenweide.

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zal mogelijk een overkapping gesaneerd worden. De overkapping is opgebouwd uit metalen damwandplaten en bevat een dak van ijzeren dakplaten. Aangezien de overige bebouwing in de huidige staat behouden blijft, zijn deze niet meegenomen in quickscan (de Boer, 2021). In figuur 1.2 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie.

6

Figuur 1.2

1.3

De planlocatie betreft het bedrijventerrein, woning met tuin en weiland met zanddepot.

Werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het uitbreiden van het bedrijfsterrein. De uitbreiding zal ten koste gaan van een gedeelte van de planlocatie met als functie weiland. De ontwikkeling betreft het uitbreiden van de verharding, aanleggen van een ontsluitingsweg, verwijderen van groenoppervlak en het mogelijk saneren van een overkapping. Ten behoeve van de beoogde ontsluitingsweg zal een duiker in de sloot gerealiseerd worden. Tevens is de directie voornemens om in de toekomst één of meerdere bedrijfsgebouwen op de verharding te realiseren. Voor deze realisatie zijn nog geen concrete plannen opgesteld. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en het oppervlak met een bedrijfsbestemming dient uitgebreid te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • • •

1.4

saneren van de overkapping: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen en zanddepot: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; uitbreiden verharding: allerhande straatwerkzaamheden; realiseren ontsluitingsweg: allerhande straatwerkzaamheden en realisatie duiker in de sloot; (op langer termijn) realisatie één of meerdere bedrijfsgebouwen op de verharding: algemene bouwwerkzaamheden.

Te verwachten soorten en functies Uit het oriënterend onderzoek (de Boer, 2021) is gebleken dat de planlocatie (c.q. de zanddepot en daarin aanwezige holen en takkenstappels mogelijk geschikt zijn als voortplanting- en rustplaats van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel). Hierbij is voornamelijk potentie aanwezig voor de bunzing, wegens de hoge mate van verstoring. 7

De groenstructuren op de zanddepot hebben mogelijk een belangrijke functie, als foerageergebied (tabel 1.1). Tabel 1.1

De te verwachten beschermde soorten op de planlocatie op basis van de uitgevoerde quickscan (de Boer, 2021). 1 Betreft een inschatting op basis van de quickscan (visuele inspectie en deskstudie) gerelateerd aan de beoogde werkzaamheden (paragraaf 1.3).

Soortgroep

Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren Bunzing Wezel Hermelijn Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels

Figuur 1.3

Soortenbescherming Beschermings- Soortspecifiek regime Wet nb onderzoek

Mogelijk functie plangebied

-

Nee

-

Artikel 3.10 Artikel 3.10 Artikel 3.10 -

Ja Ja Ja Nee Nee Nee Nee Nee

Rustplaats/ voortplantingsplaats/ leefgebied -

-

Nee

-

De zanddepot en daarbij behorende groenstructuren heeft mogelijk een functie voor kleine marterachtigen.

1.5

Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen

en

nationaal

beschermde

soorten,

uiteen

in

drie

verschillende

beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). De bunzing, hermelijn en wezel vallen onder de bescherming van de nationaal beschermde soorten. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden (paragraaf 1.3) kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden:

8

Wet nb, art 3.10 lid 1(b) (nationaal beschermde soorten) Lid 1 (b): Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a (kleine marterachtigen) opzettelijk te beschadigen of te vernielen;

9

2 Methode 2.1

Soorten Op de planlocatie kan de aanwezigheid van de bunzing, hermelijn en wezel niet worden uitgesloten. Per soort (groep) is een bepaalde onderzoeksmethode en inspanning vereist op basis van de ecologie van de soort. Kleine marterachtigen De bunzing, hermelijn en wezel zijn kleine marterachtigen (figuur 2.1). Deze soorten zijn sterk gebonden aan kleinschalige landschappen met afwisselende structuren als houtwallen, bosschages, begroeide oevers, weides en parken. Afwisselende structuren bieden voldoende dekking en voedsel en zijn van groot belang bij de migratie. Alle drie de soorten zijn roofdieren die vaak dag en nacht actief opzoek zijn naar voedsel als kleine zoogdieren, amfibieën en (jonge) kleine vogels. Naast de belangrijke functies als dekking, voedsel en verspreiding moet een geschikt leefgebied ook voorzien in rust- en voortplantingsplaatsen. Droge plaatsen als oude holen, houtstappels, holle bomen, takkenrillen, strobalen, puinhopen en ook oude schuren en stallen bieden geschikte rust- en voortplantingsmogelijkheden. De voortplantingsperiode van de soorten liggen tussen circa medio april en juni, dit is dan ook een actieve periode van kleine marterachtigen (Bouwens, 2017; Zoogdiervereniging, 2020).

Figuur 2.1

2.2

Links de bunzing, midden de wezel en recht de hermelijn (bron: © Zoogdiervereniging).

Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen en of protocollen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor de bunzing, hermelijn en wezel is een ‘handleiding’ gemaakt (Bouwens, 2017) welke in dit onderzoek als leidraad is gebruikt. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in deze handleiding vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie B.V. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn.

10

Tabel 2.1 Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van het marteronderzoek zoals deze zijn geformuleerd in het Handreiking kleine marters (Provincie Noord-Brabant, 2017). Kleine marterachtigen Functioneel (essentieel) leefgebied: Bestaat uit foerageer-, dekking-, migratie-, rust- en voortplantingsplaatsen. Vorengenoemde kan worden vastgesteld door gebruik van marterboxen (hermelijn en wezel), cameravallen (bunzing), sporenbuizen en het zoeken naar sporen. Afhankelijk van de mogelijk aanwezige soorten, dient een onderzoek op maat uitgevoerd te worden. De Provincie Gelderland houdt de Handreikeing kleine marters aan. Onderzoek dient hierbij uitgevoerd worden in de periode maart-augustus (actieve periode) gedurende zes weken of buiten deze periode gedurende twaalf weken. (Bouwens, 2017; Tongeren 2017)

2.3

Praktische uitvoering De praktische uitvoering valt uiteen in standaardprocedure tijdens elk veldbezoek, de reactieve onderzoekswijze die gehanteerd wordt en, indien van toepassing, de aanvullende onderzoeksmethodes. In totaal hebben er 4x veldbezoeken plaatsgevonden, hierin zijn verschillende onderzoeken gecombineerd als het plaatsen van de camera’s en actief zoeken naar sporen (tabel 2.2). De wildcamera’s zijn op één locaties geplaatst en niet tussentijds van locatie gewisseld. Tabel 2.2

Veldbezoeken op de planlocatie, met per veldbezoek welke functies onderzocht worden en het aantal waarnemers dat is ingezet.

Veldbezoek

Functie

Aantal pers.

Datum

Weersomstandigheden

kleine marterachtige 1

Inzetten

1

15-04-2021

5/8, droog, 1-2 Bft, 8˚C

kleine marterachtige 2

Wissel SD

1

30-04-2021

7/8, droog, 0-1 Bft, 12˚C

kleine marterachtige 3

Wissel SD

1

14-04-2021

2/8, droog, 0-1 Bft, 15˚C

kleine marterachtige 4

Uithalen

1

28-05-2021

7/8, droog, 0-1 Bft, 8˚C

Procedure Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen de planlocatie wordt het aanvullende onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities de planlocatie het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. De strategische (camera)punten zijn afhankelijk van de aanwezigheid van groenstructuren, takkenstappels en wissels. Kleine marterachtigen Op basis van de te verwachten soorten, bunzing, hermelijn en wezel, en de relatieve potentie voor deze soorten binnen de planlocatie is het aanvullend onderzoek ingericht. Om de aanof afwezigheid van kleine marterachtigen (m.n. de bunzing) vast te stellen zijn 2 Browning cameravallen (wildcamera’s) uitgezet (figuur 2.2). De onderzoeksmethoden zijn geplaatst op ‘kansrijke’ locaties als wissels, tussen de coniferen en langs de takkenstappels (figuur 2.3). Doordat er zichtbare wissels van en naar de takkenstappels aanwezig waren is er voor gekozen het onderzoek vooral hierop te richten. 11

Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 15 april 2021 t/m 28 mei 2021, gedurende een aaneengesloten periode van 6 weken.

2.4

Figuur 2.2

Locaties van de 2 cameravallen.

Figuur 2.3

De wildcamera.

Specifieke omstandigheden Tijdens het onderzoek was er (voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan) geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten.

12

3 Resultaten 3.1

Kleine marterachtigen Waarnemingen en aantallen Tijdens de onderzoek rondes zijn geen sporen of waarnemingen op de wildcamera van kleine marterachtigen als de bunzing, hermelijn en wezel aangetroffen. Rust- en voortplantingsplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen rust- of voortplantingsplaatsen aangetroffen of sporen als latrines, uitwerpselen, prooiresten of prenten, die wijzen op de aanwezigheid hiervan. Functioneel leefgebied Op de planlocatie is geen sprake van essentieel foerageergebied en/of migratieroute van kleine marterachtigen door het ontbreken van visueel bewijs op de wildcamera.

3.2

Overige soorten Tijdens het camera- en sporenonderzoek naar de kleine marter achtingen zijn algemene soorten waargenomen. Dit betroffen: bastaardkikker (geluid), gaai, grauwe gans, heggenmus, hond, houtduif, huiskat, huismus, hond, kauw, konijn, koolmees, merel, vink, witte kwikstaart, zanglijster en zwarte kraai,

Figuur 3.1

Foto van het konijn op de wildcamera.

13

4 Conclusie en advies 4.1

Kleine marterachtigen In de periode april - mei 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) op de planlocatie. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat aanwezigheid van kleine marterachtigen uitgesloten kan worden. Dit wordt onderbouwd door de afwezigheid van waarnemingen en sporen. Blom Ecologie B.V. is van mening dat met de beoogde ontwikkeling, waarbij delen van het groen en zanddepot verwijderd worden, er geen functioneel leefgebied van kleine marterachtigen als de bunzing, hermelijn of wezel verloren zal gaan. Derhalve is door de beoogde ontwikkeling ten aanzien van kleine marterachtigen geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming.

4.2

Overige soorten Op de planlocatie zijn enkel waarnemingen gedaan van algemene soorten. Er is geen sprake van overtreding, mits de Algemene zorgplicht (m.n. t.a.v. het konijn) in acht wordt genomen.

4.3

Te treffen maatregelen tijdens de werkzaamheden •

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Voornamelijk bij het weggraven van de zanddepot dient er gefaseerd en in één werkrichting gewerkt te worden.

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

•

Mogelijke overwinteringslocaties van amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

•

De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (maart t/m september) en voortplantingsperiode van het konijn (januari t/m juli).

14

5 Bronnen Bouwens, S., 2017. Handreiking kleine marterachtige. Provincie Noord-Brabant, ’sHertogenbosch De Boer, D., 2021. Quickscan Wet natuurbescherming Kolkweg 1 te Bruchem. Blom Ecologie B.V., Waardenburg.

Gebruikte websites www.arcgis.nl www.zoogdiervereniging.nl

15

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14467835/1