Bijlagen bij motivering Bijlage 9 Quickscan Natuur
Tekst van het document
Quickscan Natuur Veilingweg 2 te Zaltbommel Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet
Colofon Status:
Definitief
Project:
2023-0966
Datum:
6 oktober 2023
Revisie:
9 april 2024
Samensteller:
S. Gielen Ad.
Collegiale toets:
E. Honingh MSc.
Opdrachtgever:
Bij-Zaak
Contactpersoon:
P. Rijkers
Contactpersoon:
A. Niekamp
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
11
2.4
Houtopstanden
13
2.5
Houdbaarheid en toepassing
13
3 Beoordeling
14
3.1
Soortenbescherming
14
3.2
Gebiedsbescherming
18
3.3
Houtopstanden
20
4 Samenvatting
21
4.1
Soortenbescherming
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
4.2
Gebiedsbescherming
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
4.3
Houtopstanden
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
5 Conclusie
22
5.1
Conclusie
22
5.2
Uitvoerbaarheid
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
5.3
Vervolgstappen
22
5.4
Te treffen maatregelen
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
1 Inleiding Aan de Veilingweg 2 te Zaltbommel is een kantoorpand gesitueerd, waarvan een deel tijdelijk is ingericht als opvangruimte voor vluchtelingen. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande nog aanwezige kantoor deel op de planlocatie inpandig te transformeren en het volledige pand in te richten voor de opvang van arbeidsmigranten. Daarnaast wordt het omliggende terrein heringericht. Het vigerende plan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep, maar wordt niet gewijzigd. Voor het project wordt namelijk een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd. De beoogde transformatie van het kantoor naar woningen voor arbeidsmigranten heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Bij-Zaak begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid.
Onderzoeksdoelen • Is Voldoet de wijziging van het omgevingsplan aan de eis dat voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies (Omgevingswet art. 4.2)? • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Veilingweg 2 te Zaltbommel.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Veilingweg 2 te Zaltbommel (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een L-vormig kantoorpand waarvan het noordelijke deel tijdelijk bewoond is door vluchtelingen. Het zuidelijke deel is volledig ingericht als kantoorruimte. Het pand is opgebouwd uit bakstenen muren met een spouw en met een plat bitumen dak. De kopgevels zijn afgewerkt met aluminium gevelpanelen. De directe omgeving van de planlocatie is volledig verhard met een tegelpad, grind en asfaltterrein. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Veilingweg 2 te Zaltbommel. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een bedrijfsterrein. De omgeving bestaat voornamelijk uit verharding en ruime bedrijfsgebouwen. Op circa 1,3 km ligt de dichtstbijzijnde rivier de Waal. En op circa 500 m ligt de snelweg A2.
5
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om het zuidelijke deel van het pand te transformeren van kantoren naar woonunits. In het gehele pand worden maximaal 150 arbeidsmigranten gehuisvest.
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft transformatie van het kantoorpand naar woonruimtes voor vluchtelingen. Het vigerende plan voorziet niet in deze beoogde inpandige transformatie en toekomstig gebruik door bewoning van arbeidsmigranten, waardoor een planwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • inpandige transformatie van kantoorgedeelte: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden. 6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot de Omgevingswet onderdeel natuur. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader H2.2 van dit rapport.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 4 september en is uitgevoerd door S. Gielen Ad. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 26 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna. In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied.
Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.
2.2 Juridische kaders Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afd. 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht waarbij de specifieke zorgplicht verder opgedeeld kan worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 7
1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -
-
“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlage II, IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”
De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten, naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de beoogde realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest, voortplantingsplaats, rustplaats, eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden, dient de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11.46) en Andere soorten (Bal art. 11.54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5.1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8.74 lid j, lid k en lid l). Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b.
het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: 8
a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d.
het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Andere soorten (Bal art. 11.54) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.
het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 9
Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
10
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Bal art. 11.54 kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten (Bkl 8.74l). Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of de natuurverbindingen aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht.
Bijzonder provinciaal landschap Kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen (tot 11 woningen of bouwwerken met een oppervlak minder dan 500m2) in Bijzonder Provinciale Landschappen (BPL) zijn mogelijk zolang de kernkwaliteiten niet aangetast worden. Uitvoering van grootschalige ontwikkelingen zijn alleen mogelijk als is aangetoond dat er sprake is van een groot openbaarbelang en er geen reële alternatieven zijn. De schade aan het landschap dient daarbij te worden gecompenseerd.
11
Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels.
Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
12
2.4 Houtopstanden Houtopstanden betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Bij het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond geld de Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) als de activiteit nadelige gevolgen heeft voor de oogmerken voor regels voor deze activiteiten (art. 11.112 Bal). Waarbij de oogmerken doelstellingen zijn voor regels over het vellen en herbeplanten. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Bal art. 11.111 lid 2): a. houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit activiteiten leefomgeving – geconsolideerde Staatsbladversie b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; d. houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; e.
naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, als deze niet ouder zijn dan 20 jaar; f. kweekgoed; g. uit populieren of wilgen bestaande: 1) wegbeplantingen; 2) beplantingen langs waterwegen; en 3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; h. het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; i. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, als zij: 1) ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2) bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en 3) zijn aangelegd na 1 januari 2013; en j. houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
13
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van wilde ridderspoor (NDFF 2013-2023). Wilde ridderspoor groeit op zonnige, kalkrijke, matig-stikstofrijke plekken. Voorbeelden hiervan zijn akkerranden en omgewerkte ruderale plekken. De planlocatie bestaat uit een kantoorpand op een volledig verhard bedrijventerrein. Voorkomen van wilde ridderspoor kan uitgesloten worden op de planlocatie. Het plangebied is volledig verhard en de planlocatie betreft een kantoorpand. Daarnaast betreft de beoogde ingreep de transformatie van het zuidelijke deel van het pand naar woonunits. De werkzaamheden worden volledig inpandig uitgevoerd. Op de planlocatie zijn vaatplanten aanwezig. Op de muren van het kantoorpand is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, vos, wezel en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, steenmarter en wezel. Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. De bunzing heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie. Ook dorpen en buitenwijken van steden vormen geschikt leefgebied.
De wezel heeft een voorkeur voor een structuurrijk kleinschalig (cultuur-) landschap, nabij boerderijen en aan de rand van bebouwd gebied. De wezel is sterk afhankelijk van voldoende dekking. Alle van de bovengenoemde soorten komen voor onder specifieke omstandigheden. Al deze specifieke omstandigheden ontbreken op de planlocatie. Enkel de steenmarter komt geregeld in stedelijk gebied voor. Vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen worden hierbij soms aangetroffen in gebouwen (zolders). De bebouwing op de planlocatie is echter niet toegankelijk voor de steenmarter, hierdoor kan uitgesloten worden dat er sprake is van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van de steenmarter. Het ontstaan van negatieve effecten op vorengenoemde soorten is uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De planlocatie bestaat uit volledige verharding van betonplaten, klinkers en siergrind. De beoogde ingreep betreft de interne transformatie van een deel van het kantoorpand. Negatief effect op (beschermde) zoogdieren wordt derhalve uitgesloten op de planlocatie 14
Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, huismuis en huisspitsmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat.
Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezigheid. Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Het inpandig te transformeren kantoorgebouw is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Het pand is opgebouwd uit bakstenen muren met een spouw en met een plat bitumen dak. De kopgevels zijn afgewerkt met aluminium gevelpanelen. In de bebouwing zijn geschikte openingen aanwezig waardoor vleermuizen toegang hebben tot geschikte wegkruipruimtes en tot de spouwmuur. Er zijn kierende daklijsten en kierende stukken daklood aanwezig. De beoogde ingreep beperkt zich volledig tot een inpandige transformatie van het zuidelijke gedeelte van het kantoorpand.
Er worden binnen de beoogde ruimtelijke ontwikkeling geen werkzaamheden uitgevoerd aan de buitenzijde (gevels en het dak) van het pand. Daarnaast worden er geen werkzaamheden uitgevoerd waardoor de spouwmuur en de dakruimte open komt te liggen. Derhalve is het uitgesloten dat de beoogde werkzaamheden leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Indien de werkzaamheden zich in de toekomst uitbreiden naar werkzaamheden aan de gevels en de dakranden, waarbij de openingen van mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden aangetast of verstoord dient voorafgaande aan de werkzaamheden afwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen te worden vastgesteld. Daarnaast het pand niet extra belichten en zover dit mogelijk is de werkzaamheden overdag met daglicht uitvoeren. (zie H5.4). Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de beoogde ruimtelijke ingreep op planlocatie leidt tot negatieve effecten op vleermuizen, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De beoogde ruimtelijke ingreep beperkt zich tot de inpandige transformatie van het pand. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden er geen structuren aangetast.
15
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van kamsalamander (NDFF 2013-2023). Voor de kamsalamander geldt dat deze beschermd is en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De kamsalamander wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel, maar ook in parken en landgoederen. De samenhang van geschikte landhabitats en geschikte watersystemen is essentieel voor de geschiktheid van een gebied en de verspreiding van de soort. De omgeving van de planlocatie is volledig verhard. Er is geen oppervlaktewater aanwezig. Voorkomen van kamsalamander is uitgesloten op de planlocatie. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van muurhagedis (NDFF 2013-2023).
Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De muurhagedis is een warmte minnende soort, die in Nederland van nature alleen in Maastricht voorkomt. Daar bevindt deze zich op de oude vestingwerken waar individuen zonnend kunnen worden aangetroffen. De bekende waarneming van de muurhagedis betreft een ontsnapt individu nabij een transprot bedrijf. Er is geen sprake van een bekende of kansrijke populatie. Daarnaast betreft de beoogde ingreep de inpandige transformatie van het kantoorpand naar woonunits voor arbeidsmigranten. Derhalve kunnen negatieve effecten op muurhagedis worden uitgesloten Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: rivierrombout en teunisbloempijlstaart (NDFF 2013-2023). De rivierrombout wordt vooral langs grote beken en rivieren aangetroffen. Deze soort is gebonden aan locaties waar zand en/of slib is afgezet. Op de planlocatie en in de omgeving van de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast betreft de ruimtelijke ingreep uitsluitend een inpandige transformatie van het kantoorgebouw naar woonunits. Derhalve worden negatieve effecten op rivierrombout uitgesloten. De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. De waardplanten van de teunisbloempijlstaart zijn vooral de teunisbloem, maar ook wilgenroosje, bastaardwederik en kattenstaart. De planlocatie is volledig verhard en er zijn geen planten aanwezig. Derhalve is aanwezigheid van essentiële waardplanten voor teunisbloempijlstaart
16
uitgesloten. Daarnaast beperkt de beoogde ingreep zich tot een inpandige transformatie van het kantoorgebouw. Aanwezigheid van teunisbloempijlstaart is uitgesloten op de planlocatie. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen, voor zover deze plantensoorten gedurende de winterperiode zichtbaar zijn. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster en kokmeeuw. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen.
De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Het pand is opgebouwd uit bakstenen muren met een spouw en met een plat bitumen dak. De kopgevels zijn afgewerkt met aluminium gevelpanelen. In het pand zijn geen geschikte openingen aanwezig voor nestlocatie van huismus en gierzwaluw. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus en gierzwaluw is derhalve geen sprake. De bebouwing is niet toegankelijk voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen bomen aanwezig op en in de omgeving van de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.
Op de planlocatie is gezien de verharding en de hoge mate van menselijke verstoring geen sprake van functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bebouwing vormt voor algemene broedvogels zoals meeuwen en scholeksters geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. De beoogde transformatie wordt volledig inpandig uitgevoerd, derhalve zijn er betreffende algemene broedvogels en cat. 5 soorten geen maatregelen noodzakelijk ten tijde van de beoogde transformatie van het kantoorpand naar woonunits voor arbeidsmigranten.
17
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de transformatie van het zuidelijke gedeelte van het kantoorpand naar woonunits en de volledige ingebruikname van het pand tot woonruimte voor maximaal 150 arbeidsmigranten. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
De transformatie van het zuidelijke gedeelte naar woonunits is een onderdeel van de reeds uitgevoerde transformatie van het noordelijke gedeelte van het kantoor naar woonunits. Er is separaat een stikstofonderzoek opgesteld voor de transformatie van het betreffende kantoordeel naar woonunits en de gebruiksfase van het volledige pand tot bewoning door maximaal 150 arbeidsmigranten. Derhalve wordt ten aanzien van stikstof verwezen naar de separaat opgestelde rapportage (Gielen, 2024 revisie). Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1 km ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.2). Op een afstand van circa 2,1 km ligt Weidevogelgebied (figuur 3.3). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 500 m van de planlocatie (figuur 3.4). Op een afstand van circa 29 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (geen figuur ingesloten). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. 18
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1 km tot de Groene Ontwikkelingszone (bron: gldanders.planoview.nl).
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,1 km tot de Weidevogelgebied (bron: gldanders.planoview.nl).
19
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 500 m tot het Ganzenrustgebied (bron: gldanders.planoview.nl).
3.3 Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
20
4 Samenvatting De planlocatie heeft mogelijke betekenis voor beschermde soorten. Echter beperkt de beoogde ingreep tot inpandige ontwikkelingen waarbij geen negatieve effecten ontstaan ten aanzien van beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk tevens geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee*
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
Bij uitbreiding van de werkzaamheden aan de buitenzijde van het pand
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Groene ontwikkelingszone Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Beschermingszone natte landnatuur
1 km 1 km 1 km 500 m 500 m
Stikstof Geen Geen Geen Geen
Separaat uitgevoerd N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
29 km
Geen
N.v.t.
Houtopstanden
Onderdeel
Uitzondering
Vervolgstap
Afwezig Afwezig
n.v.t. n.v.t.
Geen Geen
Eenheid van >1000 m Bomenrij van >20 bomen 2
Zorgplicht
Vervolgstap (H4.4)
Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden
Ja
21
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde inpandige transformatie van de zuidzijde van het kantoorpand naar woonunits en de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten aan de Veilingweg 2 te Zaltbommel wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.
5.2 Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming en houtopstanden. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, wordt separaat een stikstofonderzoek door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen en maatregelen Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de AERIUS Calculator. Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).
Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
22
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
23
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Velingweg 2 te Zaltbommel en bestaat uit transformatie van de zuidzijde van het kantoorpand naar woonunits en de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten in het volledige pand.
Figuur 2
In de bebouwing zijn diverse openingen aanwezig waardoor vleermuizen geschikte wegkruip mogelijkheden hebben. De gevels, spouw en het dak blijven echter binnen de beoogde ontwikkeling onaangetast.
24
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 25