CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

c. Definitief advies omgevingsvergunning rotonde zaak (1) (Geredigeerd).pdf

Raadscommissie 23 juni 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 7: Open Microfoon6.625 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

de

Onafhankelijke Commissie

bezwaarschriften

Id Woudenberg

ADVIES

onafhankelijke commissie gemeente Woudenberg over: van

de

1. het

bezwaarschrift

aangevuld

17

op

bezwaarschriften

10 maart 2026 (pro forma), 2026, van de heer (geanonimiseerd) wonende (geanonimise rd) Woudenberg (hierna: van

ME,

maart

Westerwoud Wijte bezwaarmaker 1);

aan

2.

de

het

bezwaarschrift

aangevuld

op

wonende aan bezwaarmaker 3.

de

van

van

10 maart

19 maart 2026, de Westerwoud

van

2026 (pro forma), de heer (geanonimiseerd)

(hierna:

(geanonimise rd) te Woudenberg |

2);

het

bezwaarschrift van 10 maart 2026 (pro forma), op 17 maart 2026, van de heer (geanonimiseerd) wonende aan de Westerwoud (geanonimiseerd) woudenberg (hierna: bezwaarmaker 3);

aangevuld

Bite

4. het bezwaarschrift van 10 maart 2026 heer (geanonimiseerd) wonende aan de Woudenberg (hierna: bezwaarmaker 4);

ME,

5. het

bezwaarschrift

de

5); bezwaarschrift

(geanonimise rd) te

2026 (pro forma), de heer (geanonimiseerd) wonende 2026, Woudenberg (hierna: bezwaarmaker

van

9 maart

BE,

van

(Bte geanonimise rd)

het

van

Westerwoud|

aangevuld op 18 maart aan de Westerwoud

6.

(pro forma),

2026 de (geanonimiseerd) ‚ gevestigd te bezwaarmaker (geanonimise rd) Woudenberg (hierna: van

14 februari

aan

van

Maarsbergseweg 6);

7. het bezwaarschrift van 4 maart 2026 van Nedersticht B.V., handelend namens de heer (geanonimiseerd) gevestigd aan de

ME,

(geanonimise rd) Woudenberg Ringelpoellilte

8.

(hierna:

het

bezwaarschrift van 10 maart wonende aan de ‚ (hierna: bezwaarmaker 8); het

bezwaarschrift

(geanonimiseerd) ME.

wonende

Woudenberg 10.

Het

van

van

de

heer

(geanonimiseerd)

op

(hierna:

17

de

heer

(geanonimiseerd) (geÌanonimise rd) te

de Maarsbergseweg bezwaarmaker 9); en

aan

bezwaarschrift

aangevuld

2026

7);

(gB] eanonimise rd) te Woudenberg Westerwoud

(geanonimiseerd) 9.

bezwaarmaker

maart

van

10

2026,

maart 2026 de

van

(pro forma),

(geanonimiseerd) wonende heer,

de

aan

Westerwoud

bezwaarmaker

(mte geanonimise rd) Woudenberg (hierna:

10);

Gericht tegen: besluit

college van burgemeester en wethouders 28 januari 2026, waarbij een Woudenberg omgevingsvergunning is verleend voor het aanpassen van een enkelbaansrotonde (N224-N226) naar een dubbelbaansrotonde, met twee bypasses, het aanleggen van een busbaan ten oosten van de rotonde, een fietstunnel en de hierbij behorende aanpassingen ten behoeve van de ontsluiting van percelen en watercompensatie aan N224N226 te Woudenberg. Het

het

van

van

van

Datum

advies:

5

juni

2026

Inleiding Bij besluit van 28 januari 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders van het een Woudenberg (hierna: college) omgevingsvergunning en een buitenplanse verleend voor het van een omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) aanpassen met twee enkelbaansrotonde (N224-N226) naar een dubbelbaansrotonde, bypasses, het aanleggen van een busbaan ten oosten van de rotonde, een fietstunnel en de hierbij behorende ten behoeve van de van en aanpassingen ontsluiting percelen watercompensatie aan N224-N226 te Woudenberg. Tegen dit ingediend,

besluit

hebben

welke

bezwaren

bezwaarmakers nadien

1

tot

en

met

10

tijdig

(pro

forma)

bezwaar

zijn aangevuld.

Bezwaarmakers

zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord door de commissie op 7 mei 2026. Van deze gelegenheid is door een aantal bezwaarmakers gebruik gemaakt. Enkele bezwaarmakers hebben zich vooraf afgemeld en hebben geen gebruik gemaakt van de

mogelijkheid

Het

BN

college

om

gehoord.

|

en wethouders werd vertegenwoordigd door mevrouw (geanonimiseerd) beleidsadviseur ruimtelijke ordening. Namens de provincie Utrecht Van de hoorzitting is aanwezig de heer (geanonimiseerd)

tevens

als

geluidsopname

een

worden

burgemeester

van

(geanonimiseerd) werkzaam waren

te

Overwegingen

van

Ten

het

(Pregramamaneger).

B

gemaakt.

de commissie besluit Op grond van de Omgevingswet is de aanvraag voor de omgevingsvergunning toegewezen. Daarbij is met name toepassing gegeven aan artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a jo. artikel 22.29 van het Omgevingsplan gemeente Woudenberg, alsmede artikel 8.0a, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. aanzien

van

Ten aanzien van Bezwaarmakers

-

-

l

de

inhoud

voeren

Bezwaarmakers

—

de

van

kort

bezwaren

samengevat

-—

het

volgende

aan:

is van een geweest sprake volwaardig onvoldoende geweest participatietraject. informatievoorziening en heeft geen daadwerkelijke terugkoppeling plaatsgevonden. Daarnaast voeren bezwaarmakers aan dat sprake is van schending van het nu door de vertrouwensbeginsel, provincie toezeggingen zijn gedaan over overleg

Bezwaarschriften

stellen

dat geen Volgens hen is de

bezwaarmakers

1 t/m

10

en

aanvulling daarop; verslag hoorzitting 7 mei 2026.

maar deze van niet Het terugkoppeling, nagekomen.” uitblijven zijn communicatie heeft er mede toe geleid dat bezwaarmakers genoodzaakt waren bezwaar in te dienen. bezwaarmakers is onvoldoende onderzocht of minder belastende Volgens alternatieven mogelijk zijn, in het bijzonder een tracéverschuiving in zuidelijke en

-

richting.3 -

-

-

-

-

-

-

_Bezwaarmakers

stellen

dat

het

akoestisch

onderzoek

verouderd

onvolledig is. Volgens hen wordt de werkelijke geluidbelasting onderschat, onder meer doordat met cumulatieve geen rekening is gehouden effecten, piekgeluiden en feitelijke verkeerssituaties. Daarbij wordt tevens gewezen de op de discrepantie tussen uitkomsten van het onderzoek en andere openbare bronnen. _Bezwaarmakers voeren aan dat de demping van de Westerwoud-vijver leidt tot wateroverlast en dat geen integrale watertoets heeft plaatsgevonden.® Volgens bezwaarmakers is het ecologisch onderzoek onvolledig, omdat geen onderzoek is gedaan naar aquatische soorten en effecten op de vijver.6 Ten aanzien van stikstof voeren bezwaarmakers aan dat de AERIUS-berekening onjuist is uitgevoerd, met name voor de aanlegfase.” Bezwaarmaker 6 voert specifiek aan dat de bereikbaarheid van zijn bedrijf ernstig wordt beperkt en dat onveilige verkeerssituaties ontstaan.® Bezwaarmaker 7 stelt dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen? Tot slot wordt door een van de bezwaarmakers aangevoerd dat de gekozen is van een BOPA, procedure, waarbij gebruik gemaakt onjuist is toegepast en sprake zou zijn van een gefragmenteerde van het beoordeling project.10 en

Tijdens de hoorzitting zijn deze gronden nader toegelicht en op onderdelen aangescherpt. Daarbij is met name ingegaan op de gebrekkige participatie, de gevolgen voor de geluidbelasting, de stikstofberekeningen en de bereikbaarheid van omliggende percelen.++ De

commissie

overweegt

het

volgende.

Ontvankelijkheid Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dienen bezwaarmakers om belanghebbende te zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bij het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning een hem persoonlijk aangaand belang te hebben dat hem in mate omtrent voldoende onderscheidt van anderen!?. een besluit een Bij als hier aan de zal als slechts als omgevingsvergunning, orde, regel belanghebbende kunnen worden aangemerkt degene die op geringe afstand van de bomen woont of vanuit zijn woning daarop zicht heeft.!3 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat om als belanghebbende in de zin van de Awb aangemerkt te kunnen worden, een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang moet hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door ?

Idem.

3

Idem.

*

Bijlage

13 Akoestisch onderzoek behorend

bezwaarmakers

1 t/m

10

en

bij de aanvraag om omgevingsvergunning;

aanvulling daarop; verslag hoorzitting

Bezwaarschriften

7 mei 2026.

>

Bijlage 7 Notitie watercompensatie; Bezwaarschriften bezwaarmakers 1 t/m 10 en aanvulling daarop; verslag hoorzitting 7 mei 2026. $ Ecologisch onderzoek behorend bij de aanvraag; Bezwaarschriften bezwaarmakers 1 t/m 10 en aanvulling daarop; verslag hoorzitting 7 mei 2026. 7 AERIUS-berekening en nadere toelichting in bezwaar; hoorzitting 7 mei 2026. $ Bezwaarschrift hoveniersbedrijf De Bart; verslag hoorzitting 7 mei 2026. 9

Bezwaarschrift Nedersticht B.V.

(o.a B); (geanonimiseerd) verstag hoorzitting 7 mei 2026. Verslag hoorzitting 7 mei 2026. R Zie bijvoorbeeld de uitspraak van ABRvS 17 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AK4035 '0

Bezwaarschrift

1

31 mei 2006, ECLE:NL:RVS:2006:AX6351. B Rechtbank Den Haag, 14 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3548.

en

van

ABRvS

het

besluit. Uitgangspunt daarbij is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit die het besluit toestaat in beginsel belanghebbende is bij het besluit!*. Daarbij geldt dat die gevolgen wel van enige betekenis moeten zijn!>. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, die factoren

licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. In de regel kan slechts als een dergelijke belanghebbende worden aangemerkt degene die op geringe afstand van de te vergunnen activiteit woont of vanuit zijn woning daarop zicht zo

heeft.

Bte

Bezwaarmaker 1 is woonachtig aan de Westerwoud (geanonimise rd) Woudenberg. De afstand van de woning tot de vergunde activiteit bedraagt circa 50 tot 75 meter. Bezwaarmaker 2 is woonachtig aan de Westerwoud (geanonimiseerd) Woudenberg. De afstand tot de

te

vergunde

activiteit bedraagt eveneens circa 50 tot 75 meter. Bezwaarmaker 3 is woonachtig aan de (geanonimise rd) te Woudenberg. vergunde activiteit bedraagt eveneens circa 50 tot 75 meter. Bezwaarmaker 4 is woonachtig aan de Westerwoud (geanonimise rd) Woudenberg. vergunde activiteit bedraagt eveneens circa 50 tot 75 meter. Bezwaarmaker 5 is woonachtig aan de Westerwoud (geanonimise rd) te Woudenberg.

Westerwoud B

De

afstand

tot

de

Bte

De

afstand

tot

de

|

De

afstand

tot

de

vergunde activiteit bedraagt eveneens circa 50 tot 75 meter. Bezwaarmaker 6 (geanonimiseerd) gevestigd aan de Maarsbergseweg (geanonimise rd) te en bevindt zich de directe in Woudenberg nabijheid van het projectgebied. Bezwaarmaker 7 (Nedersticht B.V. namens (geanonimiseerd) heeft gronden in de directe

(is

Il

BEN

nabijheid

het projectgebied. Bezwaarmaker 8 is woonachtig aan de (geanonimise rd) te Woudenberg. De afstand tot de activiteit circa 50 tot 75 meter. vergunde bedraagt Bezwaarmaker 9 is woonachtig aan de Maarsbergseweg (geanonimise rd) Woudenberg en bevindt zich de directe van de in nabijheid N224/N226. Bezwaarmaker 10 is woonachtig aan de (geanonimise rd) te Woudenberg. De afstand tot de van

Westerwoud Il

te

vergunde Deze

activiteit

bedraagt

circa

Westerwoud IJ meter.

50 tot 75

afstanden worden bevestigd door de ligging van de woningen ten

waarop

door

het

opzichte

de

van

college overgelegde situatietekening, het projectgebied is weergegeven.

De commissie stelt anders dan het college vast dat alle bezwaarmakers woonachtig zijn in de directe nabijheid van het projectgebied, dan wel gronden of bedrijfsbelangen hebben die door het blijkt dat de

project worden geraakt. Uit het dossier, waaronder het akoestisch onderzoek, ontwikkeling gevolgen kan hebben voor de geluidbelasting op de omliggende

woningen. Tijdens de hoorzitting is door meerdere bezwaarmakers naar voren gebracht dat zij geluidhinder zullen ondervinden van het project. Daarbij is tevens gewezen op de de acht in De commissie geluidsbelasting zoals opgenomen onderzoeksrapporten. aannemelijk dat deze gevolgen niet zodanig gering zijn dat bezwaarmakers hierdoor niet ontvankelijk zouden zijn. Gelet op de de toename rechtstreeks besluit.

aard,

intensiteit van de te verwachten gevolgen, in het bijzonder geluidbelasting, is de commissie van oordeel dat alle bezwaarmakers feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervinden van het bestreden omvang

en

van

H

ABRvS

23

15

ABRvS

16 maart

augustus 2017, ECLENL:RVS:2017:2271

2016,

ECLI:NL:RVS:2016:737

De commissie concludeert dan ook dat alle bezwaarmakers zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 , eerste lid , van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts is gebleken dat de bezwaarschriften tijdig zijn ingediend en voldoen aan de vereisten van artikel 6:5 en 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. De bezwaren zijn derhalve ontvankelijk. De commissie gaat over tot een inhoudelijke beoordeling. Onderdelen die in strijd zijn met het Omgevingsplan Uit het bestreden besluit en het verweerschrift blijkt dat de volgende onderdelen strijdig zijn met het omgevingsplan: • • • • • •

de aanleg van de fietstunnel ; het realiseren van een onderhoudspad naar de pompkelder ; de nieuwe ontsluiting naar het tankstation ; de nieuwe ontsluiting naar de volkstuinen ; het verleggen van de N226 aan de zuidwestzijde ; het verleggen van de N224 aan de noordoostzijde.

De overige onderdelen van het project zijn volgens het college in overeenstemming met het omgevingsplan. Voor zover bezwaren zich richten tegen onderdelen die reeds rechtstreeks zijn toegestaan op grond van het omgevingsplan , kunnen deze bezwaren in deze procedure niet leiden tot herroeping van het bestreden besluit. Voor die onderdelen is sprake van een gebonden beoordeling en bestaat geen ruimte voor een brede belangenafweging. De commissie concludeert dat de beoordeling van de gebonden onderdelen correct is. Tijdens

de hoorzitting is dit onderscheid nader toegelicht. Daarbij is onder meer aangegeven dat de aanpassing van de rotonde en de aanleg van de busbaan grotendeels passen binnen de geldende bestemming en derhalve niet met een BOPA zijn vergund , behoudens enkele beperkte afwijkingen. De commissie beoordeelt of het college in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor de onderdelen waarvoor met een BOPA van het omgevingsplan is afgeweken. Daarbij staat centraal of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Inhoudelijke beoordeling bezwaren Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet beschikt iedere gemeente van rechtswege over een omgevingsplan voor het gehele grondgebied. Dit omgevingsplan bestaat vooralsnog gedeeltelijk uit een tijdelijk deel , waarin onder meer de regels van de voorheen geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen.

Het college heeft bij besluit van 28 januari 2026 een omgevingsvergunning verleend voor het aanpassen van de bestaande enkelbaansrotonde op het kruispunt N224/N226 naar een dubbelbaansrotonde. Het project omvat onder meer de realisatie van twee bypasses , de aanleg van een busbaan ten oosten van de rotonde , een fietstunnel en diverse aanpassingen aan perceelsontsluitingen en watercompensatie. 16 De vergunning is mede verleend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ( BOPA) , aangezien een aantal onderdelen van het project in strijd is met het geldende omgevingsplan.

16 Productie

beschikking op aanvraag vergunning d. d. 28 januari 2026.

5

Voor deze onderdelen dient te worden beoordeeld of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om af te wijken van het omgevingsplan. Daarbij staat centraal of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De commissie zal hierna de afzonderlijke bezwaargronden bespreken en beoordelen in het licht van dit toetsingskader. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) In artikel 8.0a , tweede lid , van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een BOPA slechts wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ingevolge artikel 8.0b , eerste lid , onder a , Bkl zijn , bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA , voor zover geen sprake is van een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang , de regels van hoofdstuk 5 van het Bkl van overeenkomstig toepassing. De commissie dient te beoordelen of het college , gelet op deze beoordelingsregels , in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verlenen van de omgevingsvergunning strekt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het begrip ‘evenwichtige toedeling’ is in het Bkl niet nader omschreven. Het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om in te vullen wat een evenwichtige toedeling is.

Beoogd is om aan te sluiten bij het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De commissie treedt niet in de plaats van het college door zelf een nieuwe ruimtelijke afweging te maken , maar beoordeelt marginaal of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht , zorgvuldig is voorbereid volgens artikel 3:2 Awb en deugdelijk is gemotiveerd volgens artikel 3:46 Awb. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Standpunt van het college Het college stelt zich op het standpunt dat voor de onderdelen van het project die in strijd zijn met het omgevingsplan medewerking kan worden verleend via een BOPA. Volgens het college blijkt uit de bij het besluit gevoegde ruimtelijke motivering , waaronder de motivering BOPA van 23 december 2025 , dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college wijst daarbij onder meer op het belang van verbetering van de verkeersdoorstroming , de verkeersveiligheid voor langzaam verkeer , de aanleg van de fietstunnel , de landschappelijke inpassing , watercompensatie en de uitgevoerde onderzoeken naar onder meer geluid , ecologie , stikstof , bodem en verkeer.

Standpunt van bezwaarmaker Bezwaarmakers stellen dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zij voeren aan dat de gevolgen van het project voor hun woon- en leefklimaat onvoldoende zijn onderzocht en afgewogen. Daarbij wijzen zij onder meer op geluidhinder , verkeersveiligheid , wijziging van ontsluitingen , aantasting van waterberging , gevolgen voor ecologie , gebrekkige participatie en onvoldoende onderzoek naar alternatieven. Daarnaast voeren enkele bezwaarmakers aan dat het project te omvangrijk is voor toepassing van een BOPA en dat een wijziging van het omgevingsplan meer aangewezen zou zijn geweest.

6

Beoordeling ETFAL door de commissie De commissie zal hierna per bezwaargrond beoordelen of het college de relevante belangen voldoende heeft betrokken en of het besluit voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid en motivering. Daarbij wordt tevens bezien of de nadelige gevolgen voor bezwaarmakers onevenredig zijn. Participatie Bezwaarmakers voeren aan dat geen sprake is geweest van een zorgvuldig en volwaardig participatietraject. Volgens hen heeft de provincie volstaan met een inloopbijeenkomst , waarbij onvoldoende gelegenheid bestond om vragen te stellen en in gesprek te gaan. Daarnaast stellen bezwaarmakers dat na deze bijeenkomst geen daadwerkelijke terugkoppeling heeft plaatsgevonden op ingediende vragen en opmerkingen. Pogingen om contact te krijgen met de provincie zouden moeizaam zijn verlopen , waarbij bezwaarmakers veelal werden doorverwezen en geen inhoudelijke reactie ontvingen. Bezwaarmakers ervaren het participatietraject daarom niet als daadwerkelijke betrokkenheid , maar als een formele stap zonder wezenlijke invloed op de besluitvorming. Het college stelt dat is voldaan aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan participatie. 17 Daarbij wijst het college erop dat bij de aanvraag is aangegeven op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden. Daarbij verwijst het college naar het bij de aanvraag gevoegde participatieverslag.

Daaruit volgt volgens het college dat gesprekken zijn gevoerd met direct omwonenden , dat een inloopavond is georganiseerd en dat belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk te reageren. Volgens het college zijn naar aanleiding van de participatie ook enkele aanpassingen gedaan , onder meer ten aanzien van de ligging van de fietstunnel , de zichtlijnen en groencompensatie. Het college stelt verder dat op basis van de Participatiewijzer gemeente Woudenberg is uitgegaan van gemiddelde participatie. Volgens het college is aan dat niveau voldaan. Voor zover bezwaarmakers menen dat de participatie onvoldoende was , stelt het college dat participatie geen zelfstandige beoordelingsregel of weigeringsgrond vormt voor de omgevingsvergunning. Het college stelt dat participatie onder de Omgevingswet vormvrij is en dat het gevoerde traject in dat licht als voldoende kan worden aangemerkt. De commissie stelt voorop dat participatie onder de Omgevingswet in beginsel vormvrij is. Dat neemt echter niet weg dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit gehouden is aan de eisen van zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De commissie stelt vast dat participatie heeft plaatsgevonden. Uit het participatieverslag blijkt dat op 19 mei 2025 een inloopbijeenkomst is gehouden en dat bezoekers opmerkingen konden indienen.

Ook blijkt dat is gereageerd op verschillende onderwerpen , waaronder de inrichting van de fietstunnel , sociale veiligheid , geluid , groen en bereikbaarheid. De commissie constateert echter ook dat het participatietraject niet op alle onderdelen zorgvuldig is verlopen. Tijdens de hoorzitting is aannemelijk geworden dat bezwaarmakers het contact met de provincie als moeizaam hebben ervaren en dat de terugkoppeling op vragen en zorgen beperkt is geweest. Ook is van belang dat enkele inhoudelijke gesprekken pas hebben plaatsgevonden nadat de vergunning al was verleend. Daarmee heeft de participatie in belangrijke mate achteraf plaatsgevonden. De commissie is van oordeel dat het participatietraject daarmee niet voldoet aan wat in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van een besluit mag worden verwacht. Het 17 Het

college beroept zich op artikel 16. 55 Omgevingswet jo. Artikel 7. 4 Omgevingsregeling.

7

traject vertoont gebreken , met name ten aanzien van de timing en de terugkoppeling richting omwonenden. Dit gebrek leidt echter niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Hoewel participatie onder de Omgevingswet een belangrijk onderdeel vormt van de voorbereidingen van besluiten , vormt een tekortkoming in het participatieproces op zichzelf geen zelfstandige grond om een omgevingsvergunning te weigeren. De commissie acht het bezwaar op dit punt dan ook ongegrond , met dien verstande dat het college wordt gewezen op het belang van een zorgvuldiger participatietraject in toekomstige gevallen. Alternatieven Bezwaarmakers voeren aan dat onvoldoende is onderzocht of minder belastende alternatieven mogelijk zijn. In het bijzonder wijzen zij op de mogelijkheid om het tracé in zuidelijke richting te verplaatsen , waardoor de gevolgen voor hun woon- en leefklimaat , met name ten aanzien van geluid en afstand tot de weg , zouden worden beperkt. Volgens bezwaarmakers is in de besluitvorming met name uitgegaan van verkeerskundige uitgangspunten , zoals de doorstroming en verkeersveiligheid , terwijl de gevolgen voor omwonenden , met name ten aanzien van geluid en afstand tot de weg , onvoldoende zijn betrokken. Zij stellen dat hun alternatieven niet serieus zijn onderzocht of besproken.

Het college stelt dat in het kader van de planvorming een variantenstudie is uitgevoerd , zoals neergelegd verschillende in het verkeersonderzoek uit 2017 18 , waarbij inrichtingsvarianten zijn beschouwd. Uit deze studie volgt volgens het college dat de gekozen variant waarbij de bestaande enkelbaansrotonde wordt omgebouwd tot een dubbelbaansrotonde 19 als meest haalbaar is aangemerkt , mede in het licht van verkeerskundige uitgangspunten en ruimtelijke randvoorwaarden. Volgens het college is een verdere verschuiving van het tracé in zuidelijke richting niet wenselijk. Daarbij is onder meer gewezen op ruimtelijke beperkingen , waaronder de aanwezigheid van een rijksmonument en archeologische waarden , alsmede de beschikbare ruimte en waterhuishoudkundige aspecten. Uit het verweerschrift en de toelichting ter hoorzitting volgt dat deze factoren volgens het college eraan in de weg staan om het tracé verder in zuidelijke richting te verplaatsen. De commissie stelt voorop dat het college bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning beoordelingsruimte heeft bij de keuze voor een bepaalde inrichting van het project. Het college is niet gehouden om alle denkbare alternatieven uitputtend te onderzoeken , maar dient zich er wel van te vergewissen dat geen evident minder belastend alternatief voorhanden is dat een gelijkwaardig resultaat oplevert.

De commissie stelt vast dat het college in het bestreden besluit en het verweerschrift slechts in beperkte mate heeft gemotiveerd waarom is gekozen voor de voorliggende variant. Daarbij is in algemene zin gewezen op ruimtelijke en verkeerskundige randvoorwaarden. Tijdens de hoorzitting is echter gebleken dat bezwaarmakers concreet hebben gewezen op een alternatief waarbij het tracé in zuidelijke richting wordt verschoven , waardoor de weg op grotere afstand van hun woningen komt te liggen. De commissie is van oordeel dat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom dit alternatief niet mogelijk of niet wenselijk is. De enkele verwijzing naar onder 18 Verweerschrift college d. d. 21 april 2026 p. 8 en 11. 19 Met twee bypasses , een busbaan ten oosten van de rotonde , een fietstunnel , aanpassingen aan beperkte verschuiving van het tracé.

ontsluitingen en

8

de aanwezigheid van een rijksmonument en andere ruimtelijke beperkingen is daartoe onvoldoende , nu niet duidelijk is gemaakt hoe deze belangen zijn afgewogen tegen de belangen van omwonenden. meer

Hoewel door het college is gewezen op de aanwezigheid van een rijksmonument en andere ruimtelijke beperkingen , is niet inzichtelijk gemaakt waarom deze belangen zwaarder wegen dan de belangen van omwonenden bij een vermindering van de nadelige gevolgen. De commissie is van oordeel dat het college dit aspect beter had moeten motiveren. In zoverre is sprake van een motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De commissie adviseert het college dan ook om beslissing op bezwaar nader te motiveren.

dit onderdeel van het besluit in de

Geluid en woon- en leefklimaat Bezwaarmakers voeren aan dat het akoestisch onderzoek onvolledig en onjuist is uitgevoerd. Volgens hen is geen rekening gehouden met de feitelijke verkeerssituatie , waaronder optrekkend en remmend verkeer , snelheidsovertredingen en piekgeluiden. Daarnaast wijzen bezwaarmakers op een discrepantie tussen de uitkomsten van het akoestisch onderzoek en andere openbare bronnen , zoals de geluidsbelastingkaarten. Volgens hen wordt de werkelijke geluidbelasting onderschat en zal het project leiden tot een aanzienlijke verslechtering van hun woon- en leefklimaat. Voorts stellen bezwaarmakers dat onvoldoende is onderzocht of aanvullende maatregelen , zoals een geluidswal , noodzakelijk zijn. Het college stelt dat het akoestisch onderzoek op zorgvuldige wijze is uitgevoerd en gebaseerd is op actuele verkeersgegevens. Daarbij is rekening gehouden met de toekomstige verkeerssituatie na realisatie van het project. Uit het onderzoek volgt dat de voorgenomen wijziging van de rotonde leidt tot een toename van de geluidbelasting van maximaal 2 dB of meer , zodat sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. 20 In het kader daarvan is tevens een maatregelenonderzoek uitgevoerd. Daarbij is , met toepassing van het doelmatigheidscriterium , onderzocht welke maatregelen mogelijk en doelmatig zijn.

Uit dit onderzoek volgt dat bronmaatregelen in de vorm van geluidsreducerend asfalt Gelders mengsel effectief zijn en ertoe leiden dat de geluidbelasting wordt beperkt. Alternatieve maatregelen , zoals geluidsschermen , zijn eveneens onderzocht maar niet als doelmatiger aangemerkt. 21 Daarnaast is in een recente aanvullende notitie bevestigd dat de gehanteerde verkeersgegevens en uitgangspunten nog actueel zijn en dat een actualisatie van het onderzoek niet zou leiden tot grotere effecten of tot strengere maatregelen. De voorgenomen bronmaatregelen worden nog steeds als toereikend beschouwd. 22 Ten aanzien van de door bezwaarmakers aangehaalde geluidskaarten is namens het college ter hoorzitting toegelicht dat deze kaarten slechts een globale indicatie geven en niet kunnen worden gelijkgesteld met een projectspecifiek akoestisch onderzoek. Volgens het college volgt uit het akoestisch onderzoek dat met toepassing van bronmaatregelen , zoals geluidsreducerend asfalt , wordt voldaan aan de geldende normen. Om die reden acht het college aanvullende maatregelen , zoals de aanleg van een geluidswal , niet noodzakelijk.

20 Productie 13 Akoestisch onderzoek 21 Bijlage 13 Akoestisch onderzoek 22 Bijlage 14 Aanvullend notitie geluid en luchtkwaliteit

9

De commissie stelt voorop dat het aspect geluid een wezenlijk onderdeel vormt van de beoordeling van het woon- en leefklimaat in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De commissie stelt vast dat het college haar besluit heeft gebaseerd op een akoestisch onderzoek waarin de gevolgen van het project voor de geluidbelasting zijn beoordeeld. Daarbij is gebruik gemaakt van verkeersgegevens en prognoses van de toekomstige situatie. De commissie ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het onderzoek zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dat bezwaarmakers een andere beleving van de geluidssituatie hebben of verwijzen naar globale geluidskaarten , maakt dit niet anders. Deze kaarten hebben een indicatief karakter en kunnen niet worden gelijkgesteld met een projectspecifiek onderzoek. Ten aanzien van het betoog dat onvoldoende rekening is gehouden met piekgeluiden en de feitelijke verkeerssituatie , overweegt de commissie dat uit het verweerschrift volgt dat bij het akoestisch onderzoek is aangesloten bij de geldende rekenmethodiek. Daarbij is rekening gehouden met verkeersintensiteiten en voertuigcategorieën , en is het effect van optrekkend verkeer in de berekeningen betrokken.

Voor zover bezwaarmakers wijzen op snelheidsovertredingen en incidentele piekgeluiden , overweegt de commissie dat deze aspecten niet behoren tot de factoren die in het kader van het akoestisch onderzoek worden beoordeeld. De commissie ziet in hetgeen bezwaarmakers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek op dit punt zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Voorts stelt de commissie vast dat het college heeft gekozen voor het toepassen van geluidsreducerend asfalt als bronmaatregel. Gelet op de uitkomsten van het onderzoek heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aanvullende maatregelen , zoals een geluidswal , niet noodzakelijk zijn. Hoewel aannemelijk is dat het project leidt tot een toename van de geluidbelasting voor omwonenden , is niet gebleken dat deze toename zodanig is dat sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. De commissie betrekt bij haar beoordeling dat bezwaarmakers geen deskundig tegenrapport hebben overgelegd waaruit blijkt dat het akoestisch onderzoek onjuist of onvolledig is. De enkele stelling dat de geluidbelasting hoger is dan uit het onderzoek volgt , is daarvoor onvoldoende.

De commissie is dan ook van oordeel dat het college dit aspect in redelijkheid heeft kunnen betrekken bij de besluitvorming en dat het bezwaar op dit punt ongegrond is. Stikstof Bezwaarmakers voeren aan dat de stikstofberekening onjuist is uitgevoerd , met name voor de aanlegfase. Volgens hen is ten onrechte uitgegaan van emissieloos bouwverkeer , terwijl in de praktijk ook gebruik wordt gemaakt van niet-emissieloze voertuigen. Hierdoor zou de berekening geen realistisch beeld geven van de stikstofdepositie en kunnen significante effecten op Natura 2000-gebieden niet worden uitgesloten.

10

Het college heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie , nu zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase een uitkomst van 000 , mol/ha/jaar is berekend. 23 Uit het verweerschrift blijkt echter dat bij deze berekening is uitgegaan van aannames over emissieloos materieel , die niet volledig konden worden onderbouwd. Het college heeft erkend dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat al het bouwverkeer emissieloos plaatsvindt en dat het stikstofonderzoek op dit punt dient te worden aangevuld of nader gemotiveerd. De commissie stelt voorop dat een stikstofberekening een essentieel onderdeel vormt van de beoordeling van de gevolgen van een project voor Natura 2000-gebieden. De commissie stelt vast dat in het stikstofonderzoek voor de aanlegfase verschillende uitgangspunten zijn gehanteerd ten aanzien van het gebruik van materieel en bouwverkeer. Uit het onderzoek blijkt dat is uitgegaan van een zo emissiearm mogelijke uitvoering , waarbij emissieloos materieel het uitgangspunt vormt , maar dat in de berekeningen uiteindelijk is gerekend met materieel van de categorie Stage V en met concrete aannames over bouwverkeer en transportbewegingen.

Tijdens de hoorzitting is door het college bevestigd dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat de feitelijke uitvoering volledig overeenkomt met deze uitgangspunten en dat nadere onderbouwing noodzakelijk is. De commissie constateert dat daarmee weliswaar een berekening is uitgevoerd op basis van gangbare rekenmethodiek , maar dat niet zonder meer kan worden vastgesteld in hoeverre de gehanteerde uitgangspunten overeenkomen met de feitelijke uitvoering van het project. Met name ten aanzien van de inzet van emissieloos materieel en de omvang van het bouwverkeer bestaat onzekerheid. De commissie acht van belang dat uit het onderzoek zelf volgt dat , indien de feitelijke inzet van materieel of het aantal vervoersbewegingen afwijkt van de gehanteerde aannames , een nieuwe berekening noodzakelijk kan zijn. Gelet hierop is de commissie van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd onderzoek , als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar is op dit punt gegrond. De commissie acht het echter mogelijk dat dit gebrek in de beslissing op bezwaar wordt hersteld , mits het stikstofonderzoek wordt aangevuld of en de uitgangspunten daarvan alsnog deugdelijk worden onderbouwd.

Waterhuishouding Bezwaarmakers voeren aan dat de voorgenomen demping van de Westerwoud-vijver zal leiden tot wateroverlast. Volgens hen is geen integrale watertoets uitgevoerd en wordt onvoldoende rekening gehouden met de bestaande waterproblematiek in het gebied. Ter onderbouwing verwijzen bezwaarmakers naar concrete situaties van wateroverlast en stellen zij dat de huidige waterhuishouding reeds onder druk staat. Het college stelt dat de gevolgen voor de waterhuishouding zijn onderzocht en dat wordt voorzien in watercompensatie. Daarbij wordt de demping van bestaande watergangen watergangen gecompenseerd door de aanleg van nieuwe en aanvullende waterbergingsvoorzieningen. 23 Bijlage

11 stikstofdepositie onderzoek aanlegfase ; bijlage 12 stikstofdepositie onderzoek gebruiksfase.

11

Volgens het college is daarmee geborgd dat het project niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de waterhuishouding. De commissie stelt voorop dat de waterhuishouding een relevant aspect vormt bij de beoordeling van de fysieke leefomgeving in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De commissie stelt vast dat in het kader van de aanvraag een notitie watercompensatie is opgesteld. Uit deze notitie volgt dat de demping van watergangen wordt gecompenseerd door het graven van nieuw oppervlaktewater en de aanleg van voorzieningen zoals wadi’s. Tevens blijkt uit de berekeningen dat wordt voldaan aan de eisen van het waterschap , waarbij onder meer wordt voorzien in een waterbergingsopgave van 377 m³ en een overschot aan wateroppervlak van circa 999 m². 24 De commissie is van oordeel dat het college zich in beginsel op deze notitie heeft mogen baseren. De commissie constateert echter dat deze notitie zich beperkt tot de technische uitwerking van de watercompensatie en uitdrukkelijk geen integrale watertoets of beoordeling van overige waterhuishoudkundige effecten bevat. Daarnaast is door bezwaarmakers gewezen op bestaande wateroverlast in het gebied. De commissie is van oordeel dat het college deze signalen explicieter had moeten betrekken bij de beoordeling van de gevolgen van het project voor de waterhuishouding.

In zoverre is sprake van een motiveringsgebrek. De commissie acht echter niet aannemelijk gemaakt dat de voorgestelde watercompensatie ontoereikend is of dat het project zal leiden tot zodanige wateroverlast dat sprake is van een onevenredige aantasting van de woon- en leefomgeving. De commissie is daarom van oordeel dat het college zich , na nadere motivering , in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevolgen voor de waterhuishouding aanvaardbaar zijn. De commissie adviseert het college om dit onderdeel in de beslissing op bezwaar nader te motiveren. Ecologie Bezwaarmakers voeren aan dat het ecologisch onderzoek onvolledig is uitgevoerd. Volgens hen is onvoldoende onderzoek gedaan naar de effecten van het project op flora en fauna , in het bijzonder op aquatische soorten in de Westerwoud-vijver. Daarnaast stellen bezwaarmakers dat niet alle aanwezige soorten in beeld zijn gebracht en dat hierdoor niet kan worden uitgesloten dat beschermde soorten worden aangetast. Het college stelt zich op het standpunt dat ecologisch onderzoek is verricht. Uit de overgelegde rapportages blijkt dat soortgericht onderzoek heeft plaatsgevonden , waarbij onder meer veldonderzoek is uitgevoerd conform geldende protocollen. Daarbij is onder andere onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de alpenwatersalamander en andere soorten.

Uit het onderzoek volgt dat geen alpenwatersalamanders zijn aangetroffen en dat negatieve effecten op deze soort zijn uitgesloten. Ten aanzien van andere soorten , zoals de poelkikker , is vastgesteld dat sprake is van geschikt leefgebied en mogelijke effecten van het project. In dat kader is aangegeven dat voor de uitvoering van het project een 24 Bijlage

7 Notitie watercompensatie

12

omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten noodzakelijk is , waarbij tevens mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen. 25 De commissie stelt voorop dat de bescherming van flora en fauna een relevant aspect vormt bij de beoordeling van de fysieke leefomgeving in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De commissie stelt vast dat ecologisch onderzoek is verricht en dat daarin de aanwezigheid van beschermde soorten is geïnventariseerd. Niet is gebleken dat bezwaarmakers een tegenrapport hebben overgelegd of anderszins concrete aanknopingspunten hebben aangedragen voor het oordeel dat dit onderzoek zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Ten aanzien van het betoog dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar aquatische soorten , overweegt de commissie dat dit op zichzelf niet leidt tot het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat , voor zover sprake is van mogelijke effecten op beschermde soorten , aanvullende toetsing plaatsvindt in het kader van afzonderlijke flora- en fauna-activiteiten. In dat kader wordt onder meer een nadere alternatieve afweging gemaakt en worden mitigerende en compenserende maatregelen voorgeschreven.

De commissie is van oordeel dat het college dit aspect in redelijkheid heeft kunnen betrekken bij de besluitvorming en dat niet is gebleken dat sprake is van een zodanige aantasting van ecologische waarden dat het project niet kan worden gerealiseerd. De commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond. Bedrijfsbelangen Bezwaarmaker 6 (hoveniersbedrijf De Bart) voert aan dat de bereikbaarheid van zijn bedrijf als gevolg van het project ernstig wordt beperkt. Met name voor langere voertuigen zou het niet langer mogelijk zijn om het perceel veilig en doelmatig te bereiken. Daarnaast stelt bezwaarmaker dat de gewijzigde verkeerssituatie leidt tot onveilige situaties bij het in- en uitrijden van het terrein. Volgens bezwaarmaker is onvoldoende onderzocht of een geschikte ontsluitingsoplossing kan worden gerealiseerd. Het college stelt dat bij de planvorming rekening is gehouden met de bereikbaarheid van omliggende percelen , waaronder het bedrijf van bezwaarmaker. Volgens het college blijft het perceel bereikbaar , zij het mogelijk op een andere wijze dan in de huidige situatie. Tijdens de hoorzitting is door het college en de provincie toegelicht dat wordt gezocht naar een passende oplossing , waarbij onder meer is gekeken naar een aangepaste manoeuvreerruimte voor vrachtverkeer. Volgens het college is daarmee voldoende geborgd dat het perceel bereikbaar blijft.

De commissie stelt voorop dat bij de beoordeling van een project waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan ook de belangen van omliggende bedrijven , waaronder de bereikbaarheid van percelen , moeten worden betrokken. De commissie stelt vast dat het project gevolgen heeft voor de ontsluiting van het bedrijf van bezwaarmaker 6. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat nog geen definitieve oplossing is uitgewerkt voor de bereikbaarheid van het perceel , met name voor grotere voertuigen. De commissie is van oordeel dat het college hiermee onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de bereikbaarheid van het bedrijf op een adequate en veilige wijze is gewaarborgd. In zoverre is sprake van een motiveringsgebrek. 25 Bijlage

9. 1 Aanvullend onderzoek alpenwatersalamander.

13

De commissie acht echter niet aannemelijk dat het bedrijf als gevolg van het project niet meer bereikbaar zal zijn. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat het college en de provincie hebben aangegeven bereid te zijn om in overleg met bezwaarmaker tot een passende oplossing te komen. De commissie is van oordeel dat het college dit gebrek in de beslissing op bezwaar kan herstellen door de bereikbaarheid van het perceel nader te concretiseren en , indien nodig , aanvullende maatregelen te treffen. De commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond , voor zover het ziet op de motivering , maar ziet geen aanleiding om het bestreden besluit te herroepen. Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties De commissie stelt vast dat het college bij de beoordeling van de aanvraag beoordelingsruimte heeft bij de invulling van het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit het voorgaande volgt dat het college de relevante aspecten , waaronder verkeer en bereikbaarheid , geluid , waterhuishouding , ecologie , alternatieven , participatie en de belangen van omwonenden en bedrijven , bij de besluitvorming heeft betrokken.

De commissie constateert dat de motivering op onderdelen uitvoeriger en zorgvuldiger had gekund , met name ten aanzien van de motivering ten aanzien van de onderzochte alternatieven , de beoordeling van de gevolgen voor de waterhuishouding , de onderbouwing van de bereikbaarheid van het bedrijf van bezwaarmaker 6 en de oorspronkelijke uitgangspunten van de stikstofberekening. De commissie is echter van oordeel dat deze gebreken , gelet op de aard daarvan , niet zodanig zijn dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat: het gebrek ten aanzien van stikstof in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld door de berekening aan te vullen dan wel nader te onderbouwen , de overige gebreken betrekking hebben op de motivering en in de beslissing op bezwaar kunnen worden aangevuld , en niet is gebleken dat een andere afweging tot een wezenlijk ander besluit zou hebben geleid. Voorts is niet gebleken dat de nadelige gevolgen van het project voor bezwaarmakers zodanig zijn dat deze onevenredig zijn in verhouding tot de met het project te dienen doelen , waaronder verbetering van de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid.

De commissie is dan ook van oordeel dat het college zich , na aanvulling van de motivering , in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Advies De commissie adviseert: 1. de bezwaren van bezwaarmakers ontvankelijk te verklaren ; 2. de bezwaren gedeeltelijk gegrond te verklaren , voor zover deze betrekking hebben op: • • • •

3. 4. • •

de motivering ten aanzien van alternatieven ; de beoordeling van de waterhuishouding ; de bereikbaarheid van het bedrijf van bezwaarmaker 6 ; de oorspronkelijke stikstofberekening ; het bestreden besluit , onder aanvulling en verbetering van de motivering , in stand te laten ; in de beslissing op bezwaar: de motivering ten aanzien van de alternatieven , in het bijzonder de tracéverschuiving , nader uit te werken ; de gevolgen voor de waterhuishouding explicieter te onderbouwen ;

14

e

de

e

het

bereikbaarheid

van

stikstofonderzoek onderbouwen. te

Samenstelling De

heer

en

mevrouw

De

voorzitter,

mr.

A. mr.

het

bedrijf

aan

te vullen

van

bezwaarmaker

dan

wel

de

waarborgen; uitgangspunten nader

6 concreet te

gehanteerde

commissie

Erdogan J.

(voorzitter), en de (secretaris).

heer

A.

Slot

en

de

heer

mr.

O.

Kocak

(leden)

Klaassen.

(geanonimiseerd)

De

secretaris,

(geanonimiseerd)

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4284/documents/77512