Beantwoording technische vragen SGP-fractie - Agendapunt 9
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen SGP-fractie over agendapunt 9: Gemeentelijke uitwerking van het regionaal afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 Raadscommissievergadering van: 16 - 06 – 2026.
Vraag
Antwoord
1.
Het voorstel stelt dat meer economische functies gewenst zijn om de vrijwel automatische keuze voor wonen te doorbreken. Hoe gaat het college dit monitoren, meten of dit voorstel succesvol is, of andersom bijsturen als blijkt dat het ongewenste ontwikkelingen met zich meebrengt?
Over enkele jaren zal worden bezien wat de effecten van dit beleid zijn. Bij het vaststellen van het Omgevingsplan voor het deelgebied Buitengebied, zullen deze regels opgenomen worden in het Omgevingsplan. Dan wordt bezien of de regeling het gewenste effect gehad heeft, als blijkt dat bijstelling nodig is, dan kan het op dat moment plaats vinden.
2.
Leusden heeft de kernrandzone begrensd op 250m, waar Woudenberg en andere gemeenten 500m handhaven. Is in Woudenberg verkend of het nuttig zou zijn de kernrandzone te verkleinen en waarom zou je dat wel/niet doen?
Voor dit beleid wordt uitgegaan van de kernrandzone aanduiding van de provincie, dat maakt het ook makkelijker om te voldoen aan het provinciaal beleid. Het is een juridische aanduiding, die bij een inhoudelijke beoordeling veelal tot andere conclusies leidt. Bijvoorbeeld het gebied oost van het Valleikanaal valt binnen de 500 meter van de provincie, in het veld is daar feitelijk zichtbaar geen sprake van een kernrand met verschillende functies, maar een harde en duidelijke lijn met het agrarisch gebied. Daarmee zal het gebied niet passend zijn voor het “laten landen” van sloopmeters, want de specifieke kenmerken van een kernrandzone zijn niet aanwezig.
3.
Er worden (globaal) drie typen gebieden onderscheiden in het voorstel. Daarbij wordt aangegeven dat een gebied vandaag nog binnen type 1 kan vallen, maar mogelijk over 10 jaar door stoppers binnen type 3. Daarmee kan er dus in een bepaalde periode een verschuiving ontstaan in wat binnen dit gebied wordt toegestaan. Hoe wordt gemonitord en geborgd dat deze verschuivingen niet of zo weinig mogelijk plaatsvinden, en welke mogelijkheden heeft de gemeente om hierop toe te zien en te handhaven?
Als gemeente hebben wij geen invloed op de autonome en individuele ontwikkelingen die leiden tot het beëindigen van een agrarisch bedrijf. Als in een gebied veel bedrijven stoppen zal dat invloed hebben op de typering van een gebied. Bij elke beoordeling van een verzoek om functiewijziging wordt bezien hoe de omgeving er op dat moment voor staat. Door middel van dit beleid bieden wij agrarische bedrijven de mogelijkheid om verder te kunnen en zo min mogelijk beperkt te worden door de effecten van “stoppers”. Pas als er veel “stoppers” zijn zal een gebied van type veranderen, als gemeente hebben wij geen zeggenschap over het stoppen van een bedrijf.