CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

2.c Toelichting Broekerweg 8.pdf

Raadscommissie 13 januari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken13.052 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

TAM-omgevingsplan Broekerweg 8, Woudenberg (Hoofdstuk 22e Woudenberg) Gemeente Woudenberg NL.IMRO.0351.TAMBroekerweg8-ow01

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling

14 november 2025, projectnummer 250282

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

Inleiding

3

1.1

Aanleiding

3

1.2

Ligging en begrenzing besluitgebied

3

1.3

Leeswijzer

5

Planbeschrijving

6

2.1

Huidige ruimtelijke situatie

6

2.2

Huidige planologische regime

7

2.3

Toekomstige situatie

8

2.4

Strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan

10

Beleidskader

11

3.1

Rijksbeleid

11

3.2

Provinciaal beleid

12

3.3

Gemeentelijk beleid

16

Gevolgen fysieke leefomgeving

19

4.1

Milieueffectrapportage

19

4.2

Bodem

20

4.3

Geluid

20

4.4

Luchtkwaliteit

22

4.5

Geur

23

4.6

Kabels en leidingen

24

4.7

Omgevingsveiligheid

25

4.8

Gezondheid

27

4.9

Water

28

4.10

Klimaatadaptatie

31

4.11

Natuur

33

4.12

Archeologie

35

4.13

Cultuurhistorie

36

4.14

Ontplofbare oorlogsresten

37

4.15

Mobiliteit en parkeren

37

4.16

Ladder voor duurzame verstedelijking

38

Juridische toelichting

40

5.1

40

Inleiding

6

7

5.2

Opzet van de regels

40

5.3

Verantwoording van de regels

42

Uitvoerbaarheid

43

6.1

Economische uitvoerbaarheid

43

6.2

Participatie en overleg

43

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Bijlage Bijlage 1:

Onderzoek stikstofdepositie

Bijlage 2:

Participatieverslag

44

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Aan de Broekerweg 8 te Woudenberg is een melkveebedrijf gevestigd waar ook jongvee wordt gehouden. Het voornemen bestaat om de vorm van het bouwvlak te wijzigen en op de gronden van het beoogde nieuwe bouwvlak een uitbreiding van de bestaande stallen te realiseren. Het aantal dieren blijft gelijk. Het doel is om zo een indeling van het terrein te realiseren die de melk- en jongveedieren ten goede komt. Hiermee kunnen werkzaamheden op het terrein beter worden gestructureerd en ontstaat er minder stress bij de dieren als zij van stal moeten wisselen. Het (tijdelijke) Omgevingsplan, waarin bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ en ‘Buitengebied 2013’ zijn opgenomen, bevat geen regels/begrenzing voor maximale oppervlakte van bedrijfsbebouwing. Zodoende is enkel vormverandering van het bouwvlak in strijd met het omgevingsplan. Daarnaast bestaat het voornemen ter plaatse aan het huidige agrarische bedrijf de nevenactiviteit ‘dagbesteding’ toe te voegen, met een ruimtebeslag van maximaal 350 m2. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet het (tijdelijke) omgevingsplan gewijzigd worden. Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de wijziging van het omgevingsplan.

1.2

Ligging en begrenzing besluitgebied De locatie aan de Broekerweg 8 te Woudenberg ligt in het buitengebied van de gemeente Woudenberg, ten zuiden van de kern Scherpenzeel en ten oosten van de kern Woudenberg. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Woudenberg, sectie I, nummers 484, 551 en 552. De locatie ten opzichte van de kernen Scherpenzeel en Woudenberg is op navolgende afbeelding globaal weergegeven en op de tweede afbeelding is de locatie ten opzichte van de directe omgeving weergegeven.

3

Planlocatie aangegeven met een de rode stip ten opzichte van de kernen Scherpenzeel en Woudenberg (bron: PDOK-Viewer).

De ligging van de locatie (globaal rood omlijnd) (bron: PDOK-Viewer, 2025).

De locatie is omsloten door agrarische gronden en aan de noordzijde zijn enkele woonbestemmingen gelegen. Het bedrijf ten westen van de locatie is een melkveebedrijf. Op enkele honderden meters afstand zijn in verschillende richtingen bos- en woonbestemmingen gelegen.

4

1.3

Leeswijzer De voorliggende motivering bij het wijzigingsbesluit is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie van de locatie, waarbij zowel de ruimtelijke, juridisch-planologische, als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt kort ingegaan op de nieuwe ontwikkeling en de strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan. Het derde hoofdstuk gaat in op de relevante geldende beleidskaders die van invloed zijn op de ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in hoeverre de ontwikkeling gevolgen heeft op de fysieke leefomgeving. In het vijfde hoofdstuk wordt een juridische toelichting op het wijzigingsbesluit gegeven en hoofdstuk 6 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling en de participatie en het overleg dat heeft plaatsgevonden. Tot slot bevat het laatste hoofdstuk een conclusie hoe de ontwikkeling aansluit op het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5

2 Planbeschrijving 2.1

Huidige ruimtelijke situatie

2.1.1

Historische ontwikkeling Woudenberg is een plaats en gemeente in de provincie Utrecht met een rijke geschiedenis die teruggaat tot de vroege middeleeuwen. De naam verwijst naar een bosrijke heuvelachtige omgeving, wat terug te vinden is in de omgeving van de locatie. Oorspronkelijk was het een agrarisch gebied binnen het graafschap Utrecht, beheerd door adellijke families. In de 13e en 14e eeuw werd Woudenberg een zelfstandig dorp met een kerk als religieus en sociaal middelpunt. Tijdens de Gouden Eeuw bleef Woudenberg agrarisch, met nadruk op graanproductie en veeteelt. Ondanks de aanleg van spoorwegen in de 19e eeuw, bleef het dorp klein en landelijk, met weinig industrialisatie. Na de Tweede Wereldoorlog groeide de bevolking door suburbanisatie, mede door de nabijheid van Utrecht. Tegenwoordig combineert Woudenberg zijn landelijke karakter met moderne voorzieningen en een bloeiend sociaal leven.

Ontwikkeling Woudenberg 1900 - 1950 - 1980 - 2020 (bron: topotijdreis.nl)

2.1.2

Ruimtelijke en functionele structuur Ruimtelijke structuur Het historische dorpscentrum van Woudenberg vormt het hart van de gemeente en heeft een compacte structuur. Dit gebied bevat belangrijke voorzieningen zoals de dorpskerk, winkels, en horecagelegenheden.

6

Buiten de bebouwde kom liggen uitgestrekte landbouw- en natuurgebieden. De gemeente heeft een landelijk karakter, en landbouw blijft een belangrijke functie in de regio, hoewel deze functie steeds meer verschuift naar de periferie van het dorp. Ook zijn er bossen en natuurgebieden rondom het dorp, die bijdragen aan de groene uitstraling van Woudenberg. Het dorp heeft een net van secundaire wegen en fietspaden, wat de mobiliteit vergemakkelijkt, vooral voor inwoners die naar de omliggende steden forenzen. Functionele structuur De agrarische sector speelt een belangrijke rol in de functionele structuur van Woudenberg. Buiten de woonwijken liggen uitgestrekte akkers en weilanden, die economisch en landschappelijk waardevol zijn. Natuurgebieden zorgen voor ecologische diversiteit en recreatie. Huidig gebruik planlocatie Op de locatie exploiteert de initiatiefnemer een melkveehouderij met jongvee, daarnaast bevindt zich op het terrein een bedrijfswoning.

2.2

Huidige planologische regime Ter plaatse van de planlocatie geldt het (tijdelijke) Omgevingsplan, waarin de bestemmingsplannen ‘Buitengebied 2010’ en ‘Buitengebied 2013’ zijn opgenomen. In dit omgevingsplan kennen de gronden van de functie ‘Agrarisch’ met de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied’. Een klein deel van de locatie, grenzend aan de Broekerweg aan de noordzijde van de gronden, kent de functie ‘Waarde – Archeologie 2’. Daarnaast is aan de noordzijde van de gronden een bouwvlak voorzien. In artikel 3.7.2 is een artikel opgenomen welke de voorwaarde schetst om het bouwvlak van vorm te kunnen veranderen, deze is navolgend weergegeven. Burgemeester en wethouders kunnen de vorm van het bouwvlak van grondgebonden agrarische bedrijven en intensieve veehouderijen wijzigen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

vormverandering is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;

b.

de wijziging heeft niet tot gevolg dat de oppervlakte van het bouwvlak wordt vergroot of dat bestaande bebouwing buiten het bouwvlak komt te liggen;

c.

er is geen sprake van een onevenredige aantasting van de waterhuishouding en –kwaliteit ter plaatse;

d.

wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van de landschapsstructuur;

e.

voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing, afgestemd op de kenmerken van de omgeving;

f.

alvorens het plan te wijzigen vragen burgemeester en wethouders advies van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige met betrekking tot de onder d en e vermelde voorwaarden en wordt voorzien in een privaatrechtelijke

7

overeenkomst omtrent de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing; g.

wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

Uitsnede plankaart (tijdelijke) Omgevingsplan (besluitgebied globaal zwart omlijnd) (bron: Ruimtelijkeplannen.nl).

De locatie is ook in inpassingsplan ‘Grebbelinielandschap’ gelegen, dat is vastgesteld op 8-12-2014. De locatie is gelegen in 'Waarde - Grebbelinielandschap', deze aangewezen gronden, zijn, naast de andere voor deze gronden aangewezen bestemmingen en aanduidingen krachtens de bestemmingsplannen zoals bedoeld in artikel 2 onder a, tevens aangewezen voor het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorische waarden, deeluitmakende van de Grebbelinie zoals beschreven in Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie behorende bij deze regels.

2.3

Toekomstige situatie Het voornemen bestaat om de vorm van het bouwvlak te wijzigen en op de gronden van het beoogde nieuwe bouwvlak een uitbreiding van de bestaande stallen te realiseren. Het aantal dieren blijft gelijk. Het doel is om zo een indeling van het terrein te realiseren die de melk- en jongveedieren ten goede komt. Hiermee kunnen werkzaamheden op het terrein beter worden gestructureerd en ontstaat er minder stress bij de dieren als zij van stal moeten wisselen. Het Omgevingsplan bevat geen regels/begrenzing voor maximale oppervlakte van bedrijfsbebouwing, zodoende is enkel vormverandering van het bouwvlak in strijd met het Omgevingsplan. Daarnaast bestaat het voornemen ter plaatse aan het huidige agrarische bedrijf de nevenactiviteit ‘dagbesteding’ toe te voegen, met een ruimtebeslag van 8

maximaal 350 m2. De precieze locatie van de dagbesteding wordt niet met een aanduiding vastgelegd op de verbeelding, maar als maximale oppervlakte in de regels. De exacte oppervlakte van de toekomstige uitbreiding van bedrijfsgebouwen en sleufsilo’s en de exacte locatie is nog niet in beeld of tekening uitgewerkt. Dit zal bij de aanvraag omgevingsvergunning worden meegeleverd. Met onderhavige procedure wordt enkel het bouwvlak van vorm veranderd waarbij de kaders worden gesteld waarbinnen de bouwwerken en activiteiten plaats vinden. Aangezien het bouwvlak niet wordt vergroot is er ook geen toename in de reeds bestaande bouwmogelijkheden.

De groene omlijning verbeeldt het huidige bouwvlak, de rode rechthoekige omlijning de boogde vorm van het toekomstige bouwvlak (bron: VanWestreenen).

De initiatiefnemer heeft voor ogen een zorgboerderij op de locatie te exploiteren met dagbesteding. De initiatiefnemer wenst zich te richten op cliënten met een licht tot matig verstandelijke en/of lichamelijke beperking met indicatie. De initiatiefnemer wenst een locatie te bieden waarbij de cliënten in nauw contact staan met elkaar, de dieren en alle activiteiten rondom de agrarische bedrijfsvoering. In de meeste gevallen staan cliënten van een zorgboerderij ver af van de samenleving. Een zorgboerderij biedt de mogelijkheid om te ontwikkelen om zodoende bij te dragen aan het maatschappelijke leven. Voor onderhavig zorgconcept dient cliënt de handen ineen te slaan met een erkende zorginstelling. Uiteindelijk zal de agrariër het zorgdeel runnen en de cliënten betrekken bij de activiteiten op en rondom de boerderij. Uiteraard dient een professional van de zorg tevens betrokken te zijn voor de begeleiding van cliënten op de locatie.

9

2.4

Strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan Het plan is in strijd met het (tijdelijke) omgevingsplan. De vorm van het bouwvlak wordt gewijzigd en er wordt een nevenactiviteit ‘dagbesteding’ mogelijk gemaakt. Er is binnen bepaalde gebieden in het buitengebied een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor nevenfuncties bij agrarisch gebruik waaronder dagbesteding tot 350 m2. De planlocatie ligt echter niet in een gebied waar die ontheffing kan worden toegepast. Op deze locatie binnen het landbouwontwikkelingsgebied, blijft de agrarische bedrijfsvoering de hoofdfunctie. Als ondergeschikte nevenfunctie kan een zorgfunctie in de vorm van dagopvang, waarbij er een relatie qua activiteiten is met het agrarische bedrijf als een passende functie worden gezien. In het Grebbelinielandschap is de locatie gelegen in de kleinschalige linie. De beeldkwaliteit van de kleinschalige linie geeft aan dat nieuw bebouwing in dezelfde richting gebouwd moet worden als de bestaande bebouwing en dat uitgebreid moet worden in de diepte van het erf. De beoogde vormverandering en de bouwmogelijkheden die dat meebrengt zijn in lijn met het beeldkwaliteit van het Grebbelinielandschap. Onderhavige document geldt als motivering bij een TAM-omgevingsplan waarbij de zojuist genoemde wijzigingen worden gefaciliteerd.

10

3 Beleidskader 3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk.

Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt: 1 Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 Sterke en gezonde steden en regio's; 4 Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Toetsing Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Het plan beoogt een beperkte ontwikkeling mogelijk te maken die niet in strijd is met de rijksbelangen en niet strijdig is met de beoogde doelen van de NOVI.

3.1.2

Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet. In het besluit staan: 11

− instructieregels voor programma’s, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten: het betreft onder meer normen en regels voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed, maar ook inhoudelijke randvoorwaarden voor de programma’s voor de kwaliteit van de buitenlucht, de waterprogramma’s, de actieplannen geluid en de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden. − omgevingswaarden: het Bkl bevat o.a. omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater. − regels voor omgevingsvergunningen: dit betreft de regels die het bevoegd gezag hanteert bij het beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, het opnemen van voorschriften in een omgevingsvergunning en het wijzigen van voorschriften of intrekken van een omgevingsvergunning. − monitoring en informatie: dit gaat over de regels over monitoring, gegevensverzameling, gegevensbeheer, toegang tot gegevens, kaarten en verslagen over de toestand van de fysieke leefomgeving. Toetsing Onderhavig plan raakt geen nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Bkl, zoals blijkt uit hoofdstuk 4. 3.1.3

Conclusie Het plan is in lijn met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie legt de provincie het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2050 vast. Het nieuwe ruimtelijke beleid heeft als hoofdvraag: ‘Hoe willen wij dat onze provincie er in 2050 uitziet?’. In de omgevingsvisie komen de volgende aspecten aan de orde: − Woningbouw in principe binnen steden en dorpen en rondom knooppunten; − De beschikbare ruimte meervoudig gebruiken; − Het vergroten van de duurzaamheid; − Specifiek inspelen op wat gebieden nodig hebben; − Toekomstbestendige natuur en landbouw. In de Omgevingsvisie liggen de integrale langetermijnambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma’s en Omgevingsverordening. In de omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in onderlinge samenhang bezien. Hiermee wordt ruimte geboden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling, voor sociale samenhang en wordt zorggedragen voor behoud of verbetering van kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving.

12

In het omgevingsbeleid staan twee centrale uitgangspunten centraal: − De provincie Utrecht kiest gebiedsgericht voor integrale, toekomstgerichte oplossingen waarmee zij de Utrechtse kwaliteiten per saldo behouden of versterken, zo nodig met compenserende maatregelen. − De provincie Utrecht concentreert en combineert nieuwe ontwikkelingen, om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Er blijft ook ruimte beschikbaar voor lokale opgaven. Toetsing Het onderhavig plan betreft het wijzigen van de vorm van het bouwvlak en het toevoegen van een nevenfunctie in de vorm van dagbesteding op de gronden van de locatie. De provincie Utrecht heeft gekozen voor gebiedsgericht beleid en heeft per deelgebied beleid opgenomen. De onderstaande gebiedsaanwijzing is relevant voor het onderhavig plan en andere relevante gebiedsaanwijzingen welke eveneens terugkomen in de provinciale Omgevingsverordening worden in paragraaf 3.2.2 getoetst. Landbouwgebied In het Landbouwgebied is landbouw de hoofdgebruiker, maar vindt ook menging met andere functies plaats. De provincie biedt agrariërs ruimte voor verbreding en innovatie. Het gaat hierbij om activiteiten die in het belang zijn van de landbouw zelf en van haar functie voor het omringende gebied. Andere agrarische ondernemers worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd door deze activiteiten.

In onderhavige ontwikkeling wordt de intensiteit van de agrarische activiteiten niet gewijzigd, maar wordt wel kleinschalige dagbesteding toegevoegd. Deze dagbesteding is van zodanig beperkte aard dat andere agrarische ondernemers niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd door deze activiteiten.

3.2.2

Omgevingsverordening provincie Utrecht De omgevingsverordening Utrecht is op 7 februari 2024 vastgesteld. Op 1 maart 2024 is deze eerste wijziging in werking getreden. In de verordening zijn instructieregels opgenomen die in acht genomen moeten worden bij het maken van nieuwe ruimtelijke plannen. Op deze manier kan het provinciale ruimtelijke beleid ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Hieronder worden de voor het planvoornemen meest relevante instructieregels behandeld. Toetsing Agrarische bedrijven Het agrarisch bedrijf ligt binnen het gebied dat in de verordening is aangemerkt als Agrarische bedrijven. Artikel 8.1 bevat instructieregels over de uitbreiding van een agrarisch bedrijf. In onderhavig plan wordt het huidige agrarische bedrijf niet uitgebreid. Daarnaast kan Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Gebied agrarische bedrijven regels bevatten die nevenactiviteiten toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: 13

a de nevenactiviteit blijft ruimtelijk ondergeschikt aan de agrarische activiteiten; b de nevenactiviteit vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel; c erfinrichting en bedrijfsbebouwing zijn landschappelijk goed inpasbaar; en d omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. In de beoogde situatie is de nevenactiviteit ondergeschikt, het vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel en er zal gebruik gemaakt worden van bestaande erfinrichting en bedrijfsbebouwing dus deze zijn reeds goed ingepast. De omliggende agrarische bedrijven worden niet belemmerd. Cultuurhistorische hoofdstructuur Het agrarisch bedrijf ligt binnen het gebied dat in de verordening is aangemerkt als Cultuurhistorische hoofdstructuur. Daar binnen is het gelegen in het deelgebied ‘Militair erfgoed’.

Locatie is met rode ster weergegeven. In onderhavig project wordt de vorm van een bouwvlak gewijzigd en een nevenfunctie in de vorm van dagbesteding toegevoegd. Dit zorgt niet voor significante wijzigingen in de cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie. Landbouwontwikkelingsgebied Het agrarisch bedrijf ligt binnen het gebied dat in de verordening is aangemerkt als Landbouwontwikkelingsgebied. Artikel 8.2 bevat instructieregels waarmee het agrarisch bouwperceel vergroot mag worden tot maximaal 2,5 hectare. In onderhavig geval zal het bouwvlak niet vergroot worden maar enkel van vorm veranderd worden. Landschap Gelderse Vallei Het agrarisch bedrijf ligt binnen het gebied dat in de verordening is aangemerkt als Landschap Gelderse Vallei. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in Landschap bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten en geen regels die nieuwe activiteiten toestaat die de kernkwaliteiten

14

onevenredig aantasten. Daarnaast bevat de motivering een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. De Gelderse Vallei heeft een voornamelijk agrarisch landschap met grote afwisseling van bebouwing, bosjes, lanen en agrarische percelen met houtwallen en -singels. Het gebied wordt doorsneden door een groot aantal beken en gegraven waterlopen. De open ruimten verschillen van maat en schaal. Verborgen in de Vallei liggen lijnstructuren als beken, kanalen, griften, de Grebbelinie en de Ponlijn. Ook landgoederen, kastelen en forten liggen min of meer verscholen in het landschap. De Gelderse Vallei is onderverdeeld in drie deelgebieden met elk een eigen identiteit, namelijk mozaïek, stroken en binnenveld. De kernkwaliteiten zijn rijk gevarieerde kleinschaligheid, stelsel van beken, griften en kanalen en de Grebbelinie. Met onderhavige ontwikkeling blijft de kleinschaligheid gewaarborgd aangezien het agrarische bouwvlak niet wordt vergroot, daarnaast heeft de ontwikkeling geen invloed op beken, griften en kanalen en de Grebbelinie. Zoals zichtbaar is in navolgende afbeelding valt het plangebied onder ‘(Grootschalige) stroken’. Het strokenlandschap wordt gekenmerkt door ingekaderde langgerekte open ruimten, waarbij bebouwing voornamelijk plaatsvindt in linten.

Langs de percelen is veelal aan weerszijden beplanting aanwezig. Het landschap in de deelgebieden Mozaïek als Stroken vraagt om het versterken van de kleinschaligheid. Dit deelgebied kan worden versterkt door bijvoorbeeld de agrarische perceelsgrenzen te accentueren door bijvoorbeeld houtsingels (bestaande uit elzen of knotwilgen) aan te planten.

Ambitiekaart. (Bron: Kwaliteigsgisds Utrechtste Landschappen – Gelderse Vallei)

15

Zoals goed zichtbaar in navolgende afbeelding zijn deze kenmerken reeds goed herkenbaar/zichtbaar op locatie. Aanweerszijden van de perceelsgrenzen is reeds sprake van houtsingels. Het is daarom niet noodzakelijk om extra beplantingsstructuren aan te brengen aangezien het perceel reeds is ingepast in lijn met de beschrijving behorend tot het strokenlandschap.

Luchtfoto met beplantingsstructuren (bron: streetsmart.cyclomedia.com)

3.2.3

Conclusie Het plan is in lijn met het provinciaal beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Woudenberg 2030 (inclusief oplegger 2019) Op 23 mei 2013 heeft de gemeenteraad van Woudenberg de Structuurvisie Woudenberg 2030 vastgesteld. Op 24 januari 2019 is daarbij ook de oplegger vastgesteld. In de ruimtelijke visie wordt aangegeven hoe de gemeente denkt over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren voor de jaren tot 2030. Met de oplegger is geconstateerd dat de huidige structuurvisie op hoofdlijnen nog voldoet, wel is deze geactualiseerd op een aantal onderdelen. In de Structuurvisie worden de volgende thema's beschreven: landschap en groen, wonen, economie, recreatie, verkeer, maatschappelijke voorzieningen. Toetsing Een relevante thema uit de Structuurvisie Woudenberg 2030 voor voorliggend plan is ‘landschap en groen. Navolgend wordt ingegaan op het betreffende thema uit de Structuurvisie en de binding met voorliggend plan. Landschap en groen Woudenberg ligt in een divers en kwalitatief hoogwaardig landschap. Het groen in de bebouwde kom en het buitengebied van Woudenberg maken de gemeente een aantrekkelijke plaats met een goede woon- en leefkwaliteit. Al eeuwenlang zijn dit de medegebruikers van het landschap. Vroeger hoofdzakelijk de agrarische sector, maar vandaag de dag is het landschap multifunctioneel in gebruik met verschillende functies.

Op basis van de provinciale structuurvisie en het regionale Groenbeleidsplan zijn er de volgende uitgangspunten voor het landschap en groen in en 16

rondom Woudenberg: diversiteit, kwaliteit en intrinsieke waarde van natuur en landschap te behouden met oog voor de dynamiek en ontwikkelingen van haar gebruikers. Verder acht de gemeente het belangrijk een samenhangende en verbindende groenstructuur met aandacht voor aantrekkelijk, aangenaam, karakteristiek en kwalitatief hoogwaardig groen te versterken en waarborgen. Voorliggend plan houdt het bestaande landschap in stand, maar voegt een nevenfunctie in de vorm van dagbesteding toe. Hiermee wordt ook dit stuk agrarisch land multifunctioneel gebruikt. Dit is in ieder geval niet strijdig met de gemeentelijke structuurvisie. 3.3.2

Omgevingsplan In het (tijdelijke) Omgevingsplan van de gemeente Woudenberg is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbij onder voorwaarden het bouwvlak ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf van vorm kan worden veranderd. Hoewel deze wijzigingsbevoegdheid onder de Omgevingswet niet meer van toepassing is wordt in deze paragraaf nog wel aan de voorwaarden getoetst. Toetsing Burgemeester en wethouders kunnen het bouwvlak van vorm veranderen van grondgebonden agrarische bedrijven, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a vormverandering is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; b de wijziging heeft niet tot gevolg dat de oppervlakte van het bouwvlak wordt vergroot of dat bestaande bebouwing buiten het bouwvlak komt te liggen; c er is geen sprake van een onevenredige aantasting van de waterhuishouding en –kwaliteit ter plaatse; d wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van de landschapsstructuur; e voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing, afgestemd op de kenmerken van de omgeving; f

alvorens het plan te wijzigen vragen burgemeester en wethouders advies van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige met betrekking tot de onder d en e vermelde voorwaarden en wordt voorzien in een privaatrechtelijke overeenkomst omtrent de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;

g wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. Op de bovenstaande voorwaarden kan als volgt worden gereageerd: Ad a. In de toekomstige situatie is het bouwvlak zodanig van vorm veranderd dat het goed aansluit bij het doelmatig agrarisch gebruik. De voorzijde van het perceel bestaat uit het woongedeelte met de bedrijfswoning, daar aansluitend in het middengedeelte de agrarische bedrijfsgebouwen met de agrarische activiteiten. Door de stallen in het middengedeelte bij elkaar te houden komt dit het dierenwelzijn ten goede, omdat er efficiënter gewerkt kan worden. Alle benodigdheden voor het houden van vee wordt bij elkaar opgeslagen en als dieren tussen verschillende stallen verplaatst moeten worden kan dit op een efficiënte manier waardoor er geen stress ontstaat bij

17

Ad b. Ad c.

Ad d. Ad e. Ad f.

Ad g.

de dieren. Ook de nevenactiviteit in de vorm van dagbesteding vindt plaats in het middengedeelte omdat de dagbesteding direct betrekking heeft op het omgaan en verzorging van de dieren. Aan de achterzijde van het erf worden de sleufsilo’s gesitueerd. Sleufsilo’s zijn enkel binnen het bouwvlak toegestaan (artikel 3.2 lid 1 sub a). Om dit mogelijk te kunnen maken dient het bouwvlak vervormt te worden. Dit gedeelte van het erf verstoort met de bouwvlakwijziging geen aanzichten vanaf de Broekerweg. Het bouwvlak wordt niet vergroot en er komt geen bebouwing buiten het bouwvlak te liggen. Met het beoogde plan wordt de waterhuishouding niet aangetast. Er is geen sprake van watergangen welke als gevolg van onderhavig plan gedempt dienen te worden. Het plan heeft geen gevolgen voor de waterhuishouding; Zie paragraaf 3.2.2; Zie paragraaf 3.2.2; De locatie is al voorzien van een landschappelijke inpassing. Op het perceel is aan beide zijde in de lengte van het perceel boombeplanting aanwezig. De vormwijziging vindt plaats binnen deze beplanting; De omliggende gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden worden niet onevenredig aangetast, dit wordt in de diverse paragrafen van hoofdstuk 4 nader onderbouwd.

Onder de Omgevingswet is de wijzigingsbevoegdheid komen te vervallen, zodoende dient het Omgevingsplan gewijzigd te worden om het bouwvlak van vorm te kunnen veranderen. Tevens is ook in het landbouwontwikkelingsgebied voor het realiseren van dagopvang een wijziging van het Omgevingsplan nodig. De agrarische bedrijfsvoering blijft hier de hoofdfunctie op het perceel. Een ondergeschikte nevenfunctie in de vorm van zorg ten behoeve van dagopvang waarbij er een relatie is qua activiteiten met het agrarische bedrijf kan als een passende functie op deze locatie worden gezien. 3.3.3

Conclusie Het plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.

18

4 Gevolgen fysieke leefomgeving 4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.

Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

4.1.2

Toetsing Onderhavig plan betreft het veranderen van de vorm van een bouwvlak en het toevoegen van een nevenfunctie in de vorm van dagbesteding. De intensiteit van de huidige agrarisch activiteiten zal niet gewijzigd worden. In de categorie landbouw zijn installaties voor intensieve veehouderij opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, gaat het hier niet om een intensieve veehouderij, maar om het wijzigen van de vorm van een bouwvlak en het toevoegen van een nevenfunctie in de vorm van dagbesteding. Deze activiteit komt zodoende niet voor in Bijlage V en er hoeft geen m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden.

19

4.1.3

Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een m.e.r.beoordeling en/of milieueffectrapport is niet nodig.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

4.2.2

Toetsing Met onderhavige ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt dat met een maximale oppervlakte van 350 m2 een nevenactiviteit dagbesteding wordt toegestaan, wat gezien wordt als een bodemgevoelig activiteit/object. De exacte locatie van dagbestedingsgebouw ligt nog niet vast. Wanneer de locatie vaststaat wordt een bodemonderzoek uitgevoerd en bijgevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning.

4.2.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect bodem.

4.3

Geluid

4.3.1

Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen,

20

spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met onderhavige ontwikkeling wordt er een geluidgevoelig object mogelijk gemaakt. Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1 activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2 geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Met onderhavige ontwikkeling wordt zowel een geluidgevoelige activiteit als een activiteit met gebruiksruimte toegestaan. 4.3.2

Toetsing Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De locatie is gelegen aan de Broekerweg. Uit geluidskaarten van de atlasleefomgeving komt naar voren dat ter plaatse van de bedrijfsbebouwing geen geluidsbelasting van 45 dB of meer plaats vindt. Er is zodoende geen sprake van een te hoge geluidsbelasting op de nieuwe geluidgevoelige activiteit.

21

Uitsnede geluidskaart (bron: atlasleefomgeving) Geluid door activiteiten In artikel 3.21 van het Bkl is opgenomen dat een geluidsgevoelig gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een woonfunctie of gezondheidsfunctie. Op zichzelf staand wordt een dagbesteding derhalve als geluidsgevoelig aangemerkt. Echter is in het Bkl artikel 5.61 en het omgevingsplan artikel 22.58 opgenomen dat de waarden uit een omgevingsplan m.b.t. geluid niet van toepassing zijn op een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Voor het aspect ‘geluid’ gelden dan ook geen aanvullende eisen, omdat deze een onlosmakelijk onderdeel zal zijn van de agrarische inrichting. Met het toestaan van de nevenactiviteit wordt ook een activiteit met gebruiksruimte mogelijk gemaakt. De nevenactiviteit wordt gezien als een dagverblijf met een richtafstand van 10 meter. Het dichtstbijzijnde geluidgevoelig gebouw, aan de overzijde van de Broekerweg is op ruim 70 meter van het bouwvlak gelegen, zodoende wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Daarnaast wordt het bouwvlak van vorm veranderd en wordt deze in het verlengde van de bedrijfsbebouwing verplaatst. Door deze vormverandering worden activiteiten op grotere afstand van omliggende geluidgevoelige objecten uitgevoerd. 4.3.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Algemeen Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben.

Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling 22

veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 1 bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 2 bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 3 bij de aanleg van een auto(snel)weg. 4.4.2

Toetsing Onderhavig plan betreft het wijzigen van de vorm van een bouwvlak en het toevoegen van een nevenfunctie in de vorm van dagbesteding. De intensiteit van de huidige agrarische activiteiten zal niet wijzigen. Het exploiteren van de nevenactiviteit zal leiden tot extra verkeersbewegingen. Het betreft echter geen onevenredige verkeersaantrekkende werking. Het gaat sowieso om lichtverkeer (geen zwaar verkeer). Daarbij worden de personen ook veelal in busjes gebracht. Dat wil zeggen meerdere personen tegelijk aankomen op de locatie met één vervoersbeweging. Dit heeft als gevolg dat de verkeersaantrekkende werking wordt beperkt en er dus geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. Het plan draagt niet in betekende mate bij.

4.4.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.

4.5

Geur

4.5.1

Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1 bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen;

23

2 bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. 4.5.2

Toetsing Onderhavig plan betreft het wijzigen van de vorm van een bouwvlak en het toevoegen van een nevenfunctie in de vorm van dagbesteding. De intensiteitsgraad van de huidige agrarische activiteiten zal met voorliggende ontwikkeling niet wijzigen. De geurveroorzakende activiteiten zullen niet intensiveren of wijzigen in de toekomstige situatie. Binnen het agrarisch bedrijf worden dieren gehouden waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld en zodoende gelden vaste afstanden. Door de wijziging van het agrarische bouwvlak zal het bouwvlak niet op een kortere afstand komen te liggen ten opzichte van de omliggende woonbestemmingen (overzijde van de Broekerweg). Bij nieuwe ontwikkelingen dient voldoende afstand te worden aangehouden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is in artikel 5.91 (geurgevoelige gebouwen) onder lid 1 sub a opgenomen dat een geurgevoelig gebouw in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een woonfunctie of bv. een gezondheidsfunctie/onderwijsfunctie. In artikel 5.95 van het Bkl en in artikel 22.93 van het omgevingsplan (bruidsschat) is opgenomen dat de genoemde waarden m.b.t. tot geur uit het omgevingsplan niet van toepassing zijn indien het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.

De dagbesteding/zorgnevenactiviteit is onlosmakelijk verbonden aan de bedrijfswoning/erf. Voor het aspect ‘geur’ gelden dan ook geen aanvullende eisen, omdat dit onderdeel zal zijn van de inrichting.

4.5.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geur.

4.6

Kabels en leidingen

4.6.1

Algemeen Bij vaststelling van een wijzigingsbesluit moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen. 24

4.6.2

Toetsing Nabij de locatie bevinden zich geen ruimtelijk relevante kabels en leidingen. In de bredere omgeving bevinden zich wel twee gasleidingen, beiden op ruim een kilometer afstand. Navolgende afbeelding toont aan waar de buisleidingen zich vinden ten opzichte van de locatie.

Buisleidingen nabij de locatie (aangegeven met een rode stip) (bron: Atlas leefomgeving). Onderhavig plan betreft het wijzigen van de vorm van een bouwvlak, het uitbreiden van de stallen en het toevoegen van de nevenactiviteit ‘dagbesteding’ aan het reeds bestaande agrarische bedrijf. Daar de locatie zich (ruim) buiten de aandachtsgebieden van deze twee leidingen bevindt wordt een nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk geacht. De ontwikkeling heeft zodoende geen invloed op aanwezige kabels en leidingen. 4.6.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect kabels en leidingen.

4.7

Omgevingsveiligheid

4.7.1

Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke 25

slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waarop kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen.

Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. 4.7.2

Toetsing In de wijdere omgeving van de locatie bevinden zich meerdere risicobronnen. Deze centreren zich voornamelijk in zuidelijke richting ten opzichte van de locatie. Op (ruim) anderhalve kilometer afstand bevinden zich onder andere gasleidingen, een spoorweg en een snelweg (A12) waarover mogelijk gevaarlijke stoffen worden

26

vervoerd en meerdere propaan/propeen opslagplaatsen. Navolgende kaart laat zien waar deze risicobronnen zich bevinden ten opzichte van de locatie.

Uitsnede digitale risicokaart (bron: Atlas leefomgeving).

De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. Wel is de dagbesteding aan te merken als een zeer kwetsbaar gebouw, de afstand tot risicobronnen is echter groot. Een verdere beschouwing ten aanzien van omgevingsveiligheid is daarom niet noodzakelijk. 4.7.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.

4.8

Gezondheid

4.8.1

Algemeen Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. 27

Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan. 4.8.2

Toetsing In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur en geluid is geconcludeerd dat in het plangebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − Er is geen sprake van geluidsbelasting vanuit de omgeving op de ontwikkeling en de ontwikkeling zorgt niet voor meer geluidbelasting op omliggende functies; − Zodra een definitieve locatie bekend is voor het gebouw voor dagbesteding wordt bodemonderzoek uitgevoerd om te garanderen dat de bodem geschikt is voor de activiteit; − Met onderhavige ontwikkeling neemt de uitstoot van fijnstof niet toe; − Met onderhavige ontwikkeling neemt de uitstoot van geur niet toe; − Met onderhavige ontwikkeling wordt een dagbestedingsvoorziening gecreëerd welke kan bijdragen aan de gezondheid van de gebruikers van de dagbesteding.

4.8.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.

4.9

Water

4.9.1

Algemeen Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: 1 waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 2 waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 3 waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 4 in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 5 realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂¬arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 6 verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit;

28

7 behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 een veilige en klimaatbestendige delta; 2 een concurrerende, duurzame en circulaire delta; 3 een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en EemsDollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Provinciaal beleid - Regionaal Bodem- en waterprogramma Utrecht 2022-2027 Het Regionaal Bodem- en waterprogramma (RWBP) 2022 – 2027 Provincie Utrecht is op 14 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Bodem- en waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Utrecht. Ten eerste zijn er een aantal overkoepelende thema’s voor bodem en water uitgelegd: − Een duurzaam ondergrondgebruik: Het is belangrijk voor mens en dier in een geschikte leefomgeving te kunnen leven. De ondergrond wordt steeds meer gebruikt (drinkwater, bodemenergie…). Daarom vraag deze ontwikkeling om samen met betrokkenen te gaan werken. Elk project is maatwerk − Een circulaire economie maakt deel uit van de beleidskeuzes.

De ambitie is onder andere om te gaan innoveren met verkenning naar een circulair watersysteem in de provincie, met zo weinig mogelijk afval.

29

Verder is het plan onderverdeeld in zes deelprogramma’s: 1 Schoon oppervlaktewater: Dit programma draait om de bescherming van biodiversiteit. Het principe wijst ‘waterparels’ aan om wateren met specifieke soorten te beschermen. Daarnaast is een goede kwaliteit van oppervlaktewater van belang voor vele gebruiksfuncties; 2 Schone bodem en grondwater: Het programma draait om het beperken van verontreinigende stoffen en het voorkomen van achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen. Schoon water is ook belangrijk voor mensenconsumptie; 3 Bodem: kwaliteit, vruchtbaarheid, aardkundige waarden en ontgrondingen: Dit programma vooral een administratief punt over taken en rollen in de transitie naar (en na) de Omgevingswet. Kennisontwikkeling en kennisdeling zijn onder andere belangrijke opgaven. Verder focust het beleid zich op het faciliteren van kringlooplandbouw en de borging van de aardkundige waarden in de ruimtelijke ontwikkelingen. Tot slot wordt er randvoorwaarden opgesteld aan delfstoffenwinning; 4 Voldoende water en voorkomen wateroverlast: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.

Daarbij let de provincie op de hoeveelheid goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; 5 Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem; 6 Energie uit bodem en water: De provincie wil zich inzetten op ondergrondenenergie (aquathermie en ondiepe bodemenergie…) mits de netwerken optimaal benut zullen worden en mits het verantwoord is voor mens, bodem, water en milieu. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. De provincie is ook onderverdeeld in deelgebieden. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.

Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s:

30

− Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem s: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. − Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. − Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. − Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het BOP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Toetsing Met onderhavige ontwikkeling wordt enkel de vorm van het bouwvlak gewijzigd en wordt de nevenactiviteit ‘dagbesteding’ toegevoegd aan het agrarische bedrijf. Er vinden verder geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4253/documents/71491