CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

2.c Toelichting Broekerweg 8.pdf

Raadscommissie 13 januari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken13.052 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Niet gevonden in dit document.

Door de vormverandering van het bouwvlak wordt in het verlengde van de bestaande stallen ruimte gecreëerd om de stallen uit te breiden, echter de uitbreiding van stallen was reeds in het vigerende bestemmingsplan toegestaan. De ontwikkeling heeft zodoende geen betrekking op wateraspecten en een toetsing aan het aspect water kan verder achterwege blijven. 4.9.2

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect water.

4.10

Klimaatadaptatie

4.10.1

Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit 31

het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze.

De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd.

Provinciaal beleid – Programma klimaatadaptie 2020-2023 In het Programma Klimaatadaptatie 2020-2023 'Op weg naar een klimaatbestendig Utrecht' schetst de provincie Utrecht de aanpak voor de komende jaren, op weg naar een klimaatbestendige en waterveilige provincie in 2050. Klimaatadaptatie geeft richting aan al het provinciale beleid. De maatregelen om de provincie klimaatbestendiger te maken bieden ook kansen om andere doelen te realiseren voor een gezonde en vitale regio.

32

Belangrijke onderwerpen in het programma zijn: − toekomstbestendig bouwen; − adaptief landelijk gebied; − klimaatrobuust wegen- en OV-net; − veilige en vitale netwerken en nutsfuncties; − innovatie en kennis: regio Utrecht als kennis-‘hub’ voor ‘gezonde leefomgeving’ (met universiteit, onderzoek en bedrijfsleven). De doelen van het Programma Klimaatadaptatie 2020-2023 zijn: 1 Bewustwording en gedragsverandering stimuleren voor klimaatadaptatie; 2 Klimaatadaptatie in de praktijk brengen met behulp van concrete fysieke maatregelen, pilots, voorbeeldprojecten en innovaties; zowel binnen de provincie als regio-overstijgend; 3 Klimaatadaptatie verankeren in ons eigen provinciaal beleid, regels, programma’s en uitvoering; 4 Participeren in de ontwikkeling van regionale klimaatadaptatiestrategieën en in activiteiten voor klimaatadaptatie in de werkregio’s; 5 Kennis ontwikkelen en monitoring: kennis verzamelen, benutten en delen op het gebied van klimaateffecten en klimaatadaptatiemaatregelen. 4.10.2

Toetsing Met onderhavige ontwikkeling wordt enkel de vorm van het bouwvlak gewijzigd en de nevenfunctie ‘dagbesteding’ toegevoegd aan de huidige agrarisch bedrijfsactiviteiten. Er vinden verder geen ingrijpende ruimtelijke ontwikkelingen plaats. De ontwikkeling heeft zodoende geen betrekking op aspecten die invloed hebben op klimaatadaptatie en een toetsing aan het aspect klimaatadaptatie kan verder achterwege blijven.

4.10.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect klimaatadaptatie.

4.11

Natuur

4.11.1

Algemeen

4.11.1.1

Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met 33

mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. 4.11.1.2

Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies.

Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.

4.11.2

Toetsing Met onderhavige ontwikkeling wordt enkel de vorm van het bouwvlak gewijzigd en de nevenfunctie ‘dagbesteding’ toegevoegd aan de huidige agrarisch bedrijfsactiviteiten. Het bouwvlak wordt zodanig van vorm veranderd dat aan de achterzijde van

34

het huidige erf het bouwvlak wordt verlengd. Op deze locatie is nu weiland aanwezig welke intensief begraasd wordt, drie keer per jaar gemaaid wordt en geïnjecteerd wordt met mest. Door dit intensief gebruik is de kans op aanwezigheid van beschermde soorten uit te sluiten. De ontwikkeling heeft zodoende geen betrekking op soortenbescherming. Stikstof Door onderhavige ontwikkeling zijn effecten op Natura-2000 gebieden echter niet uit te sluiten. Om deze reden is een onderzoek stikstofdepositie 1 uitgevoerd. Gelet op de forse afstand van circa 7.600 meter naar de ‘Rijntakken’, 8.300 meter naar ‘Binnenveld’ en 8.300 meter naar ‘Kolland & Overlangbroek’ zijn er geen factoren die leiden tot een negatief effect op het dichtstbijzijnde, en daarmee maatgevende, Natura 2000-gebied. Uit de calculaties uit hoofdstuk 5 en 6 en de bijbehorende AERIUS-berekeningen van het stikstofonderzoek blijkt dat in de toegepaste ‘worst-case’ benadering de stikstofdepositie niet leidt tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Dit geldt voor zowel de realisatie- als gebruiksfase. Derhalve kan op voorhand worden uitgesloten dat er bij onderhavig bouwproject sprake zal zijn van significant negatieve effecten. 4.11.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect natuur.

4.12

Archeologie

4.12.1

Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De Omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m 2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er

1

VanWestreenen (2023). Rapportage beoordeling stikstofeffecten. Broekerweg 8, 3931PL Woudenberg. 26 augustus 2025

35

een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. 4.12.2

Toetsing Op grond van het tijdelijke omgevingsplan is aan een deel aan de noordzijde van de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegevoegd. De aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden in de bodem. Met onderhavige ontwikkeling worden echter geen bodemingrepen gepleegd en geen wijzigingen aangebracht aan het deel van de locatie met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Zodoende hoeft er geen archeologisch onderzoek plaats te vinden.

4.12.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect archeologie.

4.13

Cultuurhistorie

4.13.1

Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

4.13.2

Toetsing Op de locatie bevinden zich geen monumentale en/of karakteristieke gebouwen. Deze bevinden zich ook niet in de directe omgeving van de locatie. De cultuurhistorische waarden worden met voorliggende ontwikkeling niet aangetast. In de vormgeving van de stallen zal rekening gehouden worden met de landschappelijke waarden van de omgeving en wordt het agrarische karakter behouden.

36

4.13.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect cultuurhistorie.

4.14

Ontplofbare oorlogsresten

4.14.1

Algemeen In en nabij de locatie hebben gedurende de Tweede Wereldoorlog diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden. Omdat in het kader van de voorgenomen ontwikkeling bouw- en aanlegactiviteiten plaatvinden waarbij grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, wordt geadviseerd onderzoek te doen naar de eventuele aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten c.q. conventionele explosieven.

4.14.2

Toetsing Uit de beleidskaart ontplofbare oorlogsresten blijkt dat de locatie geen verdacht gebied is waar oorlogsresten zijn te verwachten. Zodoende hoeft er ook geen onderzoek plaats te vinden naar ontplofbare oorlogsresten.

4.14.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect ontplofbare oorlogsresten.

4.15

Mobiliteit en parkeren

4.15.1

Algemeen Mobiliteit In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet, maar moet wel beoordeeld worden in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid.

4.15.2

Toetsing Het exploiteren van de nevenactiviteit zal leiden tot extra verkeersbewegingen. Het betreft echter geen onevenredige verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de al bestaande verkeersbewegingen van het al bestaande agrarische bedrijf. Daarbij betreft het lichtverkeer (geen zwaar verkeer). Bovendien worden de personen veelal in busjes gebracht. Dat wil zeggen meerdere personen die tegelijk aankomen op de locatie met één vervoersbeweging. Dit heeft als gevolg dat de verkeersaantrekkende werking wordt beperkt en er dus geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. In de stikstofberekening wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 21 bewegingen per etmaal. Er is echter geen passende categorie uit de CROW-normen die 37

past bij dagopvang/dagbesteding. Dagopvang zou in eerste instantie het beste passen onder de hoofdcategorie ‘Gezondheidszorg’. Echter is er geen subcategorie die hierbij goed aansluit (dit zijn bv. apotheek, huisartspraktijk, ziekenhuis, tandarts, etc.). Een alternatief zou zijn Onderwijs/kinderopvang. Alleen strookt de dagbesteding qua verkeersgeneratie ook niet met die van een kinderdagverblijf – deze liggen veel hoger. In onderhavige situatie zal het dus gaan om een maatwerkberekening waarbij de inschatting wordt gemaakt dat de parkeernorm van een kinderdagopvang wordt aangehouden (dat is minimaal 1,4 per 100 bvo). Voor een oppervlakte van een nevenactiviteit van 350 m2, dienen derhalve afgerond 5 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Voor de verkeersgeneratie wordt 21 verkeersbewegingen per etmaal als passend beschouwd in worst case scenario. Er zal op eigen terrein voorzien worden in de parkeerbehoefte. Er zal niet op openbaar gebied geparkeerd worden. 4.15.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect mobiliteit en parkeren.

4.16

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.16.1

Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de Ladder is vereist. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in 38

de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 4.16.2

Toetsing Met onderhavige ontwikkeling is er geen sprake van een toename in woningen en er zal ook geen significante uitbreiding zijn van het bedrijfsoppervlak. De wijziging heeft betrekking op een agrarisch bedrijf waar een nevenfunctie wordt toegestaan, zodoende is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet te worden doorlopen.

4.16.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

39

5 Juridische toelichting 5.1

Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de locatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

5.2

Opzet van de regels Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1 Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2 Functieregels (voorheen: Bestemmingsregels); 3 Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); 4 Overgangs- en slotregels. 40

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. 5.2.2

Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: − Toepassingsbereik (artikel 1); − Begripsbepalingen (artikel 2); − Meet- en rekenbepalingen (artikel 3). In artikel 1 is het toepassingsbereik opgenomen. In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan van toepassing zijn.

5.2.3

Specifieke regels over functies Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in de locatie voorkomende functies. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: − Toepassingsbereik; − Beschrijving gebruiksdoel; − Gebruiksactiviteiten; − Bouwactiviteiten; − Aanlegactiviteiten

5.2.4

Algemene regels over functies Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor functies. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: − Anti-dubbeltelregel; − Bestaande maatvoering; − Aanvraagvereisten; − Algemene bouwregels; − Algemene aanduidingsregels.

5.2.5

Regels ter bescherming van waarden en objecten Hoofdstuk 4 bevat de regels ter bescherming van waarden en objecten. Deze regels hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: − Waarde - Archeologie 2.

41

5.2.6

Overgangsregels Hoofdstuk 5 bevat overgangsregels. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: − Overgangsrecht

5.3

Verantwoording van de regels Een TAM-omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

5.3.1

Agrarisch De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met uitzondering van fruitteelt, sierteelt, bollenteelt en paardenhouderijen, het behoud, herstel en de ontwikkeling van het waterhuishoudkundig systeem, het behoud, herstel en de ontwikkeling van de landschapsstructuur. In de regels wordt opgenomen dat gebruik van gronden en opstallen ten behoeve van dagbesteding tot een oppervlakte van ten hoogste 350 m 2 is toegestaan. Verder zijn aan de agrarische functie ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen, de bij deze functie behorende voorzieningen, zoals, wegen en paden, tuinen, erven, groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan.

5.3.2

Waarde - Archeologie 2 Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 2 heeft als functie het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem.

42

6 Uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: − aangewezen bouwactiviteiten; − aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een private partij. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van dit TAM-Omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond.

6.2

Participatie en overleg

6.2.1

Participatie Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. De omwonenden zijn op de hoogte gebracht van onderhavig initiatief. Het plan is kort toegelicht en in beeld gebracht. De omwonenden hebben aangegeven geen problemen te hebben met de ontwikkeling. Dit alles is samengevoegd in een participatieverslag2.

6.2.2

Zienswijzen Het ontwerp-omgevingsplan zal te zijner tijd voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage liggen. Eenieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit omgevingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

2

Huibrecht van Os (2025) Buurtdialoog, Broekerweg 8.

43

7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: − het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur. − het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In de voorliggende motivering is het wijzigen van de vorm van een bouwvlak en het toevoegen van de nevenactiviteit ‘dagbesteding’ aan de huidige agrarische bedrijfsactiviteiten getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving. Het voorliggend plan is niet in strijd met het landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Landschappelijke en archeologische waarden worden niet aangetast. Voorliggend plan voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten.

Het wijzigen van de vorm van een bouwvlak, het uitbreiden van stallen en het toevoegen van de nevenactiviteit ‘dagbesteding’ aan de huidige agrarische bedrijfsactiviteiten zal de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Daarom kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

44

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4253/documents/71491