CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - SWOT-analyse Platform31

Commissie Beeldvorming 6 oktober 2021, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Concept Strategische Visie Voorne aan Zee37.866 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Niet gevonden in dit document.

_________ 68

Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, Gezondheidsverschillen voorbij. Complexe ongelijkheid is een zaak van ons allemaal, Essay, Den Haag, oktober 2020. Jet Bussemaker, Tim S. Jongers en Robert Vonk, “Gezondheidsverschillen zijn symptoom van complexe ongelijkheid”, in: Sociale Vraagstukken, 3 oktober 2020; Michiel van der Geest, “Arme mensen gaan zes jaar eerder dood – waarom doen we daar niets aan?”, in: De Volkskrant, 2 oktober 2020.

69

Zie voor maatregelen op gemeentelijk niveau: T. Magnee, B. van Straaten, G Nagelhout.; Zicht op preventieve maatregelen om dakloosheid te voorkomen in Tilburg IVO, Den Haag, 2020.

SWOT-analyse gemeente Voorne

geleverd.70 Ontschot financieren door gemeenten en zorgverzekeraars gebeurt ook nog maar mondjesmaat. Enerzijds kunnen de gemeentelijke tekorten in het sociale domein een stimulans voor innovatie in de zorg en voor preventie zijn. De gemeente kan samen met de zorgverzekeraars méér investeren in preventie. Zo pleitte André Rouwvoet in zijn afscheidsinterview als voorzitter van Zorgverzekeraars Nederland er voor om de zorgverzekeraars een deel van hun premiegelden opzij te laten leggen voor ‘preventie’. Dan is er volgens hem massa om preventie echt van de grond te krijgen.71 Anderzijds zijn de tekorten een rem op innovatie en preventie. Zeker bij preventie gaan de kosten en investeringen voor de baat uit. Met als additioneel probleem dat de kosten en baten vaak niet bij de zelfde partij liggen. Voor de jeugdzorg geldt bovendien dat gemeenten maar deels grip hebben op de zorguitgaven, omdat ook huisartsen naar dure gespecialiseerde zorg kunnen doorverwijzen. Het is aan de gemeente, samen met de zorgverzekeraars en zorgaanbieders, om dit dilemma op te lossen. De belangrijke nieuwe opgave is vooral de organisatie van de zorg aan de zorgbehoeftige ouderen in wijk en kern De zorg aan de zorgbehoeftige ouderen wordt dé belangrijkste trend, én de grote politieke uitdaging voor de komende jaren, naast de duurzaamheidstransitie. De zorg wordt complexer.

De druk op mantelzorgers neemt toe en hun aantal neemt op termijn af. Deze opgave wordt ook in Samen Krachtig! geformuleerd. De groei van het aantal oude ouderen in Voorne, en de wens om negentig procent van de zorgbehoeftige ouderen, zorg te verlenen in wijk en kern vergt de ontwikkeling van allerlei vormen van nieuwe huisvesting tussen enerzijds het verpleegtehuis en anderzijds de oude (eengezins)woning in waar men gewend is te wonen (en vaak niet weg wil). Het gaat om aanleunwoningen, knarrenhoven, 52

groepswoonvormen, woonzorgconcepten, zorghotelappartementen et cetera, et cetera.. Er is verder sprake van een groot gebrek aan betaalbare woonzorgvarianten voor (lage) middeninkomens, een kwalitatieve mismatch in gewenste woonvariaties op de woningmarkt voor senior eigenaar-bewoners en een gebrek aan samenhang in woon-zorg aanbod op gebouw- en gebiedsniveau.72 Bij de inventarisatie van de behoeften kunnen de 60-plussers op Voorne intensief betrokken worden. Nu al wonen vele ouderen in een ongeschikte woning die te ver afligt van de triple A-voorzieningen (arts, apotheek en Albert Heijn) en van het openbaar vervoer. Als de oude ouderen (veelal op enig moment alleenstaand) naar een beter geschikte woning kunnen verhuizen, zorgt dat er voor dat de grote eengezinswoningen vrijkomen voor nieuwe gezinnen. Door een combinatie van individuele benadering (wooncoaches), een huurprijskorting op de nieuwe woning, vergoeding van verhuiskosten, en verhuishulp is doorstroming te realiseren. Vraagstukken die van belang zijn en opgepakt moeten worden, zijn bijvoorbeeld: 73 −

Heb oog voor en sluit aan bij de twee levensgebeurtenissen die vooral voor kwetsbaarheid zorgen: overlijden van de partner en/of het ontstaan van meerdere gezondheidsproblemen.

_________ 70

Arum, S. van; R. Broekroelofs; H.Xanten, van (2020). Sociale (wijk)teams, vijf jaar later. Utrecht: Movisie.

71

Michiel van der Geest, “Zorgverzekeraars zijn er niet om zorgverleners aan het werk te houden”, in: De Volkskrant, 30 januari 2020.

72

Zie voor voorbeelden van betaalbare woonzorgvarianten het rapport van Platform31, Langer thuis: Vernieuwende woonzorg voor kwetsbare senioren (verkenning en praktijk) en dan vooral het praktijkdeel. Zie ook de 174 ideeën interessant die zijn ontwikkeld voor de prijsvraag Who Cares van de rijksbouwmeester Floris Alkemade om naoorlogse wijken in Sittard-Geleen, Groningen, Almere en Rotterdam stedenbouwkundig en zorgtechnisch aan te passen aan de naderende vergrijzingsgolf.

73

Mede gebaseerd op Corinne Ellemeet, Lachend tachtig. Initiatiefnota 34 948 voor een toekomstbestendige ouderenzorg, Den Haag, 17 mei 2018; Wilma Kieskamp, “We weten nog niet alf wat op ons afkomt, met de zorg voor zieke ouderen die thuiswonen”, in: Trouw, 18 november 2019.

SWOT-analyse gemeente Voorne

−

Weeg de kosten van woonaanpassing of het wonen in een woongemeenschap af tegen de kosten van toekomstig zorggebruik (de voordelen van woonaanpassing, woongemeenschap e.d. worden tot nu toe door de gemeenten niet meegenomen in de woningprogrammering);

−

Verwaarloos de community organisation in de wijken en vooral de kernen niet: buurthuizen nieuwe stijl (‘huizen van de wijk’), woningcorporaties die investeren in ‘kamers’ en ‘huizen’ van de wijk, e.d. Voor de nieuwe gemeente Voorne aan Zee is een optie om in de ontwikkeling van de integrale kindcentra (IKC) een combinatie te zoeken met de behoeften van oudere inwoners.

−

Trek meer geld en capaciteit uit aan dagbesteding en geef meer aandacht aan de animatie van de gemeenschap en aan gezamenlijke activiteiten.

−

Probeer betaalbare 24/7 professionele beschikbaarheid van zorg en welzijn te organiseren.

−

En bijvoorbeeld poliklinieken geriatrie en wijkklinieken acute ouderenzorg in de nieuwe gemeente Voorne aan Zee.

Het verminderen van de mismatches op de arbeidsmarkt Ook in Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne zijn er belangrijke mismatches op de arbeidsmarkt. Mogelijke maatregelen zijn:74 −

Vergroot de arbeidsmobiliteit (arbeidsbemiddeling voor een groter gebied dan de arbeidsmarktregio Rijnmond, het afschaffen, verlagen of het effectiever vormgeven van de overdrachtsbelasting, de wachtlijsten en toewijzing van sociale huurwoningen minder een rem laten zijn om te verhuizen, fiscale aftrekbaarheid en/of het vergoeden van woon- werkverkeer).

−

Vergroot de intersectorale (regionale) mobiliteit door middel van transitiefondsen en -instrumenten over sectoren heen in plaats van scholings- en ontwikkelingsfondsen per sector. Dit maakt het mogelijkheid om de vaardigheden van werknemers (een vaardighedenpaspoort kan deze vaardigheden vastleggen) in andere sectoren waar vraag naar arbeid is in te zetten. Zo werkt

53

Amsterdam met de House of Skills aan een arbeidsmarkt die vraag en aanbod van werk meer op basis van vaardigheden matcht. −

Het verkleinen van de deeltijd-, herintrede- én armoedeval vanwege de hoge marginale druk.75

−

Om de kwaliteiten en het hoge opleidingsniveau van vrouwen in economische zin beter te benutten, kan deeltijdarbeid minder populair gemaakt worden en kunnen betere arrangementen ontwikkeld worden om méér te gaan werken (kinderopvang, flexibele arbeidstijden, etc.). 76

_________ 74

Centraal Planbureau, Kansrijk arbeidsmarktbeleid. Deel 2, Den Haag, 2016; Centraal Planbureau, Literatuurstudie ‘Effectiviteit van placebased beleid’, CPB-Notitie, 22 december 2016, blz. 33, 35; Marloes de Graaf-Zijl e.a., De onderkant van de arbeidsmarkt in 2025, Centraal Planbureau en Sociaal Cultureel Planbureau, Den Haag, juni 2015, blz. 6; Arjen Edzes, Ruud Dorenbos, Jouke van Dijk, ‘Bouwstenen voor de regionale arbeidsmarkt’, in: Wim Hafkamp, Jos Koffijberg, Ton Rutjens, Geert Teisman, De stad kennen, de stad maken: De economische stad, Platform31, Kennis voor krachtige steden, Den Haag, 2015, blz. 22 – 30; Godfried Engbersen, Roel Jennissen e.a., Geen tijd verliezen: van opvang naar integratie van asielmigranten, WRR-Policy Brief, SCP/WODC/WRR, Den Haag, 2015; Ton Wilthagen, “Als Nederland sterker uit de crisis wil komen, moet kabinet arbeidsmarkt versneld vernieuwen”, in: Het Financieele Dagblad, 8 mei 2020, blz. 24; Ton Wilthagen, “Alleen sterk samenspel van regio’s, sectoren en Rijk helpt mensen snel naar ander werk”, in: Het Financieele Dagblad, 4 juni 2020

75

Door de hoge marginale druk houdt iedereen vanaf 1½ keer het minimumloon maar 40 tot 50 procent van de extra verdiende euro’s over. De marginale druk ontstaat door het samenspel tussen de tarieven van de inkomstenbelasting, inkomensafhankelijke heffingskorting en toeslagen. Voor werkwillenden met lage inkomens en diverse toeslagen kan het gaan werken, of méér gaan werken, zelfs inkomensverlies betekenen. Voor grote groepen mensen is derhalve het (meer) gaan werken onvoldoende lonend. De keuze voor meer vrije tijd, voor informeel werk of voor zwart werk wordt daarmee relatief aantrekkelijk. Dit zorgt voor de herintrede- en deeltijdval. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Ministerie van Financiën, Marginale druk: op het randje van de mogelijkheden, Den Haag, september 2019; Ulko Jonker, “’Koreaanse’ marginale druk onuitroeibaar”, in: Het Financieele Dagblad, 8 oktober 2019, blz. 7.

76

In Nederland werkt 30 procent van de Nederlandse vrouwen fulltime tegen 70 procent gemiddeld in de OECD-landen. Als wij in Nederland het gemiddeld aantal uren zouden werken als in Zweden en Zwitserland (1.600 uur per jaar i.p.v. de gemiddelde 1.380 uur in Nederland) en een participatiegraad zouden kennen van 80 procent (in plaats van de gebruikelijke Nederlandse 75 procent) dan zou het arbeidsaanbod met 25 procent toenemen. Tweede Kamer der Staten-Generaal, Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën (Miljoenennota 2015), vergaderjaar 2014-2015, 34 000, nr. 1, blz. 37, 38. McKinsey heeft becijferd welke gederfde opbrengsten en gemiste maatschappelijke baten gepaard gaan met de sterke voorkeur voor deeltijdarbeid in Nederland. Als Nederland op het vlak van

SWOT-analyse gemeente Voorne

−

Dwing als gemeentelijk opdrachtgever bij het Werkbedrijf af dat klantmanagers evidence-based werken, nieuwe aanpakken experimenteel toetsen en de effecten van hun aanpakken systematisch monitoren en evalueren.

−

In een aantal sectoren en voor een aantal beroepen waar vraag naar is, is de instroom in het onderwijs ontoereikend om de vervangings- en uitbreidingsvraag op te vangen. Met een voorlichtingscampagne kunnen de beroepen waar veel vraag naar is onder de aandacht gebracht worden van schoolbesturen, ouders en leerlingen.

−

Het in kaart brengen van de vervangingsvraag en daar gericht voor opleiden. De meeste vacatures ontstaan door de vervangingsvraag en niet door de uitbreidingvraag. Vooral de vervangingsvraag die ontstaat omdat oudere medewerkers met pensioen gaan, kan op voorhand goed gekend worden. Dit maakt het (theoretisch) mogelijk om op tijd voldoende mensen met de goede kwalificaties opgeleid te hebben. De gemeente en het Werkbedrijf kunnen veel intensiever op deze kenbare vervangings- en uitbreidingsvraag inspelen.

−

Begeleiding, bemiddeling en controle op verplichtingen voor mensen met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt.

−

Voor de onderkant van de arbeidsmarkt, mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt of met een verstandelijke beperking (ongeveer 25 procent van de laagopgeleiden) zijn loonkostensubsidies en beschutte werkplaatsen effectief.

Daarbij zal er altijd sprake zijn van (groepen) mensen die niet mee kunnen komen, tijdelijk of permanent. De mensen die hun baan verliezen zullen niet altijd degenen zijn die aan de slag kunnen in de nieuw ontstane functies. Er zal sprake zijn van mismatches. Een tweedeling op de arbeidsmarkt tussen degenen die zich kunnen aanpassen en meekunnen met de nieuwe ontwikkelingen en 54

gevraagde vaardigheden en zij die dat niet kunnen (door gebrek aan capaciteiten voor de moderne samenleving, onvoldoende sociale vaardigheden, laaggeletterdheid). Deze laatstgenoemde groep vraagt beleidsmatige aandacht. Gezamenlijk verbeteren en variëren van het onderwijs Uit diverse studies blijkt dat de agglomeratievoordelen en regionale productiviteitsverschillen voor ongeveer de helft verklaard worden uit dichtheid en massa. Maar voor de andere helft uit de kwaliteit van de beroepsbevolking.77 En juist het vergroten van de kwaliteit van hun beroepsbevolking is een taak die de gemeente zich kan toe-eigenen. Men houdt zich reeds met het onderwijs bezig in het kader van de lokale onderwijsagenda’s, de randvoorwaardelijke taak van de gemeente voor het basis- en voortgezet onderwijs, en het bij- en omscholen van bijstandsgerechtigden, jong gehandicapten en werklozen (om te voorkomen dat zij in de bijstand terecht komen) in het kader van de Participatiewet. De Onderwijsraad roept de gemeenten op om een grotere rol te nemen in het onderwijsdomein. Dit sluit volgens de Onderwijsraad aan bij de decentralisaties in het sociale domein en maakt het mogelijk om

_________ gendergelijkheid net zo goed zou scoren als de best presterende landen om ons heen, zou de economie een extra impuls krijgen van € 114 miljard, oftewel 17 procent. Bij volledige gelijkheid van mannen en vrouwen zouden alle Nederlanders samen € 221 miljard rijker zijn, een toename van 32 procent. En als alle in deeltijd werkende vrouwen in de zorg en het onderwijs één uur extra zouden werken per week zouden de tekorten aan verpleegkundigen en onderwijzers opgelost zijn. Wieteke Graven en Mekala Krishnan, Het potentieel pakken: de waarde van meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen op de Nederlandse arbeidsmarkt, McKinsey Global Institute, Amsterdam/Boston, september 2018. Er kunnen vele samenhangende maatregelen getroffen worden om werken en méér werken aantrekkelijker te maken voor vrouwen: lage kosten voor ouders van de kinderopvang en de buitenschoolse opvang, opvang van hoge kwaliteit, ruime openingstijden (reeds vóór de ochtendfile en ná de avondfile), flexibiliteit in arbeidscontracten, organisatievormen en in werktijden, ruime mogelijkheden voor ouderschapsverlof (voor mannen én vrouwen) en het afschaffen van het ingewikkelde toeslagensysteem voor de kinderopvang en het geld investeren in het aanbieden van een publieke voorziening van hoge kwaliteit. 77

Henri de Groot, “Verstedelijking en economische dynamiek”, in: Ruud Dorenbos, Wim Hafkamp en Joost van Hoorn, De economische stad, Kennis voor krachtige steden, Platform31, Den Haag, 2015, blz. 8.

SWOT-analyse gemeente Voorne

het onderwijs, de jeugdhulp en het arbeidsmarktbeleid beter te integreren zodat de effectiviteit toeneemt.78 De nieuwe gemeente Voorne kan veel verder gaan dan de wettelijke taken. De gemeente kan de onderwijsinstellingen stimuleren om het onderwijs te verbeteren, te variëren en om meer mogelijkheden te ontwikkelen om aan te sluiten bij Leven Lang Leren en Leven Lang Ontwikkelen. De kwaliteit van en de variatie in het onderwijs op allerlei manieren bevorderd worden: meer onderwijsvormen, de ontwikkeling van allerlei modulaire vormen van deeltijdonderwijs, meer leerwerkbanen, betere voor- en vroegschools onderwijs, laaggeletterdheid aanpakken met meer, specifieke en informele scholingsinspanningen, langere lestijden in de vorm van avond-, weekend- en zomerscholen en het aantrekken (of beter belonen) van de beste leerkrachten en schoolhoofden.79 Om in de huidige kennisen diensteneconomie goed te kunnen functioneren, dient men over vele vaardigheden te beschikken. Naast de juiste opleiding dienen jongeren en ouderen in toenemende mate te beschikken over een scala aan competenties (vakinhoudelijke competenties én generieke competenties, ‘leren leren’, oordelen en analyseren, kennisprocessen organiseren) én aan soft skills (klantgerichtheid, samenwerken, doorzettingsvermogen, motivatie, sociale vaardigheden, netwerken).

En aan deze vaardigheden kan – bijvoorbeeld in de Regionale Educatieve Agenda van de nieuwe gemeente − méér aandacht besteed worden.

55

_________ 78

Onderwijsraad, Decentraal onderwijsbeleid bij de tijd. Agenda voor een landelijk beraad over de rol van gemeenten bij onderwijs, Advies, Den

79

Ruud Dorenbos, Koos van Dijken en Jeroen Korthals, Naar een verbetering van de onderwijskwaliteit in de stad. Wat kan het stadsbestuur

Haag, 2017. doen? Den Haag, 2012; SER, Leren en ontwikkelen tijdens de loopbaan. Een richtinggevend advies, Advies 17/04, Den Haag, maart 2017. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland, Amsterdam, 2013.

SWOT-analyse gemeente Voorne

5 Ruimtelijke trends en ontwikkelingen 5.1 Inleiding In paragraaf 5.2 worden enkele trends en ontwikkelingen op het gebied van ruimte en wonen geschetst. Met de huishoudensontwikkeling, de kwaliteit van de woningen en de publieke ruimte, het ruimtegebruik en de kwaliteit van de verkeers- en vervoersverbindingen worden de kenmerken van Brielle, Hellevoetsluis, Westvoorne en de fusiegemeente Voorne in vergelijkend perspectief beschreven (par. 5.3). Dit leidt tot een aantal opgaven voor de nieuwe gemeente (par. 5.4).

5.2 Trends en ontwikkelingen Wijzigende ruimtelijke patronen en behoeften, toenemende ruimtelijke verschillen De geografische patronen veranderen, en die duiden – ook wereldwijd – op een trend van doorgaande urbanisatie. Het overgrote deel van de intergemeentelijke verplaatsingen speelt zich af in de regio of in het stadsgewest. Met een centrale (bestemmings)stad en omringende (herkomst)gemeenten. Voor veel gezinnen is een woonomgeving met voldoende ruimte, een tuin en een rustige buurt van belang. Terwijl voor alleenstaanden de stad en het stadshart aantrekkelijk zijn. En juist het aantal alleenstaande huishoudens is sterk aan het groeien. Voor een deel veranderen ook woonwensen van (typen) 56

huishoudens. Gezinnen ‘ontvluchten’ niet meer de drukke, vieze en gevaarlijke stad, zoals dat in de jaren ’70 en ’80 massaal gebeurde. Tegenwoordig zijn steden veel rustiger, aantrekkelijker, levendiger en veiliger dan vroeger. En óók gezinnen met kinderen kiezen weer vaker voor de stad als woon- en leefomgeving. De verwachting is dat het aandeel inwoners met een hoogbetaalde baan in de centrumstad verder toeneemt. Terwijl in de groeikernen en buitenwijken het aantal inwoners met een laagbetaalde baan juist zal toenemen.80 Door de coronacrisis, de lockdowns en de toename van het thuiswerken is het mogelijk dat wonen buiten de stad en in landelijke gebieden toch weer aan populariteit wint. Dit biedt samenwonenden en jonge gezinnen de mogelijkheid om een ruimere woning te kunnen bewonen, een thuiswerkkamer en een tuin te hebben en te beschikken over meer recreatiemogelijkheden in de buitenruimte. Als men veel kan thuiswerken en nog maar één of twee maal op het werk hoeft te zijn per week, dan speelt de afstand van woon- naar de werkplek veel minder een rol in de keuze van de woonplaats. In drukke regio’s als de Randstad, kiezen hoog opgeleiden dikwijls eerst voor de ‘quality of living’ van een woonplaats. Van daaruit kijken zij welke banen bereikbaar zijn.

Gemeenten, steden en regio’s beconcurreren elkaar daarom steeds strategischer met de kwaliteit van hun woon- en leefomgevingen. Een kwaliteit die gekenmerkt wordt door de nabijheid van groen, natuur, voorzieningen, cultuurhistorie en het vestigingsklimaat voor bedrijven.81 Voor mensen met minder keuzemogelijkheden is de belangrijkste gevraagde kwaliteit vaak lage woonlasten. Door bovenstaande ontwikkelingen nemen de ruimtelijke verschillen toe. Tussen gemeenten en tussen stad en regio.

_________ 80

P. Tordoir, A. Poorthuis en P. Renooy, De veranderende geografie van Nederland. De opgaven op mesoniveau, Amsterdam, 2015. Planbureau voor de Leefomgeving, De verdeelde triomf. Verkenning van stedelijk-economisch ongelijkheid en opties voor beleid, Ruimtelijke Verkenningen 2016, Den Haag, 2016. .

81

Henri de Groot, Gerard Marlet, Coen Teulings en Wouter Vermeulen, Stad en Land, CPB/Atlas Nederlandse Gemeenten, Den Haag, 2010; Gerard Marlet, De aantrekkelijke stad. Moderne locatietheorieën en de aantrekkingskracht van Nederlandse steden, Utrecht, 2009.

SWOT-analyse gemeente Voorne

Wonen met gelijkgestemden Mensen en huishoudens kiezen in toenemende mate hun woonplaats en wijk op grond van de quality of living en kijken van daaruit welke banen bereikbaar zijn in de eigen stad of in de omgeving. In de literatuur wordt dat genoemd “werken volgt wonen” en dat zal naar verwachting alleen maar sterker worden. De quality of living wordt bepaald door de kwaliteit van de woon- en leefomgeving (méér variatie, voorzieningen, duurzaamheid, nabijheid van groen, natuur en water, “rood, groen en blauw” steeds beter met elkaar verbinden, cultuurhistorie).82 De variatie in woon- en leefmilieus sluit aan bij de trend dat de inwoners en toekomstige inwoners in toenemende mate segmenteren naar sociaalculturele factoren zoals leefstijl, waarden, smaak en symboliek. Nieuwe ruimtelijke concepten en kleinschalige projecten voor specifieke groepen van gelijkgestemden doen het daarom goed (“soort zoekt soort”).83 Wonen met gelijkgestemden bijvoorbeeld qua etniciteit, levensfase (gezinnen die bij elkaar wonen en bijvoorbeeld een binnentuin delen), het delen van hobby’s (golven, paardrijden, watersport) of het hebben van een bepaalde overtuiging (zoals in duurzaam of klimaatneutrale woonwijken).

Het inspelen op deze trend zien wij in afgesloten woon-domeinen, in complexen met gezamenlijke voorzieningen (zorgcoöperaties), in collectief particulier opdrachtgeverschap, in thematisch samenwonen (waterwonen, retroarchitectuur, energieneutrale woningen, zelfbeheer, zorgcoöperaties) en in communities voor senioren. Bereikbaarheid belangrijk en steeds belangrijker De dynamiek in de samenleving en de veranderingen in de ruimtelijke patronen maken verbindingen (fysiek en virtueel) nog belangrijker dan zij al waren. Bij de kwaliteit van de verbindingen hoort een open, betrouwbaar en betaalbaar breedbandnetwerk vertakt tot in alle kernen van de nieuwe gemeente.

57

De coronacrisis, de lockdowns en het moeten thuiswerken hebben het belang hiervan alleen nog maar duidelijker gemaakt. De vormen van fysieke mobiliteit veranderen ook. Het aantal auto’s en het aantal afgelegde kilometers blijft toenemen; al vlakt de groei wel af in vergelijking met de vorige decennia. De auto blijft de belangrijkste modaliteit voor uiteenlopende zaken. Zeker in Voorne vanwege de dagelijkse pendel en het kris-kras verkeer in de regio. Het “spitsuurgezin” kan werken, sporten, recreëren, hobby’s en vrienden het gemakkelijkst combineren met de auto. Hierdoor neemt tevens het ‘kris-kras verkeer’ in tijd en ruimte toe. Ook de toenemende groep ouderen gaat meer reizen en kiest daarbij vooral de auto. 84 Deze groep is, in tegenstelling tot hun ouders, ‘opgegroeid met het stuur in de handen’, blijft langer vitaal en daardoor automobiel. Naar verwachting neemt mede daardoor tot 2040 het autogebruik toe en daalt in belangrijke delen van Nederland het openbaar (bus-)vervoer.85 Vooral voor alleenstaanden,

_________ 82

Planbureau voor de Leefomgeving, De verdeelde triomf. Verkenning van stedelijk-economische ongelijkheid en opties voor beleid, Ruimtelijke Verkenningen 2016, Den Haag, 2016. Otto Raspe, Martijn van den Berge en Thomas de Graaff, Stedelijke regio’s als motoren van economische groei. Wat kan beleid doen, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag, 2017, blz. 64 – 145 (de zes casestudies). The Economist, Globalisation’s losers. The right way to help declining places (leader) en Left in the lurch. Globalisation has marginalised many regions in the rich world (briefing), 21 oktober 2017.

83

Jessie Bakens, Henri L.F. de Groot, Peter Mulder en Cees-Jan Pen, Soort zoekt soort. Clustering en sociaal-economische scheidslijnen in

84

De toekomstige ouderen zullen meer van de auto gebruik maken dan de ouderen van nu en dat ook langer blijven doen. Daarbij zullen zij

Nederland, Platform31 en Vrije Universiteit Amsterdam, Den Haag, 2014. zoveel mogelijk de spits mijden. De populariteit van het openbaar vervoer – nog geen twee procent van de verplaatsingen - neemt bij deze groep af. Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Frisse kijk op toekomst mobiliteit, KiM-symposium 2010: Min of Meer – trends, gedrag en mobiliteit, Den Haag, 2010. Raad voor Verkeer en Waterstaat, Wie ik ben en waar ik ga. Advies over de effecten van veranderingen in demografie en leefstijlen op mobiliteit, 2010, Den Haag, blz. 4. 85

Transumo, Visie Transumo op ‘duurzame mobiliteit 2040’; een beeld van duurzame mobiliteit in 2040 en een transitiepad daar naar toe, Zoetermeer, s.a., blz. 9,10. Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Frisse kijk op toekomst mobiliteit, op. cit, blz. 5. Lucas Harms, Marie-

SWOT-analyse gemeente Voorne

jongeren en stadsbewoners neemt het treinverkeer − zeker van het stadscentrum van de ene grote stad naar het stadscentrum van de andere grote stad − toe. In toenemende mate eist de fiets haar plek weer op in stad en regio. Dit vraagt om snellere fietsverbindingen (met soms dure fietsinfrastructuur), bredere en snellere fietspaden, meer, veiliger en slimmere stallingen, meer deelgebruik (OV-fiets) en verkeersafstemming gericht op fietsdoorstroming.86 De landbouwtransitie De grote vraagstukken rond de ruimtelijke kwaliteit hangen samen met de ruimte die de landbouw inneemt en de noodzaak om meer ruimte te bestemmen voor natuur en voor de productie van energie. De landbouw is al eeuwenlang de belangrijkste beeldbepaler van het Nederlandse landschap; de landbouw heeft daarmee ook sterk de regionale identiteit bepaald. De productiefunctie van de landbouw domineert echter steeds meer in negatieve zin het agrarische landschapsbeeld. Het bestaande voedselsysteem bevindt zich in een afbouwende curve en is een grootschalig productiesysteem voor de wereldmarkt in verval. De traditionele landbouw vertoont op dit moment tekenen van destabilisatie, gezien de problemen met de intensieve veehouderij, grotere gebouwen en kavels, het overmatig gebruik van pesticiden, de teruglopende biodiversiteit, verdwenen houtwallen en de groeiende zorgen over het bodembeheer.

Er zijn wel tekenen van vernieuwing, maar deze vernieuwing verkeert nog in de experimenteerfase. Er wordt binnen het voedselsysteem vooral nog vastgehouden aan de dominante strategie van grootschalige productie voor de wereldmarkt. Daar komen in Voorne de bedreigingen bij van klimaatadaptatie, de verzilting en de aantasting van de landschappelijke kwaliteit. Het toekomstbestendig maken van de landbouw kent de trefwoorden: duurzaam, natuurinclusief, biologisch, kringloop en nieuwe verdienmodellen. 58

De duurzaamheidstransitie heeft ingrijpende ruimtelijke consequenties Verduurzaming en de energietransitie vormen met stip dé ruimtelijke opgave voor de komende jaren. Ruimte is hét toernooiveld van de energietransitie. De trends op het gebied van duurzaamheid hebben allemaal vergaande ruimtelijke consequenties en dé grote opgave is de duurzaamheidstransitie ruimtelijk in te passen. Deze opgave ligt vooral op regionaal en lokaal niveau, maar kan niet zonder nationale middelen, kaders en regelgeving. Waar realiseren we in de nieuwe gemeente windturbines (hoe hoog en met welke capaciteit?), zonnepanelen op daken, zonneweiden, aardwarmte, biomassacentrales, CO2-opslag, waterbergingen, grondstofrotondes, et cetera. En hoe verhoudt dat zich met het historische erfgoed (open houden van schootsvelden), de beleving van natuur en de ruimtelijke kwaliteit die past bij recreatie en toerisme?87

5.3 Kenmerken van gemeente Voorne Het aantal huishoudens neemt de komende drie decennia in de nieuwe gemeente Voorne met iets meer dan 2.000 huishoudens toe; een verwachte toename van 6,7 procent (figuur 5.1). Door de

_________ José Olde Kalter, Peter Jorritsma, Krimp en Mobiliteit. Gevolgen van demografische veranderingen voor mobiliteit, Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid, Den Haag, april 2010, blz. 8. Centraal Planbureau en Planbureau voor de Leefomgeving, Cahier Mobiliteit, Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving, Den Haag, 2015, blz. 46. 86

In verband met relatief grote afstanden is de fiets voor grote delen van Voorne-Putten geen aantrekkelijk alternatief. Jos de Lange, Martijn

87

Frans van Dam, Leo Pols en Hans Elzenga, Zorg voor landschap. Naar een landschapsinclusief omgevingsbeleid, Planbureau voor de

Meinen en Lieke Hüsslage, Gebiedsuitwerking Voorne-Putten en Haven Rotterdam, Royal HaskoningDHV, Amersfoort, juni 2019, blz. 2. leefomgeving (PBL), Den Haag, 2019, blz. 44-47, 60, 61, 74-80, 90-96; College van Rijksadviseurs, Panorama Nederland. Rijker, Hechter, Schoner, Den Haag, december 2018, blz. 70-81, 99, 100, 105, 126 en 127; Vereniging Deltametropool, Energie & Ruimte. Een nationaal perspectief, Rotterdam, 2017.

SWOT-analyse gemeente Voorne

gezinsverdunning neemt het aantal huishoudens iets sterker toe dan de verwachte toename van het aantal inwoners. Maar dit verschil is voor de nieuwe gemeente Voorne zeer beperkt. Figuur 5.1: Prognose ontwikkeling aantal huishoudens in Voorne en vergelijkbare gemeenten 2020-2050

Bron: Platform31 op basis van meest recente prognose van CBS/PBL (Statline)

In de nieuwe gemeente Voorne zal opmerkelijk genoeg de komende dertig jaar naar verwachting geen grote verschuiving optreden in het type huishoudens. Het percentage eenpersoonshuishoudens neemt naar verwachting met 9 procent toe (figuur 5.2) en het aantal paarhuishoudens met 5 procent (figuur

59

5.3). Terwijl in vele andere gemeenten de verwachte verschuiving veel groter is: soms een afname van het aantal paarhuishoudens en een hele sterke stijging van het aantal eenpersoonshuishoudens. In de woonvisies is het derhalve niet nodig om − met uitzondering van de kleinere kernen − sterk de nadruk te leggen op de sterke groei van het aantal eenpersoonshuishoudens.88

_________ 88

Bijvoorbeeld in Bram Klouwen en Roy Nieuwenhuis, Woonvisie Brielle 2017-2022, Companen, Arnhem, 4 oktober 2017, blz. 12; Angela van Velden, Woonvisie Voorne-Putten 2016-2020, Samenwerking Voorne-Putten, 11 november 2015, blz.11.

SWOT-analyse gemeente Voorne

Figuur 5.2: Prognose ontwikkeling aantal eenpersoonshuishoudens in Voorne en vergelijkbare gemeenten 20202050

Bron: Platform31 op basis van meest recente prognose van CBS/PBL (Statline)

Figuur 5.3: Prognose ontwikkeling aantal paarhuishoudens in Voorne en vergelijkbare gemeenten 2020-2050 60

Bron: Platform31 op basis van meest recente prognose van CBS/PBL (Statline)

De kwaliteit en de variatie van de woningen en van de woon- en leefomgeving wordt steeds belangrijker voor de woonplaatskeuze van de mensen. In figuur 5.4 blijkt dat deze variatie reeds zeer groot is in de nieuwe gemeente Voorne. Met gemiddeld een hoge kwaliteit in Westvoorne en gemiddeld een veel lagere kwaliteit in Hellevoetsluis. Hetzelfde patroon is zichtbaar in de gemiddelde verkoopprijs van de bestaande woningen (figuur 5.5).

SWOT-analyse gemeente Voorne

Figuur 5.4: Gemiddelde woningwaarde in 2020 (x € 1.000) in Voorne en vergelijkbare gemeenten

Bron: CBS - Statline

Deze variatie is ook op andere manieren een kenmerk van de nieuwe gemeente Voorne. De dominante woonmilieus zijn sub-urbaan grondgebonden, dorps en sub-urbaan compact. Daarnaast is in het buitengebied ‘landelijk exclusief wonen’ mogelijk (Westvoorne) en in de vestigingen van Brielle en 61

Hellevoetsluis ‘sub-urbaan exclusief’.89 Figuur 5.5: Gemiddelde verkoopprijs bestaande koopwoningen (x € 1.000) in 2019 Voorne en vergelijkbare gemeenten

Bron: CBS - Statline

_________ 89

Angela van Velden, Woonvisie Voorne-Putten 2016-2020, Samenwerking Voorne-Putten, 11 november 2015, blz.12.

SWOT-analyse gemeente Voorne

Bodemgebruik In de nieuwe gemeente Voorne wordt 6,6 procent van het landoppervlakte gebruikt voor recreatieterreinen. Dit is in de vergelijking met de benchmarkgemeenten een hoog percentage. Per 1.000 inwoner is het aantal hectare recreatieterrein ook hoog, namelijk 11 ha per 1.000 inwoners. In de gemeenten Brielle (19 ha per 1.000 inwoners) en Westvoorne (14 ha per 1.000 inwoners) is de omvang van de recreatieterreinen per 1.000 inwoners zeer hoog (figuur 5.6). Figuur 5.6: Recreatieterrein in procenten van het totale oppervlakte (links) en ha per 1.000 inwoners in 2015 in Voorne en vergelijkbare gemeenten

Bron: CBS – Statline; Fusiegemeente Voorne: gewogen gemiddelde op basis van aantal inwoners in 2015; dezelfde berekening door Platform31 voor de recente fusiegemeenten Altena, Hoeksche Waard en Vijfheerenlanden.

62

In vergelijking met de benchmarkgemeenten is de nieuwe gemeente niet de sterkste agrarische gemeente (figuur 5.7). In de nieuwe gemeente wordt 59 procent van het landoppervlakte agrarisch gebruikt en 95 ha per 1.000 inwoners. Dat is veel, maar minder dan in vele benchmarkgemeenten. Figuur 5.7: Agrarisch terrein in procenten van het totale oppervlakte (links) en ha per 1.000 inwoners in 2015 in Voorne en vergelijkbare gemeenten (excl. Den Haag en Rotterdam)

Bron: CBS – Statline; Fusiegemeente Voorne: gewogen gemiddelde op basis van aantal inwoners in 2015; dezelfde berekening door Platform31 voor de recente fusiegemeenten Altena, Hoeksche Waard en Vijfheerenlanden.

Het meest bijzondere aan de nieuwe gemeente Voorne is het belang van bos en open natuurlijk terrein. Maar liefst 18 procent van het landoppervlakte is hiervoor bestemd en duizend inwoners in de nieuwe gemeente kunnen gebruik maken van 29 ha bos en open natuurlijk terrein (figuur 5.8). De specifieke kenmerken van de gemeente Westvoorne (122 ha per 1.000 inwoners en 32 procent van het landoppervlakte) zorgen vooral voor dit bijzondere kenmerk van de nieuwe gemeente.

SWOT-analyse gemeente Voorne

Figuur 5.8: Bos en open natuurlijk terrein in procenten van het totale oppervlakte (links) en ha per 1.000 inwoners in 2015 in Voorne en vergelijkbare gemeenten

Bron: CBS – Statline; Fusiegemeente Voorne: gewogen gemiddelde op basis van aantal inwoners in 2015; dezelfde berekening door Platform31 voor de recente fusiegemeenten Altena, Hoeksche Waard en Vijfheerenlanden.

Kwaliteit van de publieke ruimte Ook de kwaliteit van de publieke ruimte is in de nieuwe gemeente zeer hoog.90 Het contrast met Rotterdam is zeer groot (figuur 5.9). Figuur 5.9: Kwaliteit publieke ruimte 2018 (score in afwijking van het landelijk gemiddelde) in Voorne en vergelijkbare gemeenten

63

Bron: waarstaatjegemeente.nl

_________ 90

Afwijking van de score van de gemeente op de dimensie ‘publieke ruimte’ van de Leefbaarometer. Hierbij de gemiddelde score gesteld op 0. De richting van de score geeft daarmee aan of de gemeente boven of beneden het landelijk gemiddelde scoort. De scores zijn in vergelijking met de originele gegevens met een factor 100 vermenigvuldigd.

SWOT-analyse gemeente Voorne

Kwaliteit verkeers- en vervoersverbindingen Een minder sterk ruimtelijk kenmerk van de nieuwe gemeente Voorne is de afstand tot een treinstation in kilometers. Deze afstand is in de nieuwe gemeente 25½ kilometer. Onder de benchmarkgemeenten scoort alleen Goeree-Overflakkee nog slechter (figuur 5.10). Figuur 5.10: Afstand tot treinstation in km in 2019 in Voorne en vergelijkbare gemeenten

64

Bron: waarstaatjegemeente.nl (mobiliteit); Fusiegemeente Voorne gewogen gemiddelde op basis van totale weglengte in km per gemeente in 2019

Met uitzondering van Hellevoetsluis is de afstand tot een hoofdverkeersader in kilometers in vergelijkend perspectief niet bijzonder slecht. Voor de nieuwe gemeente Voorne is deze afstand 1½ kilometer (figuur 5.11). Figuur 5.11: Afstand tot hoofdverkeersader in km in 2019 in Voorne en vergelijkbare gemeenten

Bron: waarstaatjegemeente.nl (mobiliteit); Fusiegemeente Voorne gewogen gemiddelde op basis van totale weglengte in km per gemeente in 2019

SWOT-analyse gemeente Voorne

Naast de afstand speelt een belangrijke rol de kwaliteit van de oeververbindingen een belangrijk rol voor de kwaliteit van de verkeers- en vervoersverbindingen. Deze is voor de nieuwe gemeente niet goed. Richting de regio Rotterdam zijn voor het autoverkeer slechts vier oeververbindingen beschikbaar. Namelijk via de Spijkenisserbrug, via de Hartelbrug, via de Harmsenbrug of via het Stenen Braakplein. De robuustheid van het netwerk is laag omdat de eerste drie genoemde oeververbindingen tijdens een reguliere spits reeds zwaar belast zijn. Indien zich een incident (brugopening of ongeval) voordoet bij een van deze locaties dan hebben de overige oeververbindingen onvoldoende restcapaciteit. De komende jaren wordt de A24 Blankenburgtunnel gerealiseerd. Dit heeft als neveneffect dat de N57 zwaarder belast zal worden, waardoor bestaande knelpunten op de N57 groter zullen worden. Vandaar dat ‘bereikbaarheid’ één van de zes ambities is van de gebiedsvisie Voorne Putten.91 De nieuwe gemeente is een goede fietsstad als Voorne vergeleken wordt met de benchmarkgemeenten (figuur 5.12). De totaalscore komt tot stand op basis van de deelscores op de aspecten ‘kwetsbare fietsers’, ‘infrastructuur’, ‘beleving’ en dergelijke. In de landelijke vergelijking − breder dan de beperkte set benchmarkgemeenten − scoren Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne ‘gemiddeld’.

Er zijn gemeenten in Nederland die ‘bovengemiddeld’ en ‘hoog’ scoren. Figuur 5.12: Fietsstad totaalscore in 2020 (1 - 5, van zeer slecht tot uitstekend) in Voorne en vergelijkbare gemeenten

65

Bron: waarstaatjegemeente.nl (mobiliteit); Fusiegemeente Voorne gewogen gemiddelde op basis van weglengte gemeentelijke en waterschapswegen in km per gemeente in 2020

Van de drie gemeenten die de nieuwe gemeente Voorne gaan vormen, scoort Hellevoetsluis het beste op het aspect ‘kwetsbare fietsers’ en Brielle het slechtst (figuur 5.13).

_________ 91

Jos de Lange, Martijn Meinen en Lieke Hüsslage, Gebiedsuitwerking Voorne-Putten en Haven Rotterdam, Royal HaskoningDHV, Amersfoort, juni 2019, blz. 2; Voorne Putten (her)ontdekt! Gebiedsvisie Voorne Putten, s.l., s.a., blz. 10 en 11.

SWOT-analyse gemeente Voorne

Figuur 5.13: Score (1 - 5, van zeer slecht tot uitstekend) ‘kwetsbare fietsers’ in 2020 in Voorne en vergelijkbare gemeenten

Bron: waarstaatjegemeente.nl (mobiliteit); kwetsbare fietsers: hoe is het om in deze gemeente als kwetsbare fietser te fietsen, denk hierbij aan 8-jarigen en 80-jarigen?; Fusiegemeente Voorne gewogen gemiddelde op basis van weglengte gemeentelijke en waterschapswegen in km per gemeente in 2020.

Ook op het aspect ‘infrastructuur’ en ‘inrichting fietsnetwerk’ scoort Brielle het laagst en Hellevoetsluis 66

en Westvoorne het hoogst. Door de hoge beoordeling van fietsers voor Hellevoetsluis en voor Westvoorne op deze aspecten − en het gewicht van Hellevoetsluis in het gewogen gemiddelde − komt de fusiegemeente Voorne ook relatief hoog uit in de vergelijking met de benchmarkgemeenten (figuur 5.14). Figuur 5.14: Score (1 - 5, van zeer slecht tot uitstekend) ‘infrastructuur’ (links) en ‘inrichting fietsnetwerk’ (rechts) in 2020 in Voorne en vergelijkbare gemeenten

Bron: waarstaatjegemeente.nl (mobiliteit); ‘infrastructuur”: hoe is de infrastructuur geregeld, ligt er voldoende comfortabel verharding, zijn er voldoende parkeerplekken van voldoende kwaliteit; ‘inrichting fietsnetwerk’: is het fietsnetwerk logisch gekozen, kan je makkelijk je route vinden en rij je niet te veel om?; Fusiegemeente Voorne gewogen gemiddelde op basis van weglengte gemeentelijke en waterschapswegen in km per gemeente in 2020.

Op de gevaarlijke situatie voor fietsers dat wegen gedeeld moeten worden met auto’s scoort Brielle zeer goed in vergelijking met de benchmarkgemeenten. Dit vertaalt zich echter niet in een goede beleving van fietsers om in Brielle te fietsen. Klaarblijkelijk wegen fietsers meerdere aspecten mee in hun beleving. De nieuwe gemeenten Voorne scoort bovengemiddeld op ‘situatie 50 km wegen’ en ‘beleving van fietsers’ (figuur 5.15).

SWOT-analyse gemeente Voorne

Figuur 5.15: Score (1 - 5, van zeer slecht tot uitstekend) ‘situatie 50 km wegen’ (links) en ‘beleving van fietsers’ (rechts) in 2020 in Voorne en vergelijkbare gemeenten

Bron: waarstaatjegemeente.nl (mobiliteit); ‘situatie 50 km wegen”: hoge snelheidsverschillen zorgen voor gevaarlijke situaties; daarom is het veiliger om langs 50 km/u wegen aparte fietspaden aan te leggen; deze score geeft aan of gemeenten dit ook doen; als de fietser de weg nog direct met de auto deelt scoort de gemeente lager; ‘beleving van fietsers: hoe ervaren fietsers om in deze gemeente te fietsen; is het stressvol of ontspannen om hier te fietsen?; Fusiegemeente Voorne gewogen gemiddelde op basis van weglengte gemeentelijke en waterschapswegen in km per gemeente in 2020

5.4 Opgaven Geen grote kwantitatieve woningbouwopgave voor de gemeente Voorne de komende 30 jaar In de Metropoolregio Rotterdam Den Haag moeten de komende twintig jaar nog vele woningen bijgebouwd worden. Het uitgangspunt is daarbij dat het gros van de woningen gerealiseerd zal worden

67

op hoogstedelijke en goed bereikbare (H)OV-locaties. Toch zal er altijd een groep woonconsumenten zijn die rustig, rustiek, exclusief landelijk of exclusief sub-urbaan willen wonen nabij stedelijk gebied (Rotterdam, Den Haag). In beperkte mate kan de nieuwe gemeente − mede in het licht van de regionale woningbouwafspraken − deze overloop honoreren. De plus op de huidige woningvraag vanwege de verstedelijkingopgave in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag zal relatief beperkt zijn. De woningmarkt op Voorne-Putten staat relatief op zichzelf. Het grootste deel van de verhuisbewegingen vindt plaats binnen de regio. De uitbreiding in Brielle is een plus op de jaarlijkse toevoeging de komende jaren van 30 tot 100 woningen.92 In Hellevoetsluis tussen de 75 en 110 woningen per jaar.93 In Westvoorne, inclusief de afspraken van het Regioakkoord, de komende vijftien jaar 70 tot 90 woningen per jaar.94 De beperkte toename van de woningvraag komt ook terug in de bescheiden ontwikkeling van het aantal huishoudens in Voorne (figuur 5.1) en omgekeerd. Kwalitatieve opgave belangrijker dan de kwantitatieve opgave, zeker ook in Voorne Veel belangrijker dan de kwantitatieve opgave is de kwalitatieve opgave voor Brielle, Hellevoetsluis, Westvoorne en de nieuwe gemeente Voorne. Een kwalitatieve opgave die evident duidelijk is belegd bij het Woonbedrijf Westvoorne.

Voor Brielle is ook een kwalitatieve opgave om het terugtrekken van Vestia als belangrijkste woningcorporatie in Brielle op te vangen. En in alle kernen is de opgave om te zorgen voor woonzorgvoorzieningen en passende huisvesting voor de vergrijzende inwoners. Door de beperkte nieuwbouw zal de kwalitatieve aanpassing aan nieuwe en veranderende woonwensen in belangrijke mate moeten plaatsvinden in de bestaande woningvoorraad. Om de transformatie van de

_________ 92

Bram Klouwen en Roy Nieuwenhuis, Woonvisie Brielle 2017-2022, Companen, Arnhem, 4 oktober 2017, blz. 9.

93

Gemeente Hellevoetsluis, Woonvisie Hellevoetsluis 2016-2020, s.l., s.a., blz. 25.

94

Bart Rozemeijer, Van woningmarktverkenning gemeente Westvoorne naar Portefeuilleplan Woonbedrijf, presentatie 11 september 2019.

SWOT-analyse gemeente Voorne

woningvoorraad te faciliteren, kan men in de regelgeving flexibel zijn en niet te veel uitgaan van vaste bestemmingen en standaardoplossingen. Dit past bij de trend dat werken, wonen en recreëren in de praktijk steeds meer in elkaar overlopen. Blijf variatie in woon- en leefomgevingen nastreven Een grotere variatie en hogere kwaliteit in de woon- en leefmilieus is nodig om aantrekkelijker te zijn voor nieuwe inwoners, om het risico op een de krimpende beroepsbevolking te verkleinen, om beter in de spelen op de behoefte om met gelijkgestemden te kunnen wonen en om in te spelen op de woonbehoeften van de oudere (soms zorgbehoeftige) ouderen. Dit maakt de variatie, veelzijdigheid en complementariteit in de woon-, werk- en leefomgevingen in de nieuwe gemeente, een grote variatie in woningen en woonvormen, wonen met gelijkgestemden, de populariteit van kleinschalige gebiedsontwikkelingen en het steeds beter verbinden van rood, groen en blauw een belangrijke opgave. De gemeenten zijn zich daar van bewust en zijn ook al volop bezig om op deze trends en ontwikkeling in te spelen. Voorbeelden zijn de woonvisies, de dorpsvisies van Westvoorne, citta Romana in Hellevoetsluis, ‘meerstemmig’ Acapella wonen in Hellevoetsluis, woonzorgcomplexen in de binnenstad van Brielle, de variatie en de bijzondere locatie van de kadewoningen, appartementen e.d.

in Veerhaven, mensen die acht tiny houses willen realiseren op een paradijselijk plek in Oostvoorne, et cetera, et cetera. De noodzakelijke herstructurering in diverse wijken in Hellevoetsluis en Brielle biedt ook de mogelijkheid om verdere variatie van woonvormen en woon- en leefmilieus na te streven. Door functiemenging toe te staan kan zelfs de saaiheid van de verouderde jaren vijftig en zestig wijken verminderen. Dit past bij de trend dat er toenemende behoefte is aan meer gemengde multifunctionele 68

gebieden en gemengde woonwerklocaties. En het feit dat reeds veel bedrijvigheid plaatsvindt in woonwijken. Op deze opgave kan ook ingespeeld worden door meer te experimenteren met verschillende planregimes, met functiemenging en met ‘onbestemd bouwen’ (differentiatie van het nieuwbouwprogramma niet van te voren vastleggen maar zo lang mogelijk flexibel houden). Rood, groen en blauw beter met elkaar verbinden een kans voor Voorne Bij de hogere eisen die gesteld aan de woon- en leefomgeving horen om rood, groen en blauw beter met elkaar te verbinden. Dit is een opgave en kans voor de nieuwe gemeente Voorne. De kans vloeit voort uit de beperkte verdichting, de afwezigheid van hoogstedelijke woonmilieus, het hoge aandeel bos en open natuurlijk terrein als percentage van het grondoppervlakte en het vele water. Het ruimtelijk toekomstperspectief voor Voorne-Putten maakt dit ook al duidelijk: “Voorne-Putten als groen-blauwe oase tussen stad en delta”.95 De opgave sluit aan en biedt de mogelijkheid om gebruik te maken van de kernkwaliteiten van bijvoorbeeld het buitengebied van Brielle: het open landschap, de ruimte, het groen, de verscheidenheid van het landschap, de cultuurhistorische kwaliteiten van het landelijk gebied, de recreatieve potentie van het landelijk gebied, de natuurgebieden en de kreken.

Deze kans wordt niet automatisch benut omdat er ook sprake is van verrommeling, ruimte voor ruimtewoningen, verschraling van recreatieve voorzieningen, schaalvergroting in de landbouw en leegstand van agrarische opstallen.96

_________ 95

Voorne Putten (her)ontdekt! Gebiedsvisie Voorne Putten, s.l., s.a., blz. 5.

96

Derk-Jan Verhaak en Joost Jansen, Omgevingsvisie Landelijk gebied Brielle, gemeente Brielle, 5 juli 2016, blz. 7 en 8.

SWOT-analyse gemeente Voorne

Laat het landschap leidend in plaats van lijdend zijn In het advies Verbindend Landschap van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur wordt geadviseerd om het landschap centraal te stellen bij de ruimtelijke vormgeving van duurzaamheidstransities en die transities juist te benutten om waardevol landschap, en daarmee meer omgevingskwaliteit, te creëren. Het landschap leidend in plaats van lijdend te laten zijn. Dit vergt van het bestuur dat men (in samenwerking met de provincie) met doorzettingsmacht de hardnekkige weerstand, de concurrerende ruimteclaims, het ingesleten gedrag en de persistente consumptiekeuzes het hoofd gaat bieden en ter discussie gaat stellen? Immers het beschermen van het landschap als collectieve waarde, én het vernieuwen en aanpassen daarvan aan dwingende duurzaamheidseisen, vergt visie, het verbinden van de grote transities en doorzettingsmacht.97 Mensen vinden het landschap heel belangrijk en zij hebben vaak een sterke band met het landschap van hun jeugd. Maar politiek speelt dat volgens de Rijksadviseur voor de Fysieke Omgeving Berno Strootman, nog steeds geen rol.98 De nieuwe gemeente Voorne zou kunnen bewijzen dat het ook anders kan. Rol voor de nieuwe gemeente om de landbouwtransitie actief te begeleiden? De landbouw vervult een belangrijke rol in de nieuwe gemeente en de sterke agrarische traditie is nog afleesbaar in het landschap.

Tot op heden faciliteren de gemeenten agrarisch natuurbeheer maar stimuleren dat (nog) niet. Het faciliteren vindt plaats door op agrarisch grondgebruik ook andere economische activiteiten toe te staan. Zoals recreatie, B&B, verkoop streekproducten, zorg, wonen en werken aan huis (verbreding). Deze economische activiteiten kunnen gecombineerd worden met agrarische grondgebruik en maken het mogelijk om het oorspronkelijke landschap te behouden en om het oorspronkelijke landschap zelfs te versterken met de investeringen in bebouwing, groen en landschap.99

69

De vraag is of de opgave niet is om veel pro-actiever te zijn om de transitie te versnellen, de kwaliteit van de cultuurlandschappen te versterken en om de tegenstrijdige eisen die aan boeren worden gesteld te overbruggen. Dit mede in het licht van de stikstofproblematiek.100 Tegenover het succes van Nederlandse boeren als voedselproducenten staat hun falen als hoeder van het landschap, biodiversiteit en klimaat. De tegenstrijdige eisen waar boeren mee opgezadeld worden zijn dat wij koeien in de wei willen vanwege de landschapsbeleving maar niet langer de methaanuitstoot. Wij streven naar dierenwelzijn maar willen wel goedkoop vlees blijven consumeren. Op korte termijn is, ook op Voorne-Putten, een omslag nodig naar een productiewijze die de negatieve effecten van de voedselproductie binnen de perken houdt. Dit kan onder andere door terug te grijpen om het instrumentarium dat na de Tweede Wereldoorlog zo succesvol is gehanteerd om de landbouwproductie op te voeren. Namelijk door de boeren een vergoeding te geven voor hun bijdrage aan de bescherming van milieu en klimaat.

De vergoeding zal het verlies aan opbrengsten van reguliere landbouwproducten moeten compenseren.101 De gevolgen van bodemdaling, uitputting van grond en de afname van het aantal bijen en andere insecten kan door de nieuwe gemeente (in samenwerking met de provincie) naar bedrijfstype, grondsoort, cultuurlandschap102, gewas, morfologie en watersysteem worden

_________ 97

Frank van Dam, Alexandra Tisma en Jos Diederiks, Transities, ruimteclaims en landschap, Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag,

98

Frank van Dam en Leo Pols, Teloorgang tegengaan (interview met Berno Strootman, Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving),

99

Derk-Jan Verhaak en Joost Jansen, Omgevingsvisie Landelijk gebied Brielle, gemeente Brielle, 5 juli 2016, blz. 7 en 8.

2019, blz. 23, 24, 28. Planbureau voor de Leefomgeving, artikel 20 maart 2018. 100

Vasco van der Boon, “Kringlooplandbouw Schouten bevat nogal wat losse eindjes”, in: Het Financieele Dagbad, 27 juni 2019, blz. 10, 11.

101

Jeltsje van der Meer en Henk Folmer, “Betaal de boer toch om onze ‘landschapspijn’ te verzachten”, in: Het Financieele Dagblad, 6 juli 2019.

102

Een onderscheid naar bijvoorbeeld zeekleilandschap, stuwwallandschap, rivierenlandschap en duinlandschap. Ook kan de indeling van de Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed gebruikt worden waarmee de regionale cultuurlandschappen onderscheiden worden in 26 hoofdlandschappen, 45 landschapszones en 78 regio’s.

SWOT-analyse gemeente Voorne

uitgewerkt. Dit maakt het mogelijk om de effecten en maatschappelijke kosten vast te stellen en te vertalen naar een maatschappelijke vergoeding voor natuurinclusieve boeren. 103 Dit maakt het óók mogelijk om actief te sturen op de ambitie om op verschillende wijzen de ‘Tuin van de Regio’ te willen worden als nieuwe gemeente. De ‘watertuinen’, de ‘botanische tuinen’, de ‘moestuinen’, de ‘beweegtuinen’ en de ‘speeltuinen’ komen niet vanzelf tot stand.104 Voor de profilering van de nieuwe gemeente als ‘Tuin van de Regio’ is een samenhangende visie en aanpak nodig om deze ambitie te realiseren en om de ambitie meer te laten zijn dan een slogan. MaaS veelbelovend voor de nieuwe gemeente Het openbaar vervoer op Voorne is vooral gericht op het voor- en natransport richting de metrolijn in Spijkenisse en heeft geen hoge kwaliteit. Het zal voor Voorne niet eenvoudig zijn om in te zetten op een verdere doorontwikkeling van een hoog frequent OV-netwerk van topkwaliteit met multimodale knooppunten met fietsen en auto's. Daarbij is de fiets gezien de afstanden op Voorne geen reëel alternatief. Ook de knelpunten in het autoverkeersnetwerk en bij de oeververbindingen zijn niet snel opgelost. De Blankenburgtunnel dreigt de knelpunten alleen maar verder te vergroten.

Bij het toekomstbestendig maken van de fysieke infrastructuur kan ingespeeld worden op innovatieve, intelligente concepten die combinatiemogelijkheden en maatwerk mogelijk maken. Voor de nieuwe gemeente Voorne is het langetermijn perspectief van Mobility as a Service (MaaS) veelbelovend: betere doorstroming, grotere veiligheid, minder emissies, minder parkeerplaatsen én mobiliteit voor ouderen. Bij MaaS biedt een dienstverlener (provider) de reiziger een complete mobiliteitsdienst aan: betaalbaar vervoer van deur-tot-deur. De MaaS-provider regelt dat de meest geschikte vervoersmodaliteiten voor de gevraagde reis worden ingezet. Dit kan variëren van openbaar vervoer (bus, metro) tot (Uber)taxi, 70

deelauto’s, deelfiets, e-bike, et cetera. Op termijn zal ongetwijfeld ook de autonoom rijdende auto worden benut. De reiziger heeft een abonnement bij de provider die hem verder ontzorgt. Het concept is als eerste toegepast in Helsinki onder de noemer Whim.105 Het is denkbaar dat Voorne dit vraaggestuurd vervoer verder probeert te ontwikkelen.

_________ 103

De meest agrarische gemeente Brielle hecht aan het agrarisch werklandschap met plaats voor glastuinbouw en wil agrarische ontwikkelruimte blijven benutten. Tegelijkertijd sluit men aan bij de trend om de waarden van het landschap te vertalen naar een vergoeding voor boeren. Men nieuwe ontwikkelingen toetsen op duurzaamheid en bij nieuwe ontwikkelingen om een tegenprestatie vragen. Ook wil men ruimte bieden om solitair gelegen glastuinbouwbedrijven te kunnen verplaatsen. Derk-Jan Verhaak en Joost Jansen, Omgevingsvisie Landelijk gebied Brielle, gemeente Brielle, 5 juli 2016, blz. 17 - 21.

104

Praatplaat Collegeconferentie Op weg naar één gemeente op Voorne, 22 september 2020.

105

Anne Heeger en Kees Machielse, Hoe Mobility as a Service uitwerkt op verstedelijking, Den Haag, Platform31, oktober 2017.

SWOT-analyse gemeente Voorne

6 Trends en ontwikkelingen m.b.t. de duurzaamheidstransitie 6.1 Inleiding De vier fundamentele duurzaamheidstransities (energietransitie, de transitie naar een circulaire economie, de voedseltransitie en de klimaatadaptatie) gaan op ingrijpende wijze de komende decennia onze manier van leven, wonen, werken, verplaatsen, recreëren, produceren en consumeren veranderen (par. 6.2). Aan de hand van enkele duurzaamheidskenmerken kan geconcludeerd dat de nieuwe gemeente Voorne (nog) geen koploper is in de duurzaamheidstransitie. Al wordt in een enkele kern in korte tijd een sterke toename van het aandeel hernieuwbare energie gerealiseerd (par. 6.3). Op basis van de trends, kenmerken én duurzaamheidsambities van Voorne-Putten kan een aantal opgaven geformuleerd worden waarover de nieuwe gemeente kan nadenken en keuzes in kan maken (par. 6.4).

6.2 Trends en ontwikkelingen De transitie naar een duurzame samenleving de meest ingrijpende trend en ontwikkeling De transitie naar een duurzame economie en samenleving is de meest ingrijpende trend en ontwikkeling. Om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal twee graden Celsius moeten de emissies van broeikasgassen in 2050 met 80 procent tot 95 procent dalen ten opzichte van 1990. Deze transitie, in de relatief korte tijd van drie decennia, verandert op ingrijpende wijze onze manier van

71

leven, wonen, werken, verplaatsen, recreëren, produceren en consumeren. Er zijn vier fundamentele transities nodig: een energie-transitie (om het gebruik van fossiele brandstoffen tot bijna nul te reduceren), de transitie naar een meer circulaire economie (om de uitputting van grondstoffen en de uitstoot van reststoffen te verminderen), een gedeeltelijke eiwittransitie (minder roodvlees en zuivel produceren en consumeren) en de klimaatadaptatie. Energietransitie met ambitieuze doelstellingen de komende tien en dertig jaar Conform de doelstellingen van het klimaatakkoord, moet de hoeveelheid CO 2 in 2030 met 49 procent en in 2050 met 95 procent zijn gereduceerd ten opzichte van 1990. Gestimuleerd door onder andere de Nederlandse overheid is recentelijk door de Europese Commissie voorgesteld om het doel voor 2030 op 55 procent CO2-reductie te stellen ten opzichte van 1990. Om dit te bereiken wordt ingezet op energiebesparing en verduurzaming van de energieopwekking. Dit vraagt om een enorme transformatie en transitie van de gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, landbouw en landgebruik en de elektriciteitsopwekking. Voor gemeenten en regio’s ligt de grootste opgave in het samen met medeoverheden, maatschappelijke partners, netbeheerders, bedrijven en inwoners realiseren van regionale energiestrategieën.

Daarin werken zij aan opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving (van fossiele naar duurzame bronnen) en de daarvoor benodigde opslag- en energie-infrastructuur. Daarnaast staan regio’s voor de opgave om locaties voor windmolens en zonneparken te accommoderen. Ondanks de ambitieuze doelstellingen zijn voor de energietransitie voor de gemeenten niet of nauwelijks additionele financiële middelen beschikbaar. De uitzondering op deze regel zijn de tientallen proeftuinen aardgasvrije wijken van het Interbestuurlijke Programma Aardgasvrije Wijken waarvoor het rijk in totaal € 435 miljoen beschikbaar stelt tot 2028. Tot nu toe zijn bijna 150 voorstellen gedaan en

SWOT-analyse gemeente Voorne

zijn er 46 wijken/gemeenten geselecteerd. Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne doen − in tegenstelling tot bijvoorbeeld Goeree-Overflakkee − niet mee met de proeftuinen aardgasvrije wijken. Met de proeftuinen wordt kennis en ervaring opgedaan met de wijkgerichte aanpak en wordt geleerd op welke wijze de aanpak kan worden ingericht en opgeschaald. Het Kennis- en Leerprogramma en de proeftuinen moeten voor een vliegwiel zorgen zodat gemeenten samen met de betrokken partijen op een steeds grotere schaal in staat zijn om wijk- en kerngericht van het gas af te gaan. Met als tussendoel dat in 2030 één van de vijf woningen in Nederland van het aardgas af zijn. Breed groeit de twijfel of dit haalbaar is.106 De transitie naar een circulaire economie Onze huidige economie is energie-intensief, gedreven door fossiele brandstoffen en zeer verspillend ten aanzien van het grondstofgebruik (‘take-make-waste’-economie). Omdat deze verspilling en vervuiling te kostbaar wordt en diverse grondstoffen eindig zijn, is de transitie naar een ‘groene’, schone, circulaire en bio-based economie noodzakelijk. De economie kan daarmee in omvang toenemen zonder dat dit nadelig is voor klimaat, water, bodem, grondstoffen en biodiversiteit. In een circulaire economie staat het hergebruik van producten en grondstoffen centraal. Kringlopen worden gesloten.

Het terugwinnen van waarde uit afvalstromen wordt hierbij een steeds belangrijker opgave. Door de omslag naar een circulaire economie ontstaat een andere manier van omgaan met stromen. De circulaire economie kent drie kringlopen: twee kringlopen van materialen (een biologische en technologische) én een economische kringloop. In de biologische kringloop vloeien reststoffen na gebruik terug in de natuur. In de technologische kringloop worden product(onderdelen) zo ontworpen en op de markt gezet dat deze op kwalitatief hoogwaardige niveau opnieuw gebruikt kunnen worden. Als 72

resultaat gaan consumenten en bedrijven bijvoorbeeld betalen voor het gebruik van een product of machine in plaats van het bezit. Als een product eigendom blijft van de producent, stimuleert dat om producten te maken die langer meegaan. Bij hetzelfde primaire grondstofgebruik kan een circulaire economie met 80 procent hergebruik ongeveer vijf keer zo groot zijn als de huidige, lineaire economie.107 De circulaire economie heeft ook de belofte in zich om de lokale economische kringloop te versterken. De lokaal verdiende euro wordt dan meer in de eigen regio uitgegeven dankzij een grotere afzet van de eigen regionale, duurzame landbouwproductie. Hiermee verminderen ook de kosten en de negatieve milieugevolgen van transport over grote afstanden. Ook de verdere ontwikkeling van persoonlijke dienstverlening, energie- en zorgcoöperaties versterken de regionale economische kringloop. Voor de ambitie om te komen tot een circulaire economie zijn er niet of nauwelijks financiële prikkels, de doelstellingen zijn vaag, de beoogde halvering van het primaire grondstoffengebruik (mineralen, fossielen en metalen) in 2030 is nog steeds niet geoperationaliseerd, er is nog geen monitoringsysteem en er wordt nog onvoldoende gebruik gemaakt van regulering, normering en beprijzing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10574787/1