CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

22 01 Zonnepark Konneweg Ruimtelijke Onderbouwing

Commissie GG & Milieu 10 januari 2022, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Zonnepark aan de Konneweg27.856 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Niet gevonden in dit document.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING PROJECT

Zonnepark Tinte

STATUS

Definitief 1.8

PROJECTNUMMER

18206

DATUM

11 december 2020

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 085 – 744 08 37

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 2

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 3

Inhoudsopgave

pagina

1

Inleiding .................................................................................................................................. 4

2

Projectplan ............................................................................................................................. 5 2.1 Projectlocatie .................................................................................................................. 5 2.2 Projectplan ...................................................................................................................... 5 2.3 Vigerend planologisch regime .......................................................................................... 6

3

Ruimtelijk beleid .................................................................................................................... 11 3.1 Rijksbeleid ..................................................................................................................... 11 3.2 Omgevingsbeleid Zuid-Holland ...................................................................................... 12 3.3 Gemeentelijk beleid ....................................................................................................... 22

4

Ruimtelijke aspecten ............................................................................................................. 26 4.1 Landschappelijke inpassing ........................................................................................... 26 4.2 Analyse van verkeer- en parkeeraspecten ..................................................................... 29 4.3 Archeologie ................................................................................................................... 30 4.4 Cultuurhistorie ............................................................................................................... 31 4.5 Waterhuishoudkundige situatie (watertoets) .................................................................. 32

5

Milieu aspecten..................................................................................................................... 34 5.1 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................... 34 5.2 Externe veiligheid .......................................................................................................... 35 5.3 Bodem (milieukundig) .................................................................................................... 40 5.4 Geluid............................................................................................................................ 36 5.5 Luchtkwaliteit ................................................................................................................ 36 5.6 Ecologie ........................................................................................................................ 37 5.7 Kabels en leidingen........................................................................................................ 40 5.8 Mer-beoordeling ............................................................................................................ 42

6

Uitvoerbaarheid .................................................................................................................... 44 6.1 Economische uitvoerbaarheid........................................................................................ 44 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................. 44 6.2.1 Maatschappelijke randvoorwaarden en uitgangspunten voor participatie ............... 44 6.2.1 Invulling financiële participatie door initiatiefnemer Zonnepark Tinte. ...................... 45 6.2.1 Planologische procedure ........................................................................................ 46 6.2.1 Relatie tot de ontwikkeling ...................................................................................... 46

7

Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid ............................................................... 47

Bijlagen Inpassingsplan, Feddes en Olthof, december 2020 Quickscan Wet natuurbescherming, Van der Goes & Groot, d.d. 7 september 2018 Uitdraai AERIUS-Calculator 2019, 20 november 2019 Beoordeling berekening stikstofdepositie, DCMR, d.d. 29 november 2019 Uitdraai digitale watertoets, gegenereerd d.d. 31 augustus 2018 Programma van Eisen verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek archeologie, BOOR, d.d.11 maart 2019 Voorlopige verklaring van geen Bezwaar, TenneT, d.d. 16 juli 2018 Haalbaarheidsanalyse glastuinbouw locatie Konneweg te Tinte, WLTM Coöperatie U.A., d.d. 21 december 2018 Analyse tuinbouw Konneweg Tinte, Vijverberg Advies & Begeleiding, d.d. 30 januari 2020

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 3

1

Inleiding

In opdracht van Zonnepark Tinte heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld ten behoeve van de beoogde ontwikkeling van een zonnepanelenpark binnen de gemeente Westvoorne. De projectlocatie ligt langs de Konneweg en de Kerkhoekweg te Tinte. Het beoogde zonnepark bedraagt netto ca. 10,5 ha, waarop een geïnstalleerd vermogen van 12 MWp kan worden geïnstalleerd. Het zonnepanelenpark wordt aangelegd voor de duur van maximaal 25 jaar en is daarmee tijdelijk van aard. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een planologische procedure noodzakelijk. Dit omdat de aanleg van een zonnepanelenpark op basis van het vigerende bestemmingsplan ter plaatse niet mogelijk is. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘afwijken bestemmingsplan’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is een Goede Ruimtelijke Onderbouwing waarin het project ruimtelijk en milieutechnisch gemotiveerd wordt. Voorliggende rapportage bevat deze ruimtelijke onderbouwing.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 4

2

Projectplan

2.1

Projectlocatie

De projectlocatie is gelegen in Tinte. Tinte is een kern binnen de gemeente Westvoorne en is globaal gelegen tussen de kern Oostvoorne en gemeente Brielle. Meer specifiek ligt de locatie langs de Konneweg (west) en de Kerkhoekweg (noord) te Tinte. De locatie is gelegen in glastuinbouwgebied en wordt dan ook hoofdzakelijk omsloten door glastuinbouwbedrijven. figuur 2.1 Aanduiding projectlocatie

2.2

Projectplan

Het doel is een zonnepanelenpark aan te leggen voor de duur van 25 jaar. De projectlocatie bedraagt circa 13,3 ha, hierop kan een zonneveld worden gerealiseerd van ca 10,5 ha. Het geïnstalleerd vermogen bedraagt 12 MWp. Een park van dergelijke omvang levert een productie van duurzame energie op van 11,4 GWh per jaar. Hierdoor kunnen 3.263 huishoudens worden voorzien van duurzame energie, wat leidt tot een CO2-reductie van 4.819 ton per jaar. Het doel is om het park medio 2020 gereed en in werking te hebben. Ten behoeve van de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud wordt voorzien in een entree aan de zuidzijde van het projectgebied. Een 5 meter breed pad steekt vervolgens naar binnen, en gaat onder de hoogspanningskabels in de lengte van het plangebied door. Vanuit het oogpunt van veiligheid en op last van de verzekering zal het park omgeven worden door een hek. Nabij de entree zullen twee transformatorkasten en een controlecenter worden geplaatst, met een hoogte van maximaal 3 meter. Figuur 2.2 betreft de beoogde invulling van het zonnepanelenpark.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 5

figuur 2.2 Zonnepark Westvoorne, uitsnede inpassingsplan december 2020 (bron: Feddes | Olthof landschapsarchitecten)

2.3

Vigerend planologisch regime

Op 22 januari 2020 is het Omgevingsplan “Buitengebied Westvoorne” vastgesteld. Dit omgevingsplan volgt het voorgaande bestemmingsplan “Glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte” op, en voorziet grotendeels is een voortzetting van eerdere planologische regeling. Ter plaatse van het projectgebied is de bestemming ‘Glastuinbouwgebied – Tinte’, met de functieaanduiding ‘glastuinbouw’ en de specifieke bouwaanduiding ‘kwaliteit glas Tinte’ geldend. Daarnaast gelden geheel of gedeeltelijk de dubbelbestemmingen/aanduidingen:  ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’;  Leiding – Hoogspanningsverbinding;  Gebiedsaanduiding geluidszone – industrie;  Gebiedsaanduiding veiligheidszone – risicocontour. In aanvulling op het bovenstaande gelden een aantal gebiedsaanduidingen (overige zone) die onder meer betrekking hebben op algemene regels, begripsbepalingen, de wijze van meten, parkeren evenementen en grondgebruik (niet limitatief). Figuur 2.3 toont een uitsnede van de verbeelding behorende bij het vigerende omgevingsplan. Vervolgens wordt ingegaan op de relevante bepalingen voor deze locatie/ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 6

figuur 2.3 Uitsnede verbeelding omgevingsplan “Buitengebied Westvoorne”

Artikel 70 Glastuinbouwgebied - Tinte 70.1 Toegestane activiteit Deze gronden zijn aangewezen voor het gebruik als Glastuinbouwgebied - Tinte. Dit houdt in dat er ook activiteiten toegestaan kunnen worden waar Hoofdstuk 1 Welke regels gelden bij de huidige activiteit? niet in voorziet, voor zover deze voldoen aan de Delegatiebevoegdheid Glastuinbouwgebied - Tinte. 70.2 Delegatiebevoegdheid Glastuinbouwgebied - Tinte 70.2.1 Bevoegdheid Het college van burgemeester en wethouders kan overeenkomstig artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming binnen de zone 'Glastuinbouwgebied Tinte' wijzigen door: a. de aanduiding 'Glastuinbouwbedrijf' te verwijderen of te wijzigen in de aanduiding 'Agrarisch bedrijf', 'Bedrijf' of 'Wonen'; b. de aanduiding 'Agrarisch bedrijf' te verwijderen of te wijzigen in de aanduiding 'Glastuinbouwbedrijf', 'Bedrijf' of 'Wonen'; c. de aanduiding 'Sierteelt, fruitteelt en boomkwekerij' te verwijderen of te wijzigen in de aanduiding 'Glastuinbouwbedrijf' of 'Agrarisch bedrijf'; d. de aanduiding 'Wonen' te verwijderen; e. nieuwe aanduidingen 'Glastuinbouwbedrijf', 'Bedrijf', 'Kantoor' of 'Wonen in een plattelandswoning' te definiëren; f. de situering van aanduidingen ten behoeve van het bepaalde in sub a, b, c en e te wijzigen of binnen de zone Glastuinbouwgebied Tinte te verplaatsen; g. aanduidingen aan elkaar te koppelen of los te koppelen; h.

ten behoeve van het bepaalde in sub a, b, c en e de benodigde regels en nadere voorwaarden te stellen; i. het toegestane aantal bedrijfswoningen ten behoeve van het bepaalde in sub a, b, c en e te bepalen, te vermeerderen of te verminderen; j. het ten hoogste toegestane oppervlakte aan kassen, zoals bedoeld in artikel 85 of 87, te vermeerderen en/of te verminderen. 70.2.2 Beoordelingsregels Het college van burgemeester en wethouders kan toepassing geven aan de delegatiebevoegdheid wanneer wordt voldaan aan de beleidsregel 'Kwalitatief toetsingskader voor het glastuinbouwgebied Tinte', en wanneer wordt voldaan aan de algemene regels die van toepassing zijn op een locatie.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 7

70.2.3 Overige regels Na toepassing van de delegatiebevoegdheid zijn voor het overige de regels van het Omgevingsplan Westvoorne van toepassing. Artikel 61 Leiding – Hoogspanningsverbinding a. De gronden aangeduid als 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' mogen worden gebruikt voor bestaande bovengrondse hoogspanningsverbindingen alsmede bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een zodanig voltage dat de daarbij behorende belemmeringenstrook binnen de aanduiding Leiding - Hoogspanningsverbinding zijn gelegen. Daarbij geldt het volgende: b. voor de volgende werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk) nodig: 1. het opslaan van goederen; 2. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen; 3. de sloop van bebouwing; 4. het kappen van bomen. c. een omgevingsvergunning als bedoeld onder b is niet nodig wanneer de werken of werkzaamheden: 1. normaal onderhoud en beheer van de leiding betreffen; 2. het opslaan van goederen waarvoor door de leidingbeheerder expliciet toestemming is verleend; 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan. d. een omgevingsvergunning als bedoeld onder b kan worden verleend indien: 1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht; 2.

vooraf de leidingbeheerder in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling als bedoeld onder 1, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden aan de werken en werkzaamheden. Artikel 147 Waarde – Archeologie 2 147.1 Regels ten behoeve van de archeologische waarde De gronden aangeduid als Waarde - Archeologie 2 zijn mede aangewezen voor het behoud, de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. Voor dit doel zijn grondroerende werkzaamheden en het bouwen van bouwwerken met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m toegestaan. 147.2 Bouwen Op deze gronden mag, ten behoeve van andere activiteiten dan bedoeld onder 147.1, uitsluitend worden gebouwd indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; c.

het bepaalde in dit lid onder a en b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van minder dan 200 m² of waarvoor geen bouwwerkzaamheden (waaronder begrepen het heien en slaan van damwanden) worden verricht die dieper reiken dan 40 cm beneden het maaiveld. 147.3 Werken en werkzaamheden a. Voor de volgende werken en werkzaamheden ten behoeve van andere activiteiten dan bedoeld onder 147.1, is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk) nodig: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 8

2. 3. 4. 5.

b.

c.

het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; het graven en/of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. een omgevingsvergunning als bedoeld onder b is niet nodig wanneer de werken of werkzaamheden: 1. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 200 m² of niet dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld; 2. normaal onderhoud en beheer van de ter plaatse toegestane activiteit betreffen; 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; 4. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 147.2 in acht is genomen; 5. worden uitgevoerd in bestaande weg- en leidingcunetten. een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt verleend indien de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en: 1. gelet op dit rapport geen archeologische waarden op de betrokken locatie aanwezig zijn, of; 2.

de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade voorkomen kan worden door aan de omgevingsvergunning voorschriften en/of beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 148 Waarde - Archeologie 3 148.1 Regels ten behoeve van de archeologische waarde De gronden aangeduid als Waarde - Archeologie 3 zijn mede aangewezen voor het behoud, de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. Voor dit doel zijn grondroerende werkzaamheden en het bouwen van bouwwerken met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m toegestaan. 148.2 Bouwen Op deze gronden mag, ten behoeve van andere activiteiten dan bedoeld onder 148.1, uitsluitend worden gebouwd indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; c. het bepaalde in dit lid onder a en b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1.

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van minder dan 200 m² of waarvoor geen bouwwerkzaamheden (waaronder begrepen het heien en slaan van damwanden) worden verricht die dieper reiken dan 80 cm beneden het maaiveld. 148.3 Werken en werkzaamheden a. Voor de volgende werken en werkzaamheden ten behoeve van andere activiteiten dan bedoeld onder 148.1, is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk) nodig: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; 3. het graven en/of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren; 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 5. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. b. een omgevingsvergunning als bedoeld onder b is niet nodig wanneer de werken of werkzaamheden: 1. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 200 m² of niet dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld; 2.

normaal onderhoud en beheer van de ter plaatse toegestane activiteit betreffen; 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 9

c.

4. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 148.2 in acht is genomen; 5. worden uitgevoerd in bestaande weg- en leidingcunetten. een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt verleend indien de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en: 1. gelet op dit rapport geen archeologische waarden op de betrokken locatie aanwezig zijn, of; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade voorkomen kan worden door aan de omgevingsvergunning voorschriften en/of beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 136 Geluidzone industrie Nieuwe geluidgevoelige objecten kunnen ter plaatse van deze aanduiding uitsluitend worden toegestaan indien voldaan wordt aan de bepalingen uit de Wet geluidhinder en het Regionaal Afsprakenkader 'Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling'. Artikel 139 Risicocontour Ter plaatse van deze zone zijn geen nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegestaan.

Bestemmingsplantoets Binnen de bestemming ‘Glastuinbouwgebied - Tinte’ is de aanleg van een zonnepanelenpark niet mogelijk. Het doorlopen van een planologische procedure is daarom noodzakelijk. Voorliggend rapport bevat de noodzakelijke ruimtelijke onderbouwing voor het doorlopen van die procedure. Bij het doorlopen van de planologische procedure, dient tevens rekening te worden gehouden met de archeologische waarden in het gebied. Dit onderdeel wordt in hoofdstuk 4 van voorliggende rapportage besproken. Tevens is sprake van een hoogspanningsverbinding. Direct langs de oostzijde van het projectgebied ligt een kabelzone met diverse kabels/leidingen. Kabels en leidingen worden besproken in hoofdstuk 5. Hoewel deze geen onderdeel uitmaakt van het projectgebied wordt bij de behandeling van kabels en leidingen wel kort stilgestaan bij de (veiligheidszone i.v.m. de) olieleiding.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 10

3

Ruimtelijk beleid

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Ministerie van Infrastructuur en Ruimte van kracht geworden. De structuurvisie vervangt verschillende nota's, waaronder de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Nota Mobiliteit. De visie schetst de doelen, belangen en opgaven van het Rijk tot 2028 en de ambities tot 2040. Uitgangspunt is de ruimtelijke ordening zoveel mogelijk over te laten aan gemeenten en provincies (decentraal, tenzij), minder nationale belangen te benoemen en eenvoudigere regelgeving toe te passen. De nationale belangen, die worden benoemd, betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer- en transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden. Nationaal belang 2 Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie Het is primair de taak van provincies en gemeenten om voldoende ruimte te bieden voor duurzame energievoorziening (zoals zonne-energie en biomassa). Het ruimtelijk rijksbeleid voor (duurzame) energie beperkt zich daarom enkel tot grootschalige windenergie op land en op zee, gelet op de grote invloed op de omgeving en de omvang van deze opgave.

Voor andere energiefuncties is geen nationaal ruimtelijk beleid nodig naast het faciliteren van ontwikkelingen door het aanpassen van wet- en regelgeving en het delen en ontwikkelen van kennis. Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze Ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Op 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd op de volgende punten:  het begrip ‘actuele regionale behoefte’ is geschrapt en in de nieuwe Ladder vervangen door ‘behoefte’;  de nieuwe Ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt;  voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht;  er is een nieuw artikellid toegevoegd op grond waarvan de Laddertoets bij bestemmingsplannen met een uitwerkingsplicht of wijzigingsbevoegdheid kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van het wijzigings- of uitwerkingsplan.

Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen. Daaraan is in het eerste lid een omschrijving toegevoegd van:  bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;  stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 11

Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Tevens wordt de mogelijkheid geboden in het derde lid, om de toepassing van de Ladder door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. De verwachting is dat de Ladder hierdoor beter hanteerbaar zal zijn, beter aansluit bij het geheel aan vereisten aan een toelichting bij bestemmingsplannen en tot minder onderzoekslasten zal leiden.” Relatie tot de ontwikkeling Uit een recent gedane uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Raad van State) blijkt dat voor de aanleg van een zonnepark het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking niet nodig is. Dit omdat de ontwikkeling van een zonnepark niet als stedelijke ontwikkeling wordt getypeerd. Daarbij neemt de Raad van State dat een zonnepark zich bij uitstek niet goed leent voor realisatie binnen bestaand stedelijk gebied.

Wanneer de Ladder van toepassing zou zijn op dergelijke ontwikkelingen, zou dit betekenen dat het bevoegd gezag telkens opnieuw dient te motiveren waarom de ontwikkeling niet binnenstedelijk plaats kan vinden. Dat is in het geval van een initiatief zoals voorliggende ontwikkeling, niet logisch. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft daarom niet doorlopen te worden. Verwezen wordt naar de uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178. De nut en noodzaak van het project zal evenwel blijken uit de navolgende beleidsparagrafen. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Dit besluit legt nationale ruimtelijke belangen vast. Het beleid is erop gericht om het aantal regels terug te dringen. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Hierdoor is onder andere de aanwijzing van nationale landschappen vervallen. Het Rijk maakt bijvoorbeeld geen landsdekkende woningbouwafspraken meer, alleen nog in de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad. Het Rijk benoemt alleen nog landelijke doelstellingen om de woningmarkt goed te laten werken. Het landschapsbeleid gaat ook naar de provincies. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er met een gebied moet gebeuren. Op dit moment legt het Barro geen restricties op voor de onderhavige locatie

3.2

Omgevingsbeleid Zuid-Holland

Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het Programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geven zij richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 12

Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Voor het Programma Ruimte geldt dat delen van de voorgaande versie thans zijn opgegaan in de Omgevingsvisie. Het resterende deel van het Programma Ruimte maakt onderdeel uit van het Omgevingsbeleid. Omdat de relevante onderdelen voor de beoogde ontwikkeling zijn overgegaan naar de Omgevingsvisie, wordt het Programma Ruimte in deze provinciale beleidsparagraaf niet nader besproken. In de navolgende paragrafen wordt daarom enkel ingegaan op de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. 3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

De Omgevingsvisie Zuid-Holland (hierna: Omgevingsvisie) is per 1 april 2019 in werking getreden. Zoals eerder aangegeven is het centrale doel van het integrale omgevingsbeleid het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Vanuit het bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Met het oog op de invoering van de Omgevingswet in 2021 wordt dit verder ontwikkeld. De basis hiervoor is gelegd in de volgende onderdelen van ‘omgevingskwaliteit’:  Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken.  Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, waarin ook aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. De leefomgevingstoets is agenderend voor verdere beleidsontwikkeling. Hiertoe implementeert de provincie een integrale beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit voor toekomstige kwaliteitsverbetering.

 Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie beschikt al enige tijd over de ‘kwaliteitskaart’ en de ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’, behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. In Zuid-Holland, dat zich onderscheidt door het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit is niet alleen een item voor deskundigen, maar ook onderwerp van een voortdurend maatschappelijk debat en gesprek. De provincie faciliteert dit debat en geeft richting en ruimte aan het verbeteren van ruimtelijke kwaliteit.

De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. De provincie beschikt al enige tijd over een kwaliteitskaart die de kwaliteitsambities van de provincie toont en in een geactualiseerde vorm onderdeel is van het omgevingsbeleid. De kwaliteitskaart staat met de bijbehorende uitwerking in richtpunten aan de basis van de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit, die een handreiking vormen voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. De kwaliteitskaart bestaat uit een aantal kaartlagen met daarbinnen diverse onderdelen en geeft richting aan ruimtelijke ontwikkelingen binnen het provinciaal grondgebied. Toetsing aan de kwaliteitskaart vindt plaats in de navolgende subparagraaf.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 13

Energietransitie De provincie werkt mee aan Europese en nationale energiedoelen om de CO2-uitstoot te verminderen en het energieverbruik te reduceren. Het gaat om een CO2-reductie van 85 -95% in 2050 ten opzichte van 1990. Zuid-Holland hanteert als ambitie om in 2020 minimaal 9% van de energieconsumptie duurzaam op te wekken. De beste manier om het gebruik van fossiele bronnen terug te dringen, is het volgen van de trias energetica. Op de eerste plaats door besparen. Op de tweede plaats hernieuwbare bronnen benutten. Op de derde plaats onvermijdbare koolstofbronnen zó gebruiken zodat ze tot een zo min mogelijk CO2-uitstoot leiden. Om een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie in 2020 in Zuid-Holland te realiseren wordt rekening gehouden met de (omgevings)kenmerken van Zuid-Holland, zoals relatief veel industrie, weinig onbebouwde ruimte en veel windvermogen. De provincie spant zich daarnaast in om Europese en nationale energiedoelen in de breedte te bereiken, namelijk het realiseren van de reductie van energiegebruik en uitstoot van broeikasgassen (met name CO2), energiebesparing is de voordeligste manier van CO2 –reductie. De provincie werkt op een integrale manier aan het bevorderen van de energietransitie, waarbij de mainport, de greenports, het stedelijk gebied en mobiliteit alle van belang zijn.

Vijf hoofdthema’s zijn van belang: warmte, wind, zon, energie-efficiëntie en mobiliteit. Naast deze vijf prioriteiten zet de provincie, daar waar zich kansen aandienen, ook in op andere energie-oplossingen, zoals bij de getijdencentrale in de Brouwersdam. Door samen met de regionale partners ruimtelijke energie-actieagenda’s op te stellen, beoogt de provincie een meer integrale en resultaatgerichte benadering van besparing, opwekking en CO2-reductie te bereiken. Zonne-energie De provincie wil het gebruik van zonne-energie actief faciliteren en ondersteunen, omdat zonneenergie een groeiende bijdrage levert aan de productie van hernieuwbare energie. In de periode tot 2020 streeft de provincie naar een aandeel zonne-energie van 1,5 PJ. Voorop staat de voorkeur voor meervoudig ruimtegebruik, zoals het benutten van daken en overige geschikte functies. In een provincie waarin onbebouwde ruimte een schaars en waardevol goed is, is een terughoudende benadering van zonnevelden in die open ruimte op zijn plaats, in combinatie met een stimulerende benadering voor zonnepanelen en warmtecollectoren in de bebouwde ruimte. De provincie zet hierbij haar ruimtelijk instrumentarium in. De provincie maakt de realisatie van zonne-energie ruimtelijke mogelijk, binnen het bestaande stads- en dorpsgebied en onder voorwaarden op aantal locaties en functies daar buiten.

Buiten bestaand stads- en dorpsgebied hebben zonnepanelen op daken de voorkeur. Daarnaast zijn er enkele functies waar meervoudig ruimtegebruik met een zonneveld kansrijk is. Dit betekent dat zonnevelden in beginsel te combineren zijn met onderstaande functie en locaties.:  Agrarische bouwblokken;  Locaties die vallen onder de bestemming infrastructuur;  Voormalige stortplaatsen, slibdepots en spaarbekkens;  Locaties in glastuinbouwgebied;  Locaties in stads- en dorpsranden;  Locaties in combinatie met een windturbinepark;  Locaties in knikpuntgebieden. Relatie tot de ontwikkeling De provincie staat open voor de ontwikkeling van zonnevelden, maar is gelet op de schaarse ruimte tegelijkertijd terughoudend wanneer het initiatief uit het realiseren van een zonnepark in het

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 14

landschap bestaat. In beperkte mate en onder voorwaarden is de ontwikkeling van een zonnepanelenpark wel mogelijk in glastuinbouwgebied, waar de projectlocatie onderdeel van uit maakt. Qua uitstraling sluiten zonneparken goed bij glastuinbouw, wel dient behoedzaam te worden omgegaan met de groene ruimtes in de vaak dicht bebouwde glastuinbouwgebieden. De belangrijkste voorwaarde voor het oprichten van een zonnepark binnen dergelijke gebieden is dat geen sprake mag zijn van een verdringend effect op de functie glastuinbouw. Bij de realisatie van een zonnepanelenpark zijn de regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit van belang. Aan de hand van de kwaliteitskaart dient gemotiveerd te worden dat de beoogde ontwikkeling naar aard en omvang past in de omgeving. Daarbij kan sprake zijn van inpassen, aanpassen of transformeren. De van toepassing zijnde onderdelen van de kwaliteitskaart in relatie tot de beoogde ontwikkeling worden in de navolgende subparagraaf 3.2.1.1 verder besproken. Om te voorzien in een goede landschappelijke inpassing van het zonnepanelenpark is gebruik gemaakt van landschapsarchitecten Feddes en Olthof. Het landschappelijk inpassingsplan wordt besproken in paragraaf 4.1. De beoogde ontwikkeling is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie Zuid-Holland. 3.2.1.1 Kwaliteitskaart De provincie Zuid-Holland beschikt al enige tijd over een kwaliteitskaart.

De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De uitwerking hiervan op kaart is niet uitputtend, noch uitsluitend. De kaart biedt hiermee geen oplossingen, maar is een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande omgevingskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. De kaart biedt inzicht in de bestaande ruimtelijke kwaliteiten; het toevoegen van nieuwe kwaliteiten kan een verrijking zijn van de ZuidHollandse ruimte. Zuid-Holland bestaat uit een scala aan gebieden en kenmerken. Om de verschillende waarden en kenmerken te kunnen benoemen en tot hun recht te laten komen, is gekozen voor een ordening in vier lagen:  Laag van de ondergrond  Laag van de cultuur- en natuurlandschappen  Laag van de stedelijke occupatie  Laag van de beleving Voor iedere plek is een aantal lagen van toepassing. Het is dan ook van belang die lagen en de bijbehorende richtpunten in samenhang te beschouwen.

Kwaliteitskaart en richtpunten vormen een belangrijk en richtinggevend onderdeel van het handelingskader ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getypeerd als inpassing, aanpassing of transformatie. Inpassing, aanpassing of transformatie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepanelenpark in glastuinbouwgebied. Een dergelijk ontwikkelproject kan worden getypeerd als aanpassing: dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet, zoals bij de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed. Aanpassing is sterk gericht op het vergroten van de gebruikswaarde van een gebied. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk de invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat. Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 15

Kaartlagen Op het plangebied is een drietal kaartlagen van toepassing. Het gaat om de laag van de ondergrond, de laag van cultuur- en natuurlandschappen en de laag van de stedelijke occupatie. Binnen de lagen is sprake van verschillende onderdelen en bijbehorende richtpunten. Hieronder wordt per kaartlaag aangegeven welk onderdeel op de locatie van toepassing is. Kaartlaag I: Laag van de ondergrond  Rivierdeltacomplex  Water als structuurdrager Kaartlaag II: Laag van de cultuur- en natuurlandschappen  Rivierdeltalandschap Kaartlaag III: Laag van de stedelijke occupatie  Glastuinbouwgebieden  Bouwwerken voor energieopwekking Kaartlaag en onderdeel Kaartlaag I: Laag van de ondergrond  Rivierdeltacomplex (1)  Water als structuurdrager (2)

Richtpunten  Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. (1)  Ontwikkelingen houden rekening met hun invloed op het watersysteem als geheel en dragen bij aan een duurzame en zo eenvoudig mogelijke werking van dit systeem. (2)  Ontwikkelingen versterken de samenhang en continuïteit in het watersysteem als dragende ecologische en recreatieve structuur van ZuidHolland. Ruimte voor natuurlijke dynamiek is hierbij een uitgangspunt. (2)  Ontwikkelingen dragen bij aan het verbeteren van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater. (2)

Kaartlaag II: Laag van de cultuur- en natuurlandschappen  Rivierdeltalandschap

  

 

Kaartlaag III: Laag van de stedelijke occupatie  Glastuinbouwgebieden

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen. Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren. Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. Nieuwe glastuinbouwgebieden worden zoveel mogelijk binnen of in aansluiting op bestaande glastuinbouwgebieden geconcentreerd.

Pagina | 16

Nieuwe ontwikkelingen in de glastuinbouw sluiten aan bij bestaande landschappelijk structuren en dragen waar mogelijk bij aan versterking van de groenblauwe structuur. Ontwikkelingen aan de rand van een glastuinbouwgebied dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

Hoewel het ter plaatse van de projectlocatie niet naar bovenkomt op de kwaliteitskaart, is binnen de derde kaartlaag ook een richtpunt opgenomen voor bouwwerken voor energieopwekking. Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energieopwekking is altijd een zorgvuldige locatiekeuze en inbedding in de omgeving van belang. Een beeldkwaliteitsparagraaf moet inzicht geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving. Gebiedsprofiel Voorne-Putten Een gebiedsprofiel beschrijft en visualiseert kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn. Voorbeelden van kenmerkende ruimtelijke elementen zijn: de verkavelings- en waterstructuur, linten, laanbeplantingen, herkenbare dijken en openheid. De gebiedsprofielen geven een overzicht van de landschappelijke waarden, waarmee bij ruimtelijke ingrepen rekening moet worden gehouden. Maar ze beschrijven ook ambities die richting geven aan de ontwikkeling van de kenmerken. Het gebiedsprofiel is een regionale uitwerking van de provinciale kwaliteitskaart uit de Visie Ruimte en Mobiliteit. Voor het gebied waar de projectlocatie onder valt is gebiedsprofiel ‘Voorne – Putten’ vastgesteld. Hierbinnen geldt het volgende:  Ontwikkelingen in de glastuinbouw dragen bij aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren.

 Bij de inpassing van glastuinbouw wordt aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing en de aansluiting op de omgeving. Er wordt aangesloten op bestaande landschappelijke structuren en verbindingen tussen glastuinbouwgebied en omgeving Relatie tot de ontwikkeling Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de kwaliteitskaart en de daaruit voortvloeiende regionale gebiedsprofielen voor ruimtelijke kwaliteit. De projectlocatie valt zoals gesteld onder gebiedsprofiel ‘Voorne – Putten’. In het landschappelijk inpassingsplan zoals opgesteld door landschapsarchitecten Feddes en Olthof, is rekening gehouden met dit gebiedsprofiel. Hieronder wordt kort ingegaan op hoe het project binnen dit gebiedsprofiel past. Het inpassingsplan wordt verder besproken in paragraaf 4.1 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing en is tevens opgenomen in de bijlage 1. Er is sprake van een rechthoekig plangebied binnen het bestaande glastuinbouwgebied Tinte. Passend bij het glastuinbouwgebied vormen de panelen binnen het zonnepanelenpark zakelijke rechte vakken. De vorm van het plangebied leent zich bovendien goed voor een zuid opstelling van de panelen. De panelen worden zo verdraaid dat deze haaks staan op de oriëntatie van de kavel en hoogspanningsverbinding. Hierdoor krijgt het geheel een strakke en zakelijke uitstraling.

Conclusie Bij het inpassingsplan is rekening gehouden met de richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, die verder zijn uitgewerkt in het gebiedsprofiel ‘Voorne – Putten’. Voor een nadere uitwerking hiervan wordt verwezen naar het bijgevoegde inpassingsplan, dat tevens wordt besproken in paragraaf 4.1 van voorliggende onderbouwing. De ontwikkeling voldoet daarmee aan het provinciale beleid ten aanzien van de voorwaarden voor ruimtelijke kwaliteit. Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 17

3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De doelen en ambities van de provincie zoals verwoord in de Omgevingsvisie Zuid-Holland, zijn vertaald naar concrete regelgeving in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Ook de Omgevingsverordening is per 1 april 2019 in werking getreden. Onderstaand wordt ingegaan op de voor de onderhavige ontwikkeling van belang zijnde bepalingen uit de verordening. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c.

als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Lid 3 Aanvullende ruimtelijke maatregelen a. De aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): i. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; ii. wegnemen van verharding; iii. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; iv. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. b. De onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken. c.

In afwijking van sub b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door Provinciale Staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd. Lid 4 Beeldkwaliteitsparagraaf Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn, of b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b. Lid 5 Afstemming op specifieke regels Voor zover in deze verordening specifieke regels zijn opgenomen ten behoeve van bepaalde typen ruimtelijke ontwikkelingen gaan die specifieke regels voor, tenzij het bepaalde in dit artikel zich daartegen niet verzet.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 18

Lid 6 Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, is het provinciale compensatiebeleid van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. Artikel 6.15 Glastuinbouwgebied Lid 1 Glastuinbouwgebied voor teelt onder glas Een bestemmingsplan voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 11 Teeltgebieden, laat alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking.

Toetsing Locatie zonnepark in glastuinbouwgebied Zonneparken zijn op basis het Omgevingsbeleid op een aantal locaties denkbaar wanneer het gaat om zonneparken buiten bestaand stedelijk gebied. Een van deze mogelijkheden betreft oprichting binnen glastuinbouwgebieden zoals aangegeven op het kaartmateriaal behorende bij het Omgevingsbeleid. Figuur 3.1 toont een uitsnede van de genoemde kaart, de projectlocatie (globaal aangeduid in het rood) valt op basis hiervan binnen het glastuinbouwgebied en is daarmee in principe geschikt voor de beoogde ontwikkeling. Opgemerkt dient te worden dat het uitzonderingsgebied dat is verbeeld op de kaart, geen relevantie heeft voor de beoogde ontwikkeling daar dit ziet op voortzetting van agrarisch gebruik en niet op ander gebruik, zoals dat van een zonnepark. figuur 3.1 Uitsnede Kaart 11 Glastuinbouwgebied, Omgevingsverordening

Geen verdringend effect Voorwaarde voor de oprichting van een zonnepark binnen glastuinbouwgebied, is dat de ontwikkeling geen verdringend effect heeft op de glastuinbouwactiviteiten ter plaatse. De gemeente beschikt over een gebiedsvisie waarin de gemeentelijke visie ten aanzien van glastuinbouw uiteen wordt gezet. Op basis van deze visie kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling van een zonnepanelenpark op de locatie geen verdringend effect heeft, enerzijds omdat het gebied niet is aangewezen voor uitbreiding dan wel intensivering van glastuinbouw en anderzijds omdat de locatie in die visie juist wel is aangewezen als een geschikte locatie voor de ontwikkeling van duurzame voorzieningen.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 19

Gelet op de voorwaarde vanuit de provincie is door WLTM Coöperatie U.A. de haalbaarheid van de ontwikkeling van glastuinbouw ter plaatse in kaart gebracht. In de haalbaarheidsanalyse wordt geconcludeerd dat de projectlocatie niet bijzonder geschikt of interessant is voor het benutten als glastuinbouwlocatie. Ook op basis hiervan kan daarom worden geconcludeerd dat de ontwikkeling geen verdringend effect heeft op glastuinbouwactiviteiten. Door Vijverberg Advies & Begeleiding is een aanvullende analyse inzake tuinbouw uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in de rapportage van 30 januari 2020. Zij komen eveneens tot de conclusie dat het projectgebied zeer beperkte aantrekkingskracht heeft. In de directe omgeving zien zij bovendien beschikbare percelen die deze aantrekkingskracht wel hebben. Dit omdat ter plaatse van het projectgebied beperkingen gelden die elders niet van toepassing zijn. Daarnaast is de nieuwbouw van glastuinbouw in Tinte gering, waardoor niet verwacht wordt dat de beschikbare planologische ruimte volledig benut wordt. Om dit gebied in Tinte nog enigszins aantrekkelijk te houden wordt de toevoeging van duurzame toepassingen juist wenselijk geacht. Dit zou er voor kunnen zorgen dat een beperkte groep zich alsnog wil vestigen in Tinte. De analyses zijn opgenomen in bijlage 6 en 7 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing.

Voor een uitgebreide behandeling van de gemeentelijke visie en de aanvullende haalbaarheidsanalyses in relatie tot de locatiekeuze, wordt verder verwezen naar paragraaf 3.3.2 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Landschappelijke inpassing Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing is de Kwaliteitskaart van de provincie richtinggevend. Op de kwaliteitskaart in relatie tot de projectlocatie en het projectplan is in de voorgaande subparagraaf 3.2.1.1 ingegaan. In dit geval is sprake van aanpassing, omdat een zonnepanelenpark qua uitstraling past binnen glastuinbouwgebieden maar voorziet in wijzigingen op structuurniveau. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken de invloed van de nieuwe ontwikkeling. Een ontwikkeling wordt dan uitsluitend toegestaan indien de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door een zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. De richtpunten zijn meegenomen bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan door Feddes en Olthof. Dit inpassingsplan wordt besproken in paragraaf 4.1 van voorliggende rapportage en is tevens opgenomen in de bijlagen.

Conclusie De beoogde ontwikkeling is gelet op het bovenstaande in lijn met de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden. Voor de volledigheid is wel aangetoond dat de gekozen projectlocatie buiten bebouwd gebied in relatie tot glastuinbouw een geschikte locatie betreft, waarbij middels twee afzonderlijke haalbaarheidsanalyses is aangetoond dat geen sprake is van verdringing van glastuinbouw in het gebied. Voor deze onderbouwing wordt aanvullend verwezen naar paragraaf 3.3.2 van voorliggende rapportage. Bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan is daarnaast voor zover van toepassing rekening gehouden met de kwaliteitskaart. Het inpassingsplan is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing en wordt tevens besproken in paragraaf 4.1. 3.2.3

Energieagenda 2016-2020-2050 ‘Watt Anders’

De provincie voert regie op de energietransitie in Zuid-Holland. Richtinggevend is Watt anders, Energieagenda 2016-2020-2050. Deze Energieagenda, vastgesteld op 12 oktober 2016 door Pro-

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 20

vinciale Staten, kenmerkt zich door een uitvoeringsgerichte aanpak. De Energieagenda bevat ambities en acties om energie te besparen en versneld over te stappen van fossiele bronnen naar hernieuwbare bronnen. Trias Energetica De Energieagenda legt de prioriteit bij de gebouwde omgeving, industrie, glastuinbouw en mobiliteit & infrastructuur. Gebouwde omgeving verwijst naar woningen, scholen, kantoren en bijvoorbeeld ziekenhuizen. Steeds wordt de trias energetica gevolgd: 1. Energie besparen. 2. Hernieuwbare bronnen benutten. 3. Onvermijdbare koolstofbronnen zó gebruiken dat ze zo min mogelijk CO2-uitstoot veroorzaken. Hernieuwbare bronnen benutten Zuid-Holland hanteert als ambitie om in 2020 minimaal 9% van de energieconsumptie duurzaam op te wekken. Wij hebben eerder uitgerekend dat dit voor die termijn het hoogst haalbare is, gegeven het bijzondere karakter van de Zuid-Hollandse economie. Voor deze tussenstap is nodig:  Meewerken aan 7,8 PJ energiebesparing en -transitie in de industrie, de gebouwde omgeving (woningen & kantoren) en glastuinbouw;  Bevorderen dat 20 PJ restwarmte en aardwarmte in de glastuinbouw en de steden kan worden benut;  Mogelijk maken van 735,5 MW opgesteld vermogen aan windenergie op land;  Stimuleren van innovaties op het gebied van zonne-energie (1,5 PJ) en energie uit biomassa.

Bovenstaande betreft zoals gezegd een tussenstap richting het behalen van de doelstellingen op lange termijn. In 2035 is de energievoorziening van de gebouwde omgeving CO2 -neutraal. In 2050 is de CO2-uitstoot met 80-90% verminderd ten opzichte van 1990. Zonne-energie De ontwikkeling van zonne-energie groeit. De schatting is dat Zuid-Holland op dit moment jaarlijks 0,3 PJ aan zonne-energie opwekt. Er zijn zowel in de gebouwde omgeving en in het landelijk gebied nog veel geschikte locaties. Denk aan daken van woningen en bedrijven, geluidschermen langs wegen en spoorwegen, maar ook aan terreinen met industriële functies zoals stortplaatsen en zuiveringsinstallaties. De ruimtelijke inpassing van zonnevelden wordt nader bekeken. In de periode tot 2020 ligt een vervijfvoudiging van het aandeel van zonne-energie tot 1,5 PJ binnen bereik. Relatie tot de ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een zonnepanelenpark. Over zonneparken wordt in de Energieagenda nog niet heel uitgebreid stilgestaan, omdat de mogelijkheden daartoe ten tijde van het opstellen van de agenda nog werden onderzocht. Nieuwe inzichten hebben geleid tot een aanpassing van het provinciale beleid zoals in voorgaande paragrafen is beschreven. De locatie leent zich goed voor de aanleg van een zonnepanelenpark.

De realisatie van de beoogde ontwikkeling levert daarmee een substantiële bijdrage aan het behalen van de gemeentelijke doelstellingen op het gebied van CO2-reductie in het algemeen en het opwekken van duurzame energie bijzonder: de komende vijf jaar voorziet de provincie immers een vervijfvoudiging van het aandeel zonne-energie. Het beoogde zonnepanelenpark levert een CO2-reductie van 4.819 ton per jaar op en kan ruim 3.200 huishoudens van zonne-stroom voorzien. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de provinciale Energieagenda 2016-2020-2050 (“Watt Anders”).

Mees Ruimte & Milieu | 18206

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10971503/1