21 06 Voorontwerp inpassingsplan brief aan raad bijl 3
Tekst van het document
Klimaatakkoord Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het Klimaatakkoord gepresenteerd. Hierbij zijn per sector afspraken gemaakt, zo ook voor de sector Elektriciteit. In 2030 komt 70 procent van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Dat gebeurt met windturbines op zee, op land en met zonnepanelen op daken en in zonneparken. Windenergie op zee groeit naar tenminste 49 miljard kilowattuur per jaar in 2030, ofwel 11,5 miljard watt aan piekvermogen. De bouw van nieuwe grote parken op zee loopt gelijk op met de groeiende vraag naar groene stroom. Uitbreiding van de energie-infrastructuur (bijvoorbeeld hoogspanningsverbinding) vraagt om langjarige voorbereidingen. Het onderhavige project voorziet in een uitbreiding van de energieinfrastructuur om door een windpark op zee opgewekte energie te kunnen transporteren en te verbinden met het landelijke hoogspanningsnet.
3.1.12
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Met de NOVI wordt geanticipeerd op de Omgevingswet. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kan men in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Pagina 39 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor dit inpassingsplan is vooral de eerste prioriteit van belang. Windenergie op zee wordt als een belangrijke vorm van duurzame energie gezien om de gestelde duurzame energiedoelstellingen te halen. In de NOVI wordt aandacht gevraagd voor de kwaliteit van de leefomgeving bij de inpassing van energie-infrastructuur. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de wijze waarop rekening is gehouden met de kwaliteit van de leefomgeving. Bij de voorbereiding van dit inpassingsplan is gewerkt in de geest van de Omgevingswet. Door het opstellen van participatieplannen en een doorlopend participatieproces, het publiceren van de kennisgeving van het voornemen en de inrichting van het keuzeproces om tot een voorkeursalternatief te komen, wordt het gedachtengoed van de Omgevingswet hier toegepast. Omdat de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, is het juridische instrument voor het vastleggen van het planologisch juridische kader nog een inpassingsplan. 3.1.13
Conclusie Het onderhavige project past binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie De provincie Zuid-Holland heeft het omgevingsbeleid vastgelegd in de kaderstellende instrumenten Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Deze documenten zijn op 1 april 2019 in werking getreden en brengen de provinciale sectorale visies en nota’s samen in één integraal beleid voor de fysieke leefomgeving. In het Omgevingsbeleid zijn de operationele doelstellingen van provincie Zuid-Holland opgenomen. Ten gevolge van de toenemende drukte in de ondergrond is bewust gekozen voor driedimensionale planvorming. De ondergrondse infrastructuur heeft veelal een bovenlokaal belang (drinkwatervoorziening, bodemenergie, ondergrondse waterberging, aardkundige waarden en archeologische waarden). Belangen die binnen het beleid worden geborgd door hier nu en voor de toekomst ruimte voor te reserveren. De provincie Zuid-Holland streeft naar een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie in 2020, rekening houdende met de lokale kenmerken (relatief veel industrie, weinig onbebouwde ruimte en veel windvermogen). Daarnaast spant de provincie zich in om Europese en nationale energiedoelen in de breedte te bereiken, namelijk het realiseren van de reductie van energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen, met name CO2. Hierbij wordt vanuit een integrale benadering de energietransitie bevorderd.
In het licht van de reductie van broeikasgassen is ook het tegengaan van bodemdaling een relevant onderwerp op provinciaal niveau. De ambities van de provincie streven naar een klimaatbestendige delta, een levendige metropool, een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving en een inzet op energievernieuwing. De inzet op de klimaat- en energiedoelstellingen, waaronder de beperking van de CO2-uitstoot, worden op provinciaal niveau binnen deze ambities onderschreven. Pagina 40 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
3.2.2
Omgevingsverordening De Omgevingsverordening Zuid-Holland is door Provinciale Staten vastgesteld om de regels ter uitvoering van het omgevingsbeleid door te laten werken in de vaststelling van ruimtelijke plannen. Naast algemene regels betreffende het opstellen van een bestemmingsplan of provinciaal inpassingsplan, worden provinciale belangen gedefinieerd.
3.2.3
Conclusie Het onderhavige project past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Gemeente Rotterdam Stadsvisie Rotterdam 2030 In juli 2006 stelde de gemeenteraad de beknopte stadsvisie ‘Rotterdam, gateway to Europe’ vast. Die schetst de hoofdlijn voor de ruimtelijke-economische ontwikkeling van de stad tot 2030. De twee hoofddoelen daaruit, een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad, worden in de Stadsvisie Rotterdam 2030 verder uitgewerkt. De Stadsvisie is op 29 november 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en geldt als kader voor de ruimtelijke ontwikkeling van Rotterdam. Om een nog grotere rol van betekenis te spelen in de internationale concurrentiestrijd tussen stedelijke regio's, moet Rotterdam een strategie volgen die: • gericht is op de ontwikkeling van de kennis- en diensteneconomie én • die zorgt voor een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor hoogopgeleide en creatieve werkers. De missie van het gemeentebestuur luidt daarom: 'Bouw aan een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad'. Deze missie berust op twee pijlers: 1. sterke economie; 2. aantrekkelijke woonstad. Beide doelstellingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Eén van de kerndoelstellingen uit de Stadsvisie in het kader van een sterke economie is ervoor zorgen dat Rotterdam de schoonste havenstad ter wereld wordt. Om de sterke positie van de Rotterdamse haven te behouden zijn innovatie, ondernemerschap, ruimte en duurzaamheid nodig.
Er wordt meer nadruk gelegd op het accommoderen van bedrijvigheid met een toegevoegde waarde en innovatieve mogelijkheden, zoals de energiesector, fijnchemie en recycling; bedrijven die minder belastend zijn voor het milieu en in meer werkgelegenheid voorzien. Energie is steeds vaker van doorslaggevend belang. Strategisch energiebeleid is dan ook nodig om de havengerelateerde economie te blijven accommoderen. Innovatieve oplossingen moeten, binnen de milieukaders, economische ontwikkeling mogelijk maken. Dit vraagt om specifieke, grootschalige investeringen. Het Rotterdam Climate Initiative, dat wordt gedragen door gemeente, Havenbedrijf Rotterdam, DCMR en Deltalinqs, gaat uit van een vermindering van de CO2-uitstoot van 50% in 2025 ten opzichte van 1990. Dit is in absolute termen een vermindering met circa 35 Mton CO2 ten opzichte van de autonoom te verwachten groei in 2025. Pagina 41 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
Realisering van deze ambitie moet de aantrekkelijkheid en de economische kracht van de stad versterken. Rotterdam is lid van het Clinton Climate Initiative, een verband van circa 40 wereldsteden die als gezamenlijk doel de vermindering van de CO2-uitstoot hebben. Deze internationale samenwerking wil Rotterdam benutten om haar doelstellingen te behalen; omgekeerd kan het (haven)netwerk van Rotterdam voor andere steden een stimulans zijn. Beleidslijnen schone havenstad: • halveren van CO2-uitstoot in 2025; • uitbreiden van infrastructuur ten behoeve van transport en warmteopslag, CO 2 en chemicaliën; • realiseren van een kennis- en innovatiecluster in stadshavens: het RDM-terrein; • co-siting: industrieën die slim gebruik maken van elkaars nabijheid; • accommoderen van nieuwe, schonere energiecentrales. Rotterdam zet in op halvering van de CO2 -uitstoot per 2025. Met deze ambitie streeft men naar verdubbeling van het landelijk tempo. Landelijk wordt gekoerst op halvering per 2050. Rotterdam wil zich met deze doelstelling positioneren als wereldstad met CO2-arme energie. De verdere uitwerking van de Rotterdamse CO2- aanpak beschrijft zes thema’s: 1. nieuw gas, schoon fossiel: ontwikkeling van waterstoftechnologie, energiebesparing in gebouwde omgeving, groen gas uit biomassa, schoon fossiel/ CO2-opslag; 2.
groene grondstoffen: in 2025 wordt een bepaald percentage van de energie uit groene grondstoffen gehaald; 3. ketenefficiency: in 2025 heeft Rotterdam de meest energie-efficiënte economie ter wereld, door slimme organisatie van productketens van fabriek tot consument: Botlekloop, warmtebedrijf, etc.; 4. duurzame mobiliteit: in 2025 is de uitstoot van schadelijke stoffen gehalveerd, door gebruik van alternatieve motorbrandstoffen en ingrijpende optimalisatie van verkeersgedrag; 5. duurzame elektriciteit: in 2025 heeft Rotterdam CO2-arme elektriciteitsvoorziening door de inzet van windenergie, zonne-energie en biomassa, door elektriciteitsbesparing en door verduurzaming van de stroomproductie; 6. infrastructuur; gebouwde omgeving: de ambitie is een energieneutrale gebouwde omgeving. Daarin hebben woningen en gebouwen met elkaar per saldo voldoende aan duurzame energie. Dat komt door drastische vermindering van het energiegebruik voor verwarming, koeling en apparatuur. Klimaatakkoord Rotterdam Op 22 november 2019 is het Rotterdamse Klimaatakkoord getekend. Het akkoord is opgesteld door vijf verschillende klimaattafels. Bij elk van deze tafels zijn verschillende Rotterdamse bedrijven en (maatschappelijke) organisaties aangesloten. Zij zijn met elkaar in gesprek gegaan over een concreet maatregelenpakket dat ervoor gaat zorgen dat Rotterdam energiezuinig, duurzaam en gezond wordt.
De tafels worden geleid door een onafhankelijke voorzitter. De tafels zijn: • haven en industrie; • schone energie; • mobiliteit; • gebouwde omgeving; • consumptie. Pagina 42 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
Het doel is van Rotterdam de duurzaamste haven van de wereld te maken. De energietransitie van de haven vraagt om investeringen, ook in de benodigde infrastructuur. Daarnaast wordt ingezet op waterstof import, productie en gebruik op zeer grote schaal. Aardgas wordt zo veel mogelijk vervangen door elektriciteit, waarmee industriële elektrificatie plaatsvindt. Ontwerp omgevingsvisie Rotterdam De gemeente Rotterdam omarmt de internationale en nationale klimaatambities en werkt op gemeentelijke schaal aan de Parijse klimaatdoelstellingen. Dit komt tot uitdrukking in het gemeentelijke beleid gericht op een toekomstbestendige stad zonder aardgas, waarbij niet alleen op de eigen gemeentelijke gebouwen, maar ook op de Rotterdamse woningen en bedrijvigheid wordt gefocust. In de havens wordt gestreefd naar een reductie van het energieverbruik en vermindering van de CO2uitstoot. Deze doelstellingen en ambities zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Rotterdam (Verkenning Omgevingsvisie, maart 2019). De gemeente Rotterdam streeft naar een circulaire stad, met ruimte voor een schone en toekomstbestendige energievoorziening door onder andere de realisatie van windenergie, op basis van de gemeentelijke Leidraad Windenergie (december 2016). Naast het voorzien in de lokale energievraag, het minder afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen betekent dit een reductie van de CO2-uitstoot.
Onder de noemer ‘De zon als bron’ zet gemeente Rotterdam verder in op de toepassing van zonne-energie. Ook worden de compacte en gezonde stad als element van de fysieke leefomgeving benoemd: binnen deze perspectieven voor de stad Rotterdam vormt het beperken van CO2 de ambitie van de toekomst. Herijkte Havenvisie 2030 De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 28 november 2019 de herijkte Havenvisie vastgesteld. De Havenvisie geeft de ambitie aan voor de toekomst van de Rotterdamse haven en fungeert als kompas: de ambities staan als een stip op de horizon, ook als de omstandigheden veranderen. Het creëren van economische en maatschappelijke waarde en het realiseren van duurzame groei is de kern van de herijkte Havenvisie. Rotterdam streeft ernaar om koploper te zijn op het gebied van duurzame en efficiënte ketens. De herijkte Havenvisie neemt de ambitieuze doelstellingen zoals opgenomen in de Rotterdamse bijdrage aan het klimaatakkoord (Rotterdam-Moerdijk) één op één over. Het Nederlandse Klimaatakkoord wordt het bepalende kader voor de CO2-reductie taakstelling van het Rotterdamse haven- en industriecomplex. Het akkoord bevat afspraken over 49% CO2-reductie in 2030 (ten opzichte van 1990) voor de vijf sectoren Industrie, Elektriciteit, Mobiliteit, Gebouwde Omgeving en Landbouw.
Uitbreiden van energie-infrastructuur voor warmte, stoom, CO2 en elektriciteit is een noodzakelijke eerste stap en een belangrijke voorwaarde voor de transitie naar een CO2-neutraal haven- en industriecomplex. Infrastructuur voor aanlanding en transport van waterstof zal in een volgende fase hierbij komen. 3.3.2
Gemeente Westvoorne Omgevingsvisie 2030 In de omgevingsvisie van de gemeente Westvoorne, vastgesteld op 5 juni 2016, worden de verschillende ruimtelijke belangen vanuit landschap, de kernen, recreatie en toerisme, de agrarische sector en de gemeenschap samengesmolten tot een integrale ontwikkelingsrichting voor de periode tot 2030. Het credo is hierbij 'behoud door ontwikkeling': de eigen identiteiten worden benoemd en er wordt ingezet op Pagina 43 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
behoud en versterking daarvan. Het zijn er vijf: de landschappelijke diversiteit, de veelzijdige en hoogwaardige natuur, een recreatieve kustgemeente, krachtige kernen en veel werkgelegenheid in de omgeving. Samen vormen ze de 'kracht van Westvoorne'. Hierbij sluiten de volgende ambities aan die betrekking hebben op het landelijk gebied: • het behouden en versterken van het contrast van de rustige, landelijke en groene gemeente Westvoorne met het dynamische industriegebied van de Rotterdamse haven; • het behouden en versterken van de eigen identiteiten en daarbij niet landschap ‘op slot’ te zetten, maar gebruiken als onderlegger voor toekomstige ontwikkelingen (behoud door ontwikkeling); • het koesteren van de natuurwaarden; • het versterken van de positie op het gebied van recreatie en toerisme, onder meer door het verder opwaarderen van de toeristische omgeving; • het creëren van een leefomgeving waarin een ieder veilig en gezond kan opgroeien en ouder kan worden; • het beperken van milieuhinder en andere negatieve gevolgen voor de leefomgeving vanuit het industrie- en havengebied; • inzetten op duurzaamheid en vooral op de transitie naar een circulair economisch handelen en de transitie naar duurzame vormen van energieopwekking en energiebesparing. De ontwikkelkoers van Westvoorne is concreter uitgewerkt in het formuleren van identiteiten en koersen per deelgebied.
De deelgebieden die worden onderscheiden zijn de natuurlijke kust (strand, duinen, heveringen en binnenduinrand), de actieve noordrand en het veelzijdig landelijk gebied (zanderijen, glastuinbouwgebied en de oude en jonge zeekleipolders). Ook bevat de omgevingsvisie thematische uitgangspunten en ontwikkelrichtingen. Het gebied waar het Net op zee IJmuiden Ver Beta op het grondgebied van Westvoorne ligt, is in de omgevingsvisie aangemerkt als ‘Zee, platen en strand’. De weidse openheid, begrensd door de duinen, is kenmerkend voor het gebied. Het contrast van het natuurlijke strand en de slikken van de Westplaat met de industrie van de Maasvlakte is karakteristiek. Omdat de hoogspanningsverbinding op / nabij dit industriegebied aangelegd wordt en bovendien ondergronds, zal deze karakteristiek niet wijzigen als gevolg van het Net op zee IJmuiden Ver Beta. De gemeente zet daarnaast in op schone energie en energiebesparing. Het gebied waar het Net op zee IJmuiden Ver Beta is geprojecteerd, is aangewezen voor nieuwe windturbines. Bij de uitwerking van het Net op zee IJmuiden Ver Beta is rekening gehouden met deze ambitie. 3.3.3
Conclusie Het gemeentelijk beleid bevat geen specifiek beleid ten aanzien van ondergrondse infrastructuur. Wel wordt in bijna elk gemeentelijk beleid duurzaamheid en klimaatneutraal zijn nadrukkelijk als kans benoemd. Het onderhavige project is in lijn met het gemeentelijk beleid, met doelstellingen ten aanzien van duurzame energie.
Pagina 44 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
3.4
Beleid waterschap De waterbeheerder in en in de directe omgeving van het plangebied is het waterschap Hollandse Delta. Het beleid van het waterschap is in hoofdzaak verwoord in het Waterbeheerprogramma. Bij besluit van 26 november 2015 zijn de doelstellingen voor de taken waterveiligheid, voldoende water, schoon water en de waterketen voor de periode 2016 – 2021 vastgesteld. Binnen de doelstellingen van het waterschap wordt ingegaan op waterveiligheid vanuit de waterkwaliteit (schoon water) en de kwantiteit (bescherming tegen overstromingen). Ook het belang van de beschikbaarheid van het water als vaarweg behoort tot de doelstellingen. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening: de Keur. In deze Keur staan de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Verwezen wordt naar paragraaf 5.6 van deze toelichting voor de watertoets.
Pagina 45 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
Pagina 46 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
4
MER en afweging VKA
4.1
Inleiding De aanleg en het in gebruik hebben van een hoogspanningsverbinding met bijbehorende infrastructuur hebben een effect op de mens en de omgeving. Bij het bepalen van het tracé voor een nieuwe hoogspanningsverbinding en de locatie voor een converterstation (voorgenomen activiteit) is het van belang om te onderzoeken welke effecten (kunnen) optreden. In de voorbereiding op dit inpassingsplan is het tracé voor het Net op zee IJmuiden Ver Beta onder andere op basis van informatie uit de m.e.r.-procedure bepaald. Het resultaat van de m.e.r.-procedure is het MER waarin de effecten staan beschreven van de verschillende tracéalternatieven van het Net op zee IJmuiden Ver Beta op het milieu. Het doel van het opstellen van een milieueffectrapport (MER) is om het milieubelang een volwaardige rol te geven in de besluitvorming ten aanzien van onder andere het tracé en de locatie van het converterstation. Notitie ten behoeve van Bro en Wro overleg: Het MER is gefaseerd uitgevoerd. Het MER fase 1 bevat de benodigde informatie om, in samenhang met de Integrale effectenanalyse, te komen tot een voorkeursalternatief. Parallel aan het opstellen van dit inpassingsplan, wordt gewerkt aan MER fase 2. Dit voorontwerp inpassingsplan is gebaseerd op informatie uit MER fase 1 en een concept versie van het MER fase 2.
De definitieve informatie uit MER fase 2 wordt toegevoegd bij het ontwerp inpassingsplan. Dit leidt met name in hoofdstuk 4 en 5 tot aanvullingen in het ontwerp inpassingsplan. Ook zal het MER met bijlagen worden toegevoegd als bijlage bij het ontwerp inpassingsplan. Op grond van categorie D24.2 van het Besluit m.e.r. is de vaststelling van het inpassingsplan voor het Net op zee IJmuiden Ver Beta m.e.r.-beoordelingsplichtig omdat verschillende tracéalternatieven over een lengte van 5 km of meer (tot 3 nautische mijl uit de kust) door gevoelig gebied lopen en het spanningsniveau van de hoogspanningsverbinding 150 kV of meer is. Ook is het project m.e.r.beoordelingsplichtig op grond van categorie D 15.2 in verband met de grondwateronttrekking voor de aanleg. Bovendien is een Passende Beoordeling noodzakelijk omdat significante effecten op Natura 2000-gebieden bij het realiseren van het project niet op voorhand uit te sluiten zijn. Omdat een Passende Beoordeling nodig is, dient op grond van art. 7.2a Wet milieubeheer verplicht een MER te worden opgesteld. Voor het Net op zee IJmuiden Ver Beta zijn alternatieven ontwikkeld en in het MER op hun (milieu)gevolgen onderzocht. Mede op basis van de informatie uit het MER is in dit inpassingsplan het besluit genomen over de concrete ligging van het Net op zee IJmuiden Ver Beta.
4.2
M.e.r.-procedure Indien voor een activiteit tegelijkertijd een besluit en een plan worden voorbereid, uitsluitend met het oog op de inpassing van die activiteit, wordt op grond van artikel 14.4b Wet milieubeheer (Wm) één gecombineerd MER opgesteld en één m.e.r.procedure doorlopen. Kortheidshalve wordt daarom gesproken over 'het MER'. In Pagina 47 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
casu gaat het dus om een MER met een dubbele functie. In de eerste plaats betreft het een onderbouwend rapport ten behoeve van het onderhavige inpassingsplan; het planMER. Hiervoor zijn de ministers van EZK en van BZK verantwoordelijk. In de tweede plaats betreft het een onderbouwing van de vergunningen die afgegeven moeten worden; het projectMER. Hiervoor is de initiatiefnemer (TenneT) verantwoordelijk. In het navolgende wordt beschreven hoe de m.e.r.-procedure is doorlopen. De kennisgeving van het voornemen om te starten met het project Net op zee IJmuiden Ver Beta heeft van 22 maart tot en met 2 mei 2019 ter inzage gelegen (samen met het voorstel tot participatie). Van 30 augustus tot en met 10 oktober 2019 lag de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het milieueffectrapport (MER) voor Net op zee IJmuiden Ver Beta ter inzage. Alle zienswijzen, reacties en adviezen, waaronder het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage, zijn meegenomen bij het vaststellen van de definitieve NRD. Op 20 maart 2020 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat de definitieve NRD voor Net op zee IJmuiden Ver Beta vastgesteld. De vaststelling van de definitieve NRD is bekendgemaakt door publicatie in de Staatscourant van 26 maart 2020 en in huisaan-huisbladen. Op basis van de NRD, met in acht name van het advies van de Commissie voor de m.e.r.
en de resultaten uit het participatieproces, is het MER Net op zee IJmuiden Ver Beta opgesteld. Ook is een Passende Beoordeling opgesteld waarin de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen (IHD) van Natura 2000-gebieden als gevolg van het project zijn onderzocht en beschreven. Bij het opstellen van dit inpassingsplan en de uitvoeringsbesluiten is de informatie uit het MER gebruikt. Het MER wordt gelijktijdig met het ontwerp-inpassingsplan en de ontwerpuitvoeringsbesluiten ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn heeft een ieder de gelegenheid om zienswijzen in te dienen. De Commissie voor de m.e.r. wordt gelijktijdig om een toetsingsadvies gevraagd. Het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. en de zienswijzen worden door de ministers bij de besluitvorming omtrent het inpassingsplan betrokken. Voor het procedureverloop wordt voorts verwezen naar hoofdstuk 8 van deze toelichting. 4.3
Onderzochte alternatieven
4.3.1
Uitgangspunten Bij het bepalen van de tracéalternatieven is een aantal uitgangspunten gehanteerd. Een generiek uitgangspunt is dat er gestreefd wordt naar een tracé dat effecten op de omgeving zo veel als mogelijk voorkomt en dat leidt tot een doelmatige uitvoering van het project. Dit betekent in de praktijk dat een zo kort mogelijk tracé wordt nagestreefd. Voor zee en land zijn verder de volgende uitgangspunten van toepassing: • beperken van hinder voor gebruiksfuncties en omgeving, zoals zandwingebieden, olie- en gasinfrastructuur, scheepvaart, landbouw, bedrijven en recreatie en toerisme; • beperken van milieueffecten, zoals het zo veel mogelijk vermijden van effecten op Natura 2000-gebieden, archeologie en woningen; • daar waar mogelijk bundelen met kabel-, leidingen- en (weg)infrastructuur; • technische randvoorwaarden, zoals een lengte voor boren tot 1.200 meter (land); • beperken van (onderhouds)activiteiten in de toekomst, zoals rekening houden met de dynamiek van de zeebodem die van invloed is op de begraafdiepte van Pagina 48 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
de hoogspanningsverbinding (zee) en aanleg van de hoogspanningsverbinding in plat vlak en alleen waar nodig in driehoeksligging (land) of met een boring. Een belangrijke factor voor de ligging van de tracéalternatieven zijn de mogelijkheden voor een aanlandingspunt. Het aanlandingspunt vormt de overgang tussen het tracé op zee en het tracé op land. De belangrijkste uitgangspunten bij het aanlandingspunt zijn: • aanwezige ruimte voor het realiseren van de overgang tussen land- en zeeverbinding; • beperken van (milieu)effecten voor strandrecreatie, natuur en waterwingebieden. Daarnaast is de volgende informatie, voortkomend uit het participatieproces, betrokken bij de ontwikkeling van de tracéalternatieven op land: • bij de aanlandingsoptie aan de noordzijde van de Maasvlakte volgt uit het Hollandse Kust (zuid) project dat het geen optie is een lange boring vanaf de Maasvlakte onder de Maasmond tot achter de strekdam te doen, en dat het ook geen optie is aan te landen op het strand van de Edisonbaai; • maak gebruik van de aanlandzones van de Maasvlakte; • houd rekening met het Porthos project; • de zuidelijke aanlanding kruist de BritNed verbinding; • beperkte ruimte voor het hoogspanningstracé en het converterstation. 4.3.2
Alternatieven voor het tracé van de hoogspanningsverbinding Er zijn drie realistische tracéalternatieven met enkele varianten onderzocht: tracéalternatief MVL-1 naar de Maasvlakte via een noordelijke aanlanding, MVL-2 naar de Maasvlakte via een zuidelijke aanlanding en SMH naar Simonshaven.
Figuur 4.1: Tracéalternatieven (NRD en MER fase 1) Pagina 49 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
In figuur 4.1 zijn deze routes weergegeven. Route MVL-1 kent een variant A door het windenergiegebied Hollandse Kust (west) en een variant B die de kavelgenzen van dit windenergiegebied volgt. Routes MVL-2 en SMH kennen eveneens twee varianten: een route oostelijk (variant A) en een route westelijk (variant B) van het ankergebied voor de haven van Rotterdam. Een volledige beschrijving van de tracéalternatieven is terug te vinden in het MER fase 1. Op de Maasvlakte is een onderscheid tussen een noordelijke aanlanding en zuidelijke aanlanding. Bij de zuidelijke aanlanding is er een variant ten noorden van de Slufter en een variant ten zuiden van de Slufter (zie figuur 4.2). 4.3.3
Alternatieven voor het converterstation Vanwege de complexe inpassing in het landelijke hoogspanningsnet en de hoge kosten van een nieuw 380kV-station is in de verkenning28 uitgegaan van aansluiting op een bestaand 380kV-station. De locatie van het converterstation lag bij voorkeur in de nabijheid van het 380kV-station waar de aansluiting op het hoogspanningsnet gaat plaatsvinden, op een maximale afstand van 5 kilometer. Op deze wijze kan een stabiele en betrouwbare aansluiting worden gerealiseerd, zonder aanvullende technische maatregelen29. In figuur 4.2 zijn de drie onderzochte locaties (Noord, Midden en Zuid) voor een converterstation op de Maasvlakte weergegeven, inclusief de mogelijke routes op land richting de drie locaties.
Figuur 4.2: Onderzochte locaties converterstation en tracéalternatieven op land 28 Verkenning aanlanding netten op zee 2030. 29 Bij grotere afstand tussen converterstation en de netaansluiting wordt een zogenaamde blindstroom opgewekt, die leidt tot instabiliteit van het elektriciteitssysteem. Hierdoor kunnen makkelijker storingen ontstaan. Het compenseren van blindstroom vereist technische voorzieningen die complex en kostbaar zijn. Pagina 50 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
4.4
Voorkeursalternatief tracé hoogspanningsverbinding
4.4.1
Afweging tracéalternatieven Bij de start van de m.e.r.-procedure voor Net op zee IJmuiden Ver Beta was er sprake van een aansluiting op het bestaande 380kV-station Maasvlakte of Simonshaven. De beide aansluitlocaties hebben meerdere alternatieven en varianten voor een hoogspanningstracé. De tracéalternatieven naar zowel de Maasvlakte als naar Simonshaven kennen in min of meerdere mate milieunadelen. Ook de inpassing van een converterstation op de Maasvlakte of in de omgeving van het bestaande 380kV-station Simonshaven kent uitdagingen. Daarbij gaat het om de beschikbare ruimte en/of gevolgen voor de omgeving. Beide aansluitlocaties zijn als volwaardige alternatieven in het MER fase 1 onderzocht. Uit het participatieproces kwam een duidelijke voorkeur voor een aansluiting op de Maasvlakte naar voren. Tegelijkertijd volgde uit het MER fase 1 dat aansluiting van het Net op zee IJmuiden Ver Beta op het 380kV-station Simonshaven aanzienlijke milieueffecten kent terwijl dit voor een aansluiting op 380kV-station Maasvlakte niet of veel minder het geval is.
Vanwege de grote kansrijkheid van een aansluiting op de Maasvlakte, de grotere milieueffecten en de hogere kosten van een aansluiting op Simonshaven in vergelijking met de Maasvlakte, is er door het bevoegd gezag en de initiatiefnemer gezamenlijk voor gekozen om een aansluiting op Simonshaven niet nader in de Integrale effectenanalyse te beschouwen. Hiermee kwam locatie Simonshaven niet meer in aanmerking voor de keuze voor het voorkeursalternatief. De keuze voor het tracé van de hoogspanningsverbinding heeft vervolgens plaatsgevonden op basis van een integrale afweging van milieueffecten, kosten, (net)techniek, omgeving en toekomstvastheid. Hiervoor is de notitie ‘Net op zee IJmuiden Ver Beta Integrale effectenanalyse’ (hierna: IEA) opgesteld (zie bijlage 2). In de IEA is onderscheid gemaakt tussen het tracé van de hoogspanningsverbinding op zee en op land; de effecten zijn apart in beeld gebracht. Dit inpassingsplan heeft betrekking op het deel van het project dat in het gemeentelijk ingedeeld gebied ligt. Voor de keuze van het voorkeursalternatief is in dit inpassingsplan dus met name het hoogspanningstracé op land van belang. In figuur 4.3 is op basis van alle afwegingen ten aanzien van de tracéalternatieven op land een samenvatting opgenomen van de bevindingen uit de IEA.
Pagina 51 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
Figuur 4.3: Belangrijkste bevindingen tracéalternatieven op land Pagina 52 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
4.4.2
Optimalisatie tracéalternatieven Gedurende MER fase 1 is in expertsessies gezocht naar optimale keuzes binnen zoekgebieden voor onder andere het kruisen van kabels en waterkeringen, het ontwijken van zandwingebieden, visserijgebieden en waardevolle natuur. Deze optimalisaties zijn meegewogen bij het bepalen van het voorkeursalternatief. Een belangrijke optimalisatie is de keuze voor een gebundelde aanleg met de 525kV gelijkstroomkabels voor de aansluiting van het windenergiegebied IJmuiden Ver Beta en een aanzienlijke parallelligging op zee van het Net op zee IJmuiden Ver Beta met het Net op zee IJmuiden Ver Alpha. In MER fase 2 wordt voor het VKA gezocht naar verdere mogelijkheden voor optimalisatie, zowel in de uitwerking van de ligging van de hoogspanningsverbinding, het converterstation en de uitvoeringsfase. Waar mogelijk worden meekoppelkansen benut, bijvoorbeeld door werkwegen en werkterreinen mede te gebruiken voor andere ontwikkelingen in het gebied. Gedurende het proces wordt gemonitord of dit in het inpassingsplan opgenomen moet worden.
4.4.3
Keuze voorkeursalternatief De bevindingen ten aanzien van de optimalisaties zijn verwerkt in de IEA. De IEA is voorgelegd aan de overheden in de regio. Daarnaast is de Commissie voor de m.e.r. om tussentijds advies gevraagd over MER fase 1. Tegelijkertijd is de IEA gepubliceerd zodat een ieder hierop een reactie kon geven. Er zijn elf reacties uit de omgeving gekomen op de IEA en MER fase 1. Hiernaast heeft de minister van EZK ook een aantal adviezen ontvangen. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft op 29 juli 2020 een advies uitgebracht over het Milieueffectrapport fase 1. Rijkswaterstaat heeft op 23 juni 2020 advies uitgebracht. En tenslotte hebben de regionale overheden (provincie Zuid-Holland, de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis, Nissewaard, Rotterdam en Westvoorne en het waterschap Hollandse Delta) in oktober 2020 een gezamenlijk advies uitgebracht. Op basis van de IEA, de reacties hierop uit de omgeving en de adviezen van RWS, de regionale overheden en die Commissie voor de milieueffectrapportage heeft de minister van EZK als voorkeursalternatief voor het Net op zee IJmuiden Ver Beta gekozen voor tracévariant MVL-2B naar de Maasvlakte via een zuidelijke aanlanding naar converterstation Midden via het landtracé MVL-2Y (ten zuiden van de Slufter).
Zuidelijke aanlanding De zuidelijke aanlanding (MVL-2) op de Maasvlakte scoort met name op enkele aspecten uit het thema milieu en op de thema’s techniek en toekomstvastheid beter dan een noordelijke aanlanding (MVL-1). Voor de noordelijke aanlanding bestaat een grotere kans op de aantasting van archeologische waarden en er is meer impact op andere ruimtelijke gebruiksfuncties. Vanuit technisch oogpunt kent de noordelijke aanlanding een aanzienlijke hogere kans op obstakels en niet gesprongen explosieven (NGE’s), meer interactie met scheepvaartroutes waaronder een complexe kruising met de Maasgeul en een complexe, lange boring onder het Yangtzekanaal met een nog te bouwen kademuur. Op het gebied van toekomstvastheid is gebleken dat tracéalternatief MVL-1 een eventuele toekomstige extra aanlanding van windenergie op zee aan de noordzijde van de Maasvlakte zeer zal bemoeilijken. Een aanlanding aan de zuidzijde (MVL-2) houdt deze optie nadrukkelijk open. Ook wordt in hetzelfde gebied als de noordelijke aanlanding gewerkt aan het project Porthos. De ruimte voor beide projecten is beperkt, maar Pagina 53 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
voldoende. Qua kosten is een noordelijke aanlanding duurder dan een zuidelijke aanlanding; bovendien kent een noordelijke aanlanding hogere risico’s op aanvullende kosten. Verder is uit de reacties vanuit de omgeving duidelijk geworden dat een noordelijke aanlanding onwenselijk is, omdat de kruising met de Maasgeul zeer complex is. Dit levert in de praktijk de meeste hinder en risico’s op voor de scheepvaart. Locatie converterstation Midden Vanwege de keuze voor een zuidelijke aanlanding is de locatie noord voor een converterstation onlogisch. Bovendien zijn voor deze locatie zorgen geuit door de omgeving over mogelijke hinder door (laag frequent) geluid en is er door het lange wisselstroomtracé naar het 380kV-station sprake van beïnvloeding van het spoor en kabels en leidingen. De locatie zuid kent beperkte geluidsoverlast voor recreanten op het Maasvlaktestrand en een tijdelijke, beperkte verstoring van Natura 2000gebied Voornes Duin. Daarnaast is vanuit het Havenbedrijf Rotterdam aangegeven dat zij deze locatie wil reserveren voor de toekomstige productie van waterstof. De locatie zuid is daardoor minder geschikt dan locatie Midden. De locatie Midden biedt bovendien voldoende ruimte om in de toekomst een nieuw 380kV-station te realiseren dat nodig is in het kader van de energietransitie in het havengebied.
Landtracé ten zuiden van de Slufter Met de keuze voor een zuidelijke aanlanding in combinatie met de locatie Midden voor een converterstation, zijn op land twee routes mogelijk: ten noorden of ten zuiden van de Slufter. In het regio-advies is een sterke voorkeur aangegeven voor het tracé ten zuiden van de Slufter, omdat het gebied ten noorden van de Slufter in de toekomst nodig is om de infrastructuur te realiseren, zoals waterstofleidingen, die nodig is voor het realiseren van de duurzame ambities in het havengebied en het behoud van haar concurrentiepositie. Dit bleek ook uit reacties die zijn ingediend door de omgeving, zoals door het Havenbedrijf Rotterdam. Het tracé ten zuiden van de Slufter is langer en kent enkele (technische) uitdagingen en aandachtspunten, waaronder de afstemming met de toekomstige windturbines aan de Noordzeeboulevard. Het tracé ten zuiden van de Slufter is complexer en duurder om te realiseren. Vanwege het belang dat gehecht wordt aan het open houden van zoveel mogelijk opties voor toekomstige infrastructuur in het kader van de energietransitie in het havengebied, is toch voor het tracé ten zuiden van de Slufter gekozen.
Pagina 54 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
5
Onderzoek Milieu en Waarden
5.1
Inleiding In het kader van het MER is uitgebreid onderzoek uitgevoerd gericht op het in beeld brengen van de milieugevolgen van de verschillende alternatieven voor het Net op zee IJmuiden Ver Beta en meer specifiek voor het gekozen voorkeursalternatief. Dit MER en onderzoek is voor het volledige project uitgevoerd. In dit inpassingsplan wordt alleen ingegaan op de effecten van de projectonderdelen zoals opgenomen in dit inpassingsplan en dus alleen het gedeelte van het project dat in gemeentelijk ingedeeld gebied ligt. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de effecten van deze projectonderdelen. Deze effecten worden getoetst aan de sectorale wet- en regelgeving tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase. Per milieuaspect wordt een beschrijving gegeven van het toetsingskader, de effecten van het project op basis van de resultaten van de diverse onderzoeken en de conclusie. Per aspect wordt beschreven of en op welke wijze een vertaling naar de bestemmingsregeling heeft plaatsgevonden. Voor een gedetailleerde beschrijving van het onderzoek naar de effecten van het Net op zee IJmuiden Ver Beta (en de onderzochte alternatieven) wordt verwezen naar het MER.
5.2
Natura 2000
5.2.1
Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een inpassingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat ingevolge artikel 2.7, eerste lid, jo. artikel 2.8 van de Wnb significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een Passende Beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van grootopenbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.
de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb vergunningsplichtig. De provincie is in principe het bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid Pagina 55 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
zoals het onderhavige project (op grond van artikel 1.3, eerste lid, onderdeel a, sub 6, van het Besluit natuurbescherming) - blijft het Rijk bevoegd gezag. 5.2.2
Effecten In het MER en de Passende Beoordeling zijn de effecten van het project op Natura 2000-gebieden onderzocht. In het navolgende wordt - voor zover in dit inpassingsplan opgenomen - per onderdeel van het project ingegaan op de effecten die optreden.
Figuur 5.1: Ligging project ten opzichte van Natura 2000-gebieden Hoogspanningstracé op zee Het hoogspanningstracé loopt door Natura 2000-gebied de Voordelta waardoor in dit gebied tijdelijk sprake is van habitataantasting. Het gaat hierbij om ongeveer een traject van 12 kilometer. Dit betreft slechts een klein deel van de Voordelta namelijk 1,3% (10,4 km2) van het totale areaal. Binnen de Voordelta loopt de hoogspanningsverbinding voor een deel door het bodembeschermingsgebied. Hierbij wordt maximaal 0,13% (39 ha) van het totale bodembeschermingsgebied (29.937 ha) aangetast. Voor het aangetaste gebied geldt als bescherming dat alleen zware bodem beroerende visserij (boomkor >260 pk) niet is toegestaan. De aantasting van de habitat door baggeren/trenchen is minder intensief dan de boomkorvisserij Pagina 56 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
voornamelijk omdat het eenmalig is, waarbij de bodem binnen enkele jaren kan herstellen. In de Voordelta liggen ten zuiden van het aanlandingspunt bij de Maasvlakte de Hinderplaat en de Slikken van Voorne, beide rustgebieden voor (zogende) zeehonden en foeragerende vogels. De verstoringscontour van de werkzaamheden reikt niet tot de foeragerende vogels, maar raakt wel net de zeehonden in het noordelijke deel van de Hinderplaat op 1.200 meter afstand, met zeer beperkte overlap. Met name de zogende zeehonden zijn zeer gevoelig voor verstoring. Buiten het gevoelige seizoen van zeehonden (het zoog- en verharingsseizoen; voor de gewone zeehond ongeveer mei-september en de grijze zeehond ongeveer november-maart), zijn deze dieren minder gevoelig voor verstoring. Voor de Hinderplaat geldt dat slechts de uiterste delen van de verstoring overlappen. Geluid dooft altijd uit vanaf de bron en daarmee is de verstoring dus aanzienlijk minder dan wanneer de werkzaamheden op of direct naast dit punt hadden plaatsgevonden. Ook geldt dat de verstoringscontour voor de verbinding op zee bepaald is op basis van het geluidsniveau van baggerschepen. Deze schepen kunnen niet doorvaren tot aan het aanlandingspunt waardoor de activiteiten op dat punt uitgevoerd zullen worden door kleinere (en dus stillere ) schepen met een kleinere verstoringsafstand.
De kans dat zeehonden op dat deel van de Hinderplaat ernstige verstoring zullen ondervinden is daarmee minimaal. Het hoogspanningstracé doorkruist Natura 2000-gebied de Voordelta. Continu onderwatergeluid kan optreden tijdens de werkzaamheden en reikt tot maximaal 5 km. Het geluid verplaatst zich met de schepen mee en zal dus niet in het hele areaal gelijktijdig optreden. Er zal zowel door continu als impuls-onderwatergeluid geen ononderbroken geluidsbarrière aanwezig zijn die migratie van zeezoogdieren of trekvissen kan blokkeren. Tijdelijke verstoring van zeehonden of trekvissen in dit gebied zal daarom niet leiden tot effecten op instandhoudingsdoelen. Effecten van vertroebeling en sedimentatie afkomstig van het hoogspanningstracé treden op in de Voordelta. Op zowel bodem gebonden vissen als trekvissen zijn de effecten van vertroebeling verwaarloosbaar klein. Het effecten van vertroebeling voor kustgebonden, zichtjagende broedvogels zijn tijdelijk van aard en er is voldoende areaal over om te foerageren. Negatieve effecten van sedimentatie vallen grotendeels weg tegen die van habitataantasting en zullen niet merkbaar zijn op systeemniveau en in de voedselketen. Gezien de ecologische lage waarde en het zeer kleine beïnvloede areaal zijn ecologische effecten door sedimentatie uitgesloten.
Bruinvissen van de Voordelta en trekvissen die elektromagnetische velden kunnen waarnemen in het ondiepere gebied nabij de kust ondervinden geen barrière. Alleen tot minder dan een meter boven de hoogspanningsverbinding zou er een mogelijk een effect in de vorm van barrièrewerking kunnen optreden. Hoogspanningstracé op land Van het hoogspanningstracé op de Maasvlakte ligt alleen het deel dat parallel loopt aan de Slikken van Voorne, net binnen de begrenzing van het natura 2000-gebied Voordelta. Het gaat hierbij om een oppervlakte van in totaal circa 1.500 m² (een strook van 240 meter bij 6 meter). Verder kan sprake zijn van een effect op Natura 2000 door externe werking van verstoring en/of eutrofiëring. Verstoring door geluid, licht en visuele effecten is alleen van toepassing op habitatrichtlijnsoorten en (niet-)broedvogelsoorten, negatieve effecten op habitattypen treden niet op. De drie verstoringsfactoren treden vaak gelijktijdig op, Pagina 57 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
waardoor de individuele effecten niet goed te onderscheiden zijn. De drie verstoringsfactoren worden daarom gezamenlijk beoordeeld, waarbij uitgegaan wordt van de maximale verstoringsafstand, namelijk geluid. De verstoringscontouren hebben over een smalle strook overlap met de Slikken van Voorne in Natura 2000-gebied Voordelta en een kleine hoek van het Natura 2000gebied Voornes Duin. De Slikken van Voorne zijn aangewezen rustgebieden voor steltlopers en eenden. Dit deel is potentieel foerageer- en rustgebied voor met name steltlopers en eenden. Het oppervlak dat verstoord wordt betreft een klein deel van het beschikbare foerageer- en rustgebied in het Natura 2000-gebied. Omdat de werkzaamheden uitgevoerd worden achter een verhoging tussen de slikken en de Noorzeeboulevard, vormt deze verhoging en begroeiing een barrière tegen het zicht op licht en bewegingen. Het effect van de werkzaamheden is tijdelijk en beperkt zich tot de noordelijke rand van de slikken, waardoor de verstoring minder groot is dan de veronderstelde verstoringscontouren van 300 meter. De hoogste zone overstroomt bij hoog water tevens het minst vaak en maar kort, waardoor het bodemleven daar beperkter is dan in de lagere, frequenter geïnundeerde slikken. Ook de bestaande verstoring van de dijk en de windturbines draagt bij aan de lagere bestaande waarde.
De daadwerkelijke, effectieve waarde van het gebied binnen de verstoorde zone is naar verwachting lager dan gemiddeld als foerageer en rustgebied voor niet-broedvogels. Tevens blijft binnen het Natura 2000-gebied oppervlak onverstoord areaal beschikbaar. Enkele van de aangewezen nietbroedvogels heeft echter een ongunstige staat van instandhouding en/of kent een negatieve trend (o.a. smient, scholekster, tureluur) waardoor elke verstoring een negatieve invloed kan hebben op deze staat van instandhouding. Het Voornes Duin heeft instandhoudingsdoelen voor vier broedvogels, alle vier (min of meer) koloniebroeders in de duinvennen. Deze broedlocaties bevinden zich buiten het verstoorde gebied, waardoor effecten op broedvogels niet optreden. Bij de aanleg van de hoogspanningsverbinding zijn negatieve effecten als gevolg van verstoring van diverse niet-broedvogelsoorten van het Natura 2000-gebied Voordelta niet uitgesloten, met name op de soorten die een ongunstige staat van instandhouding of negatieve trend hebben. Het gaat daarbij met name om individuen die foerageren of rusten op de hogere slikken en oevers. De werkstrook van de hoogspanningsverbinding heeft gedeeltelijk overlap met het Natura 2000-gebied, waardoor mechanische effecten hier aan de orde zijn. Het betreft echter een smalle strook parallel aan de Noordzeeboulevard waar geen kwalificerend habitattype aanwezig is.
Deze strook bestaat uit de wegberm met open zand, helmgras en mossen. Het heeft daarmee op termijn ook geen potentie voor een van de aangewezen habitattypen. Leefgebied voor vogels met een instandhoudingsdoelstelling is hier niet aanwezig. Deze zijn met name aanwezig op de nabijgelegen Slikken van Voorne (Rijkswaterstaat, 2016) (Arts, et al., 2019). Habitattypen en leefgebieden op en langs het tracé zijn niet gevoelig voor verdroging. Het betreft alleen habitattypen van de Noordzee die, indien bemaling nodig is, door de omvang niet beïnvloed worden door de bemaling. Negatieve effecten van verdroging zijn uitgesloten. Tijdens de aanlegfase vindt uitstoot van stikstof plaats. Er worden geen ecologische effecten verwacht. Momenteel wordt de passende beoordeling opgesteld, samen met een stikstofdepositieberekening. Deze worden toegevoegd bij het ontwerp inpassingsplan, waarbij ook eventueel benodigde mitigerende of compenserende Pagina 58 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
maatregelen -voor zover nodig- in het inpassingsplan geborgd worden. Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is nodig en zal in de rijkscoördinatieprocedure gelijktijdig met het inpassingsplan worden meegenomen. Converterstation De locatie voor het converterstation ligt buiten de begrenzing van Natura 2000gebieden. Directe negatieve effecten zijn daardoor op voorhand uitgesloten. Het Natura 2000-gebied Voordelta ligt op minimaal 2.500 meter afstand van de bouwlocatie. Door de ligging op het industrieterrein en achter de zeekering zijn verstorende effecten op Natura 2000-waarden niet aan de orde (geluid, licht en optische verstoring, verdroging), waardoor dit aspect niet relevant is. Ook is geen sprake van verdroging of andere vormen van raakvlak met Natura 2000-gebieden (zie ook paragraaf 5.6.2). De enige factor die relevant is, zijn de gevolgen van stikstofdepositie. Dit geldt niet alleen voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, maar ook voor gebieden op grotere afstand. Voor de locatie van het converterstation is geen aparte berekening uitgevoerd, de realisatie is gecombineerd berekend met de aanleg van de hoogspanningsverbinding op zee en land (zie hiervoor bij hoogspanningstracé op land). 5.2.3
Conclusie en planologische regeling Het onderzoek naar natuur wordt nog nader uitgewerkt en toegevoegd bij het ontwerp inpassingsplan. Dit betreft een passende beoordeling en beoordeling van de ecologische effecten. Naar verwachting is voor het gedeelte op land geen Wnb vergunning nodig en kan het inpassingsplan in overeenstemming met de vereisten van de natuurwetgeving worden uitgevoerd. Het inpassingsplan is derhalve op dit aspect uitvoerbaar binnen de wettelijke kaders.
5.3
Soortenbescherming
5.3.1
Toetsingskader De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); • andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Belangrijke voorwaarde is dat er geen andere bevredigende oplossing voor het project mag zijn. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per soortencategorie verschillende aanvullende voorwaarden. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het toenmalige ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Pagina 59 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
De provincie is in principe het bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid - zoals het onderhavige project - blijft het Rijk bevoegd gezag. 5.3.2
Effecten In het MER en de Soortenbeschermingstoets zijn de effecten van het project – voor zover in dit inpassingsplan opgenomen - op beschermde soorten onderzocht. In het navolgende wordt per onderdeel van het project ingegaan op de effecten die optreden. Hoogspanningstracé op zee Verstoring van zogende zeehonden (bij de Hinderplaat) en groepen gevoelige vogels door bovenwatergeluid tijdens de aanlegfase van de hoogspanningsverbinding kan niet worden uitgesloten. Verstoring van zogende zeehonden kan leiden tot de dood van jongen, wat een mogelijk effect heeft op de staat van instandhouding. In het open water van de Voordelta resulteren de werkzaamheden voor minder gevoelige vogels in tijdelijke verstoring van circa 1,5% van het beschikbare areaal. Voor soorten die gevoeliger zijn voor verstoring, zoals de roodkeelduiker en zwarte zeeeend (met verstoringscontouren van respectievelijk 1.500 en 1.600 meter) resulteren werkzaamheden in een tijdelijke verstoring van circa 5% van het totale areaal aan open water. Zowel minder gevoelige als gevoelige vogelsoorten hebben zodoende dus voldoende uitwijkmogelijkheden bij eventuele verstoring. Dit leidt ertoe dat er geen sprake is van een effect op populatieniveau. Het onderwatergeluid is tijdelijk van aard en verplaatst zich met de schepen, er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden.
Permanente impact op trekvissen, zeezoogdieren en Rode Lijst soorten die buiten de bestaande bescherming regimes vallen zoals haaien, roggen en overige vissoorten is daarmee uitgesloten. Bij tijdelijke troebelheid kan er sprake zijn van een tijdelijke vermindering van de dichtheid van bepaalde zichtjagende vissoorten. Voor deze soorten zal echter ruim voldoende onverstoord areaal beschikbaar zal zijn. Doordat de tijdelijke slibwolk aan de wateroppervlakte niet reikt tot het kustgebied kunnen effecten van vertroebeling op primaire productie en op zichtjagende nestgebonden broedvogels in de kustzone worden uitgesloten. Broedende sternsoorten met kleine actieradius (<20 km), zoals de visdief en dwergstern zullen geen effect ondervinden van de grotere slibwolken uit de kust. Alleen de grote stern en de noordse stern hebben een actieradius die overlapt met deze slibwolken. Bij de aanlanding van de hoogspanningsverbinding op de Tweede Maasvlakte vindt op een gebied van 46 hectare vertroebeling van boven de 2 mg/l plaats. Dit valt binnen de actieradius van de visdief en dwergstern. Echter, alle sternsoorten hebben voldoende uitwijkmogelijkheden en alternatief foerageergebied beschikbaar om geen verstoring te kunnen ondervinden van de tijdelijke slibwolken die door de werkzaamheden vormen.
Er is geen negatief effect van vertroebeling op het vangsucces van sternsoorten Beschermde walvissen, dolfijnen, trekvissen en Rode lijst soorten zoals haaien, roggen en overige vissoorten ondervinden in het ondiepere gebied nabij de kust geen barrièrewerking of andere effecten ten gevolge van het magnetische veld.
Pagina 60 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
Hoogspanningstracé op land Het hoogspanningstracé en het converterstation liggen voornamelijk op braakliggend terrein met vegetaties van pionieromstandigheden. Dergelijke pioniervegetaties met open zand zijn geschikt voor verschillende beschermde flora en fauna. Zo zijn hier glad biggenkruid, rugstreeppad, zandhagedis en diverse algemene tot schaarse broedvogels bekend, waaronder diverse meeuwensoorten (Verspreidingsatlas.nl, 2020) (NDFF, 2020). Het werkterrein ten behoeve van de aanleg is onderdeel van het leefgebied van deze soorten. Hierdoor kan bij werkzaamheden schade ontstaan aan dit leefgebied of individuen. De meeuwenkolonie valt niet in de categorie van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn. In het havengebied is echter wel een faunabeheerplan meeuwen opgesteld, waarin delen van de Maasvlakte gereserveerd zijn voor verschillende meeuwensoorten om te kunnen broeden, om zo te zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van deze soorten niet in geding komt (Lensink, 2015). Omdat een steeds groter deel van de Europoort, Maasvlakte I, en Maasvlakte II in gebruik is door bedrijven en daarmee de oppervlakte die door meeuwen benut kan worden als broedplaats afneemt, is beleid voor het broeden van meeuwen in het havengebied ontwikkeld (Heinis & Baptist 2012).
Dit gaat ervan uit dat ongeveer 170 hectare geschikt broedgebied benodigd is om een aantal van 25.000 tot 30.000 paar kleine mantelmeeuwen te kunnen herbergen (Heinis & Baptist 2014, Jaspers et al. 2009). In totaal streeft het havenbedrijf naar een beschikbare ingerichte kolonieruimte van 180 hectare. Op dit moment is nog sprake van een bepaalde mate van overcapaciteit ten opzichte van het doel. Het werkterrein van het hoogspanningstracé valt buiten de aangewezen locaties, waarmee de afname van dit oppervlak zowel de bestaande omvang als de gestelde doelen niet beïnvloedt. Omdat na het uitvoeren van de werkzaamheden het gebied weer beschikbaar is voor de soorten, zijn de effecten die optreden tijdelijk van aard. Converterstation De werkzaamheden leiden mogelijk tot verstoring en vernietiging van leefgebied van algemeen in Nederland voorkomende soorten en de zwaarder beschermde soorten glad biggenkruid en rugstreeppad. Voor de algemeen voorkomende soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling op de ontheffingsplicht. Dit geldt niet voor glad biggenkruid, rugstreeppad en vogels (ook nestplaatsen van algemene vogelsoorten zijn in het broedseizoen beschermd). Omdat voor verstoring of vernieling van nesten geen ontheffing verleend wordt, dient dit te allen tijde voorkomen te worden.
Dit betekent dat gewerkt moet worden buiten het broedseizoen of dat gezorgd wordt dat geschikt broedgebied voorafgaande aan het broedseizoen niet (meer) aanwezig is. Voor rugstreeppad geldt dat gezorgd moet worden dat geen exemplaren meer op het terrein aanwezig zijn en dat exemplaren het werkterrein ook niet meer kunnen bereiken gedurende de verstorende activiteiten. Voor glad biggenkruid geldt dat exemplaren verplaatst dienen te worden naar aan alternatieve groeiplaats. Maatregelen zijn noodzakelijk om verstoring of doden te voorkomen. Na afloop is het areaal beschikbaar leefgebied van de meeste soorten niet significant kleiner geworden (kwamen hier al niet voor). 5.3.3
Conclusie en planologische regeling Het onderzoek naar natuur wordt nog nader uitgewerkt en toegevoegd bij het ontwerp inpassingsplan. Naar verwachting is het noodzakelijk om voor enkele soorten ontheffing aan te vragen. Het betreft op de Noordzee bruinvis en op land de rugstreeppad, zandhagedis en glas biggekruid. Deze ontheffingen worden Pagina 61 van 90
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Beta |
verleenbaar geacht. Daarmee kan het inpassingsplan in overeenstemming met de vereisten van de natuurwetgeving worden uitgevoerd. De aanleg en instandhouding van het project is daarmee uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Het inpassingsplan is derhalve op dit aspect uitvoerbaar binnen de wettelijke kaders. 5.4
Natuurnetwerk Nederland
5.4.1
Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). In de Wnb vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.