CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Zonnepark Tinte Ruimteljke Onderbouwing

Gemeenteraad 6 juli 2022, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Zonnepark Konneweg Tinte30.719 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Niet gevonden in dit document.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING PROJECT

Zonnepark Tinte

STATUS

Definitief 2.0

PROJECTNUMMER

18206

DATUM

23 mei 2022

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 085 – 744 08 37

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 2

VOORWOORD In de periode tussen 2018 en 2022 heeft initiatiefnemer SolarEnergyWorks B.V. een intensief traject doorlopen in samenwerking met onder andere de gemeente Westvoorne, de provincie ZuidHolland en de inwoners van Westvoorne en buurgemeente Brielle. Doel van het traject is geweest te komen tot een gedragen plan voor de realisatie van een zonnepark in glastuinbouwgebied Tinte, meer specifiek langs de Konneweg. Recent hebben nog enkele bijeenkomsten plaatsgevonden, waaronder een overleg met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond op 17 maart jl., een bewonersparticipatiebijeenkomst op 7 april jl. en projectoverleg met het Waterschap Hollandse Delta. Daarbij zijn diverse afspraken gemaakt en mogelijkheden onderzocht die leiden tot verdere planoptimalisatie met het oog op onder meer de landschappelijke inpassing en veiligheid. De komende periode zal worden benut om de diverse afspraken op de juiste wijze te laten landen in het landschappelijk inpassingsplan, de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘planologisch strijdig gebruik’ en ‘bouwen’ en de onderliggende stukken. Ten behoeve van de voortgang van het project wordt voorliggende ruimtelijke onderbouwing reeds in deze fase aangeboden, zodat het bevoegd gezag en de diverse overlegpartners in de gelegenheid kunnen worden gesteld de plannen tot zover te beoordelen.

De uitwerkingsslag op het landschappelijk inpassingsplan heeft weliswaar invloed op enkele (sectorale) beoordelingen zoals opgenomen in voorliggende ruimtelijke onderbouwing, doch in beperkte mate en zonder negatieve effecten voor de omgeving, het milieu of andere relevante elementen. Aan de lezers van voorliggend document wordt meegegeven dat de volgende onderdelen nog aan nadere uitwerking/ actualisatie onderhevig zijn: -

Landschappelijk inpassingsplan: o de voorwaarden van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond t.a.v. bereikbaarheid worden verwerkt; o het gedetailleerde beplantingsplan en beheer- en onderhoudsplan wordt voorafgaand aan het realiseren van de landschappelijke inpassing in nader overleg met omwonenden uitgewerkt.

-

Waterparagraaf o In overleg met het Waterschap Hollandse Delta worden de (on)mogelijkheden ten aanzien van een aantal beoogde ingrepen onderzocht. Het gaat om:  Het plaatsen objecten/ beplanting binnen de beschermingszone van de watergang langs de Konneweg  Het wegnemen van een dam met duiker langs de Konneweg  De mate van invloed op de waterhuishouding als gevolg van toegenomen (half)verharding binnen het projectgebied. Uit de beoordeling zal blijken in hoeverre het plan op onderdelen aangepast dient te worden dan wel kan worden volstaan het met verzorgen van een aanvraag om watervergunning. In alle gevallen wordt ervoor gezorgd dat de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse geen negatieve effecten ondervindt van de ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 3

-

Sectorale onderzoeken o Een verkennend archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd door Vestigia. De resultaten hiervan worden zodra bekend, verwerkt in paragraaf 5.2. Voor zover het verkennend onderzoek aanleiding geeft tot het doen van nader onderzoek, wordt een dergelijk onderzoek voorafgaand aan de bouwfase uitgevoerd. Een voorwaarde hiertoe kan zo nodig worden opgenomen in de omgevingsvergunning. o De quickscan ecologie van Van der Goes & Groot wordt geactualiseerd. Zodra de resultaten hiervan bekend zijn, wordt ook paragraaf 5.9 met betrekking tot ecologie geactualiseerd. Omdat de biotoopkenmerken van de locatie ongewijzigd zijn ten opzichte van het onderzoek uit 2018, is de verwachting dat ook de conclusies van het onderzoek ongewijzigd blijven.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 4

Inhoudsopgave

pagina

1

Inleiding ...................................................................................................................................5

2

Projectplan ..............................................................................................................................6 2.1 Projectlocatie................................................................................................................... 6 2.2 Projectplan ...................................................................................................................... 6 2.2.1 Cijfermatige beschrijving .............................................................................................. 6 2.2.2 Basiselementen zonnepark .......................................................................................... 7 2.2.3 Landschappelijke inpassing ......................................................................................... 7 2.2.4 Instandhoudingstermijn .............................................................................................. 11

3

Vigerend planologisch regime ............................................................................................... 13

4

Ruimtelijk beleid .................................................................................................................... 17 4.1 Rijksbeleid ..................................................................................................................... 17 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie ...................................................................................... 17 4.1.2 Nationaal Klimaatakkoord ....................................................................................... 18 4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) ............................................................................ 19 4.1.4 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .......................................................... 20 4.2 Provinciaal beleid........................................................................................................... 20 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland ................................................................................. 20 Bevorderen energietransitie ................................................................................ 21 Uitgangspunten fysieke leefomgeving ................................................................. 24 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland .....................................................................

28 3.2.1 Energieagenda 2016-2020-2050 ‘Watt Anders’...................................................... 29 4.3 Gemeentelijk beleid ....................................................................................................... 31

5

Omgevingsaspecten ............................................................................................................. 35 5.1 Verkeer en parkeren ...................................................................................................... 35 5.2 Archeologie ................................................................................................................... 36 5.3 Cultuurhistorie ............................................................................................................... 37 5.4 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................... 38 5.5 (Externe) veiligheid ........................................................................................................ 39 5.6 Kabels en leidingen........................................................................................................ 40 5.7 Geluid............................................................................................................................ 42 5.8 Luchtkwaliteit ................................................................................................................ 43 5.9 Ecologie ........................................................................................................................

43 5.10 Waterhuishoudkundige situatie .................................................................................. 47 5.11 Bodem (milieukundig) ................................................................................................ 51 5.12 Mer-beoordeling ........................................................................................................ 51

6

Uitvoerbaarheid .................................................................................................................... 53 6.1 Economische uitvoerbaarheid........................................................................................ 53 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................. 53 6.2.1 Maatschappelijke randvoorwaarden en uitgangspunten voor participatie ............... 53 6.2.2 Planologische procedure ............................................................................................. 55

7

Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid ............................................................... 57

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 3

Bijlagen Inpassingsplan, Feddes en Olthof, mei 2022 Quickscan Wet natuurbescherming, Van der Goes & Groot, d.d. 7 september 2018 Uitdraai digitale watertoets, gegenereerd d.d. 31 augustus 2018 Programma van Eisen verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek archeologie, BOOR, d.d.11 maart 2019 Voorlopige verklaring van geen Bezwaar, TenneT, d.d. 16 juli 2018 Haalbaarheidsanalyse glastuinbouw locatie Konneweg te Tinte, WLTM Coöperatie U.A., d.d. 21 december 2018 Analyse tuinbouw Konneweg Tinte, Vijverberg Advies & Begeleiding, d.d. 30 januari 2020 Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, 24 maart 2022

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 4

1

Inleiding

In opdracht van Zonnepark Tinte heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld ten behoeve van de beoogde ontwikkeling van een zonnepanelenpark binnen de gemeente Westvoorne. De projectlocatie ligt langs de Konneweg en de Kerkhoekweg te Tinte. Het beoogde zonnepark bedraagt netto ca. 10,5 ha, waarop een geïnstalleerd vermogen van 12 MWp kan worden geïnstalleerd. Het zonnepanelenpark wordt aangelegd voor de duur van maximaal 25 jaar en is daarmee tijdelijk van aard. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een planologische procedure noodzakelijk. Dit omdat de aanleg van een zonnepanelenpark op basis van het vigerende bestemmingsplan ter plaatse niet mogelijk is. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘afwijken bestemmingsplan’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is een Goede Ruimtelijke Onderbouwing waarin het project ruimtelijk en milieutechnisch gemotiveerd wordt. Voorliggende rapportage bevat deze ruimtelijke onderbouwing.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 5

2

Projectplan

2.1

Projectlocatie

De projectlocatie is gelegen in Tinte. Tinte is een kern binnen de gemeente Westvoorne en is globaal gelegen tussen de kern Oostvoorne en gemeente Brielle. Meer specifiek ligt de locatie langs de Konneweg (west) en de Kerkhoekweg (noord) te Tinte. De locatie is gelegen in glastuinbouwgebied en wordt dan ook hoofdzakelijk omsloten door glastuinbouwbedrijven. De oostzijde van het projectgebied wordt begrensd door een buisleidingenstrook (gas, olie en water) en daarnaast wordt het projectgebied doorkruist door een hoogspanningsverbinding van TenneT. De contouren van de projectlocatie en de ligging ervan binnen Westvoorne zijn geduid op figuur 2.1. figuur 2.1 Aanduiding projectlocatie

2.2

Projectplan

2.2.1 Cijfermatige beschrijving Het doel is een zonnepanelenpark aan te met een bruto omvang van circa 13,3 ha, waarbinnen een netto zonneveld kan worden gerealiseerd van ca 10,5 ha. De overige ruimte wordt benut voor de landschappelijke inpassing. Het geïnstalleerd vermogen bedraagt ca. 12 MWp. Een park van dergelijke omvang levert een productie van duurzame energie op van 11,4 GWh per jaar. De hiermee op te wekken duurzame stroom kan worden vergeleken met het energieverbruik van ca. 3.260 huishoudens. Dit leidt tot een CO2-reductie van ca. 4.819 ton per jaar.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 6

2.2.2

Basiselementen zonnepark

Bouwwerken Naast tafels waarop de zonnepanelen worden gemonteerd, bestaat een zonnepark uit trafostations/ omvormers. Met het oog op de publieke veiligheid en op last van de verzekering dient het zonnepark te worden afgesloten met een hekwerk. De positionering en uitstraling van genoemde bouwwerken vormt onderdeel van de landschappelijke inpassing en wordt hieronder nader besproken. Bereikbaarheid en veiligheid Op 17 maart 2022 heeft een overleg plaatsgevonden met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Naar aanleiding van het overleg hebben zij schriftelijk advies uitgebracht. Het advies van 24 maart 2022 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De gemeente Westvoorne volgt het advies van de Veiligheidsregio. De belangrijkste onderwerpen worden hieronder toegelicht. Een gedetailleerde (technische) uitwerking ervan landt in het technisch ontwerp, dat wordt opgesteld in aanloop naar de realisatiefase (na verlening omgevingsvergunning). Het is belangrijk dat de hulpdiensten op een veilige en adequate manier een incident moeten kunnen bestrijden. Hiervoor zijn een aantal zaken van belang, namelijk bluswater en bereikbaarheid. Bereikbaarheid is niet alleen te voet maar ook met voertuig en/of ander materieel van belang. Ook bij een zonnepark kan het zo zijn dat er mensen aan het werk zijn en betrokken raken bij een incident.

Als hulpdiensten moet de brandweer snel en veilig kunnen werken. Daarbij is ook bluswater noodzakelijk. - Bereikbaarheid: Om er zeker van te zijn dat de brandweer het park op veilige wijze kan benaderen, is van belang dat twee tegengestelde toegangen van elkaar worden gerealiseerd, dit zodat het park altijd bovenwinds kan worden benaderd. Het landschappelijk inpassingsplan houdt hier rekening mee en de definitieve technische uitwerking betreft onder andere een verdere concretisering daarvan. - Bluswater: Bij brand is bluswater essentieel, om mensen te redden, schade te beperken en omgeving te beschermen. Daarom is het belangrijk dat er bluswater op het zonnepark aanwezig is. Dit kan worden uitgevoerd op diverse manieren, waarbij in de regel de voorkeur wordt gegeven aan gebruik van in de nabijheid gelegen oppervlaktewater. Omdat het oppervlaktewater in dit geval onvoldoende capaciteit biedt, dient bluswatervoorziening op andere wijze te worden verzorgd. In dit geval wordt gekozen voor het realiseren van bluswater door grondwateronttrekking. 2.2.3 Landschappelijke inpassing Bij het ontwikkelen van een zonnepark dient zorg te worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing. Van belang daarbij is het provinciaal beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en de onderliggende gebiedsprofielen.

Het ontwerp van de landschappelijke inpassing voor onderhavig zonnepark is verzorgd door landschapsarchitecten Feddes/ Olthof. Voor de behandeling van het provinciale beleid wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van voorliggende rapportage. De daaruit voortvloeiende randvoorwaarden zijn meegenomen in het voorstel tot landschappelijke inpassing, dat hieronder nader wordt omschreven. Het voorstel tot landschappelijke inpassing is onder meer onderwerp van gesprek geweest voor de omgevingsdialoog met omwonenden en stakeholders in het gebied, alsook bij de behandeling ervan in de gemeenteraad. Waar mogelijk zijn daarna enkele onderdelen verwerkt in de geactualiseerde versie van het landschappelijk inpassingsplan, bijvoorbeeld voor wat betreft de positionering van de omvormers. Bijlage 1 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing bevat de huidige versie van mei 2022. Enkele andere aspecten zijn nog onderwerp van gesprek en leiden mogelijk nog tot enkele aanpassingen in het plan. Met name de relatie tussen de afspraken met de omgeving en de

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 7

waterhuishoudkundige aspecten vraagt daarbij nog aandacht. De uitwerking vindt plaats op detailniveau, wat betekent dat het plan in de basis (begrenzing, omvang, basisplan landschappelijke inpassing) ongewijzigd blijft. Hieronder wordt ingegaan op de voorgestelde landschappelijke inpassing. figuur 2.2 Conceptontwerp zonnepark (bron: Feddes | Olthof landschapsarchitecten, mei 2022)

Ontwerp zonnepark Invulling zonnepark en positionering binnen landschap Het zonnepark beslaat circa 10,5 hectare binnen het circa 13,3 hectare grote plangebied en heeft een strakke en zakelijke uitstraling dat goed past bij de vormentaal van de omliggende percelen met glastuinbouw. Binnen het zonnepark liggen rechte velden met panelen, de toegangsroute met transformatoren, de bestaande hoogspanningsmast met benodigde vrije ruimte en een vrije zone van 4 meter breed tussen de velden van panelen en het hek dat het gehele zonnepark omsluit. De opstelling van panelen is een geroteerde zuid-opstelling. Voor een goede landschappelijke inpassing houdt de contour van het zonnepark rekening met een vrije ruimte rond het bestaande erf en enige afstand tot de watergang aan de noordzijde van het plangebied (ca. 10 tot 15 meter). Vanwege rotatie van het projectgebied ten opzichte van het noorden, die wordt versterkt door de hoogspanningskabels en buisleidingenstrook, is zowel een zuid- als oost-west opstelling goed inpasbaar. Voor dit plan is het uitgangspunt een geroteerde zuidopstelling, waar het plangebied zich door de rechthoekige vorm zich goed voor leent. Om recht te doen aan de strakke uitstraling van omliggende percelen met glastuinbouw, wordt ervoor gekozen de panelen zodanig uit te lijnen dat de buitenranden van het zonnepark recht zijn en rafelranden worden voorkomen.

Uitgegaan wordt van rijen met 4 panelen boven elkaar geplaatst, met een maximale hoogte van 2 meter.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 8

Landschappelijke inpassing randen zonnepark Tussen de contour van het zonnepark en de Konneweg kan een wigvormige strook worden ingezet voor de landschappelijke inpassing. De breedte van deze strook tussen de weg en het zonnepark verloopt van circa 8m aan de noordzijde tot circa 25 meter aan de zuidzijde. Voorgesteld wordt om hier langs het zonneveld een landschappelijke haag te planten met gebiedsspecifieke soorten, waardoor het zicht richting de panelen grotendeels door groen wordt bepaald. . Restruimtes binnen het zonnepark worden ingezaaid met een bloem- en kruidenrijk zadenmengsel. Daarnaast worden in overleg met het Waterschap Hollandse Delta de mogelijkheden onderzocht de bestaande sloot te verbreden en een natuurlijke rietoever aan te leggen, zodat ook de ecologische waarde van het gebied kan worden vergroot. Figuur 2.3 Visualisatie terreininrichting met panelen vanaf de Konneweg aan de zuidwestzijde van het plangebied

Ook aan de noordzijde wordt een strook langs de watergang vrijgehouden en ingericht met een natuurvriendelijke oever en een landschappelijke haag. De gehanteerde groentoepassingen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing, waarbij het zicht op de panelen vanaf de openbare weg zo goed als weggenomen wordt. De visuele impact van het park is daarmee beperkt, hetgeen ook een belangrijke wens is geweest van omwonenden. Figuur 2.4 Visualisatie aanzicht vanaf de Konneweg met de (voormalige) Kerkhoekweg

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 9

De strook met kabels en leidingen en de rand langs de watergang in het noorden kunnen ook met dit mengsel worden ingezaaid (buiten contour zonnepark, binnen perceelsgrenzen), waardoor de ecologische en landschappelijke kwaliteit van het gebied wordt vergroot. Figuren 2.5a en 2.5b tonen (de locatie van) een dwarsdoorsnede van het profiel aan de noord-, oost en westzijde van het park. Voor een gedetailleerd beeld wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing. figuur 2.5a: Aanduiding locatie principeprofiel figuur 4.4b figuur 2.5b: dwarsdoorsnedes principeprofiel, inpassing randen

Advies beplanting en ecologische inpassing Om tot een concretere uitwerking van de beplanting te komen is contact gezocht met de KNNV Natuurvereniging Hollandse Delta. Hun houding ten opzichte van dit specifieke zonnepark is positief. In het door kassen gedomineerde gebied kan deze ontwikkeling, gepaard met de voorgestelde ecologische inpassing een positieve bijdrage leveren aan de ecologische kwaliteit van het gebied. Om deze reden heeft de KNNV Natuurvereniging Hollandse Delta een advies uitgebracht om het plan zo goed mogelijk te laten aansluiten op in de regio oorspronkelijk aanwezige vegetatie. Voor het volledige advies wordt verwezen naar bijgevoegd inpassingsplan. Het advies is zeer waardevol en wordt bij de verdere uitwerking van het beplantingsplan ter harte genomen. Voor de nadere uitwerking is daarnaast ook het overleg met omwonenden van belang. Met hen is afgesproken dat zij bij de nadere uitwerking tot een gedetailleerd beplantingsplan worden betrokken. Dit vindt plaats voorafgaand aan het realiseren van de landschappelijke inpassing. Als onderdeel van of aanvulling op het beplantingsplan, wordt daarnaast een beheer- en onderhoudsplan opgesteld waarbij wordt gestreefd naar beheer door een lokale partij. Hekwerk Rond het zonnepark wordt een staalmathekwerk voorgesteld.

De entree tot het zonnepark is gesitueerd aan de zuidzijde van het plangebied aan de Konneweg, hier zal het hekwerk worden voorzien van een poort. Het hekwerk en de poort zal rondom in dezelfde kleur zijn (zwart, RAL 9005), en ook de vormgeving (hoogte, vorm palen) wordt op elkaar afgestemd. Het hek en de poorten zijn maximaal 2,00 meter hoog. Daarnaast wordt het hekwerk geplaatst aan de binnenzijde van het

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 10

projectgebied. Het hekwerk wordt daarmee grotendeels aan het zicht onttrokken door de aanleg van de landschappelijke inpassing aan de buitenzijde daarvan. Staalmathekwerk Het hekwerk bestaat uit gegalvaniseerd stalen palen met gittermatten. De matten zijn opgebouwd uit horizontale en verticale stalen draden. De maasweidte is 5 cm breed bij 20 cm hoog. De overklimbeveiliging wordt gevormd door de aan de bovenzijde doorstekende verticale staaldraden. De staanders kunnen rond of rechthoekig zijn. Poort entree De poort voor de entree bestaat uit een draaipoort met daarin een ingelaste staafmat, zodat poort en hekwerk bij elkaar passen. Als overklimbeveiliging wordt de poort voorzien van een stalen puntenkam. Figuur 2.6: Voorbeeld voorgesteld hekwerk en poort

2.2.4

Instandhoudingstermijn

Een zonnepark wordt in de regel opgericht voor de duur van maximaal 25 jaar. Na de instandhoudingstermijn wordt het gebied teruggegeven aan het landschap. De maximale instandhoudingstermijn volgt uit provinciale regelgeving en kan worden geborgd door afgifte van een omgevingsvergunning voor bepaalde tijd. Voor voorliggend zonnepark zijn nadere afspraken gemaakt met/ randvoorwaarden meegegeven door de provincie Zuid-Holland. Van belang daarbij is dat het zonnepark wordt opgericht binnen belangrijk glastuinbouwgebied. Voorwaarde voor de oprichting van een zonnepark binnen glastuinbouwgebied, is dat de ontwikkeling geen verdringend effect heeft op de glastuinbouwactiviteiten ter plaatse. Gelet op de voorwaarde vanuit de provincie is door WLTM Coöperatie U.A. de haalbaarheid van de ontwikkeling van glastuinbouw ter plaatse in kaart gebracht. In de haalbaarheidsanalyse wordt geconcludeerd dat de projectlocatie niet bijzonder geschikt of interessant is voor het benutten als glastuinbouwlocatie. De haalbaarheidsanalyse, provinciale regelgeving en gemeentelijk beleid ten aanzien van (het voorkomen van verdringen van) glastuinbouw is nader beschreven in paragraaf 3.2 en 3.3 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Van belang om in onderhavige paragraaf te vermelden is de aanvullende afspraak die is gemaakt om het voorgaande te waarborgen.

Die afspraak is gelegen in de maximale instandhoudingstermijn, waarbij het volgende is overeengekomen:

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 11

-

De omgevingsvergunning ‘afwijken bestemmingsplan’ wordt verleend voor de duur van 25 jaar na ingebruikname van het zonnepark (start exploitatie) onder de volgende voorwaarde: -

De omgevingsvergunning ‘afwijken bestemmingsplan’ bevat de basistermijn van 16 jaar met automatische verlenging van 9 jaar tot de duur van in totaal 25 jaar, indien en voor zover zich na de exploitatietermijn van 16 jaar geen nieuwe koper voor de gronden binnen het projectgebied heeft aangediend. De beoogde nieuwe koper dient als doel te hebben op de gronden glastuinbouwactiviteiten te exploiteren.

Met bovenstaande voorwaarden ten aanzien van de instandhoudingstermijn wordt tegemoetgekomen aan de lange-termijn belangen van de provincie voor de glastuinbouwsector. Een en ander wordt verder anterieur geborgd via het privaatrechtelijke spoor.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 12

3

Vigerend planologisch regime

Op 22 januari 2020 is het Omgevingsplan “Buitengebied Westvoorne” vastgesteld. Dit omgevingsplan volgt het voorgaande bestemmingsplan “Glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte” op, en voorziet grotendeels is een voortzetting van de eerdere planologische regeling. Ter plaatse van het projectgebied is de bestemming ‘Glastuinbouwgebied – Tinte’, met de functieaanduiding ‘glastuinbouw’ en de specifieke bouwaanduiding ‘kwaliteit glas Tinte’ geldend. Daarnaast gelden geheel of gedeeltelijk de dubbelbestemmingen/aanduidingen:  ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’;  Leiding – Hoogspanningsverbinding;  Gebiedsaanduiding geluidszone – industrie;  Gebiedsaanduiding veiligheidszone – risicocontour. In aanvulling op het bovenstaande gelden een aantal gebiedsaanduidingen (overige zone) die onder meer betrekking hebben op algemene regels, begripsbepalingen, de wijze van meten, parkeren evenementen en grondgebruik (niet limitatief). Figuur 3.1 toont een uitsnede van de verbeelding behorende bij het vigerende omgevingsplan. Vervolgens wordt ingegaan op de relevante bepalingen voor deze locatie/ontwikkeling. figuur 3.1 Uitsnede verbeelding omgevingsplan “Buitengebied Westvoorne”

Artikel 70 Glastuinbouwgebied - Tinte 70.1 Toegestane activiteit Deze gronden zijn aangewezen voor het gebruik als Glastuinbouwgebied - Tinte. Dit houdt in dat er ook activiteiten toegestaan kunnen worden waar Hoofdstuk 1 Welke regels gelden bij de huidige activiteit? niet in voorziet, voor zover deze voldoen aan de Delegatiebevoegdheid Glastuinbouwgebied - Tinte. 70.2 Delegatiebevoegdheid Glastuinbouwgebied - Tinte 70.2.1 Bevoegdheid Het college van burgemeester en wethouders kan overeenkomstig artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming binnen de zone 'Glastuinbouwgebied Tinte' wijzigen door: a. de aanduiding 'Glastuinbouwbedrijf' te verwijderen of te wijzigen in de aanduiding 'Agrarisch bedrijf', 'Bedrijf' of 'Wonen';

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 13

b. c. d. e. f. g. h. i. j.

de aanduiding 'Agrarisch bedrijf' te verwijderen of te wijzigen in de aanduiding 'Glastuinbouwbedrijf', 'Bedrijf' of 'Wonen'; de aanduiding 'Sierteelt, fruitteelt en boomkwekerij' te verwijderen of te wijzigen in de aanduiding 'Glastuinbouwbedrijf' of 'Agrarisch bedrijf'; de aanduiding 'Wonen' te verwijderen; nieuwe aanduidingen 'Glastuinbouwbedrijf', 'Bedrijf', 'Kantoor' of 'Wonen in een plattelandswoning' te definiëren; de situering van aanduidingen ten behoeve van het bepaalde in sub a, b, c en e te wijzigen of binnen de zone Glastuinbouwgebied Tinte te verplaatsen; aanduidingen aan elkaar te koppelen of los te koppelen; ten behoeve van het bepaalde in sub a, b, c en e de benodigde regels en nadere voorwaarden te stellen; het toegestane aantal bedrijfswoningen ten behoeve van het bepaalde in sub a, b, c en e te bepalen, te vermeerderen of te verminderen; het ten hoogste toegestane oppervlakte aan kassen, zoals bedoeld in artikel 85 of 87, te vermeerderen en/of te verminderen.

70.2.2 Beoordelingsregels Het college van burgemeester en wethouders kan toepassing geven aan de delegatiebevoegdheid wanneer wordt voldaan aan de beleidsregel 'Kwalitatief toetsingskader voor het glastuinbouwgebied Tinte', en wanneer wordt voldaan aan de algemene regels die van toepassing zijn op een locatie. 70.2.3 Overige regels Na toepassing van de delegatiebevoegdheid zijn voor het overige de regels van het Omgevingsplan Westvoorne van toepassing. Artikel 61 Leiding – Hoogspanningsverbinding a. De gronden aangeduid als 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' mogen worden gebruikt voor bestaande bovengrondse hoogspanningsverbindingen alsmede bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een zodanig voltage dat de daarbij behorende belemmeringenstrook binnen de aanduiding Leiding - Hoogspanningsverbinding zijn gelegen. Daarbij geldt het volgende: b. voor de volgende werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk) nodig: 1. het opslaan van goederen; 2. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen; 3. de sloop van bebouwing; 4. het kappen van bomen. c. een omgevingsvergunning als bedoeld onder b is niet nodig wanneer de werken of werkzaamheden: 1. normaal onderhoud en beheer van de leiding betreffen; 2. het opslaan van goederen waarvoor door de leidingbeheerder expliciet toestemming is verleend; 3.

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan. d. een omgevingsvergunning als bedoeld onder b kan worden verleend indien: 1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht; 2. vooraf de leidingbeheerder in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling als bedoeld onder 1, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden aan de werken en werkzaamheden. Artikel 147 Waarde – Archeologie 2 147.1 Regels ten behoeve van de archeologische waarde De gronden aangeduid als Waarde - Archeologie 2 zijn mede aangewezen voor het behoud, de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. Voor dit doel zijn grondroerende werkzaamheden en het bouwen van bouwwerken met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m toegestaan. 147.2 Bouwen Op deze gronden mag, ten behoeve van andere activiteiten dan bedoeld onder 147.1, uitsluitend worden gebouwd indien:

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 14

a. b.

c.

de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; het bepaalde in dit lid onder a en b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van minder dan 200 m² of waarvoor geen bouwwerkzaamheden (waaronder begrepen het heien en slaan van damwanden) worden verricht die dieper reiken dan 40 cm beneden het maaiveld.

147.3 Werken en werkzaamheden a. Voor de volgende werken en werkzaamheden ten behoeve van andere activiteiten dan bedoeld onder 147.1, is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk) nodig: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; 3. het graven en/of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren; 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 5. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. b. een omgevingsvergunning als bedoeld onder b is niet nodig wanneer de werken of werkzaamheden: 1. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 200 m² of niet dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld; 2. normaal onderhoud en beheer van de ter plaatse toegestane activiteit betreffen; 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; 4. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 147.2 in acht is genomen; 5. worden uitgevoerd in bestaande weg- en leidingcunetten. c.

een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt verleend indien de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en: 1. gelet op dit rapport geen archeologische waarden op de betrokken locatie aanwezig zijn, of; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade voorkomen kan worden door aan de omgevingsvergunning voorschriften en/of beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige. Artikel 148 Waarde - Archeologie 3 148.1 Regels ten behoeve van de archeologische waarde De gronden aangeduid als Waarde - Archeologie 3 zijn mede aangewezen voor het behoud, de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden. Voor dit doel zijn grondroerende werkzaamheden en het bouwen van bouwwerken met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m toegestaan. 148.2 Bouwen Op deze gronden mag, ten behoeve van andere activiteiten dan bedoeld onder 148.1, uitsluitend worden gebouwd indien: a.

de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; c. het bepaalde in dit lid onder a en b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 15

1. 2.

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte van minder dan 200 m² of waarvoor geen bouwwerkzaamheden (waaronder begrepen het heien en slaan van damwanden) worden verricht die dieper reiken dan 80 cm beneden het maaiveld.

148.3 Werken en werkzaamheden a. Voor de volgende werken en werkzaamheden ten behoeve van andere activiteiten dan bedoeld onder 148.1, is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk) nodig: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; 3. het graven en/of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren; 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 5. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. b. een omgevingsvergunning als bedoeld onder b is niet nodig wanneer de werken of werkzaamheden: 1. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 200 m² of niet dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld; 2. normaal onderhoud en beheer van de ter plaatse toegestane activiteit betreffen; 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; 4. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 148.2 in acht is genomen; 5. worden uitgevoerd in bestaande weg- en leidingcunetten. c.

een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt verleend indien de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en: 1. gelet op dit rapport geen archeologische waarden op de betrokken locatie aanwezig zijn, of; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade voorkomen kan worden door aan de omgevingsvergunning voorschriften en/of beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige. Artikel 136 Geluidzone - industrie Nieuwe geluidgevoelige objecten kunnen ter plaatse van deze aanduiding uitsluitend worden toegestaan indien voldaan wordt aan de bepalingen uit de Wet geluidhinder en het Regionaal Afsprakenkader 'Geluid & Ruimtelijke Ontwikkeling'. Artikel 139 Risicocontour - olieleiding Ter plaatse van deze zone zijn geen nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegestaan.

Bestemmingsplantoets Binnen de bestemming ‘Glastuinbouwgebied - Tinte’ is de aanleg van een zonnepanelenpark niet mogelijk. Het doorlopen van een planologische procedure is daarom noodzakelijk. Voorliggend rapport bevat de noodzakelijke ruimtelijke onderbouwing voor het doorlopen van die procedure. Bij het doorlopen van de planologische procedure, dient tevens rekening te worden gehouden met de archeologische waarden in het gebied. Dit onderdeel wordt in paragraaf 4.2 van voorliggende rapportage besproken. Tevens is sprake van een hoogspanningsverbinding en grenst het projectgebied aan een buisleidingsstrook. Kabels en leidingen worden besproken in paragraaf 4.6, waarin ook de risicocontour in verband met de olieleiding wordt besproken. In paragraaf 4.7 wordt het aspect geluid behandeld, waar kort wordt stilgestaan bij de beperkingen ten aanzien van de geluidszone in verband met industrie.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 16

4

Ruimtelijk beleid

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. figuur 4.1 Afwegen met de NOVI. (Bron: Nationale Omgevingsvisie)

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 17

doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in de realisatie van duurzame energievoorziening voor de gemeente Haarlem. Duurzame energie vormt een van de 21 nationale belangen zoals verwoord in het NOVI: “Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarvoor benodigde hoofdinfrastructuur”. Energie moet veilig worden opgewekt, gewonnen, getransporteerd, opgeslagen en gebruikt. Om de afgesproken doelen uit het Klimaatakkoord van Parijs te halen en 95 procent minder uitstoot van broeikasgassen te realiseren in 2050 (ten opzichte van 1990), is een transitie naar een CO2-arme energievoorziening noodzakelijk.

De opgave is dan ook het waarborgen van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, het vervangen van fossiele energiebronnen door duurzame bronnen (inclusief besparing), de aanpassing van de netwerken voor warmte, gas en elektriciteit en het inpassen en zoveel mogelijk beperken van de ruimtebehoefte voor opwekking, conversie, opslag en transport van energie. De rol van het Rijk is tweeledig. Ten eerste gaat het om de voorwaarden te scheppen waaronder winning, opwekking, transport, conversie, opslag en gebruik van energie, alsmede het afvangen en opslaan van CO2, betrouwbaar, betaalbaar en veilig kunnen plaatsvinden. Ten tweede om het tot stand brengen van de energietransitie zeker te stellen. Het Rijk werkt hierbij nauw samen met de decentrale overheden, maatschappelijke organisaties en andere betrokkenen. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het nationale Klimaatakkoord. De rol van het Rijk uit zich onder meer in het vastleggen van doelstellingen voor de reductie van broeikasgassen en het stellen van voorwaarden en aanwijzen van gebieden voor energie-activiteiten, na afweging met andere belangen. De uiteindelijke uitvoering van projecten die gezamenlijk beantwoorden aan de landelijke doelstellingen op het gebied van energietransitie en CO2-reductie, is aan gemeenten, RES-regio’s en provincies.

Alleen wanneer een ontwikkeling zodanig van omvang is dat deze op grond van de Elektriciteitswet 1998 wordt aangemerkt als grootschalige ontwikkeling van nationaal belang, dient het Rijk aan te haken en is een Rijksinpassingsplan noodzakelijk. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien met een zonnepark een opgesteld vermogen van 50 MW of meer wordt gerealiseerd. Conclusie Het beoogde initiatief draagt bij aan de verwezenlijking van het nationale belang ten aanzien van de energietransitie. Gelet op het vermogen van onderhavige productie-installatie (12 MWp) wordt de grens van 50 MWp niet overschreden. Vanuit het decentralisatieprincipe wordt door de decentrale overheden verdere invulling aan het beleid gegeven. Dit beleid wordt in de navolgende paragrafen behandeld. 4.1.2

Nationaal Klimaatakkoord

Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO2-uitstoot in Nederland gehalveerd kan worden. Verschillende sectoren (sectortafels gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, mobiliteit en elektriciteit) denken mee over concrete plannen.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 18

Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% in 2030 ten opzichte van 1990, de verschillende sectoren (zoals gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, elektriciteit, landbouw en landgebruik) hebben hier hun eigen taak en rol in om dit gezamenlijk te bereiken. Aan de sectortafel 'elektriciteit' zijn afspraken geformuleerd die ertoe moeten leiden dat in 2030 meer dan 70% van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen komt. Een belangrijk doel is derhalve het vergroten van de productie van hernieuwbare energie. De omschakeling heeft impact op de leefomgeving. Gemeenten en provincies hebben hierin met de aanpak van de Regionale Energie Strategieën een belangrijke rol. Daarbij steunt het kabinet de mogelijkheid voor bewoners om te kunnen participeren in lokale energieprojecten. De productie van hernieuwbare energie moet vervijfvoudigen. Concreet wordt hierbij gestreefd naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh (terawattuur). De productie wind op zee moet worden uitgebreid, maar ook de productie zon en wind op land. In de hoofdlijnen staat als doel beschreven dat in 2030 via windenergie en zonne-energie op land 35 TWh wordt gerealiseerd.

Tevens wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik. Vraag en aanbod dienen zoveel mogelijk bij elkaar gebracht te worden. Ten slotte is gesteld dat het belangrijk is om te zoeken naar functiecombinaties en aan te sluiten bij specifieke kwaliteiten van het gebied. Conclusie Met de realisatie van het zonnepark wordt de landelijke productie van zon op land verder uitgebreid. Met een vermogen van ca. 12 MWp komt deze productie weer een stapje dichterbij de noodzakelijke 35 TWh voor zonne-energie. De ontwikkeling is daarmee in lijn met het Nationaal Energieakkoord. 4.1.3

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld in het overkoepelende hoofdstuk Omgevingsaspecten. Voor de Ladder voor duurzame verstedelijking geldt het volgende. De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op basis hiervan dient bij de realisatie van nieuwe stedelijke ontwikkelingen de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Daarnaast dienen deze stedelijke ontwikkelingen in hoofdzaak binnen het bestaand stedelijk gebied plaats te vinden. Indien een ontwikkeling buiten stedelijk gebied plaatsvindt, dient dit gepaard te gaan met een stevige motivering van de reden waarom naar het buitengebied wordt uitgeweken. Relatie tot ontwikkeling In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro.

Indien de ontwikkeling niet kan worden getypeerd als stedelijke ontwikkeling, is de Ladder namelijk niet van toepassing op het project. Dit laat overigens onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsnog de nut en noodzaak van het project dient te worden aangetoond.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 19

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in januari 2019 uitspraak gedaan in een zitting waarin onder andere aan de orde was of een zonnepark in het buitengebied als stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro dient te worden getypeerd (zie uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178). De Afdeling overweegt hierover het volgende: “Uit overweging 6.2 van de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, blijkt dat de Afdeling diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Genoemd worden: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark en een transformatorstation. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding voor een andere benadering met betrekking tot een zonnepark, dat naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een zonnepark, net als een windturbinepark, zich bij uitstek niet goed leent om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. De toepasselijkheid van de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro op een dergelijke voorziening zou daarentegen juist tot gevolg hebben dat het bevoegde bestuursorgaan telkens zou moeten motiveren waarom deze voorziening niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien.

Dit vindt de Afdeling in het licht van het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking een onlogische consequentie.” Conclusie De uitspraak maakt duidelijk waarom voor de ontwikkeling van zonneparken geen Laddertoets doorlopen hoeft te worden. De ontwikkeling kan niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op onderhavig project. De nut en noodzaak van de ontwikkeling dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsnog aangetoond te worden. Uit de behandeling van het duurzaamheidsbeleid in dit hoofdstuk blijkt de behoefte aan de realisatie van het zonnepark. 4.1.4

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Relatie tot ontwikkeling Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Per 15 maart 2022 is de (geconsolideerde) Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. Zeven vernieuwingsambities laten zien waar Zuid-Holland naartoe wil en maken ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid.  

Ambitie 1: samen werken aan Zuid−Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten Ambitie 2: bereikbaar Zuid−Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 20

    

Ambitie 3: schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen Ambitie 4: een concurrerend Zuid−Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid−Holland Ambitie 5: versterken natuur in Zuid−Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving Ambitie 6: sterke steden en dorpen in Zuid−Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit Ambitie 7: gezond en veilig Zuid−Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving

De beoogde ontwikkeling raakt aan ambitie 1 en 3. Op basis van ambitie 1 geldt de voorwaarde dat de omgeving in een zo vroeg mogelijk stadium wordt betrokken bij besluiten. Voor onderhavig zonnepark heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Zowel inwoners van Westvoorne als inwoners van de buurgemeente Brielle hebben de gelegenheid gekregen mee te denken over het ontwerp van de landschappelijke inpassing, informatie in te winnen en eventuele zorgen te uiten. Met direct omwonenden zijn bovendien afspraken gemaakt met betrekking tot de verdere detailuitwerking t.a.v. het groen- en beheerplan. Voor de wijze waarop in dit project is voorzien in participatie (waaronder overigens ook financiële participatie kan worden gerekend), wordt verwezen naar paragraaf 5.2 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Evident is ook de relatie met ambitie 3: schone energie voor iedereen. Het initiatief behelst de realisatie van een zonnepark, waarmee gedurende de exploitatietermijn duurzame energie wordt opgewekt en geleverd aan het elektriciteitsnet. Het provinciale beleid ten aanzien van energietransitie en zonne-energie wordt hieronder nader uitgewerkt. Daarnaast is de ruimtelijke kwaliteit van belang. Ook op dat onderdeel wordt hierna ingegaan.

Bevorderen energietransitie De provincie werkt mee aan Europese en nationale energiedoelen om de CO2-uitstoot te verminderen en het energieverbruik te reduceren. Het gaat om een CO2-reductie van 85 -95% in 2050 ten opzichte van 1990. Zuid-Holland hanteert als ambitie om in 2020 minimaal 9% van de energieconsumptie duurzaam op te wekken. De beste manier om het gebruik van fossiele bronnen terug te dringen, is het volgen van de trias energetica. Op de eerste plaats door besparen. Op de tweede plaats hernieuwbare bronnen benutten. Op de derde plaats onvermijdbare koolstofbronnen zó gebruiken zodat ze tot een zo min mogelijk CO2-uitstoot leiden. Om een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie in 2020 in Zuid-Holland te realiseren wordt rekening gehouden met de (omgevings)kenmerken van Zuid-Holland, zoals relatief veel industrie, weinig onbebouwde ruimte en veel windvermogen. De provincie spant zich daarnaast in om Europese en nationale energiedoelen in de breedte te bereiken, namelijk het realiseren van de reductie van energiegebruik en uitstoot van broeikasgassen (met name CO2), energiebesparing is de voordeligste manier van CO2 –reductie. De provincie werkt op een integrale manier aan het bevorderen van de energietransitie, waarbij de mainport, de greenports, het stedelijk gebied en mobiliteit alle van belang zijn.

Vijf hoofdthema’s zijn van belang: warmte, wind, zon, energie-efficiëntie en mobiliteit. Naast deze vijf prioriteiten zet de provincie, daar waar zich kansen aandienen, ook in op andere energie-oplossingen, zoals bij de getijdencentrale in de Brouwersdam. Door samen met de regionale partners ruimtelijke energie-actieagenda’s op te stellen, beoogt de provincie een meer integrale en resultaatgerichte benadering van besparing, opwekking en CO2-reductie te bereiken. Zonne-energie De provincie wil het gebruik van zonne-energie actief faciliteren en ondersteunen, omdat zonneMees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 21

energie een groeiende bijdrage levert aan de productie van hernieuwbare energie. In de periode tot 2020 streeft de provincie naar een aandeel zonne-energie van 1,5 PJ. Voorop staat de voorkeur voor meervoudig ruimtegebruik, zoals het benutten van daken en overige geschikte functies. In een provincie waarin onbebouwde ruimte een schaars en waardevol goed is, is een terughoudende benadering van zonnevelden in die open ruimte op zijn plaats, in combinatie met een stimulerende benadering voor zonnepanelen en warmtecollectoren in de bebouwde ruimte. De provincie zet hierbij haar ruimtelijk instrumentarium in. De provincie maakt de realisatie van zonne-energie ruimtelijke mogelijk, binnen het bestaande stads- en dorpsgebied en onder voorwaarden op aantal locaties en functies daar buiten. Buiten bestaand stads- en dorpsgebied hebben zonnepanelen op daken de voorkeur. Daarnaast zijn er enkele functies waar meervoudig ruimtegebruik met een zonneveld kansrijk is. Dit betekent dat zonnevelden in beginsel te combineren zijn met onderstaande functie en locaties.:  agrarische bouwblokken;  locaties die vallen onder de bestemming infrastructuur;  voormalige stortplaatsen, slibdepots en spaarbekkens;  locaties in glastuinbouwgebied;  locaties in stads- en dorpsranden;  locaties in combinatie met een windturbinepark;  locaties in knikpuntgebieden.

Relatie tot ontwikkeling De provincie staat open voor de ontwikkeling van zonnevelden, maar is gelet op de schaarse ruimte tegelijkertijd terughoudend wanneer het initiatief uit het realiseren van een zonnepark in het landschap bestaat. In beperkte mate en onder voorwaarden is de ontwikkeling van een zonnepanelenpark wel mogelijk in glastuinbouwgebied, waar de projectlocatie onderdeel van uit maakt. Qua uitstraling sluiten zonneparken goed bij glastuinbouw, wel dient behoedzaam te worden omgegaan met de groene ruimtes in de vaak dicht bebouwde glastuinbouwgebieden. De belangrijkste voorwaarde voor het oprichten van een zonnepark binnen dergelijke gebieden is dat geen sprake mag zijn van een verdringend effect op de functie glastuinbouw. Locatie zonnepark in glastuinbouwgebied Zonneparken zijn op basis het Omgevingsbeleid op een aantal locaties denkbaar wanneer het gaat om zonneparken buiten bestaand stedelijk gebied. Een van deze mogelijkheden betreft oprichting binnen glastuinbouwgebieden zoals aangegeven op het kaartmateriaal behorende bij het Omgevingsbeleid. Figuur 4.2 toont een uitsnede van de genoemde kaart, de projectlocatie (globaal aangeduid in het rood) valt op basis hiervan binnen het glastuinbouwgebied en is daarmee in principe geschikt voor de beoogde ontwikkeling.

Opgemerkt dient te worden dat het uitzonderingsgebied dat is verbeeld op de kaart, geen relevantie heeft voor de beoogde ontwikkeling daar dit ziet op voortzetting van agrarisch gebruik en niet op ander gebruik, zoals dat van een zonnepark.

Mees Ruimte & Milieu | 18206

Pagina | 22

figuur 4.2 Uitsnede Kaart 11 Glastuinbouwgebied, Omgevingsverordening

Geen verdringend effect Voorwaarde voor de oprichting van een zonnepark binnen glastuinbouwgebied, is dat de ontwikkeling geen verdringend effect heeft op de glastuinbouwactiviteiten ter plaatse. Daarvoor geldt het volgende:  Gelet op de voorwaarde vanuit de provincie is door WLTM Coöperatie U.A. de haalbaarheid van de ontwikkeling van glastuinbouw ter plaatse in kaart gebracht. In de haalbaarheidsanalyse wordt geconcludeerd dat de projectlocatie niet bijzonder geschikt of interessant is voor het benutten als glastuinbouwlocatie. Door Vijverberg Advies & Begeleiding is een aanvullende analyse inzake tuinbouw uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in de rapportage van 30 januari 2020. Zij komen eveneens tot de conclusie dat het projectgebied zeer beperkte aantrekkingskracht heeft voor glastuinbouwbedrijven. In de directe omgeving zien zij bovendien beschikbare percelen die deze aantrekkingskracht wel hebben. Dit omdat ter plaatse van het projectgebied beperkingen gelden die elders niet van toepassing zijn, bijvoorbeeld als gevolg van de hoogspanningsverbinding die het projectgebied doorsnijdt. Daarnaast is de nieuwbouw van glastuinbouw in Tinte gering, waardoor niet verwacht wordt dat de beschikbare planologische ruimte volledig benut wordt. Om dit gebied in Tinte nog enigszins aantrekkelijk te houden wordt de toevoeging van duurzame toepassingen juist wenselijk geacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11626828/1