Hoe borgen we 50% participatie in de E-transitie
Tekst van het document
Hoe borgen we 51% lokaal eigenaarschap bij projecten in de energietransitie?
Inhoud
Gemeente Wageningen | Oktober 2021 Wethouder Peter de Haan
1
Inhoudsopgave Inleiding ....................................................................................................................................... 3 1.
Het belang van lokaal eigenaarschap in de energietransitie ...................................................... 3
2.
Lokaal eigenaarschap in beleid ............................................................................................... 3
3.
Manieren waarop een gemeente 51% lokaal eigenaarschap kan borgen ................................... 4 3.1.
De weg van het bestemmingsplan ................................................................................... 5
3.2.
De weg van de stimuleringsmaatregelen.......................................................................... 5
3.3. De weg van het maatschappelijk tenderen van vergunningen voor zonne - en windenergieprojecten................................................................................................................ 5 3.4. 4.
5.
De weg van Right to Challenge ........................................................................................ 6
De Wageningse definities voor de woorden “lokaal” en “eigenaarschap” .................................. 7 4.1.
Wat is lokaal?................................................................................................................. 7
4.2.
Wat is eigenaarschap?.................................................................................................... 7
Uitdagingen voor het ambtelijke apparaat............................................................................... 9
Bijlagen .......................................................................................................................................10
2
Inleiding Tijdens de politieke avond van 11 oktober 2021 werd door de Wageningse gemeenteraad de Regionale Energiestrategie van Regio Foodvalley 1.0. (RES RFV 1.0) aangenomen. In het proces om tot vaststelling te komen werden er in de verschillende gemeenten, waaronder Wageningen, amendementen geformuleerd die doelden op een belangrijke tekstwijziging, namelijk het veranderen van “ten minste 50% lokaal eigenaarschap” naar “ten minste 51% lokaal eigenaarschap”. Dit proces maakt een grote wens uit van de raad en de Wageningse samenleving zichtbaar: wanneer er grote energieprojecten in het kader van de energietransitie gerealiseerd zullen worden (denk aan zonnevelden of een windmolen) moet de lokale omgeving rondom dit initiatief een sterke stem hebben in dit project. En dat inwoners en andere lokale belanghebbenden dus – indien ze het met elkaar eens zijn – een doorslaggevende stem hebben in de ontwikkelingen rondom deze projecten. Maar hoe vul je “ten minste 51% lokaal eigenaarschap” eigenlijk in? Welke opties zijn er? Hoe ga je hiermee aan de slag? En wat vraagt deze nieuwe werkwijzen van een ambtelijk apparaat? In dit document komen we met een concreet advies voor het college B&W en de raad over hoe dit er in Wageningen uit kan zien.
1. Het belang van lokaal eigenaarschap in de energietransitie De eenvoudigste weg om snel veel duurzame energieproductie te realiseren is het beschikbaar stellen van gronden aan grote projectontwikkelaars met voldoende financiële middelen. Het risico van deze makkelijke weg is dat je niet zeker bent dat de omwonenden en breder de inwoners uit de gemeente op enig moment betrokken worden in het proces. Ondanks dat de gemeente het vooral wil aanmoedigen dat bedrijven verduurzamingsmaatregels nemen, spreekt zij uitdrukkelijk de wens uit om de opgewekte duurzame stroom en eventuele financiële winsten die ontstaan lokaal te laten terugvloeien. Zo hebben omwonenden niet alleen de lasten (horizonvervuiling, eventuele slagschaduw etc) maar ook de lusten ( lokale werkgelegenheid, duurzame energievoorziening, financieel profijt, projecten die de wijk opfleuren via een landschaps/gebiedsfonds etc). Met lokaal eigenaarschap worden/blijven inwoners betrokken en actief en krijgen zij een groter verantwoordelijkheidsbesef. Ook zal het draagvlak voor deze energieprojecten hierdoor groeien. Om deze redenen wil Wageningen dat álle projecten waarbij duurzame energie opgewekt wordt voldoet aan het criteria dat dit gebeurt met “ten minste 51% lokaal eigenaarschap”. Maar de begrippen “lokaal” en “eigenaarschap” zijn breed interpreteerbaar.
Daarom is het belangrijk om als gemeente te besluiten hoe wij beide termen invullen alvorens aan initiatiefnemers richtlijnen hierover te geven (zoals straks in de Wageningse Windvisie). Belangrijk hierbij is de vermelding dat we in dit stuk focussen op wind- en zonneprojecten. Lokaal eigenaarschap speelt ook een grote rol binnen de warmtetransitie, wat ook een onderdeel is van de energietransitie. Bij warmteprojecten heb je ook veel publiek-private samenwerkingen waar je de stelregel “ten minste 51% lokaal eigenaarschap” op kan toepassen. Inhoudelijk gaan we hier in dit stuk niet verder op in, wel geven we aan dat het streven naar ten minste 51% lokaal eigenaarschap ook voor de warmtetransitie belangrijk is.
2. Lokaal eigenaarschap in beleid In het landelijke Klimaatakkoord staat geschreven dat voor grootschalige opwek van hernieuwbare elektriciteit door zon en wind op land gestreefd wordt naar 51% eigendom van de lokale omgeving. Het gaat hierbij om een algemeen streven, waarbij lokaal ruimte is om hiervan af te wijken. Het
3
Klimaatakkoord geeft richtlijnen mee, zo moet het gaan om een open en transparant proces en gaat het om lokaal eigendom op projectniveau (dus niet 51% van de landelijke zonneparken moet in handen van privé personen zijn). Interessant is het woord “eigendom”, dat wijst op niet alleen financieel eigendom, maar ook op (democratisch) zeggenschap over het project én over de besteding van de eventuele baten. Volgens het klimaatakkoord is lokaal eigendom altijd een collectief eigendom. Dat wil zeggen dat het bij lokaal eigendom dus nooit over één enkele (financieel stevige) partij kan gaan die een lokaal project ontwikkelt. Het gaat wel over het ontwikkelen van een project vanuit coöperatie of vereniging. Bewoners en ondernemers kunnen deelnemen, meebeslissen en mede-eigenaar worden (door lidmaatschap). De afspraken in het Klimaatakkoord zijn uitgangspunten van beleid maar kennen geen juridische basis. Kijkend naar de gemeente Wageningen zijn de relevante documenten de Visie Buitengebied en de RES RFV 1.0. In beide stukken staat dat bij zonne- en windenergieprojecten er voor ten minste 50% (visie Buitengebied) en 51% (RES RFV 1.0.) lokaal eigenaarschap moet zijn. In de Visie Buitengebied gaat het specifiek over de zoekgebieden waar projecten ontwikkeld kunnen worden en onder welke voorwaarden. In de RES RFV 1.0.
wordt een concreet bod gedaan waarin gezegd wordt hoeveel duurzame energie de gemeente Wageningen op haar grondgebied wil opwekken tegen 2030. Het gaat dan om 0,111 TWh duurzame energieopwek op land waarbij we streven naar 11 ha zon-op-dak, 60-80 ha zon-op-land, 3 ha zon-op-restgronden en 1 of 2 (grote) windturbines (waarbij iedere windmolen ongeveer 10 ha zon-op-land overbodig maakt). Ook de Visie Bebouwde Kom (nog in ontwikkeling) zal op participatie ingaan. De aansluiting met dit traject vindt plaats. Gezien de snelle ontwikkelingen binnen de energietransitie is het belan grijk om alvast op dit thema bepalingen van eigenaarschap en participatie te bepalen. We beperken ons hier dus wel bij tot lokale duurzame energieopwekkingsprojecten. Een belangrijke vraag hierbij is of een gemeente 51% lokale financiële participatie bij grote energieprojecten kan afdwingen of dat het eerder een soort van zachte voorwaarde is waarmee je hoopt grip te houden op lokale borging bij de te ontwikkelen en de gerealiseerde projecten. Voor een gemeente als Wageningen is dit een cruciale vraag gezien we zelf nauwelijks gronden in bezit hebben en we bij grote projecten dus (een beetje gechargeerd) niet meer zijn dan een vergunningsverstrekker.
In het gunningsproces is de omgevingswet leidend, en deze heeft geen juridische grond om naast randvoorwaarden die raken aan ruimtelijke ordening óók te toetsen aan andere randvoorwaarden die een gemeente graag ziet, zoals deze “ten minste 51% lokale eigenaarschap”. Maar is dat het dan? Staan wij als gemeente écht buitenspel wanneer er ontwikkelingen zijn op gronden waar we zelf geen eigenaar van zijn? Moeten wij dan machteloos toezien op hoe de grote spelers in het energielandschap het voor het zeggen krijgen in Wageningen, terwijl we vanuit het stadhuis met de RES RFV 1.0. en dit documentje zwaaien? Gelukkig niet.
3. Manieren waarop een gemeente 51% lokaal eigenaarschap kan borgen Zoals hierboven beschreven is het voor een gemeente een grote uitdaging om een vinger in de pap te houden bij grote duurzame opwekprojecten, zeker wanneer het gaat om ontwikkelingen die niet op eigen grondgebied plaatsvinden. In dit hoofdstuk beschrijven we kort de gekende opties die een gemeente heeft om meer gewicht in de schaal te krijgen en hierdoor de voorwaarde “ten minste 51% lokaal eigenaarschap” te borgen. Omdat wij deze voorwaarde heel belangrijk vinden adviseren wij om zoveel mogelijk van de genoemde paden te bewandelen.
4
3.1.
De weg van het bestemmingsplan
Er is een mogelijkheid om exploitatie van een zonne- of windpark door particulieren af te dwingen (bijvoorbeeld in een coöperatieve vorm). In het onderzoek “lokaal eigendom en omgevingsbijdragen voor zonneparken” schrijven de juristen Prof. dr. ir. A.G. Bregman en mr. J.J. Karens ( stuknummer ZS21010337) dat het mogelijk is om verplichte financiële participatie van een welomschreven groep omwonenden bij zonneparken af te dwingen door in een bestemmingsplan (of onder de Omgevingswet een omgevingsplan) een bepaald deel van een locatie waaraan de bestemming c.q. functie zonnepark is toegekend op grond van gemeente beleid aan te wijzen als privaat te exploiteren en ingeval van een weigering van de private grondeigenaar om daaraan medewerking te verlenen, tot onteigening over te gaan. Dit doe je door aan een (tijdelijke) bestemming zoals “zonnepark” of “windmolen” een voorschrift te hangen dat een bepaald percentage (bijvoorbeeld 51%) alleen particulier (in de zin van een collectief van privé personen of lokale ondernemers) mag worden geëxploiteerd. Dit staat of valt wel met het aan kunnen tonen als gemeente dat er behoefte is aan deze vorm van planuitvoering. In de praktijk komt het er dus op neer dat we bij iedere wijziging van een bestemmingsplan naar een functie met duurzame energieopwekking, dit voorschrift standaard opgenomen moet worden.
We kunnen zelfs proactief in de gedefinieerde zoekgebieden tijdelijke bestemmingsplanwijzingen doorvoeren. Het voordeel van deze route is dat hij écht afdwingbaar is. Je kan zelfs overgaan tot onteigening indien er geen gevolg wordt gegeven aan de voorwaarde waar we het hier de hele tijd over hebben. Een nadeel van deze route is dat je hiermee wel heel hard vastlegt dat de 51% lokaal eigenaarschap een harde eis is, een eis die mogelijks enkele initiatieven die redelijk in de buurt komen te laten sneuvelen. Kiezen voor deze route kan dus ten koste gaan van lokaal maatwerk, dat hoogstwaarschijnlijk wel belangrijk zal zijn bij dit soort projecten.
3.2.
De weg van de stimuleringsmaatregelen
Het realiseren van een duurzame energieopwekkingsproject dat in de basis ten minste 51% lokaal eigenaarschap heeft, is erg complex. Het gaat om een hele grote investering en een heleboel mensen, een uitdagend recept waar figuurlijk gezegd zelfs een chef in een sterrenrestaurant niet snel zijn vingers aan wil branden. Dit soort projecten hebben enkel kans van slagen wanneer er een dusdanig grote groep omwonenden hier haar schouders onder zet, wanneer er een professionele energiecoöperatie betrokken is én wanneer er lokaal voldoende financiële middelen zijn om de benodigde infrastructuur aan te kopen. Omdat de businesscase bij dit soort projecten vaak heel fragiel is (vaak door de hoge aansluitkosten van de regionale netbeheerder trouwens) is het niet ondenkbaar dat hier vanuit de gemeente financieel aan bijgedragen wordt indien dit mogelijk is. Er zouden vanuit het Rijk gelden komen voor gemeenten hiervoor. In dit geval kan de gemeente dus heel eenvoudig eisen dat in ruil voor financiële participatie de voorwaarde van 51% lokaal eigenaarschap gesteld wordt.
3.3. De weg van het maatschappelijk tenderen van vergunningen voor zonneen windenergieprojecten. Via het instrument “Maatschappelijk Tenderen” kan de voorwaarde van “ten minste 51% lokaal eigenaarschap” in gemeentelijke vergunningverlening en dus in initiatieven die buiten gemeentelijk bezit om ontstaan (wettelijk) gewaarborgd worden. Het gaat dan over het “tenderen” van vergunningen voor zonneprojecten of windprojecten, waarbij de voorwaarde meegegeven wordt dat het moet gaan om een mede-eigendom van een collectief samenwerkingsverband dat bestaat uit bewoners, lokale ondernemers, agrariërs of andere lokale partners in de omgeving van de projectlocatie. In het document “Handreiking Maatschappelijke Tender” (stuknummer ZS21010340)
5
staat dat “de gemeente hier zelf actief regie neemt op het proces door partijen uit te nodigen en langs een methodische wijze te selecteren in het proces van vergunningverlening (uitnodigingsplanologie). (…) Belangrijk is dat hierbij de juiste processtappen, van marktconsultatie tot gunning, ook doorlopen worden”. De processtappen worden uitgebreid toegelicht het document, waarbij in deze fase voor ons het volgende van belang is: (1) het transparant en (ruimtelijk) inzichtelijk maken van hoe we als gemeente de komende jaren wind- en zonneparken gefaseerd wil ontwikkelen, (2) het inzichtelijk maken van de spelregels wanneer meerdere partijen door het proces van vergunningverlening gaan en er dus een ‘schaarste' in de uit te geven vergunningen ontstaat en (3) het beschrijven dat de gemeente in dat geval gerechtigd is om te selecteren op criteria die zich niet beperken tot de Wet ruimtelijke ordening. Dat wil zeggen dat de gemeente Wageningen als bevoegd gezag ook kan selecteren op zaken als financiële participatie, een omgevingsfonds en/of gesocialiseerd grondbeleid. Maatschappelijk tenderen heeft één groot nadeel. Indien – bij een zonnepark – de volledige oppervlakte in één keer wordt getenderd, is het bijna onmogelijk voor een lokale energiecoöperatie om in alle projecten mee te doen. Dat vraagt teveel van de coöperatie. Het zou alleen kunnen als e r bijv.
elk jaar één project (of bijv x ha) getenderd wordt. Dan kan de energiecoöperatie dat wel bijbenen. Indien gestart wil worden met een maatschappelijk tenderenproject, is het dus belangrijk om in de beginfase met de lokale energiecoöperatie om tafel te gaan en te bekijken wat een haalbare timing is voor deze partij. Dit zal de kans op slagen aanzienlijk doen toenemen. Maatschappelijke tenderen staat nog erg in de kinderschoenen maar is niet volledig nieuw. Het proces is door enkele gemeenten al succesvol doorlopen en onze inschatting is dat hier voor Wageningen grote kansen liggen. Daarom adviseren wij dat de relevante ambtenaren ter inspiratie in gesprek gaan met hun collega’s bij een gemeente die hier ervaring in heeft, en dat er dan actief met Maatschappelijk Tenderen gestart wordt in Wageningen, een proces waarin ook het college B&W en de raad actief meegenomen moet worden. Zoals gezegd is dit een tijdsintensieve aangelegenheid waarbij specifieke vaardigheden nodig zijn. In het hoofdstuk 5 “uitdagingen voor het ambtelijke apparaat” gaan we hier dieper op in.
3.4.
De weg van Right to Challenge
“Right to Challenge” betekent: het recht om uit te dagen. Hierbij gaat het vaak om bewoners die vinden dat ze een bepaalde activiteit slimmer, sneller of goedkoper uit kunnen voeren dan hun lokale overheid en hen uitdagen om de verantwoordelijkheid (en bijhorende financiële middelen) aan hen over te dragen. Het uitdaagrecht gaat waarschijnlijk in 2021 nog opgenomen worden in de Provinciewet, de Gemeentewet en de Waterschapswet. In Wageningen kunnen inwoners de gemeente al uitdagen, maar enkel op onderwerpen in het sociaal domein. Vanuit energietransitieoogpunt is het wenselijk om het right to challenge in Wageningen te verbreden. Dit kan namelijk een interessant instrument zijn om maatschappelijke participatie bij zonneparken en windmolens te bevorderen. Op deze manier geef je als lokale overheid dus jouw ‘verantwoordelijkheden” in een bepaald gebied uit handen, de inwoners gaan zélf om de tekentafel zitten en de plannen maken. Daarmee scoort het uitdaagrecht heel hoog op de participatieladder. De initiatiefnemers gaan immers co-creëren met de overheid en nemen zelf hun besluiten. Via de Right to Challenge kunnen bewoners(verenigingen), energiecoöperaties en andere maatschappelijke organisaties zelf uitwerking geven aan lokale ambities.
6
4. De Wageningse definities voor de woorden “lokaal” en “eigenaarschap” De gestelde voorwaarde van “51 percent lokaal eigenaarschap” klinkt goed. Maar het is tegelijkertijd nietszeggend. Maar dat kan van alles betekenen. De grond waarop de molen of het zonneveld komt is in ieder geval lokaal, als die dan ook in eigendom van een Wageninger is, hebben we dan de voorwaarde gehaald? Natuurlijk niet, maar dit geeft wel aan dat we deze woorden zorgvuldig moeten duiden.
4.1.
Wat is lokaal?
Het Klimaatakkoord geeft geen landelijke standaard voor wat de lokale omgeving van een project is. Welke bewoners, (agrarische) grondeigenaren en bedrijven onderdeel zijn van de lokale omgeving wordt lokaal en per project bepaald. Daarom is het belangrijk dat de gemeente Wageningen enkele criteria opstelt. Wij adviseren het volgende om invulling te geven aan wat “Lokaal” betekent in Wageningen. 1. Eerste cirkel: voor bewoners uit de eerste cirkel dient zowel sprake te zijn van compensatie als van de mogelijkheid om mede-eigenaar te worden van een project. a. Bij zonneprojecten geldt: de eerste cirkel zijn die omwonenden die met hun grondeigendom direct raken aan de grond waar een zonneveld zal komen. b. Bij windprojecten geldt: de omwonenden die in een straal van 2km rondom de molen wonen (indien het gaat om een windmolen met een ashoogte groter dan 15m). 2. Tweede cirkel: bewoners die deel uitmaken van de tweede cirkel geldt dat zij, afhankelijk van de gekozen constructie, via de coöperatie het aanbod krijgen om mede -eigenaar te worden van het project. a. Bij zonneprojecten geldt: (coöperaties van) bewoners en ondernemers binnen een cirkel van 1km (wanneer het zonnepark binnen 500 meter van de stadsgrens ligt) of een cirkel van 2 km (wanneer het zonnepark daar buiten ligt). b.
Bij windprojecten geldt: (coöperaties van) bewoners die in een straal van 10km rondom de molen wonen (indien het gaat om een windmolen met een ashoogte groter dan 15m). 3. Derde cirkel: alle overige inwoners en ondernemers van Wageningen, en indien dit onvoldoende blijkt ook inwoners en ondernemers van buurtgemeenten. 4. Vierde cirkel: gemeente Wageningen als participant en medeontwikkelaar.
4.2.
Wat is eigenaarschap?
En eigenlijk is de vraag: wie kunnen allemaal eigenaar worden van een zonneveld of windturbine? Bij de beantwoording hiervan is het goed om even kort in te gaan op de verschillende betrokken partijen en wat hun rol is: Gemeente Wageningen In de meeste gevallen is de gemeente het bevoegd gezag voor het verlenen van vergunningen voor het ontwikkelen van zonne-en windparken. Daarnaast zijn ze het eerste aanspreekpunt voor initiatiefnemers. Ook kunnen ze zelf initiatiefnemer zijn, bij projecten op gemeentelijke grond. Dan kan óf de gemeente óf de ontwikkelaar verantwoordelijk zijn voor het vormgeven van participatie. Wil de gemeente als (mede)eigenaar van een energieproject optreden dan vraagt dit de nodige zorgvuldigheid in de procedure om vermenging van rollen te voorkomen.
Het samenwerkingsverband EnergieWEB biedt de gemeente Wageningen een innovatieve en kostenneutrale wijze om (samen met gemeenten Ede en Barneveld) deelnemer te worden in
7
energieprojecten via het gemeentelijk energiecontract. De gezamenlijke energievraag van de drie gemeenten wordt aangewend om lokale duurzame energieprojecten met een coöperatief karakter (51% lokaal eigenaarschap is randvoorwaarde) te stimuleren. Mede-eigenaarschap vindt hierbij plaats via een kapitaaldeelname ten hoogte van maximaal € 15.000 per project. Deze ‘wortel’ fungeert als extra push-factor voor de ontwikkelaar van een energieproject om lokaal eigenaarschap goed in te richten.
Provincie Gelderland Wanneer een plan niet past binnen het bestemmingsplan, speelt de provincie een rol bij de bestemmingsplanprocedure of omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan. Projectontwikkelaars Projectontwikkelaars kunnen commercieel of coöperatief zijn. Commerciële ontwikkelaars zijn doorgaans de initiatiefnemers die gemeenten en grondeigenaren benaderen voor het ontwikkelen van een zonne- of windpark. Daarbij zijn ze verantwoordelijk voor het organiseren van participatie in het proces en de invulling van financiële participatie. Commerciële ontwikkelaars streven eerder naar lokaal draagvlak dan naar lokaal eigenaarschap. Coöperatieve ontwikkelaars zorgen ervoor dat bewoners zeggenschap krijgen over waar en hoe duurzame energie wordt geproduceerd. Ze nemen de ontwikkeling van een project op zich en dragen het risico. Zodra het park is gerealiseerd wordt aan omwonenden / de energiecoöperatie de kans geboden om aandelen te kopen. Energiecoöperaties Energiecoöperaties realiseren lokaal duurzame energieprojecten die ten goede komen aan de inwoners van het gebied. Inwoners kunnen deelnemen aan een energiecoöperatie door lid te worden en krijgen zo een stem in de coöperatie. De omwonenden Zie hierboven bij “Lokaal”, de 4 cirkels.
In de zogenaamde participatiewaaier wordt een onderscheid gemaakt tussen 5 vormen van participatie namelijk: procesparticipatie, mede-eigenaarschap, financiële deelneming, omgevingsfonds en omwonendenregeling. Zie de figuur hieronder voor de toelichting op deze participatievormen.
Figuur 1De Participatiewaaier
8
Procesparticipatie is altijd belangrijk. Hierin wordt onder andere afgesproken hoe lokaal eigenaarschap wordt geregeld, en wie daarvan kunnen profiteren. De initiatiefnemer(s) zijn verantwoordelijk voor een zorgvuldige en transparant participatieproces. Tenslotte wil de gemeente Wageningen benadrukken dat financiële participatie in grote energieprojecten financieel niet voor alle inwoners van de gemeente haalbaar zal zijn. Daarom wil de gemeente dat bij de aanvang van een project de wensen van omwonenden in cirkel 1 geïnventariseerd worden. Op basis daarvan kan dan gekozen worden voor (een combinatie van): Mede-eigenaarschap: inwoners of bedrijven gaan zelf mee investeren in het project. Financiële deelneming: coöperaties kunnen een laagdrempelig lidmaatschap aanbieden of kleine aandelen of obligaties uitgeven. Gebiedsfonds: dat gevuld wordt met een percentage van de winsten van het zonnepark of de windturbine. Dit fonds wordt lokaal gebruikt om vb. het landschap op te knappen of in een sociaal project dat ten goede komt aan de buurt. Omwonendenregeling, ook wel burenregeling genoemd. Deze regeling heeft als doel om aan alle bewoners binnen een bepaalde afstand tot het project een financieel voordeel te geven. Denk hierbij aan een bijdrage in het verduurzamen van de woning of korting op groene stroom. Een regeling voor minima.
Denk hierbij aan een OpRozen-project: de gemeente staat garant voor een BNG lening met lage rente, waardoor mensen met een laag inkomen met minder inleg mee kunnen doen. Om ervoor te waken dat alle direct belanghebbenden bij een groot energieproject gehoord en meegenomen worden in hoe de 51% lokaal eigenaarschap vormgegeven zal worden, wil de gemeente Wageningen dat de precieze invulling van “51% lokaal eigenaarschap” overgelaten wordt aan de vier partijen die betrokken zijn bij een initiatief: de initiatiefnemer, de grondeigenaar, de energie-coöperatie en de omwonenden, lokale bedrijven en organisaties in de eerste cirkel. Zij bepalen samen in één of meerdere bewonersovereenkomsten hoe het eigenaarschap geregeld wordt zolang er sprake is van minimaal 51% lokaal eigenaarschap voor de duur van het project. Ideaal is dat het om brede burgerparticipatie gaat, en niet alleen enkele lokale ondernemers. Ideaal is ook dat lokaal eigenaarschap mede-eigendom in álle fasen betekent, dus ontwikkeling, realisatie en exploitatie.
5. Uitdagingen voor het ambtelijke apparaat Zoals beschreven in dit stuk zijn er tal van mogelijkheden voor een lokale overheid om te borgen dat er mooie duurzame energieprojecten ontstaan worden waarbij ten minste 51% in lokaal eigenaarschap is. Om dit te realiseren is echter een proactieve lokale overheid nodig, zeker indien deze overheid niet veel eigen gronden heeft zoals bij gemeente Wageningen het geval is. Dit vraagt van de medewerkers bij deze lokale overheid dat ze in een vroegtij dig stadium kansen spotten en in gesprek gaan met de grondeigenaren, omwonenden, lokale ondernemers, de energiecoöperatie en eventueel investeerders. Het gaat om een heel nieuwe manier van kijken naar onze openbare ruimte waarbij op iedere vierkante meter kansen geplot worden die bijdragen aan onze duurzaamheidsambities. Bij de afdeling ruimtelijke ordening zullen ook de processen rondom vergunningsverschaffing herzien moeten worden. Dit alles vraagt om flexibele medewerkers en een goede training / coaching van mensen opdat zij hier in hun dagelijkse praktijk mee aan de slag kunnen. Aangezien dit eigenlijk gisteren al had moeten gebeuren adviseren wij hier niet te lang mee te wachten.
9
Naast de wijzigingen binnen het ambtelijke apparaat op de gekende rollen, ontstaat er eigenlijk de behoefte aan een nieuwe rol. We hebben namelijk te maken met een heel complex stakeholderveld waarbij de belangen erg uiteenlopen. We zoeken een soort van neutrale duurzame energiemakelaar die kansen, gronden en alle partijen aan elkaar kan koppelen, hier een concreet plan op kan bouwe n. Iemand die dit plan tot de uitvoering kan begeleiden. Momenteel werkt er binnen de gemeente niemand die dit doet. Ook is het nog maar de vraag of deze rol volledig bij de gemeente belegd moet worden. Er liggen mooie kansen voor een energiecoöperatie, dus het is niet onlogisch dat zij zich commerciëler gaan gedragen en dit soort activiteiten op gaan pakken. Dit is echter op dit moment niet realistisch: coöperaties hebben daar vaak de middelen niet voor. Ze kunnen met moeite de voorinvesteringen bij elkaar krijgen om grote projecten te kunnen oppakken, laat staan dat ze extra medewerkers voor dit soort activiteiten in dienst kunnen nemen. In ieder geval hebben zij hierbij inhoudelijke ondersteuning vanuit de gemeente nodig, alsook hulp bij het procesoverzicht doorheen het hele traject. Uiteindelijk heeft ook de gemeente hier een niet mis te verstaan belang: een bloeiend duurzaam energiebedrijf waar onze eigen inwoners profijt uit halen en die de lokale economie stimuleert.
Bijlagen 1. Lokaal eigendom en omgevingsbijdragen voor zonneparken - Prof. dr. ir. A.G. Bregman en Mr. J.J. Karens (stuknummer ZS21010337) 2. Handreiking Maatschappelijke Tender – Gelders Energie Akkoord (stuknummer ZS21010340) 3. Uitdaagrecht en de Energietransitie – Netwerk Right to Challenge (stuknummer ZS21010341)
10