CConstaterende datVoorst
Koppel je AI →
Document · PDF

reactienota planMER Windbeleid

gemeenteraad 1 december 2025, gemeente VoorstBij agendapunt: Regionaal Programma Energievoorziening (RPE)49.850 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

30 alinea's met “lokaal”: 23 24 38 39 44 77 79 82 105 155 163 172 181 229 231 238 270 349 358 360 362 383 530 646 731 798 805 819 827 879

57. De indiener stelt dat afbeelding 4.1 foutief is, omdat Liander in de omgeving Papenslagweg niet de enige leverancier is en op onderstation regio 33 nog capaciteit beschikbaar is. 58. De indiener stelt dat de businesscase voor windenergie niet meer rendabel is en de overheid tevergeefs windbeleid in stand houdt. 59. De indiener stelt dat het rapport warmte niet diep genoeg ingaat op impact windturbines op lokale warmteklimaat en noemt mogelijke verstoringen in temperatuur- en condensatiepatronen als niet voldoende geanalyseerd. 60. De indiener stelt dat het voorzorgsprincipe niet wordt nageleefd en dat dit principe strikter toegepast dient te worden gezien de onzekere gegevens omtrent warmte impact. 61. De indiener stelt dat warmte, bijv. vanuit mestvergisting, aardwarmte en zonnecollectoren voor zonthermie, een goed alternatief is en stelt dat het onacceptabel is dat dit niet is benoemd en/of meegenomen. 62. De indiener stelt dat de criteria die ten grondslag liggen aan de bepaling van het onderzoeksgebied niet helder en gedetailleerd toegelicht worden. Ook ontbreekt een objectieve en wetenschappelijke onderbouwing hierbij. Hiermee is de notitie onvoldoende transparant en onvoldoende onderbouwd. 63.

De indiener stelt dat het document zich vooral richt op technische aspecten van de afbakening, maar ten onrechte niet ingaat op cumulatieve effecten van de geplande ingrepen in het gebied. 64. De indiener stelt dat het percentage ernstig gehinderden wordt gebagatelliseerd. 65. De indiener stelt dat de selectiecriteria voor de representatieve turbine geluiden niet representatief lijken te zijn voor de daadwerkelijke geluidsemissie. De gehanteerde meetmethoden negeren vaak piekmomenten, nachtelijke omstandigheden en cumulatieve effecten van meerdere turbines. 66. De indiener stelt dat de consequenties voor de groei c.q. ontwikkeling van (ongeboren) kinderen en gehoorschade bij omwonenden onacceptabel is. 67. De indiener stelt dat de genoemde randvoorwaarden van geselecteerde turbines in tabel 3.1 achterhaald zijn en dat actuele randvoorwaarden een ashoogte tot 180m en rotordiameter tot 200m zijn. Ook is de mediaan niet representatief om mee te rekenen. 68. De indiener stelt dat de ingestelde bodemfactor niet representatief is en dat aan andere omgevingsfactoren die voor reflecties/interferenties van geluid kunnen zorgen voorbij wordt gegaan. Antwoord 1. Het is inderdaad de intentie geweest om in een zo ruim mogelijk gebied de milieueffecten in beeld te brengen.

Hiermee hebben de RES-partners een overzicht van de effecten op alle mogelijke locaties, en kunnen ze deze informatie gebruiken om een afweging te maken over zoekgebieden. 2. Het planMER is een globaal onderzoek op de schaal van provincie Gelderland. De milieu-informatie is voldoende om op hoofdlijnen een vergelijking tussen gebieden en locaties binnen de provincie mogelijk te maken. Daarmee is het geschikt voor het onderbouwen van een locatieafweging binnen de provincie, regio’s of gemeenten. Het is een hulpmiddel om het windbeleid uitvoerbaar te maken. Nadat de RES-regio's hun RES'en hebben geactualiseerd, brengt de provincie haar windbeleid hiermee in lijn. 3. Windturbines kunnen chronische hinder veroorzaken. Chronische hinder kan omschreven worden als een stressor, die op lange termijn tot gezondheidsklachten kan leiden. Op dit moment is er geen bewijs voor een direct gezondheidseffect naast hinder. Indirecte gezondheidseffecten die kunnen ontstaan door hinder hebben geen direct verband met het geluidsniveau. Zie ook het kopje ‘Effecten op gezondheid en het voorzorgsbeginsel’ in hoofdstuk 2 ‘Veelgestelde vragen in de zienswijzen. Het planMER hanteert of bepaalt geen afstandsnorm, maar onderzoek effecten, waaronder hinder.

In hoofdstuk 5.3 wordt uitgebreid ingegaan op de effecten van geluid van windturbines bij verschillende afstanden en de relatie tot voormalige normen, mogelijk nieuwe normen en advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. Cumulatieve effecten bleken vanwege de grote hoeveelheid denkbare combinaties van zoeklocaties en invullingen en het ontbreken van een voorkeursalternatief niet goed in beeld te brengen binnen en tussen regio’s en provincie. Daarom is in hoofdstuk 12.3 ook de aanbeveling gedaan om een nadere trechteringsstap te zetten bij de besluitvorming. Ook de Commissie mer signaleert het ontbreken van cumulatie van effecten. Bij deze reactienota is eveneens een reactie op dit advies opgenomen. 4. Zie antwoord 3. Het antwoord voor cumulatieve effecten is ook van toepassing op andere vormen van cumulatieve effecten zoals genoemd door de indiener. 5. Het planMER werkt conform de geldende wet- en regelgeving, en is getoetst door de onafhankelijke commissie mer. 6. Zie antwoord 3. 7. De effecten van trillingen door de windturbines in de gebruiksfase zijn doorgaans beperkt tot enkele tientallen meters en nemen af naarmate de afstand tot de windturbine groter wordt. Omdat de plaatsingszones minimaal een ½ rotordiameter afstand houden tot trillingsgevoelige objecten is een effect in de gebruiksfase niet van toepassing. Meerdere studies onderschrijven dit.

Over het algemeen geven deze aan dat trillingen van

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

windturbines door stations meetbaar zijn op een 'verre' afstand (tot 1500 km), maar niet schadelijk of voelbaar. 8. In hoofdstuk 5.7 Duurzaamheid is een analyse uitgevoerd naar de gehele levenscyclus van wind op land en zon in veldopstelling. Dit wordt vergeleken met fossiele energiebronnen. In deze levenscyclus zijn ook de productie, installatie, onderhoud en ontmanteling meegenomen. De emissie van stoffen zoals microplastics en Bisfenol A is hier niet relevant, omdat uit diverse onderzoeken naar voren komt dat de emissies van microplastic uit windmolens marginaal zijn ten opzichte van emissies uit andere bronnen als verkeer, industrie en landbouw. De geringe uitstoot zorgt naar verwachting niet voor een meetbare lokale verhoging in concentraties rond windmolens. 9. Het planMER heeft deze aspecten niet onderzocht en is dus geen onderdeel van deze reactienota. 10. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. In het onderzoek is onderbouwd waarom een waardering wordt toegekend. Zie voor slagschaduw paragraaf 5.9 uit het hoofdrapport. Voor landschap is een alternatief aan gewijdt, idem voor geluid, zie alternatief leefomgeving. 11. In het planMER zijn de harde eisen vanuit de wet rondom veiligheid al in het zoekgebied verwerkt. Dat betekent dat alleen die gebieden zijn onderzocht die volgens de wet op veilige afstand staan van gebouwen.

In hoofdstuk 5.5 wordt verder beschreven hoe het thema veiligheid wordt getoetst. Het planMER hanteert de afstanden en risicocontouren voor infrastructuur die volgen uit de Externe Veiligheidsregels zoals vastgelegd in wet- en regelgeving. Als er op projectniveau aanleiding voor is, wordt er altijd afgestemd met de plaatselijke veiligheidsregio om veiligheid te kunnen garanderen, waarin ook mogelijke cumulatieve effecten worden meegenomen en meegewogen. 12. Andere oplossingsrichtingen dan wind- en zonne-energie vallen buiten de scope van dit planMER. Het onderzoek is gericht op de mogelijkheden voor grootschalig zon en wind, en warmte, op land. Dit is in lijn met hetgeen waar het provinciale Windbeleid en de RES’sen op zien. Onderzocht wordt wat de effecten zijn van eventuele initiatieven voor wind, zon en warmte. Daarmee wordt geen uitspraak gedaan over de wenselijkheid van deze oplossingen, of alternatieven daarvoor. Ook andere oplossingsrichtingen en innovaties kunnen bijdragen aan de ambities. Deze technieken worden mogelijk in andere trajecten onderzocht. Daarnaast is wind op land is noodzakelijk in het behalen van de doelstellingen voor duurzame energieopwek in 2030. Alleen windenergie op zee is zeker niet voldoende en is het transport vanuit zee naar land een enorme maatschappelijke kostenpost.

We streven ernaar om uiteindelijk als land onafhankelijker te worden in onze energievoorziening. 13. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. 14. Deze zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. 15. Op provinciale schaal zijn de risico's voor soorten in kaart gebracht. Een nadere analyse en veldwerk is nodig bij concretere projecten. 16. Een nieuwe procedure is nodig op het moment dat de effecten niet meer representatief zijn voor het voornemen. Bij hogere turbines zal dit onderbouwt moeten worden. 17. In het planMER zijn slagschaduwcontouren in beeld gebracht. Vanwege de grootte van deze contouren is het niet mogelijk om dit een grote rol te geven in de weging van gebieden. Overal zal dit effect immers voorkomen. Daarnaast is het goed mogelijk met maatregelen dit effect te verminderen. Dit is beschreven in het rapport. 18. De effecten op buisleidingen zijn beschreven. RES-partners kunnen dit in een vervolgproces meewegen bij hun besluit, en hier met Defensie over in overleg treden. Het klopt dat niet alle buistracés van defensie bekend zijn – voorzover relevant- en daarom geen onderdeel hebben kunnen uitmaken van dit onderzoek. 19. Op basis van voorliggend rapport kunnen de RES'en worden geactualiseerd. De oorspronkelijke ambities van de RES'en zijn in beeld gebracht om te toetsen of deze haalbaar zijn binnen de kaders van beleid en wetgeving. 20.

De hoogtes van referentieturbines zijn een uitgangspunt en dus hierin geen beleidsnorm. Eventuele projecten die hiervan afwijken zullen de effecten hiervan in beeld moeten worden De vigerende Gelderse omgevingsvisie speelt hierin geen rol. 21. De zonneladder is een voorkeursvolgorde die per situatie bepaald moet worden. Het is daarmee geen harde belemmering vooraf voor het planMER. Om te voorkomen dat milieu-informatie ontbreekt in concrete gevallen, zijn dus ook gebieden onderzocht die bij concrete toepassing van de windladder al afvallen. 22. In het planMER worden alle locaties waar technisch een windpark geplaatst zou kunnen onderzocht. Vanuit wetgeving is het belangrijk om op deze locaties de milieueffecten te weten. Er is niet op voorhand rekening gehouden met gemeentelijk beleid. Gemeentes kunnen hun beleid immers wijzigen als zij hierover beslissen. In het planMER wordt echter geen keus gemaakt voor een gebied. Gemeenteraden kunnen in het RES-proces hun omgevingsvisie meenemen bij het maken van een afweging over gebieden. 23. In het natuuronderzoek is beschreven dat risico's voor vogelsoorten op ongeveer 8 kilometer vanaf een Natura2000-gebied voorkomen. Het is daarom niet relevant om gebieden tot 25 km over de provinciegrens op dit thema in beeld te brengen. 24. In het planMER is gebruik gemaakt van een landschapstypologie die passend is bij het abstractieniveau van

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

provincie Gelderland. Uiteraard is een typologie altijd een versimpeling. Het planMER gaat niet in op nuances van elk van de specifieke gebieden omdat hoort bij de nadere uitwerking en besluitvorming binnen RESregio’s.

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

25. In hoofdstuk 3.5.1 staat omschreven wat is meegenomen onder het aspect luchtvaartveiligheid en radar. Overige laagvliegactiviteiten zijn niet planologisch beschermd. Windturbines vormen door hun hoogte een verticaal obstakel en kunnen daarmee invloed hebben op burgerluchtvaart, militaire luchtvaart en radardetectie. Binnen vastgestelde toetsingsgebieden gelden bouwhoogtebeperkingen waarmee bij de ontwikkeling rekening moet worden gehouden. Voor Teuge, Deelen en het antennepark Eibergen zijn specifieke restrictiegebieden vastgesteld; hier zijn windturbines uitgesloten. Negatieve effecten zijn daarmee grotendeels voorkomen. Positieve effecten zijn niet van toepassing, omdat windturbines altijd een obstakel vormen. 26. Het planMER hanteert of bepaalt geen norm, maar onderzoekt effecten. In hoofdstuk 5.3 wordt uitgebreid ingegaan op de effecten van geluid van windturbines bij verschillende afstanden en de relatie tot voormalige normen, mogelijk nieuwe normen en advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. 27. De effectbeoordelingen in het planMER geven inzicht in de haalbaarheid rondom milieuwetgeving. Het is aan de RES-partners om dit te wegen. 28. De effecten in de aanlegfase zijn sterk afhankelijk van de locatie van turbines, en de wijze waarop deze gebouwd worden. Dit is in deze fase nog niet betrouwbaar inzichtelijk te maken. 29.

Het is wettelijk verboden om broedvogels en vleermuizen te verstoren. Deze effecten zijn echter sterk afhankelijk van de inrichting van een windpark. In een latere fase zal aan deze wetgeving getoetst moeten worden. 30. In het planMER is gebruik gemaakt van een landschapstypologie die passend is bij het abstractieniveau van provincie Gelderland. Uiteraard is een typologie altijd een versimpeling. Het planMER gaat niet in op nuances van elk van de specifieke gebieden omdat hoort bij de nadere uitwerking en besluitvorming binnen RESregio’s. 31. Hier is geen wetenschappelijk bewijs voor. 32. Er is geen sprake van beleidsbeïnvloeding, maar van het toetsen van milieueffecten. 33. In hoofdstuk 5.8 staat beschreven wat de relatie is tussen netcapaciteit en de alternatieven. Naast een reguliere netaansluiting zijn er ook diverse andere mogelijkheden, zoals cablepooling. 34. Deze overweging kunnen de RES-partners betrekken bij de besluitvorming over de betreffende gebieden. 35. In hoofdstuk 11 zijn de belangrijkste kanttekeningen geplaatst bij van wind op land. Gebiedsspecifiek effecten van windenergie zijn in dit planMER beschrevenet 36. Provincie Gelderland herkent zich niet in deze stelling. Het onderzoek is opgesteld op basis van objectieve informatie, de laatste wetenschappelijke inzichten en getoetst door de onafhankelijke commissie voor de milieueffectrapportage.

Deze onafhankelijkheid blijkt uit het feit dat de commissie niet alleen waardering uitspreekt voor de hoeveelheid en kwaliteit van de milieu-informatie, maar ook op enkele punten adviseert het planMER aan te vullen voordat besluiten worden genomen. 37. Zie antwoord 12. 38. Andere oplossingsrichtingen dan wind- en zonne-energie vallen buiten de scope van dit planMER. Het onderzoek is gericht op de mogelijkheden voor grootschalig zon en wind, en warmte, op land. Dit is in lijn met hetgeen waar het provinciale Windbeleid en de RES’sen op zien. Onderzocht wordt wat de effecten zijn van eventuele initiatieven voor wind, zon en warmte. Daarmee wordt geen uitspraak gedaan over de wenselijkheid van deze oplossingen, of alternatieven daarvoor. Ook andere oplossingsrichtingen en innovaties kunnen bijdragen aan de ambities. Deze technieken worden mogelijk in andere trajecten onderzocht. Daarnaast is wind op land is noodzakelijk in het behalen van de doelstellingen voor duurzame energieopwek in 2030. Alleen windenergie op zee is zeker niet voldoende en is het transport vanuit zee naar land een enorme maatschappelijke kostenpost. We streven ernaar om uiteindelijk als land onafhankelijker te worden in onze energievoorziening. 39. In hoofdstuk 5.1 staat uitgebreid beschreven hoe deze gebieden mee zijn genomen in dit planMER.

Zoekgebieden die (deels) in GNN-gebieden en/of GO liggen zijn juist onderzocht om inzicht te krijgen in de effecten op GNN en GO. Daaruit blijkt dat deze effecten op GNN en GO een belangrijk effect vormt dat in overweging genomen kan worden bij besluitvorming over dit zoekgebied door de RES-partners. Daarmee biedt het planMER juist op deze beschermingsregimes belangrijke beslisinformatie. 40. Bij nadere uitwerking op projectniveau zal er opnieuw en op hoger detailniveau gekeken worden naar natuurfactoren. 41. In het natuuronderzoek zijn voornamelijk de wettelijke beschermingsregimes in beeld gebracht. Vee en huisdieren vallen hier niet onder. Huisdieren wonen voornamelijk in woningen en worden door geluidsregels voor woningen beschermd. Voor vee geldt dat zij vaak in omgevingen leven waar al veel geluid is. Voor zover bekend ervaren zij geen effecten van windenergie. 42. De weidevogelgebieden zijn gebaseerd op de aangewezen weidevogelgebieden uit de Omgevingsverordening van Provincie Gelderland. Gemeentes kunnen gemeentelijke weidevogelgebieden meenemen in hun besluitvorming in het RES verband. 43. In het planMER is gebruik gemaakt van een landschapstypologie die passend is bij het abstractieniveau van

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

provincie Gelderland. Uiteraard is een typologie altijd een versimpeling. Op dit niveau is het daarom niet passend om het aspect landschap en cultuurhistorie op een gekwantificeerde manier te toetsen. Het planMER gaat niet in op nuances van elk van de specifieke gebieden omdat hoort bij de nadere uitwerking en besluitvorming binnen RES-regio’s.

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

44. Cumulatieve effecten bleken vanwege de grote hoeveelheid denkbare combinaties van zoeklocaties en invullingen en het ontbreken van een voorkeursalternatief niet goed in beeld te brengen binnen en tussen regio’s en provincie. Dit geldt ook voor cumulatieve effecten op landschap. Daarom is in hoofdstuk 12.3 ook de aanbeveling gedaan om een nadere trechteringsstap te zetten bij de besluitvorming. Ook de Commissie mer signaleert het ontbreken van cumulatie van effecten. 45. Gezien het abstractieniveau van dit planMER hebben we in dit stadium niet gekozen voor een uitgebreid participatietraject met allerlei experts. Voor eventuele uitwerking op projectniveau is detailkennis relevanter. 46. De effecten van windturbines op bodem en water zijn beperkt. In de aanlegfase kan verstoring voorkomen, maar in de gebruiksfase is dit niet aanwezig. De verstoring is altijd sterk afhankelijk van de locatie. Dit moet in een vervolgfase locatie specifiek in beeld worden gebracht. Effecten van microplastics en BPA zijn, zoals eerder beschreven, niet aan de orde. 47. Gezien het abstractieniveau van dit planMER is de provincie van mening dat dit, juist middels het onderzoeksrapport Netinpassing, in deze fase voldoende is onderzocht. 48. Zie antwoord 47. 49. Dit is technisch niet mogelijk. Opgewekte stroom moet eerst altijd via een (onder)station om zo aangesloten te worden op het stroomnet. 50.

Zie antwoord 51. 51. Zon op dak valt buiten de scope van de RES-en en daarmee ook buiten de scope van het planMER. In de RES-en wordt overigens wel rekening gehouden met de autonome, trendmatige bijdrage van zon op dak in het behalen van de doelstellingen voor hernieuwbare energie. 52. In het onderzoeksrapport wordt duidelijk beschreven dat dit niet het geval is en juist zonne-energie veel meer uitdagingen brengt wat betreft pieken. 53. Zie antwoord 15. 54. Cable pooling en curtailment zijn in het planMER benoemd als alternatieve mogelijkheden van een netaansluiting. 55. In het planMER is een bandbreedte aan turbinehoogtes gebruikt om inzicht te geven in de bandbreedte van milieueffecten. 56. Zie antwoord 1. 57. Deze afbeelding is niet geheel actueel, maar geeft een goede indicatie van de beperkingen en afwegingen rondom netcapaciteit op het globale niveau van provincie Gelderland. Bij besluitvorming wordt waar nodig actuele informatie over netcapaciteit betrokken door bevoegde gezagen. 58. De provincie herkent zich niet in deze stelling. De rendabiliteit is afhankelijk van veel verschillende factoren. 59. Het onderzoeksrapport warmte richt zich uitsluitend op warmtebronnen en warmtenetten als energiebron. Mogelijke klimaateffecten van andere energiebronnen liggen niet in deze scope. 60. Zie reactienummer 23, antwoord 7. 61.

In het onderzoeksrapport warmte is te lezen hoe biomassa (zoals mestvergisting), zonthermie en geothermie (aardwarmte) zijn meegenomen in het planMER. Zonthermie wordt niet uitgebreid behandeld omdat zon op land al uitgebreid aan bod komt in, onder andere, het hoofdrapport. 62. In de notitie Totstandkoming onderzoeksgebied is uitgebreid omschreven op welke manier de

onderzoeksgebieden zijn bepaald. Deze zijn hoofdzakelijk voortgevloeid uit planologische belemmeringen, die hun basis vinden in vigerende wet- en regelgeving. In het planMER worden deze onderzoeksgebieden juist op basis van actuele wetenschappelijke kennis nader onderzocht op hun geschiktheid. 63. Zie antwoord 44. 64. In de notitie Totstandkoming onderzoeksgebied wordt nog geen onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op deze gebieden. Dit gebeurt in het planMER. 65. Zie antwoord in reactienummer 29 in de hoofdstuk, vraag 1. 66. Vanuit wetenschappelijk onderzoek is er geen bewijs voor de door de indiener genoemde gezondheidseffecten. 67. In het planMER is beschreven waarom de gehanteerde referentieturbines zijn gekozen. Deze zijn gebruikt om een bandbreedte in realistische effecten te laten zien. 68. Voor de bodemfactor is uitgegaan van een gemiddelde van 0,5. Dit is vaak representatief voor locaties waar windparken worden geplaatst. Het windpark staat in een gebied met een zachte bodem, de ontvanger woont in een gebied met een harde bodem. Bij concretere projecten moet dit opnieuw en gedetailleerder bepaald worden, en kunnen de genoemde oppervlakten in deze afweging meegenomen worden. Wijzigingen

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 245 Reactienummer:

245

Indiener:

NN

Samenvatting Zaak 1 PlanMER • 1. De indiener benoemd dat windturbines van 250 meter hoog een aanzienlijke visuele impact hebben op het landschap.

• 2. De indiener maakt zich zorgen om geluidoverlast door windturbines. Diverse personen en instanties waarschuwen voor gezondheidsproblemen door geluidsoverlast. • 3. De indiener maakt zich zorgen over de mogelijke gezondheidseffecten van blootstelling aan geluid. Veel bewoners ervaren stress en zorgen over hun gezondheid. Burgers hebben recht op een ongestoord leven, hoge windturbines zijn hier een inbreuk op. • 4. Een minimale afstand van 500 m tot clusters van woningen is onvoldoende om negatieve effecten van geluid en visuele impact te beperken. De indiener bepleit voor een grotere afstand om de leefbaarheid te borgen. • 5. De geplande locaties liggen dicht bij beschermde natuurgebieden. Dit kan leiden tot verstoring van flora en fauna. De huidige RES-plannen zijn niet nodig omdat er al voldoende energie wordt opgewekt. Zaak 2 Regionale aanvullingen voor de Achterhoek Voor samenvatting van vragen over de regionale aanvulling zie samenvatting in hoofdstuk 6, reactienummer 246. Antwoord Zaak 1 1. De zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. 2. De zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. 3. De zienswijze wordt ter kennisgeving aangenomen. 4. De zienswijze wijst op te hanteren normering van windparken. Het planMER normeert niet, geeft milieueffecten weer. 5. Windenergie kan effecten hebben op natuurgebieden.

Het is in de uitvoeringsfase te beoordelen of effecten passen in de wettelijke kaders die hiervoor gelden. Dat is niet aan dit planMER. Zaak 2 Voor beantwoording van vragen over de regionale aanvulling zie beantwoording in hoofdstuk 6, reactienummer 246.

Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 247 Reactienummer:

247

Indiener:

NN

Samenvatting Zie reactienummer 157 in dit hoofdstuk.

Antwoord Zie reactienummer 157 in dit hoofdstuk.

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 249 Reactienummer:

249

Indiener:

NN

Samenvatting De indiener heeft ernstige bedenkingen over het planMER op 8 punten 1. In het planMER ontbreken veiligheidscriteria rondom laagvliegroutes voor helikopteroperaties. Hiervoor is een veilige buffer van 750 tot 1000 meter nodig. 2. Vogels kunnen verstoord worden door windturbines. De gebieden rondom het Amsterdam-Rijnkanaal (RL06) zijn cruciaal voor weidevogels. Vanuit wetgeving is het verboden om soorten te verstoren. Gebied RL06 scoort, vanwege het detailniveau van het onderzoek, onterecht positief, ondanks negatieve scores voor cultuurhistorie, landschap, vogelgevoeligheid en de nabijheid van N2000 en dorpsgezicht Zoelen. Daarnaast is dit gebied al afgewezen door de gemeenteraad, dit wordt genegeerd in het onderzoek. 3. Windturbines kunnen effect hebben op de gezondheid. Daarom wordt in veel landen veel afstand aangehouden. In het planMER worden vaste, niet onderbouwde afstanden gehanteerd die niet aansluiten bij deze normen. Dit veroorzaakt onnodig gezondheidsrisico en maakt het MER juridisch kwetsbaar door gebrek aan onderbouwing. 4. De Raad van State stelt dat een MER een specifiek en afgebakend gebied moet omvatten om concrete milieueffecten te beoordelen. Het planMER van de provincie omvat heel Gelderland, zonder locatie specifieke toetsing. Dit maakt de effectenanalyse onbruikbaar voor besluitvorming. 5.

In het planMER ontbreken alternatieven als SMR's, kernenergie en geothermie. Hierdoor kan geen eerlijke vergelijking gemaakt worden, en de vroege uitsluiting zonder inspraak ondermijnt de procedurele zorgvuldigheid. 6. De planMER-procedure heeft langer geduurd dan eerder gecommuniceerd. De provincie geeft geen uitleg over de vertraging. Ondanks deze vertraging is wel een besluit genomen over windpark Echteld-Lienden. In gemeente Buren heeft de gemeenteraad besloten windmolens uit te sluiten. De aanwijzing van gebieden is strijdig met de lokale afwijzing. 7. In het planMER worden risico's voor vleermuisslachtoffers genegeerd. Ook kunnen vogels verstoord worden met verhoogde sterfte tot gevolg. Het miskennen van deze effecten ondermijnt de afspraken over natuurbehoud. 8. Er worden minder MER-studies uitgevoerd, en deze zijn vaak gebrekkig. Burgers verliezen rechtszaken door omgekeerde bewijslast. Dit reflecteert een systematische afbraak van milieubescherming. Daarnaast missen de opstellers van het planMER het gezag om complexe wetenschappelijke vragen op topniveau te onderzoeken. Antwoord 1. Deze afstanden zijn niet in wetgeving of omgevingsbeleid vastgelegd. 2. 2. Wij herkennen het belang van de gebieden rondom het Amsterdam-Rijnkanaal (RL06) voor weidevogels. Wij onderstrepen in algemeenheid dat ingrepen in vogelweide gebied niet is toegestaan.

Wat er vanuit soorten bescherming mogelijkheden zijn laat dit onderzoek niet zien, dat past niet bij dit abractieniveauabractieniveua en zal in plan uitwerking duidelijk moeten worden. In het planproces worden de resultaten van het onderzoek gewogen in samenhang met andere waarden, waaronder natuur, landschap en cultuurhistorie. In die afweging kan de studie waarop de gemeente eventueel op heeft gebaseerd worden betrokken.1.

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

3. . Bescherming van de leefomgeving op geluidsniveau wordt met huidige regelgeving gereguleerd met lokaal gemaakte geluidsnormen. Het voorgenomen Rijksbeleid ziet onder andere op 2xTH. Hoewel het niet strikt noodzakelijk was voor dit planMER, is deze afstandsnormen als uitgangspunt toegepast in de regionale aanvullingen. Zodat bestuurders ook dit effect kunnen beoordelen in RES verband. 4. Het planMER is opgesteld op voor heel het gebied van de provincie Gelderland, zonder regionale aanvulling van de GMR. Dit betekent dat de analyse zich richt op dit hele gebied, in het bijzonder de afgebakende onderzoekgebieden. Inclusief het vergelijken van alternatieven en het bieden van een afwegingskader. Voor het afwegen van de onderzoeksgebieden met cumulatieve effecten volgt op regioniveau in latere fase een aanvulling. 5. Dit planMER is opgesteld voor de RES’en en het provinciaal windbeleid. Deze gaan over (grootschalige) zon en wind (en warmte). Hiermee zijn de onderzochte technieken afgebakend tot wat in de RES’sen zijn opgenomen. Conform het Klimaatakkoord dat uitgaat van grootschalige opwek van hernieuwbare elektriciteit met doelstelling in 2030. 6. Reden voor de langere doorlooptijd is de ontwikkeling van extra rapportages, de regionale aanvullingen. Met een nieuwsbrief is hierover gecommuniceerd.

Bestaande windpark initiatieven zijn niet afhankelijk van dit planMER en kunnen dus een eigen proces volgen. Dit planMER is op provinciaal niveau opgesteld waarbij geen rekening is en hoeft gehouden te worden met gemeentelijk beleid. Daarnaast is de provincie het bevoegd gezag voor windenergie op basis van de Elektriciteitswet voor bovenlokale belangenafweging. Er is rekening gehouden met autonome ontwikkelingen in de gemeenten. 7. De effecten op soorten als vleermuizen zijn beschreven in onderzoeksrapport Natuur, en samengevat in paragraaf 5.1.3. 8. De MER-procedure is een belangrijk instrument om de milieueffecten van plannen en projecten in beeld te brengen. We gebruiken hiervoor de laatste wetenschappelijk inzichten en wettelijke richtlijnen. Daarnaast heeft de Commissie merm geadviseerd op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau en ontwerp planMER. Waarmee er een onafhankelijke toetsing plaatsgevonden.

Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 252 Reactienummer:

252

Indiener:

WozConsultant Nieuwenhuis

Samenvatting Zie reactienummer 157 in dit hoofdstuk. Antwoord Zie reactienummer 157 in dit hoofdstuk. Wijzigingen Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Zienswijze 254 Reactienummer:

254

Indiener:

NN

Samenvatting De indiener dient een zienswijze in op de definitie en hantering van geluidsnormen. De indiener benoemd dat het planMER hier niet onduidelijk over is, en de discussie over de normstelling duidelijk aangeeft. In het spanningsveld tussen

Reactienota planMER windbeleid en RES Regionale Aanvulling 2025

het benoemen van zoekgebieden als 'geschikt' en de afstand tussen windturbine en woning spelen diverse aspecten die de indiener wil meegeven 1. De eenheid dB Lden is een eenheid voor hoorbaar geluid, maar is in de praktijk niet te meten en kan daarom ook niet gehandhaafd worden. Er moet een eenvoudigere norm worden vastgesteld die meetbaar is, ook voor omwonenden, om het mogelijk te maken om windparkeigenaars te controleren. Hierin moet ook standaard omgevingsgeluid betrokken worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16052860/2